Toen mijn ziel bezweek…

“Toen mijn ziel in mij bezweek, dacht ik aan de HEERE; mijn ​gebed​ kwam tot U,
in Uw ​heilige​ tempel” (Jona 2 : 7).

Lectures on Jonah – 1525/1526 (13)

(…) Als eerste verleent God genade en geest om het hart te bemoedigen, Hij herinnert het aan Gods genade, verwerpt gedachten die zich bezig houden met Gods toorn, waardoor het hart zich keert van God de Rechter naar God de Vader. Maar dit ligt niet in de macht van de mens – want Jona zegt hier dat zijn ziel in hem bezweek en dat de sterkte en kracht van zijn ziel alleen maar zwakheid was. Het feit dat hij over zichzelf nadenkt en begint te vertrouwen dat is niet het werk van zijn ziel.

De Geest, en niemand anders, kan de Heer ons in gedachten brengen. En als het gebeurt dat het hart herinnerd wordt aan de Heer, dan vlamt er een nieuw licht op, het leven heft weer het hoofd omhoog en het hart wordt aangemoedigd om te roepen met smeekgebeden – en zo vindt het smeekgebed ook zeker een luisterend oor. Dit is wat Jona ons wil vertellen wanneer hij in Jona 2 : 2 zegt: ‘Ik heb tot de Here geroepen vanuit mijn nood, en Hij heeft mij geantwoord.’ Nu komen de dood, toorn, zonde, de hel en elke overwinning van het verderf tot een einde – alles wordt overwonnen en verzwolgen door geloof dat haar grond vindt in Gods genade.

Wanneer Jona verklaart: ‘Mijn gebed kwam tot U in Uw heilige tempel’, verwijst hij opnieuw naar de tempel in Jeruzalem, waar God destijds Zich onder Zijn volk lichamelijk woning had gemaakt. Het volk Israël was op het hart gedrukt om nergens anders te aanbidden, dan op de plaats, die Hij Zich verkiezen zou en zou aanwijzen. Zo verklaart God in Exodus 20 : 24: ‘Op elke plaats waar Ik Mijn Naam zal laten gedenken, zal Ik naar u toe komen en u ​zegenen.’

Daarom moesten allen, die in het land of daarbuiten woonden, hun gebeden richten naar en hun hart vestigen op de plaats waar God door Zijn Woord lichamelijk verblijf hield, om er zeker van te zijn dat zij geen andere God zouden aanbidden dan Hem, die zetelde boven de cherubim op de genade-troon. Alle gebeden moesten daarheen gericht worden, net zoals vandaag in het Nieuwe Testament onze smeekbeden zich moeten richten tot Christus, Die onze genade-troon is, tenzij we een andere god erkennen, tot hem bidden en hem aanbidden, naast Hem Die lichamelijk woont in de Mens Christus Jezus. En in feite is er geen andere God.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 229, 27 – 230, 20

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes (1) sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, they can use the web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from the weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(1) Deze Luther Quote “Lectures on Jonah – 1525/1526 (13)” werd vertaald uit het Engels.

Bron afbeelding: Pinterest

Psalm 119 81 I have put my hope in your Word - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Opkomen voor de belangen van de ander?!

6 Mijn oog zoekt de getrouwen in het land, met hen wil ik mijn woning delen.
(Uit Psalm 101)

HC Zondag 42 – Wat leert ons het achtste gebod? (bij Luther 7e gebod)
Gij zult geen vals getuigenis geven tegen uw naaste. (Exodus 20:15]

Het verkeerde hart moet van mij wijken…
(vgl. verzen 3-5 van de hier behandelde Psalm 101).

(…) Valse leringen en moord gaan altijd samen, zoals de hele Schrift, de geschiedenis en de dagelijkse ervaring bewijzen. De duivel wil alle mensen zonder onderscheid doden – de ziel door leugen en het lichaam door moord. Daarom, waar de duivel het eerste doet, dringt hij spoedig aan op het tweede. Waar de slang met zijn kop binnenkomt, daar komt zijn staart er ook achteraan. Zowel met kop als staart wil hij binnen zijn – leugen en moord maken samen één hele duivel.

Het is nog erger dan met de leugen en moord van Kaïn, want hij deed dat niet als dienst aan God, maar uit woede en wraakzucht. Maar de huichelaars, de echte leugenaars en moordenaars, maken er een dienst van aan God en doen het uit ijver voor Gods eer en zaligheid van zielen. Christus zegt immers: Zij zullen u in de ban doen (dat is: zij zullen de waarheid verdoemen als godslastering en verleiding van zielen, om hun leugen in stand te houden, maar zij zullen denken dat zij dat doen tot lof en eer van God, en tot zaligheid van zielen). En wie u doodt, zal denken dat hij God daarmee een dienst doet (vgl. Johannes 16:2). Want daarmee willen zij voorkomen dat niet het hele volk moet sterven of door God gestraft moet worden, zoals heer Kajafas ook dezelfde heilige en Goddelijke raad gaf en sprak: Het is beter om één mens te doden, dan dat het hele volk moet sterven (Johannes 11:50).

Het was een ‘wijze en verstandige’ raad, waardoor de hele wereld zich nog steeds laat leiden. We vallen af van de waarheid en houden ons vast aan de leugen. Daarna willen wij de leugen voor waarheid en de waarheid voor leugen houden en die verdedigen. En ten slotte verdoemen en lasteren zij de waarheid als het woord van de duivel en prijzen de leugen als het Woord van God. Op die manier maken ze God tot duivel en de duivel maken ze tot God. Ze plaatsen de hel in de hemel en de hemel in de hel. Ze willen de mensen doden en deze moord houden voor onderhouding en oprichting van het leven, en God daarmee een dienst doen.

Ze houden het voor een Goddelijk recht dat zij geen ketter – zoals zij dat noemen – het leven gunnen, en zijn daarbij ook verplicht hen het leven niet te gunnen. Ten slotte verdoemen zij allen die hun zonden voor échte zonden en hun moorden voor échte moorden houden.

Maarten Luther: Auslegung des 101, Psalms, 1534-1535, vgl. WA 51,232,19 – 233,13 (verkort)

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding:  PicQuery en YouTube

 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Verheugde ik mij niet in uw wet…

(…) 17 Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden;
(Uit Matteüs 5)

HEER, voor eeuwig staat uw Woord in de hemel vast.
Uw trouw duurt van geslacht op geslacht,
U hebt de aarde gegrondvest en zij houdt stand.
Naar Uw voorschriften blijven hemel en aarde bestaan,
alles is aan U onderworpen.
Verheugde ik mij niet in Uw wet,
ik zou vergaan van ellende.
In eeuwigheid zal ik uw regels niet vergeten,
daardoor houdt U mij in leven.
Ik ben van U, red mij,
want steeds zoek ik Uw regels.
Zondaars zijn uit op mijn ondergang,
maar Uw richtlijnen geven mij inzicht.
Aan alles, hoe volmaakt ook, zag ik een einde,
maar Uw gebod is grenzeloos ruim.
              Psalm 119 : 89-96

(…) 16 Immers uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs ​genade​ op ​genade; 17 want de wet is door ​Mozes​ gegeven, de ​Genade​ en de Waarheid zijn door ​Jezus​ ​Christus​ gekomen (Uit Johannes 1)

(…) 19 Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want Ik zeg u: Indien uw ​gerechtigheid​ niet overvloedig is, meer dan die der ​Schriftgeleerden​ en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan. (Uit Matteüs 5)

(…) 6  Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe ​verbond​ te dienen: niet het ​verbond​ van een geschreven wet, maar dat van zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. (1 Korintiërs 3 : 6)

Opgemerkt: De (geschreven) wet van Mozes kon en kan ons niet verlossen van onze zonden en verzoenen met God. De wet kan ons mensen alleen maar veroordelen en ontdekken aan onze doodsstaat voor God. Wij allen staan schuldig tegenover heel de wet. Zie bijvoorbeeld hoe in Psalm 119 de dichter voortdurend vraagt of God hem wil redden. Wij zijn allen zondaars (dieven, rovers, echtbrekers, roddelaars) en wij mogen tegen niemand zeggen: “jij bént een dief, echtbreker, etc., en ik niet”. Maar we mogen en behoren (elkaar) wel te zeggen: de wet verbied ons te stelen en de echt te breken en nu doe jij dat toch, dat is niet naar Gods (volmaakte) liefdes-wil. (Zie Matteüs 5 : 48)
Maar met Jezus is onze Redder verschenen en is Gods Genade en Waarheid openbaar geworden en Hij heeft ons volkomen de Wet (Gods liefdes-wil) verklaard en ons verlost van de vloek van de wet en in de Vrijheid gezet door ons Zijn Geest te schenken.
De betreffende Bijbeltekst ( 2 Korintiërs 3 : 6) behoort (dus) niet te gebruikt te worden om Gods wetsregels/onderwijs zoals we die opgetekend vinden in Gods Woord te relativeren en om die niet met vreugde te lezen en te onderwijzen of om deze zelfs “passeerbaar” te achten.

Bron afbeelding:  DagelijkseBroodkruimels

Psalm 1 2 - Gelukkig wie vreugde vind - DagelijkseBroodkruimels

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

U doorgrondt en kent ons…

(…) maar voor zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste.
(…) 18 En de Here God zei: Het is niet goed, dat de mens alleen zal zijn.
Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past. (Uit Genesis 2)

HC Zondag 41 – Wat leert ons het zevende gebod? (bij Luther 6e gebod)

Gij zult niet echtbreken. (Exodus 20:14]

(…) (1) Het andere wat ik onze kinderen nog wil zeggen is: dat je God ernstig om een goede man of vrouw bidt en Hem daarvoor aanroept. Want dit zegt Salomo: ‘Huis en goed heb je van je ouders, maar een verstandige vrouw komt van de Heere‘ (vgl. Spreuken 19 : 14). Christus zegt: ‘Wat God samengevoegd heeft, mag een mens niet scheiden’ (vgl. Mattheüs 19:6). Daaruit blijkt toch duidelijk dat een goede echtgenoot van God komt en een gave is van God, net als bij Adam onze eerste vader, die geen vrouw kon vinden, maar God heeft hem Eva als enige vrouw gegeven.(2)

Omdat man en vrouw een gave van God zijn, moet je voor je ergens mee begint, God bidden dat Hij je een godvrezende man of vrouw wil beschikken en wil laten ontmoeten. Hoewel God dat ook wel zonder jouw bidden kan doen, wil Hij het op die manier toch niet, maar je moet Hem vooraf de eer geven en met bidden en danken erkennen dat het Zijn gave is. Daarom moet je bidden en in je hart zeggen: ‘Ach lieve God en Vader van onze Heere Jezus Christus, beschik en geef mij, arm kind, een goede man [of vrouw] met wie ik godzalig, door de genade van de Heilige Geest, in het huwelijk mag leven.’

Velen zijn echter zo wijs dat ze wel durven zeggen: ‘Denk maar niet dat ik om een man of vrouw zal bidden, daar zou ik mij voor schamen.’ De anderen – als ze dit van de preekstoel horen – lachen erom en drijven er de spot mee. Maar lieve kinderen, schaam je toch niet dat je om een goede man of vrouw bidt. Jullie houden het toch ook niet voor schande dat je om gezonde handen en voeten zou bidden als dat nodig was. Welnu, een goede echtgenoot is even belangrijk als gezonde handen en voeten, want als het niet goed gaat tussen man en vrouw, zal je niet veel goede dagen of uren hebben, en dan zou je liever wat aan je handen of voeten mankeren.

Daarom mag je het bidden om een goed huwelijk niet voor iets belachelijks of bespottelijks houden. God moet het Begin zijn, daarom hoef je jezelf niet te schamen God erom aan te roepen en Hem te bidden.

(1) Een preek over het huwelijk, 1525, zonder tekstopgave.
(2) (…) 4 Hij antwoordde en zei: Hebt jullie niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw heeft gemaakt? (Uit Matteüs 19)

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1525, vgl. WA 17.18,37-19,23

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Matthew 19 4-6 - Havent you read - DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Huwelijk, Huwelijk en gezin, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Het rouwkleed verscheurd…

(…) Tot U, Here, riep ik, en tot de Here smeekte ik om genade…
(…) Here, U deed mij opkomen uit het dodenrijk, U hebt mij leven gegeven,
zodat ik niet in de groeve neerdaalde.
(Uit Psalm 30)

Psalm 30 (1) is een aansprekende Psalm. De uitleg ervan levert weinig moeilijkheden op.

(…) De dichter boort echter in zijn levensgeschiedenis een diepere laag aan. De ervaring die hij opdeed, reikt verder dan het patroon ziekte – gebed – gezondheid. Wat hij ondervond, heeft hem iets gedaan. Het proces dat hij doormaakte, heeft hem er diep van doordrongen hoe hij God dreigde te vergeten, terwijl hij volstrekt afhankelijk van Hem is. Het doordringt hem er vooral van wie God is: God is heilig en vooral goed en genadig.

De dichter is verhoord. Door deze ervaring heeft hij de HERE God beter leren kennen. Hij jubelt het uit en roept anderen op Hem te loven (vers 5). De reden daarvoor geeft hij in de MT (1) als volgt weer: ‘Want, een ogenblik is er in zijn toorn, een leven in zijn genade!’ Het gevoel van Gods toorn tijdens zijn ziekte was slechts tijdelijk! Hij beseft dat God maar korte tijd toornig is, maar dat zijn genade een leven lang duurt!
De Griekse tekst is zo mogelijk nog mooier. De vertaler legt er nadruk op dat God genadig wil zijn en dat zijn toorn een voorbijgaand affect is. De LXX (1) zegt: ‘Want toorn is er (wel) in zijn gemoedsneiging, maar leven in Zijn wil.’ God reageerde op de overmoed van de dichter die aan Hem voorbij leefde. Deze levenshouding wekte het affect op van Gods toorn. Maar deze neiging van Gods gemoed liet Hij niet ten volle gelden. Zij stuitte als het ware op zijn eigenlijke wil die genade wil bewijzen.

Het dubbele affect dat de zonde oproept bij de HERE God vinden we ook bij de profeten. God is geraakt door de zonde van zijn volk, maar wil het toch genade bewijzen. Vooral Hosea heeft dit beseft. Om enigszins te ervaren wat de zonde van Israël de HERE God deed, moest Hosea trouwen met een ontrouwe vrouw, van wie hij ging houden. Haar ontrouw raakte hem tot in zijn nieren. Twee affecten botsten tegen elkaar: de toorn om haar houding en de wil om haar lief te hebben. De wil om genadig te zijn is sterker dan de toorn. In het Nieuwe Testament heeft Christus beide affecten met elkaar verzoend. Doordat Hij een ogenblik de toorn droeg, kwam er ruimte voor Gods wil om het leven te geven. Zo kon de dag van Pasen aanbreken.

Luther schrijft ergens dat het met de HERE God is als met de keizer. Rondom hem heen zijn hellebaardiers en ridders. Wie de keizer bezoekt, moet langs hen heen. Ze kijken streng en gereserveerd. Je raakt onder de indruk en je zou willen vluchten. Wie de keizer daarna echter in zijn binnenvertrek ontmoet, wordt des te meer geraakt door zijn vriendelijkheid en welwillendheid. In de binnenvertrekken blijkt wat de eigenlijke wil van de keizer is. Zo liet God de dichter zijn ongenoegen ervaren om hem in de crisis des te meer zijn eigenlijke wil te laten kennen.

De Griekse vertaling van de Psalm is een waar kunstwerk! Wie het Grieks machtig is en de Psalm hardop leest, merkt dat. Heel veel zorg moet er door de vertalers besteed zijn aan het metrum van de vertaling. De accenten zijn zo gelegd dat ze bijdragen aan het begrijpen van de Psalm. Ook aan de woordkeus is veel aandacht besteed.
Een enkel voorbeeld kan dat illustreren:

  • In de al genoemde zinsnede ‘want toorn is (wel) in de neiging van zijn gemoed, maar leven in zijn wil’, klinkt het eerste deel voorzichtig en bedachtzaam, het tweede opgetogen en krachtig.
  • In vers 12b zegt de dichter dat God zijn rouwkleed verscheurd heeft. In het Grieks staat het woord ‘dierrèxas’. De lezer hoort in het woord als het ware het geluid van het scheuren.

Als de gelovigen samenkwamen in het gebedshuis en deze Psalm zongen, moeten de woorden ervan diepe indruk op hen gemaakt hebben en hen bemoedigd hebben. De inhoud is extra aansprekend geweest door het prachtige metrum en de klank van de woorden, die met de inhoud overeenstemmen. De Psalm heeft de gelovigen geholpen om in de wereldgeschiedenis niet hoogmoedig te zijn, maar op te zien naar God. Elke nood is begrensd, omdat ‘er wel toorn is in Gods gemoedsneiging (om de zonde), maar leven in zijn wil. Dat zorgt ervoor dat de gemeente niet zal verstommen, zelfs niet in de nood van de geschiedenis.

Zo heeft de Psalm ook ons veel te zeggen!

(1) In Ecclesia wordt in een vervolgserie over de Psalmen steeds de oudere Hebreeuwse tekst (“MT-versie”) van een Psalm vergeleken met de tekst van de latere Griekse vertaling (“LXX-versie”) ervan. Je kunt zeggen dat in de Griekse vertaling het voortgaande openbaringswerk van de Heilige Geest opgemerkt kan worden. De vertalers moeten hun vertaalwerk met veel eerbied, biddend en “de Schriften” bestuderend en vergelijkend hebben gedaan .

Bron tekst: Gedeelten uit “Psalm 29 in de LXX” van dr. H. Klink (Hoornaar) in Ecclesia (nr. 17 – augustus 2017).

Bron afbeelding:  Our Daily Blossom

Psalm 30 6 - Weeping may endure for a night - Our Daily Blossom

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Persoonlijk | Plaats een reactie

U slingerde mij de diepte in…

‘U slingerde mij de diepte in, naar het hart van zee, door kolkend water was ik omgeven; al uw golven en baren sloegen over mij heen‘ (Jona 2 : 4).

Lectures on Jonah – 1525/1526 (12)

“Nu komt Jona met woorden die emoties onthullen die in zijn hart leefden voordat hij naar God riep. Hier zien we dat zijn geloof werkzaam wordt en niet verzwolgen is. Nu weet hij niet van mensen die hem in de zee wierpen, maar zegt dat dit door God gedaan werd. ‘U hebt mij in de diepte geworpen’, zegt hij. Want dat is de manier waarop het in ons geweten voelt, dat elk ongeluk dat ons overkomt een bewijs is van Gods toorn.

Elk schepsel vreest God en Gods toorn, zelfs als dat niet meer is dan een ritselend blad, zoals Mozes zegt, Leviticus 26 : 36: ‘Het geluid van een ritselend blad zal ze op de vlucht jagen.’ Is dit niet wonderlijk? Niets meer dan een droog blad dat op de grond ligt, waarover kleine wormen kruipen en dat nog te zwak is om zich te beschermen tegen neervallend stof, brengt dit teweeg. Job kon niets wat meer onbeduidend was bedenken toen hij zich onbetekenend klein wist in vergelijk met God, dan door zichzelf een uitgedroogd en verschrompeld blad te noemen. (Job 13 : 25).

Maar, op een zeker uur, zullen we door een ritselend blad verschrikt worden. Wat voor een dappere vrienden zijn wij toch! We staan niet verschrikt van God’s toorn maar bleven daar onbewogen onder en nu zijn we angstig en vluchten weg vanwege de dreiging die uitgaat van een fragiel en verschrompeld blad. Door het ritselen van zo’n blad moet de aarde ons ook bedreigen en tot een toornig God worden voor ons die even eerder nog hemel en aarde durfden uitdagen en tergen.

We hebben beslist geen reden om hoog op te geven van onze kracht en macht! Als een droog blad ons zo van ons stuk brengt, hoeveel meer kan de diepe zee dat doen, waarvan Jona hier spreekt? Ja, welke kracht zal het vuur van de hel en de majesteit van God Zelf samen met alle engelen en schepselen op ons uitoefenen op de dag van het Oordeel?

Jona zegt niet simpelweg: ‘De golven en de baren sloegen over mij heen’, maar: ‘Uw golven en Uw baren, enz.’, Want hij voelt in zijn geweten dat de zee met zijn golven en baren God en zijn toorn dienen om de zonde te straffen. En dus zegt hij: ‘Al uw golven en uw baren zijn over mij heen gegaan’ want het lijkt hem dat elke golf in de hemel en op de aarde hem omvatte en dat de toorn van God alleen op hem was gericht en dat alle schepselen in een verbond met God zich tegen hem keerden.

Zo spreken ook anderen, die in grote nood zijn: ‘Het lijkt wel of hemel en aarde zich tegen mij keren’. Dat is de echt pijnlijke ervaring die na dit leven de zondaars wacht. Daar zullen de toorn van God en Zijn oordeel voor altijd duren. Deze woorden van Jona lijken op het woord dat door de profeet in Psalm 42 : 7 wordt gesproken: ‘Al Uw golven en baren zijn over mij heen gegaan.’ Het is mogelijk dat Jona met zijn woorden hier uit die psalm geciteerd heeft.”

Maarten Luther: Dr. Martin Luther Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 226, 6 – 227,13

Bron: If you would like to have these Luther Quotes (1) sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, they can use the web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from the weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(1) Deze Luther Quote “Lectures on Jonah – 1525/1526 (12)” werd vertaald uit het Engels.

Bron afbeelding:  Tumblr

Psalm 42 7-8 Deep calls to the deep - Tumblr

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Het probleem van de ongelijkheid…

Gij zijt allen één in Christus. (Galaten 3 : 28)
Er is verscheidenheid in genadegaven… (1 Korintiërs 12 : 4)

(…) Voor het probleem van de ongelijkheid is geen ‘wereldse’ oplossing te vinden. Wij hebben hier met een godsdienstig, een christelijk probleem te maken. Gelijkheid is een voluit bijbels gegeven. Wij mensen zijn gelijk, jawel, maar alleen voor onze Schepper. Elke poging van atheïstische zijde om gelijkheid tot stand te brengen is in feite een heimelijk verzet tegen de verschillen, die de Schepper gewild heeft.

Er is, zegt de apostel, geen onderscheid tussen Jood en Griek, tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw; zij zijn allen één. Maar … deze eenheid is een eenheid in Christus. Zonder gemeenschap met God is Christus’ gemeente een hersenschim. En in deze gemeente heeft ieder zijn eigen inbreng. God heeft elk lid van het lichaam zijn eigenheid geschonken. leder heeft het recht (en de plicht!) om zichzelf te zijn, om zijn eigenheid, waardoor hij zich van anderen onderscheidt, te ontwikkelen. Alleen het christelijk gelijkheidsideaal, dat eerst de verschillen aanvaardt door van ieder mens zijn ‘eigen-aardigheid’ te accepteren, kan de vrijgevochten chaos doen verkeren in een gemeenschap

Hiermee staat of valt de gemeente. Wanneer wij ons als leden van het lichaam van Christus met het hoofd van het lichaam verbonden weten, dan gunnen wij de ander de talenten, die hij of zij – ten dienste van de gemeente(!) – heeft ontvangen. Het eigene van de ander stemt ons zelfs dankbaar, maakt ons blij. Wanneer dit niet het geval is, dan geven wangunst en eerzucht de toon aan, dan wordt de gemeente tot een massa.

De massa-mens heeft geen gezicht. Hij draagt een masker. Hij kent geen eigen verantwoordelijkheid. Hij heeft geen overtuiging. Hij laat zich meedrijven op de stroom van de publieke opinie. Hij durft niet zichzelf te zijn. Het ‘Wees uzelf’ is bij hem aan dovemansoren gezegd, want hij is geen iemand, maar een niemand, een beklagenswaardige karikatuur van wat hij behóórt te zijn.

Is dit niet veelal het beeld van de kerk in onze dagen? Zij is geen echte gemeenschap meer. Zij is een gezelligheidsvereniging geworden, een fanclub. Het “strijdt om in te gaan” wordt niet meer gehoord. Bang om zich aan koud water te branden gaat men conflictsituaties uit de weg. Men zwijgt, wanneer men behoort te spreken. Als het recht verkracht wordt, kijkt men de andere kant uit. Want stel je voor, dat je ruzie krijgt, dat je alleen komt te staan.

God roept ons op onszelf te zijn. Alleen als lid van het lichaam van Christus zijn wij hiertoe in staat. Maar het “zelf’ als lid van het lichaam is ten nauwste verbonden met het “zelf’ van het hoofd, Christus, die, op Golgotha om onzentwille gedood, ons oproept tot navolging. En navolging kost strijd. Een strijd, die men niet kan ontgaan door de wereld zoveel mogelijk te ontlopen. Neemt daarom de wapenrusting Gods en strijdt de goede strijd van het geloof om straks te mogen ingaan in zijn koninkrijk. Zonder deze strijd komen wij niet binnen. (…)

Bron tekst: Gedeelte uit meditatie van dr. J.G. Barnhoorn (Nunspeet) in Ecclesia (nr. 17 – augustus 2017).

Uit begin van de meditatie: (…) Van hen, die hiertegen (nivellering vanwege het “revolutionaire” gelijkheidsdenken – AJ) in het geweer kwamen, moet als eerste de 19e-eeuwse christen-denker Sören Kierkegaard genoemd worden. De gedachte, dat het mogelijk zou zijn een samenleving te realiseren, waarin mensen zich op gelijke basis ongehinderd kunnen ontplooien, zonder dat dit ten koste gaat van anderen, beschouwde hij als een illusie.(…)

Kierkegaard geciteerd: Ook het verstand is een gave van God mits men het in vrees en beven gebruikt om de waarheid bloot te leggen.

Bron afbeelding:  Pinterest

Psalm 111 10-12 - The fear of the Lord - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie

Moeten wij allemaal aan de schandpaal?… (II)

6 Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de ​Geest​ geboren is, is ​geest.
7 Verwonder u niet dat Ik tegen u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden.
(Uit Johannes 3)
7 Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al ​zondig​ toen mijn moeder mij ontving,
8 maar u wilt dat waarheid mij vervult, u leert mij wijsheid, diep in mijn ​hart.
(Uit Psalm 51)

HC Zondag 41 – Wat leert ons het zevende gebod? (bij Luther 6e gebod)

Gij zult niet echtbreken. (Exodus 20:14]

Onze overspelige natuur is bij alle mensen ingeplant, niemand is er vrij van, man of vrouw, oud of jong. (a) We liggen allemaal in dit ziekenhuis, en deze ziekte hangt ons niet aan als een rode jas die we kunnen uittrekken en weer opbergen. Wij hebben dit van het lichaam van onze moeder meegebracht, en het zit bij ons door vel en vlees, merg en been, het is door alle aderen dóór en dóór verspreid (vgl. Psalm 51:7). Je zegt: ‘Er zijn toch ook veel mensen die géén overspel begaan, maar altijd een eerbaar leven leiden?’ Ja, beste vriend, ik heb het niet over ‘doen en laten’ maar over onze overspelige natuur, want God laat Zich niet door werken voor de gek houden. De Schrift: noemt Hem een ‘Kenner der harten’ en een ‘Beproever der nieren’, want Hij ziet dieper dan wij (vgl. Psalm 7:10 vv).

Dat er nu veel mensen vroom zijn en tegen dit gebod niet zondigen, dat komt door Zijn Goddelijke genade (1) óf door de bedreigde straf en de gevolgen (2) die hen bevreesd maken, zodat zij in het openbaar zulke zonden vermijden. Als dat niet het geval was, dan zouden ze wél laten zien waar hun hart vol van is.

Evenwel, ons verstand zegt ook dat hoererij, echtbreuk en andere zonden verboden zijn. Ieder·weet immers uit zijn eigen hart dat hij vader en moeder moet eren, omdat wij door hen in de wereld gekomen zijn en hun vlees en bloed zijn, bovendien wagen ze hun lichaam en leven voor ons, en willen daarbij alles aan ons ten koste leggen. Op dezelfde manier leert de natuur dat we niemand mogen vermoorden en niet zelf voor rechter mogen spelen. Kort gezegd: uit de natuur kennen we deze geboden al. Wij zijn echter zo dwaas en blind dat we het niet willen zien of erkennen.

Zo leert de natuur ook dat wij niemands vrouw of kinderen mogen misbruiken. Want de natuur zegt: ‘Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ (2) Nu, u wilt niet dat uw vrouw of kind wordt misbruikt – misbruik dan ook de vrouw of het kind van uw naaste niet!

Maarten Luther: Predigten über das 2. Buch Mose, 1524-1527, vgl. WA16, 511,20-512,31 (verkort).

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

(1) Wij zouden nog veel meer onze verantwoordelijkheid hierbij moeten beseffen! T.a.v. ons gezin, onze familie(s), de gemeente en de samenleving. Door dagelijkse omgang met Gods Woord en gebed bidden wij om genade en bescherming, niet alleen voor onszelf maar ook voor anderen. Zó mogen wij (direct al aan het begin van een dag) een zoutend zout zijn dat bederfwerend zijn werk doet in de samenleving van mensen.
(2) Denk hierbij bijvoorbeeld aan hoe wij blanken ons in de koloniën vaak vergrepen hebben aan het personeel (dikwijls slaven) en hun kinderen, terwijl men dat in eigen land beslist niet gewaagd/gedurfd zou hebben.
(3) Dat was en is de wijsheid van de menselijke natuur! Maar Jezus zei ons: Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het ​hart​ van de Wet en de Profeten. (Matteüs 7 : 12 en ook Lukas 6 : 31)

(a) Vraag: Heeft God de mens dan zo slecht en verkeerd geschapen? Antwoord: Nee, God heeft de mens goed en naar zijn beeld geschapen, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.  (HC Zondag 3, vraag en antwoord 6)

Bron afbeeldingen:  Salt of the earth en DailyVerses.net

 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Open brief aan prof. dr. G. van den Brink…

Open brief n.av. het RD-artikel “In discussie over evolutietheorie gaat de waarheid boven alles” door Prof. dr. G. van den Brink – rd.nl 16/08/2017 (Zie deze PDF)

Wanneer we serieus met elkaar willen spreken over de wetenschappelijke waarde van de “evolutionistische geologie” (en paleontologie) – de “evolutionistische biologie” laat ondergetekende hier buiten beschouwing – en daarbij zelfs menen dat we ons een oordeel kunnen vormen en vellen over “de waarheid” van wat deze wetenschap ons over de geschiedenis van de aarde “te vertellen” heeft, dan kunnen en mogen we beslist niet (meer/langer) het boek “Aarde in beroering” van prof. dr. Immanuel Velikovsky (1895-1979) ongelezen en onbesproken laten!

In dit boek wordt zo helder en met zoveel feiten een stuk geschiedenis van de “evolutionistische geologie” beschreven en tevens duidelijk gemaakt op grond van welke overwegingen en beschikbare feiten (lees: het ontbreken van die feiten daarvoor en juist tegen de beschikbare feiten in!) de wetenschap de overstap wilde maken van een “wereldcatastrofes geologie” – NB. catastrofes die plaatsvonden “binnen de menselijke geschiedenis” hier op aarde! – naar een “evolutionistische geologie”.

De geschiedenis van deze overstap “ligt vast” (o.a. in correspondenties) en de gevonden en beschreven feiten waarover de geologische wetenschap beschikte en beschikt zijn sindsdien niet veranderd! Alleen de interpretatie(s) van de “gevonden feiten” zijn – geheel tegen het gezonde verstand in! – gewijzigd en aangepast aan het toen door de wetenschap gewenste en aanvaarde model van een zich voorgestelde (geologische) wereld(werkelijkheid) die zich in de loop van vele miljoenen jaren gevormd zou hebben.

Nu  prof. dr. G. van den Brink meent over zoveel gezond verstand en verworven kennis te beschikken dat hij stellen kan/durft dat de “evolutie wetenschap” over “goede papieren” beschikt en dat er – bij de resultaten van het onderzoek die gedaan worden in het kader van dit model – gesproken dient te worden van (meer) “juistheid” en “waarheid” dan van wetenschappelijk onderzoek dat zou uitgaan van andere model(len), zal hij het boek “Aarde in beroering” niet langer ongelezen mogen (=behoren!) laten!

Wanneer hij dit boek leest en bestudeert, dan zal hij – vanwege zijn in het artikel geschreven opvattingen – beslist niet meer kunnen en mogen stellen, dat hij niet in staat is (lees: wetenschappelijk bekwaam) om een oordeel te hebben (“goede papieren”, “waarheid”) over wat door prof. dr. Immanuel Velikovsky aan verifieerbare (wetenschaps-)geschiedenis en geologisch feitenmateriaal bijeen is gebracht en in zijn boek aan de orde gesteld.

Velikovsky wilde beslist ook spreken over “waarheid” en daarnaar (blijven) zoeken en zich inspannen om die te dienen/vinden bij en in het wetenschappelijk onderzoek. In zijn boek en in zijn toespraak tot het Graduate College Forum van de Princeton Universiteit (14 oktober 1953) spreekt hij hierover en ook over het feit dat in de wetenschappelijke wereld dit streven de (aankomende) wetenschapper(s) maar niet op voorhand moeten rekenen op veel waardering en dankbaarheid voor dit streven en uit eigen ervaring spreekt hij over (veel) “vijandelijkheid” die hij vanwege dit streven ondervonden heeft.

Hieronder enkele gedeelten uit het boek en de genoemde lezing geciteerd:

Boek: Aarde in beroering van Immanuel Velikovsky  (vertaald door Johan W. Schotman, 4 e druk, 1977 – Uitgeverij Ankh-Hermes bv Deventer)

(…) De verantwoordelijkheid voor mijn werk deel ik met niemand; aan ieder die mij de behulpzame hand reikte, terwijl de sfeer in academische kringen over het algemeen geladen was met vijandigheid, betuig ik hierbij mijn dankbaarheid.

(…) Ik geef hier enkele bladzijden uit het boek der natuur. Ik heb alle verwijzingen naar antieke literatuur, overleveringen en volksverhalen er buiten gehouden; en ik deed dit opzettelijk, zodat achteloze critici het gehele boek niet kunnen uitmaken voor ‘verhalen en legenden’. Stenen en beenderen zijn de enige getuigen. Al zijn ze stom, ze zullen duidelijk en ondubbelzinnig getuigen.
Toch zullen lieden met hardhorende oren en slechtziende ogen dit bewijsmateriaal ontkennen; en hoe troebeler hun visie, hoe luider en hardnekkiger ze zullen protesteren. Dit boek is niet geschreven voor hen die zweren bij de 
verba magistri – de heiligheid van hun schoolkennis (de meester heeft het zo gezegd); en laten zij er maar over debatteren zonder het gelezen te hebben.

(…) Daar de theorie der uniformiteit nog steeds in alle onderwijsinstellingen wordt onderwezen en het ketterij is haar in twijfel te trekken, is het goed hier enkele van Lyells oorspronkelijke beweringen, neergeschreven in zijn Principles of Geology weer te geven; zij dienden tot manifest of credo voor al zijn volgelingen, of zij nu uniformisten dan wel evolutionisten werden genoemd. 

(…) De theorie van de uniformiteit of van geleidelijke veranderingen in het verleden, gemeten naar de mate waarin tegenwoordig veranderingen worden waargenomen, vindt, naar Lyell moest toegeven, in de onvolledige geschiedenis van de aardkorst geen positieve bewijzen; daarom vereiste de theorie, berustend op een argumentum ex silentio – argument bij verstek – nog meer analogieën.

(…) Toen, alsof een paar vergelijkingen met menselijke situaties zo krachtig waren, dat ze het tekort aan bewijzen ontleend aan de natuur, konden vervangen, veranderde de toon en werd deze onverzoenlijk.

(…) Om deze redenen worden alle theorieën verworpen, die het aannemen van plotselinge en hevige catastrofen en beroeringen van de gehele aarde en haar bewoners meebrengen – theorieën die zich van de vermelding van bestaande analogieën niets aantrekken en die er duidelijk op uit zijn, de Gordiaanse knoop door te snijden in plaats van die geduldig te ontknopen. In weerwil van de krasse taal die hier wordt gebruikt, is het wetenschappelijk beginsel, dat volhoudt, dat wat in onze tijd niet gebeurt ook niet in het verleden is gebeurd, een zichzelf opgelegde beperking. Het is veeleer een geloofsartikel dan een wetenschappelijk beginsel. 

En Lyell besloot zijn vermaard hoofdstuk dienovereenkomstig met een beroep op geloof en een vermaan tot de gelovigen: ‘Als hij (de student) tenslotte gelooft in de gelijkenis of identiteit van het oude en het huidige stelsel van aardse veranderingen, zal hij ieder feit, dat hij ten aanzien van de oorzaken bij dagelijkse actie heeft verzameld, beschouwen als een sleutel tot de verklaring van het een of ander mysterie in het verleden.’

Hieronder gedeelten uit de toespraak van Velikovsky tot het Graduate College Forum van de Princeton Universiteit (14 oktober 1953)

(…) Nu ik u vandaag in zo grote getale voor mij zie, zie ik enkelen van u over tien of twintig of dertig jaar als geslaagde onderzoekers, en wel diegenen onder u, die een onderzoekende en uitdagende geest hebben, de wil om door te zetten en een drang om kennis te verzamelen. Wees niet bang de feiten onder ogen te zien en verlies nooit de gave, de vragen: Hoe? en Waarom? te stellen. Wees in dit opzicht als een kind.

En wees niet bang u belachelijk te maken; denk aan de geschiedenis van alle grote ontdekkingen. Ik haal hier Alfred North Whitehead aan:‘Als u in de loop van uw leven uw aandacht gericht hebt op de nieuwe ideeën, zult u hebben opgemerkt dat bijna alle nieuwe opvattingen, als ze voor het eerst worden uitgesproken, nogal dwaas aandoen’. Daarom: durf!

(…) In de wetenschap zijn onwaarheden taai en kunnen eeuwenlang in leven blijven, en het is mogelijk, dat ge uw rechtvaardiging niet meer zult beleven, maar, dúrf!

Blijf niet vasthouden aan uw idee, als die in strijd is met de feiten, maar houd vol, als jullie zien, dat de feiten zich in jouw voordeel zich opstapelen. Het is best mogelijk, dat zelfs de sterkste tegenstand, die van cijfers, voor de feiten bezwijkt. De grootste wiskundige die ooit op deze stranden wandelde, Simon Newcomb, bewees in 1903 dat een vliegmachine met een piloot er in een mathematische onmogelijkheid is. In datzelfde jaar 1903 bewezen de gebroeders Wright, zonder wiskunde, maar door een feit, dat hij ongelijk had.

(…) Fantasie gepaard met scepticisme en een vermogen, nieuwsgierig te zijn – als jullie dát hebt, zal de milde natuur u enkele van de geheimen uit haar onuitputtelijke voorraad afstaan. De vreugde die u zult beleven bij het ontdekken van de waarheid zal het loon zijn van jullie arbeid.

Verwacht geen andere vergoeding, want die zou wel eens kunnen uitblijven.  En toch: dúrf!

Opgemerkt na.v. reeds gegeven commentaar op deze “Open brief”:

Zo’n eminent geleerde als Velikovsky – die ook met Einstein over zijn wetenschappelijke bevindingen en inzichten sprak en correspondeerde – is veel onrecht gedaan door vijandigheid, afwijzen en negeren door het “wetenschappelijk establishment”. Ook in Amerika wilden wetenschappelijke uitgevers niet mee werken aan het uitgeven van zijn boeken en het is veelzeggen dat in Nederland uit zo’n uitgever als Ank Hermes bv de kans kreeg (kon pakken!) om zijn boek(en) te publiceren. Hierdoor wordt zijn wetenschappelijk werk – geheel ten onrechte! – in een “verdachte hoek” geplaatst.

Velikovsky wist heel goed hoe er in de wetenschappelijke wereld over zijn werk geoordeeld werd en juist daarom schreef hij het boek “Aarde in beroering” om hierin de lezers alleen te voorzien van gegevens waarvan hij kon en durfde zeggen als wetenschapper, die heel goed wist waarover hij sprak en waarom hij het zo kon zeggen, namelijk: “Stenen en beenderen zijn de enige getuigen. Al zijn ze stom, ze zullen duidelijk en ondubbelzinnig getuigen.” Daarnaast heeft hij geput uit bronnen (o.a. wat Darwin gezien/gevonden en beschreven heeft in Zuid Amerika) die ook duidelijk maken dat wat Velikovsky te zeggen heeft niet inmiddels in onze huidige tijd (door de wetenschap) achterhaald is en daarom wel genegeerd kan worden.

De hierboven geplaatste citaten (uit Velikovsky’s lezing aan de Princeton Universiteit) zijn uiterst serieus te nemen, want Velikovsky heeft deze woorden – als zeer ervaren en breed onderlegde wetenschapper – willen en durven uitspreken voor een zeer kritisch wetenschappelijk geschoold publiek.

In deze wereld is er nog steeds een wereldmacht die de (wereld)geesten beheerst en bespeelt ondanks dat zijn nederlaag vast staat. Wij hebben als christenwetenschappers hier niet naïef en klakkeloos te zijn en ons uiterste best doen om te bepalen waarom geleerden, die ook bronnen als de Bijbel serieus willen nemen, zoveel tegenstand en vijandigheid (o.m. negeren) ondervinden.

– Overigens: We mogen toch aannemen dat prof. G. van den Brink in zijn artikel heel bewust zal hebben gekozen voor het gebruik van het woord “waarheid”.

 

Geplaatst in Bijbel, Geschiedenis, Natuur, Wetenschap | Plaats een reactie

Moeten wij dan echt allemaal aan de schandpaal genageld? (I)

(…) 18 Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein. 19 Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen. 20 Dat zijn de dingen, die een mens onrein maken… (Uit Matteüs 15)

HC Zondag 41 – Wat leert ons het zevende gebod? (bij Luther 6e gebod)

Gij zult niet echtbreken. (Exodus 20:14]

Het derde gebod van de tweede tafel leert hoe men zich moet gedragen tegenover het hoogste goed van de naaste wat zijn persoon betreft, dat is zijn [of: haar] echtgenoot, kind, verloofde, personeel enzovoorts, namelijk dat men deze niet misbruikt, maar in eer houdt.

Dat is echter een ‘grote en mooie eer’ die God aan deze wereld toekent, namelijk dat de wereld een stal vol overspelers en overspeelsters is (vgl. Mattheüs 12:39). Geen wonder dat de mensen een hekel aan Hem krijgen! En wel omdat Hij ons op deze manier tot schande maakt, hoont en beledigt, en niemand voorbijgaat, ook onze monniken niet, die nog wel een gelofte van kuisheid hebben afgelegd.

Hier zie je dat God ons niet zo vertrouwt dat er één getrouwde man bestaat die tevreden is met zijn eigen vrouw, en andersom één getrouwde vrouw die tevreden Is met haar eigen man. Het moet je toch zeker teleurstellen, als men jou ook van echtbreuk beschuldigt en tegen je zegt: ‘Vriend of vriendin, houd je aan het huwelijk, bemoei je niet met de vrouw of man van een ander, misbruik hun kinderen niet.’

Als je een vrome man bent, dan heb je je antwoord al klaar. Je zegt gelijk: ‘Waar zie je mij nu voor aan? Denk je dat ik er zo één ben?!’ Maar God ontziet niemand! Hij klaagt ons allen aan en beschuldigt ons in dit gebod dat we overspelers en overspeelsters zijn. Zó laat Hij ons zien wat voor mensen wij zijn! Op deze manier is dit gebod ook een scheldwoorden- en schandnamenregister. Het scheldt ons allemaal uit, niemand uitgezonderd, voor hoerenlopers enzovoorts.

En, hoewel we dat in het openbaar voor de wereld niet zijn, toch zijn we het wél in ons hart, als we maar de ruimte kregen, tijd, plaats en gelegenheid hadden.

Maarten Luther: predigten über das 2. buch Mose, 1524-1527, vgl. WA16,510,20-511,20

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

(…) Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20 Daarom is voor hem geen sterveling onschuldig omdat hij de wet naleeft, want juist de wet leert ons de zonde kennen. (Uit Romeinen 3)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Matteüs 15 18-20 - From the heart - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie