Wenst u “kerken die werken”?…

‘Mijn huis is een bedehuis, maar gij hebt het tot een moordenaarskuil gemaakt’
(Lukas 19 : 46, SV)

HC Zondag 40 – Wat gebied God ons in het zesde gebod?

Pleeg geen moord. (Exodus 20 : 13)

Maar is het niet genoeg, dat wij onze naaste, zoals al eerder gezegd is, niet doden?

(…) Het is een harde uitspraak dat het bedehuis een moordenaarskuil is. Hoe durft Christus het zo te noemen, terwijl er toch geen moord in begaan is? Er wordt alleen maar gekocht en verkocht – daarbij is er ook een wisselbank, zodat er schapen gekocht kunnen worden om te offeren. Dat zijn toch juist goede werken tot eer van God? Hoe kan Christus het dan een moordenaarskuil noemen? – Daarom, omdat deze koophandel en offerdienst het volk verwaand en hoogmoedig maakte, zodat ze het Evangelie verachtten en tegen stonden. Ze waren tevreden en voldaan vanwege hun offerdienst, beroemden zich erop, en meenden dat deze dienst de gerechtigheid was waardoor Jeruzalem verlost zou worden.

Zo gaat het vandaag nog: hoe heiliger het huis is, hoe erger moordenaarskuil het wordt. Bossen en herbergen waarin roversholen en moordenaarskuilen zijn, stellen eigenlijk niet veel voor. Dát echter zijn de echte moordenaarskuilen: kerken zonder prediking van Gods Woord, waar de mensen aan het werk worden gezet (1), plaatsen waar ze God laten praten en er zich niet om bekommeren wat Hij zegt. Dat leren ze van hun predikers, en ze dekken hun zonden toe met offers en giften – daardoor worden ze onverbeterlijk en verachten Gods Woord. Ondanks de offers en de giften zijn ze doodschuldig, en omwille van hen wordt een heel rijk en land verwoest. Waar het zó met een kerk gesteld is daar is die kerk – van hoog tot laag – met bloed bevlekt en daarbinnen wordt bloed vergoten.
Hoe heiliger een plaats, hoe gruwelijker de satan die plaats maakt. Als er wordt geluisterd naar een prediker die een schadelijke prediking brengt, is deze in staat om de hele wereld te verleiden. Vergeleken met valse leraars hebben rovers en landsknechten [= soldaten, huurtroepen] niets te betekenen. Een valse leraar staat ergens en doodt met zijn tong allen die naar hem luisteren, en verder allen die zijn boeken lezen.

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1529, vgl. WA29,509,26 – 510,21 (verkort)

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

(1) Ons werken behoort vrucht te zijn van een zuivere bediening van heel Gods Woord, persoonlijke omgang met Gods Woord en gebed.

(…) 7 Want Mijn ​huis​ zal een ​huis​ van ​gebed​ genoemd worden voor alle volken. (Uit Jesaja 56)

Uit Psalm 51
(…) 18 U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept u geen behagen.
19 Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult u, God, niet verachten.
(…) 14 Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.
15 Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,
en zullen zondaars terugkeren tot u. (…)

Bron afbeelding:  Becoming Mary

Psalm 51 17 English NIV - Becoming Mary

 

 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

“Gij zijt die man” (mens)…

(…) 4 Geen aanklacht is nog zuiver, geen rechtszaak wordt eerlijk gevoerd. 
(Uit Jesaja 59)
(…) 5 David​ ontstak in woede over de rijke man en zei tegen ​Natan:
‘Zo waar de HEER leeft, de man die zoiets doet verdient de dood.
(Uit 2 Samuël 12)

HC Zondag 40 : Wat gebied God ons in het zesde gebod?

Pleeg geen moord. (Exodus 20 : 13)

Het is toch bedroevend dat God hier in het algemeen spreekt en niemand uitzondert. Hij laat Zijn oordeel over alle mensen gaan, over goeden en kwaden, armen en rijken, over hoge en lage standen, over vorsten, heren en knechten. Zou Hij dan de heilige mensen niet buiten beschouwing hebben gelaten, de wetgeleerden en de farizeeën? Nee, niemand valt er buiten. Hij bedoelt ze allen en werpt ze allen op één hoop (vgl. Romeinen 3 : 9) (1). Het is alsof Hij wilde zeggen: zij zijn allemaal misdadigers, moordenaars en doodslagers, er is er niet één die geen kwade bloedhond is. Dit is nu in het kort de conclusie: zoals wij allen ooit ongehoorzaam waren tegen vader en moeder, zo zijn wij ook allen moordenaars. Op die manier kunnen we nu leren wat een ‘lief’ kind onze wereld is. Dat laten de Tien Geboden mooi zien, waarin je als in een spiegel kunt kijken hoe het er vanbuiten en vanbinnen bij jou uitziet.
Je zegt echter: ‘Ik wil helemaal niemand doden, vermoorden of doodslaan, ik zou nog geen vlieg kwaad doen.’ Wel, lieve vriend, wanneer iedereen doet wat jij graag wilt, je vriendelijk toelacht en je goede vriend of broer noemt, dan ben je wel vroom – als ze je echter onrecht aandoen, als ze je aanvallen, uitschelden of lasteren, dan kom je er wel achter hoe geduldig en lijdzaam je bent.
Maar waarom zegt God dit dan? God ziet in jou de boze natuur waarin je geboren bent (2), want Hij is een Proever en Kenner der harten (vgl. Spreuken 17 : 3), daarom heeft Hij dit gebod gegeven. Wanneer je echter een vriendelijk hart kon hebben tegenover vijanden, ze allen het goede zou gunnen en niet het minste kwaad – ook als iemand jou treitert en pest, dan kon je jezelf beroemen: ik dood niet! Maar waar kan je iemand vinden die dat doet? Niemand doet dat, want zolang kan je wel vriendelijk blijven, zolang als een ander jou ook geen kwaad doet. Doet hij dat wél dan is de vriendschap al voorbij en kan je jezelf niet zo inhouden dat je niét tegen dit gebod zondigt – je doodt hem, doe je het niet met de vuist dan doe je het toch wel in je hart.

(1) (…) 13 Hun keel is een open ​graf, met hun tong plegen zij bedrog, addergif is onder hun lippen. 14 Hun mond is vol ​vervloeking​ en bitterheid, 15 hun voeten zijn snel om ​bloed​ te vergieten. 16 Vernieling en ellende is op hun wegen, 17 en de weg van de ​vrede​ hebben zij niet gekend. 18 De vreze Gods staat hun niet voor ogen. (Uit Romeinen 3)
(2) (…) 7 Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al ​zondig​ toen mijn moeder mij ontving (Uit Psalm 51)

Maarten Luther: Predigten über das 2. Buch Mose, 1524-1527, vgl. WA 16, 508,19-509,19

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding: god’s word images

Matteüs 22 - eerste en tweedeGebod - English - god's word images

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Genade is niet te bevatten…

(…) 9 En toen Jezus ​opgestaan​ was, ’s morgens vroeg op de eerste dag van de ​week, verscheen Hij eerst aan ​Maria​ Magdalena, uit wie Hij zeven demonen uitgedreven had. (Uit Markus 16)

HC Zondag 17 : Wat nut ons de opstanding van Christus?

Moet ik, arme madenzak (1) die ik ben, ik die puur zonde ben, vast geloven dat Christus Die nooit zonde heeft gedaan, voor mij moest sterven en mijn zonde op Zich nemen? Wie kan dat geloven? Laat mij iemand zien die dat gelooft – die moet wel een groot hart hebben! Maar ik, ik heb de eeuwige dood en de eeuwige toorn van God verdiend. Moet ik mijn huid afstropen, geloven en zeggen: ik heb geen schuld, ik weet van geen zonde, de dood gaat mij niets aan, ik zal niet sterven? Hoe is het mogelijk dat de natuur dit begrijpt? Nu, deze grote roem overkomt een christen die een nieuwe-mens wordt, dat hij niets weet van dood en zonde. ‘Wat?’ zegt het hart, ‘kijk maar eens naar je zondenregister, je bent toch vol zonde!’ Dan antwoord ik: ‘Er is niets dan puur leven en onschuld. Christus is voor mij gestorven en opgestaan. Hij heeft Zich voor mij laten verslinden door dood en graf. Niets kan mij nu nog kwaad doen.

Op dit hoofdstuk hebben wij ons leven lang genoeg te studeren en wij kunnen het dan nog niet onderde knie krijgen,ook niet als wij er honderd jaar over doen. Voor u is het een gemakkelijke zaak als er gepreekt wordt over de opstanding van Christus. Laat mij echter iemand zien die deze vier woordjes ‘opgewekt om onze rechtvaardiging’ (vgl. Romeinen 4:2-5) kan bevatten. Alle mensenharten zijn niet genoeg om deze woorden te begrijpen, de hele wereld is te klein voor dit woord – want te groot zijn de woorden!

Hoe zou vlees kunnen begrijpen: je hebt gezondigd maar Ik wil je plaats innemen; je hoeft nu voor geen zonde of dood meer te vrezen. Dit kan ik niet begrijpen, want de Persoon is te groot – en het werk is te groot!

Deze woorden zijn vol vuur, zodat zij in hen die geloven,
zonde, dood en alle vrees verteerd worden.

(…) 2 Indien Abraham als een rechtvaardige zou zijn aangenomen op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God, 3 want wat zegt de Schrift? ‘Abraham​ vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van ​gerechtigheid​ toegerekend.’ 4 Iemand die zijn loon verdient, krijgt het niet als een ​gunst​ maar als een recht. 5 Maar iemand zonder verdienste, die echter vertrouwt op hem die de schuldige vrijspreekt, wordt vanwege zijn vertrouwen ​rechtvaardig​ verklaard. (Uit Romeinen 4)

(1) In de tijd van Luther was op deze manier met bederf en dood geconfronteerd worden heel gewoon! Veel voedingswaren bedierven en werden door maden aangetast voordat ze geconsumeerd konden worden en ook trof men nogal eens “aangetaste menselijke resten” aan in en om de stad en in de bossen en de velden.

Maarten Luther: Predigten des Jahren 1525, vgl. WA 17.1, 185, 28-186,32 (verkort)

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengetseld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding: We Heart It

Romeinen 4 25 - He was delivered to death - We Heart It

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Huwelijk en gezin | 1 reactie

Vrijmoedig bidden in tijden van nood…

“En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zoon van David, ontferm U over mij!”
(Uit Lukas 18:3-8)

WIE BIDT ALS EEN BEDELAAR en zonder ophouden blijft roepen, die doet het goed. Onze Heere God heeft het graag zo, want Hij is niet zoals wij mensen, die van bedelaars al gauw genoeg hebben. Het is Zijn eer, dat je Hem voor een genadige en barmhartige God houdt en het roepen tot Hem niet opgeeft. Zeg maar: Heere, het is Uw eer om te horen en U wordt erom geprezen, daarom, lieve Heere, zie niet naar wat ik ben, maar zie mijn gebrek en nood aan. Dat ik tot U roep is tot eer van Uw Naam en ik wil het ook niet opgeven.
Zo’n aanhoudend en vrijmoedig gebed is Hem aangenaam, zoals je hier bij deze blinde ook kan zien. Zo spoedig als hij uit alle macht begint te roepen laat de Heere hem al tot Zich komen. Iedereen moet ruimte maken en uit de weg gaan. De blinde schaamt zich voor niemand en laat zich gewillig tot Hem leiden. Gelijk vraagt de Heere hem: ‘Wat wilt u dat Ik u doen zal?’ Kijk eens hoe Christus hier met geopende handen voor hem staat, alsof Hij zegt: Vraag alles maar wat je wilt, het zal gebeuren. De blinde laat geen tijd verloren gaan en zegt: ‘Ik bid dat ik zien mag’. Toen antwoordde de Heere: ‘Ja, word ziende.’ Dat noem ik nog eens vrijmoedig gebeden en genadig verhoord!

Maarten Luther: [Evangelion Luce am 18.1534, vgl. WA 52,169,30-170,7]

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” – samengesteld, vertaald en ingeleid door H.C. van Woerden (Uitgever Den Hertog B.V., Houten)

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Psalm 116 1-2 - DailyVerses.net

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Evolutie tegengewerkt door de wetenschap…

Evolutietijdklok van varken(s) teruggedraaid

(…) Wetenschappers hebben in de Verenigde Staten bij 37 varkens de virussen verwijderd die in hun DNA verborgen zaten.
Volgens de onderzoekers is het een opwindende stap in het proces om ooit organen van varkens naar mensen te transplanteren. Hoewel ze ook stellen dat het een enorme uitdaging is om te voorkomen dat die organen door het menselijk lichaam worden afgestoten.
(…) Bij de Crispr-techniek knipt een soort molecule schaar selectief ongewenste delen (1) weg uit het DNA en vervangt het met nieuwe stukjes.
Volgens de onderzoekers van Harvard zijn het de eerste varkens die deze virussen niet hebben, zo schrijft BBC. Het zouden genetisch gezien ook de “meest aangepaste” dieren ooit zijn (2), gezien het aantal wijzigingen in het DNA.
(…) De onderzoekers zeggen dat het gros van de onderzoeken met genetisch aangepast dieren is bedoeld om ooit het orgaantekort voor mensen op te lossen. “Maar we erkennen dat we nog in een zeer vroeg stadium zitten”, aldus een van de wetenschappers.

OPGEMERKT:
(1) De virussen zorg(d)en juist voor wijzigingen in het DNA die de varkens op een hogere trap van de evolutie moeten gaan brengen, maar eigenwijze wetenschappers brengen die mutaties om zeep en herstellen weer de “originele toestand” (zoals net na de schepping).
(2) Ze durven deze “in de tijd teruggezette dieren” zelfs “de meest aangepaste dieren ooit” te noemen…

Bron tekst: nu.nl/wetenschap
Bron afbeelding: Peter van der Helm (Wakker Dier Adds)

Geplaatst in Bijbel, Geschiedenis, Wetenschap | Plaats een reactie

Roep Mij te hulp in tijden van nood…

“In mijn nood riep ik tot de Heer en Hij antwoordde mij” (Jona 2 : 2)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (11)

(…) “Het is onmogelijk voor de natuur om te handelen en zich te gedragen in strijd met wat het voelt. En nu het Gods boosheid en straf voelt, kan het God niet anders zien dan als een boze tiran. De natuur kan de obstakels die deze toorn opwerpt niet overwinnen, het kan dit gevoel niet onderdrukken en zijn weg van God af een weg tot God maken en tot Hem bidden, omdat Hij gezien en ervaren wordt als vijand.

Daarom, toen Jona zover gekomen was dat hij God begon aan te roepen, toen had hij de overwinning behaald. En dus moet ook jij zo ver komen en zó gezind zijn en ook jij moet zó handelen. Sla je ogen niet naar beneden en vlucht niet weg, maar sta stil, sla je ogen op, en je zal de waarheid van het vers ontdekken (Psalm 118: 5): “In mijn nood heb ik tot de Heer geroepen; En de Heer heeft mij geantwoord.” Doe een beroep op de Heer, ja, op God en op niemand anders. Wend je tot degene Die toornig is en straft, en zoek niemand anders.

Het antwoord van de Heer bestaat daarin, dat u al spoedig ondervindt dat uw situatie verbetert – u zult spoedig zien dat de toorn vermindert en de straf verlicht wordt. God laat je roepen niet onbeantwoord wanneer je Hem aanroept, ook al kan je niet meer doen dan dat. Hij vraagt ​​niet naar uw verdiensten. Hij weet heel goed dat je een zondaar bent die zijn toorn verdient. Als dat niet zo was, zou God ons niet straffen.

Maar de natuur kan niet anders dan voortdurend aandringen om toch iets bij te mogen dragen aan de verzoening met God – maar het kan niets vinden. De natuur weet niet en gelooft niet dat het genoeg is om God aan te roepen om Zijn toorn te stillen, zoals Jona ons hier leert. ‘

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 223, 12-29

Bron: If you would like to have these Luther Quotes (1) sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, they can use the web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from the weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(1) Deze Luther Quote “Lectures on Jonah – 1525/1526 (11)” werd vertaald uit het Engels.

Bron afbeelding:  Bemoedigende Bijbelteksten

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Paulus en de Godskennis in de wereld… (II)

(…) 17 In het ​evangelie​ (het Woord van God zoals aan de mens(en) geopenbaard en bekend was vanaf het begin, dus gedurende de tijd/eeuwen die het Oude Testament bestrijkt!) openbaart zich dat God enkel en alleen wie gelooft als rechtvaardige aanneemt, zoals ook geschreven staat: ‘De rechtvaardige zal leven door geloof.’ 18 En vanuit de hemel openbaart Gods toorn zich over al ​het kwaad​ en ​onrecht​ van hen die met hun onrechtvaardigheid de waarheid geweld aandoen. 19 Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. (Uit Romeinen 1)

(…) 5 Want willens en wetens is het hun onbekend dat door het Woord van God de hemelen er reeds lang geweest zijn, evenals de aarde, die uit water oprijst en in water vaststaat. 6 Daardoor is de wereld die er toen was, vergaan, overspoeld door het water. (Uit 2 Petrus 3)

(…) „Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid” (Romeinen 1 : 20). De opvatting, die een splitsing in de kennis wil aanbrengen, staat hier voor niet geringe moeite. Want als men Gods kracht en Goddelijkheid stelt tegenover andere „eigenschappen Gods”, bijvoorbeeld Zijn genade en vergevingsgezindheid, dan vergeet men dat Gods eeuwige kracht en Zijn God-zijn juist in die genade het meest tot uiting komen. Maar als men de constructie van tweeërlei kennis los laat, wordt dit vers eenvoudig en duidelijk. Het gaat hier eenvoudig om de kennis van God. Die is niet gedeeld, al is ze in den loop der openbaringsgeschiedenis telkens verdiept. Maar aangezien hier de geschiedenis als geheel wordt genomen, valt de ontwikkelingsfactor buiten geding; daar gaat het nu niet over. Ging het daar wel over, dan had de apostel kunnen wijzen op het universele karakter van de bijzondere openbaring tot op Abraham, en dan was er nog genoeg aan te wijzen, dat alle verontschuldiging wegneemt. De moederbelofte is universeel, en de profetie van Noach uit Gen. 9 : 25-27 eveneens.

De woorden „eeuwige kracht en Goddelijkheid” lenen zich al heel slecht voor het opstellen van een scholastisch schema. Want hier worden zo breed mogelijke aanduidingen gebruikt. Zelfs menen we geen recht te hebben een scheiding te maken in die zin, dat Paulus hier over twee gegevens spreken zou. Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid, dat is o.i. eenvoudig: dat God God is. De gelovige, de niet-revolutionair, ziet dat voor zijn ogen, elke dag. En dat is ook de normale toestand. En alleen wie ziet, dat God God is, kan ook geloven dat Hij een zondaar genadig is. Want dat is eigenlijk iets ongelofelijks; en als de discipelen even wanhopen aan de redding der wereld, en vragen: wie kan dan zalig worden!, dan getuigt de Christus van Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid: bij God zijn alle dingen mogelijk.

Die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, zien in Gods werken iets geheel anders: omdat zij het schepsel eren boven de Schepper en de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door wat lijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en kruipende dieren, zien ze in Gods grote werken juist het tegendeel van de bewijzen van Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid. Dit fundament: de kennis Gods is onder de mensen geldig, bepaalt heel het verloop der historie. Die geldigheid is uit de geschiedenis nooit weg te werken.

De nadere typering van “de tijden der onwetendheid” gewaagt van het overleveren aan een verkeerde geest. Daarbij zijn twee delen te onderscheiden. De verzen 24-27 in Handelingen 17 besteden vooral aandacht aan de seksuele zonden, waardoor het Hellenisme geteisterd werd, en zien die vanuit de wortel: het schepsel eren boven den Schepper. De enkele wrange verzen doen zien, hoe het leven vergiftigd wordt, als het op eigen heerlijkheid vertrouwt.

Breder terrein bestrijken de verzen 28-32. Zij doen zien, hoe diezelfde vergiftiging van het leven overal doordringt, wanneer de kennis van Gods wordt afgekeurd en onbruikbaar geacht: het gevolg is dat alle levensverhoudingen beneden peil geraken. De zonden-catalogus die dan volgt behoort wel tot het bitterste wat Paulus heeft geschreven. Hij moest dit schrijven aan de gemeente te Rome, die het levensbederf van zo dichtbij zag. En in tegenstelling tot de moralistische ondeugden opsommingen, die we bij de stoïsche auteurs aantreffen, geeft Paulus een opsomming, die gedragen is door de eis van het geloof: de kennis van God te aanvaarden.

Niet elke tijd geeft een zo ver-gaande voortwoekeren van levensbederf als het Hellenistische Rome; veeleer is dit uitzondering. We vragen ons af, hoe in een dergelijke samenleving nog een christelijke gemeente kan bestaan. Paulus sluit de ogen niet voor dit vreselijke. Hij weet dat de christenen te Rome van deze verwording dagelijks getuige zijn. En hij geeft hun het enig deugdelijke wapen: in geloof te zien, dat dit de vrucht is van de verwerping van de kennis van God. (…)

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

(…) 14 Zij zijn het ook over wie Henoch, de zevende vanaf ​Adam, geprofeteerd heeft toen hij zei: ‘Ik zie de ​Heer​ komen met zijn ​heilige​ tienduizendtallen 15 om over allen zijn vonnis uit te spreken; alle goddeloze zondaars zal hij veroordelen voor alle goddeloze daden die ze in hun goddeloosheid bedreven hebben en voor de harde woorden waarmee ze hem hebben beledigd.’ 16 Ze doen niets anders dan zeuren en zagen, ze laten zich leiden door hun begeerten, brallen maar wat en praten anderen naar de mond om er zelf beter van te worden.
(…) 20 Maar u, geliefde broeders en zusters, moet uw leven bouwen op het fundament van uw zeer ​heilige​ geloof. Laat u bij het ​bidden​ leiden door de ​heilige​ Geest, 21 houd vast aan Gods ​liefde, en zie uit naar de ​barmhartigheid​ van onze ​Heer​ ​Jezus​ ​Christus, die u het eeuwige leven zal schenken. 22 Ontferm u over wie twijfelen 23 en red anderen door hen aan het vuur te ontrukken. (Uit Judas 1)

Bron afbeeldingen:  SlideShare (Zie evt. meer over Henoch)

Jude 1 - Henoch - SlideShare

 

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Cultuurvereniging, de “volheid des tijds” en de “volheid der tijden”…

(…) 15 “Wat doet u toch? Wij zijn mensen, net als u. Onze boodschap is nu juist dat u geen ​afgoden​ moet vereren, maar de levende God, die de hemel en de aarde en de zee heeft geschapen en alles wat daar leeft. 16 Hij heeft in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan,”… (Uit Handelingen 14)

(…) Wij merk(t)en dus een innerlijke verwantschap op tussen een typische zonde van het Lycaonische volk (Zie Handelingen 14) en het Joodse volk; in beide gevallen is sprake van een aanpassing van het oorspronkelijk cultuurleven aan dat van de Hellenistische periode. Het romantisch moralisme, dat we hier aantreffen, schijnt een echt Hellenistisch motief te zijn. Dit geeft ons reeds een iets steviger houvast aan de betekenis van de term Hellenisme. Het Hellenisme is een beweging van cultuurvereniging. Verschillende cultuurkringen worden tot een geheel samengevoegd, en al zijn de samenstellende delen nog te onderscheiden, de eenheid is ook reeds wordende. De afval van het Jodendom in deze periode kwam vooral daarin uit, dat het Joodse volk ondanks de neiging tot afzondering, toch reeds bezig was deel uit te maken van het Hellenistisch cultuurgeheel. En in de wording van dit geheel zien we een voorname trek van de “volheid des tijds“.

Het is nog niet de “volheid der tijden“. Ook die wordt gekenmerkt door een vereniging van vele verschillende culturen. Van de volheid des tijds is dit nog slechts een voorspel: het zijn de landen rondom de Oude Wereldzee, die in een cultureel verenigingsproces begrepen zijn; het volk met de bijzondere roeping is van dit proces niet uitgesloten; niettemin is het een voorspel: grote delen van de wereld zijn er niet in begrepen, de bewoners van een groot deel van Afrika en Indië, van China en Australië en Amerika en een deel van Europa vallen er nog buiten. Als de volheid der tijden aanbreekt vindt dit alles zijn voltooiing. Dan is niet één volk uitgezonderd. Ook het volk met bijzondere roeping, de Christelijke kerk, is dan in het verenigingsproces begrepen. Zoals het Joodse volk van zijn roepingsbesef was losgeslagen toen de volheid des tijds aanbrak en van het zaad van Abraham een opvatting koesterde, die in romantisch moralisme zich niet van de wereld onderscheidde, zo zal in de volheid der tijden de kerk en de christelijke cultuur verwereldlijkt blijken te zijn.

En opnieuw zal de Zoon des mensen vragen: Zal Ik ook geloof vinden op de aarde?

Als wij ontdekken, dat geforceerde kerkelijke eenheidsbewegingen, gepaard met vertrouwen op eigen wijsheid en deugd, hand over hand toenemen, wil dit niet anders zeggen, dan dat de hemel droevig rood wordt.

Het antwoord van de apostelen op de uiting van Hellenistisch (on)geloof laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Zij zagen het gevaar zo scherp, omdat zij zelf Hellenisten waren. Zij verstonden de Hellenistische afval zo goed, omdat hun eigen volk daarin deelde, en zij deze afval ook in eigen hart te bestrijden hadden. Daardoor verstonden zij hun tijd en de taal van hun tijd ; daardoor konden zij in die taal van de waarheid getuigenis geven; daarom is het Nieuwe Testament een plant van Griekse bodem omdat het in de taal van het Hellenisme getuigt tegen het afvallig Hellenistisch geloof.

Dit getuigenis (in Handelingen 14)bevat eerst de prediking van den soevereine God, vers 15, en dan een kort overzicht over de geschiedenis in haar geheel, vers 16 en 17. In de prediking van de soevereine God staat heel scherp het geloof naar Gods Woord tegenover het geloof, dat uit het mensenhart opkomt in tegenstelling tot Gods openbaring. Vers 16 laat geen twijfel bestaan omtrent de afval van alle volkeren: God heeft ze in het verleden in hun eigen wegen laten wandelen. Ook het geloof van de Lycaoniërs is daarvan een bewijs. Toch heeft God zich niet onbetuigd gelaten. Hij heeft van de waarheid getuigd, door wat Hij deed: hun leven onderhouden en tot ontwikkeling en bloei brengen.

In de tegenstelling tussen het wandelen in eigen wegen, d.i. leven in afvallig geloof in verwerping van het woord Gods, en het getuigenis van God omtrent de waarheid ligt de Nieuw-Testamentische geschiedenisbeschouwing in kiem besloten. (…)

Voor het ogenblik willen wij, als vrucht van onze lezing van dit Schriftgedeelte vasthouden:

  1. dat de apostolische prediking de Hellinistische geloofsinterpretatie van het openbaringswonder radicaal afwijst;
  2. dat de apostelen reeds de eerste keer, dat zij met een heidens gehoor in nauwer contact komen de nadruk leggen op de afval van alle volken. Het constateren van deze afval houdt Gods oordeel in over de samengestelde Hellenistische wereldcultuur, die beslissend geworden is voor de culturele ontplooiing van alle volkeren van de wereld tussen de volheid des tijds en de volheid der tijden.

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

Bron afbeelding:  Pinterest

Collosians 2 8 - Be careful - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Ons lijden niet maatgevend…

(…) 16 Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd. 17 Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig ​gewicht​ van heerlijkheid, 18 daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig. (Uit 2 Korintiërs 4)

Op zondag 20 juni 1535 heeft Luther zowel in een morgen- als in een middagdienst gepreekt over Romeinen 8 : 18. Het opschrift bij deze vervolgpreek is in het Nederlands: ‘Een christelijke en heerlijke troost in allerlei lijden en droefheid, uit het achtste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen door dr. Martinus Luther gepreekt Anno 1535.’

‘Want ik houd het daarvoor, dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden’ (Romeinen 8 : 18, weergave DB 1545).

“Let er nu eens op hoe Paulus zijn rug naar de wereld keert en zijn aangezicht naar datgene wat aan ons zal geopenbaard worden. Het is net alsof hij op aarde geen ongeluk of ellende, maar alleen pure vreugde ziet. ‘Hoe slecht het ook met ons gaat,’ zegt hij, ‘wat is toch ons lijden, vergeleken met de onuitsprekelijke vreugde en heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden? Het is niet waard dat men dít tijdelijke lijden tegen het andere zou opwegen of zelfs maar een “lijden” zou noemen!’

Hier ontbreekt het ons echter aan: dat we deze voortreffelijke en uitnemende heerlijkheid, die wij moeten verwachten, niet met onze lichamelijke ogen kunnen zien en niet met onze handen kunnen tasten. Dan zouden we immers pas bevatten wat het inhoudt dat we nooit meer zullen sterven, nooit meer honger of dorst zullen hebben, én bovendien dat we een lichaam krijgen dat nooit meer hoeft te lijden of ziek te zijn.

Wie zelfs al het mogelijke lijden en ongeluk – en nog tienmaal erger! – in gedachten kon nemen, die zou nóg zeggen: ‘Wat is al dit tijdelijke lijden vergeleken met het komende eeuwige leven?’ Want wat is het tijdelijke lijden – hoe lang het ook mag duren – als we het zouden zien in vergelijking met de eeuwige vreugde? Het lijden op aarde is ook niet waard dat men het zou roemen en er een verdienste voor God van zou maken [of: het als een betaling voor de zonden zou zien, hcvw].

Christenen moeten leren dat het oneindige helemaal niet te vergelijken is met het eindige. Wat is immers één stuiver vergeleken met een hele wereld vol guldens? Hoewel deze vergelijking nog niet opgaat, omdat zowel het één als het ander vergankelijk is. Daarom is al ons lijden in deze wereld – niets, in vergelijking met het heerlijke, eeuwige leven dat we daar zullen zien en eeuwig zullen bezitten. Daarom bid ik u, lieve broeders, wees voor geen enkel lijden bevreesd, al zou u uw leven erbij laten.

Als u ware mede erfgenamen van Christus bent, dan moet het lijden een stukje van uw erfenis zijn, namelijk, dat u ook mét Hem moet lijden. Maar wat is toch dit lijden vergeleken met de eeuwige heerlijkheid, die reeds voor u bereid en verworven is door het lijden van uw Zaligmaker Jezus Christus?

Het is toch niet waard om met elkaar vergeleken te worden? Zó maakt Paulus al het lijden op aarde zo klein als een druppeltje water en een gloeiend vonkje, maar de komende heerlijkheid – die wij gelovig verwachten – zo groot als een eindeloos grote zee en een onbegrijpelijk groot licht.”

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1535, vgl. WA 41, 303, 7-38

Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: Lucas Cleophas

2 Petrus 1 5-7 - make evry effort to supplement your faith - Lucas Cleophas

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Paulus en de Godskennis in de wereld… (I)

(…) Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, daarom dat hetgeen van God gekend kan worden in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want hetgeen van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschuldiging hebben. (…) Bewerende wijs te zijn zijn ze dwaas geworden… (Uit Romeinen 1 de verzen 18-22)
(…) God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren… (Uit Handelingen 17 – Paulus rede te Athene)

De “onwetendheid” is het fundament van de heidense religie, en van de dragers van die religie wordt gezegd,, dat God hen heeft overgeleverd aan een verkeerde geest (Handelingen 17 : 28).
Indien het hier slechts de zogenaamde natuurlijke godskennis betrof, dan is niet in te zien, dat zij ‘niet te verontschuldigen‘ zijn. Want één van tweeën: óf die natuurlijke kennis staat los van en zelfstandig naast de Woord-openbaring; en dan zijn beide niet te verenigen, en moet, wie de natuurlijke kennis als echte kennis handhaaft, door die kennis het Woord van God laten oordelen, en tot de conclusie komen, dat Paulus zich aan ergerlijke grootspraak te buiten gaat; óf die natuurlijke kennis moet worden geoordeeld door de kennis van de openbaring, en dan berust de beschuldiging op het feit, dat die natuurlijke kennis nooit los kan staan van de Woord-openbaring. Maar dan is hier ook geen reden meer die natuurlijke kennis aan de orde te stellen.

Als „want God heeft het hun geopenbaard” op de werk-openbaring van God betrekking zou hebben, dan rijst de vraag, of zo’n uitspraak ook maar enige zin heeft, omdat volgens de Schrift de werken van God eerst bij het licht van Zijn Woord kunnen worden doorzien en begrepen. Maar degenen, die in onwetendheid wandelen, in eigen wegen, dat zijn zij, die door God aan een verkeerde geest zijn overgeleverd, die begrijpen de werken van God niet meer: zij interpreteren ze bij het valse licht van hun pseudo-openbaring, en komen zo zonder uitzondering tot dwaling.

De gegevens uit Handelingen zijn al voldoende om te bewijzen, dat de religie van de heidenen in dwaling opgaat. Wat maken zij uit de werken van God op? Paulus’ ervaringen te Lystra (Handelingen 14) leren, hoe grondig het afvallig denken de werken van God niet begrijpt, en de motieven van de onbekende god en de verwantschap tussen goden en mensen, die in Handelingen 17 aan de orde komen, zeggen hetzelfde. Daarentegen houdt Paulus onverbiddelijk vast: omdat de kennis Gods onder hen gangbaar is, want God heeft hun die medegedeeld. Dit kan dus niet betrekking hebben op deze „natuurlijke godskennis”.

Een nadere motivering daarvan geeft Handelingen 17 vers 20. Ook dit vers is maar al te ijverig voor het geloofsoog van de gemeente verduisterd door uiteenzettingen omtrent de algemene en bijzondere openbaring. Men heeft er ongetwijfeld een goede bedoeling mee gehad, die te waarderen is. Maar een poging om de kennis van God te splitsen in twee afdelingen, moet tot mislukking leiden. Want men is op die wijze genoodzaakt aan te nemen dat de „onzichtbare eigenschappen van God” begrepen kunnen worden zonder het licht van de Woord-openbaring. En dat is onmogelijk, omdat overal waar dit licht ontbreekt het om één reden niet aanwezig is, en wel omdat de Woord-openbaring daar is verdrongen door een vervalsing ervan.

Als we zeggen : „zij missen het licht van de Woord-openbaring”, dan zeggen we: zij leven in verwerping van die openbaring; en die verwerping is nooit geldig: geldigheid heeft alleen de kennis, die er sinds de schepping van de wereld is. Waar die kennis van de waarheid ten onder gehouden wordt door het leven in ongerechtigheid, daar is geen residu van kennis over, maar daar is dwaling, daar is onwetendheid. Van de schepping der wereld aan worden Gods onzichtbare eigenschappen uit Zijn werken met het geestelijk oog doorzien: dát is de geldige situatie, en die geldigheid kan niet worden te niet gedaan door enige weigering om met het geestelijk oog te zien. Het is een kwestie van geloof of ongeloof.

Met het oog van het geloof ziet de mens uit Gods werken Zijn onzichtbare eigenschappen, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid. En als de mens weigert te geloven, zoals hij sinds den zondeval vrijwel onophoudelijk en bijna overal ter wereld doet, welnu, dan ziet hij Gods onzichtbare eigenschappen eenvoudig niet. Maar dan is zijn geloof, dat gebonden is aan de wet van het geloof, de Woord-openbaring, ook vervangen door ongeloof, dat zich bindt aan een vervalsing van de Woord-openbaring. Het spreekt wel vanzelf, dat hieruit geen verontschuldiging kan worden afgeleid.

„Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid”. De opvatting, die een splitsing in de kennis wil aanbrengen, staat hier voor niet geringe moeite. Want als men Gods kracht en Goddelijkheid stelt tegenover andere „eigenschappen van God”, bijvoorbeeld Zijn genade en vergevingsgezindheid, dan vergeet men dat Gods eeuwige kracht en Zijn God-Zijn juist in die genade het meest tot uiting komen. Maar als men de constructie van tweeërlei kennis los laat, wordt dit vers eenvoudig en duidelijk. Het gaat hier eenvoudig om de kennis van God. Die is niet gedeeld, al is ze in den loop van de openbaringsgeschiedenis telkens verdiept. Maar aangezien hier de geschiedenis als geheel wordt genomen, valt de ontwikkelingsfactor buiten geding; daar gaat het nu niet over. Ging het daar wel over, dan had de apostel kunnen wijzen op het universele karakter van de bijzondere openbaring tot op Abraham, en dan was er nog genoeg aan te wijzen, dat alle verontschuldiging wegneemt. (… wordt vervolgd!)

Bron tekst:  “Evangelie contra evangelie – Joden en Grieken in het Nieuwe Testament” van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

Bron afbeeldingen:  The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints en SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie