Welzalig/Gelukkig ieder die ontzag heeft voor de HEER en de weg gaat die Hij wijst…
(Psalm 128 : 1)
De plaats die God de vrouw heeft toegewezen is het huis van de man. Wat een huis betekenen kan zijn de meesten vergeten, maar ons is het juist nu bijzonder duidelijk geworden. Het is midden in de wereld een eigen domein, een burcht in de storm van de tijd.
Het is een toevluchtsoord, een tempel;het rust niet op de wankele basis van wisselende gebeurtenissen in het openbare leven, het rust in God; van God kreeg het zijn zin en waarde, zijn wezen en recht, zijn eigen doel en waardigheid.
Het is een stichting van God in de wereld, een plaats waar – wat er ook gebeurt in de wereld – vrede moet heersen, stilte, vreugde, liefde, reinheid, beheersing, eerbied, gehoorzaamheid en in dit alles geluk. Het is de roeping en het geluk van de vrouw, in de wereld deze wereld te bouwen voor de man en daarin te werken.
Gelukkig de vrouw die begrijpt, hoe groot en rijk haar roeping en opdracht is. Niet het nieuwe maar het blijvende, niet het wisselende maar het bestendige, niet het luidruchtige maar het stille, niet de woorden maar het doen, niet het bevelen maar het winnen, niet het begeren maar het bezitten en dit alles gedragen en bezield door de liefde tot de man, dat is het rijk van de vrouw.
Het geluk dat de man vindt in een goede of zoals de bijbel het zegt in een‘degelijke’, ‘wakkere’vrouw, wordt in de bijbel steeds weer geprezen als het hoogst denkbare aardse geluk. ‘Haar waarde gaat koralen ver te boven’. ‘Een degelijke vrouw is de kroon van haar man’. Maar even duidelijk spreekt de bijbel over het onheil dat een slechte, ‘dwaze’ vrouw brengt over haar man en het hele huis.
Je huis en rijkdom erf je van je voorouders, maar een vrouw met inzicht krijg je van de HEER.
(Spreuken 19 : 14)
Welzalig/Gelukkig ieder die ontzag heeft voor de HEER en de weg gaat die Hij wijst…
(Psalm 128 : 1)
Het huwelijk is meer dan onze wederzijdse liefde. Het huwelijk heeft meer gewicht, meer waarde; want het is Gods heilige instelling, waardoor Hij de mensen tot het einde der dagen wil behouden.
In je liefde zie je op de wereld alleen elkaar, in het huwelijk ben je een schakel in de keten der geslachten, die God tot zijn eer laat komen en gaan en roept tot zijn Rijk.
In je liefde zie je alleen de hemel van je eigen geluk, door je huwelijk aanvaard je verantwoordelijkheid tegenover de wereld en de mensen. Je liefde is van niemand dan van jullie alleen ze is persoonlijk, het huwelijk is iets bovenpersoonlijks het is een levensstaat een ambt.
Pas de kroon maakt de koning en niet de wil om te heersen; zo maakt pas het huwelijk en niet je wederzijdse liefde jullie tot een echtpaar voor God en de mensen.
Je hebt de ring eerst aan elkaar gegeven en toen opnieuw ontvangen uit de hand van de predikant; de liefde komt voort uit jullie zelf, het huwelijk komt van boven, van God.
Zover God staat boven de mens, zover staat de heiligheid het recht en de belofte van het huwelijk boven de heiligheid het recht en de belofte van de liefde. Jullie liefde draagt niet het huwelijk, van nu af draagt het huwelijk jullie liefde.
Vrij van alle onzekerheid, die steeds in de liefde woont, mogen wij in het huwelijk nu zonder twijfel en met vol vertrouwen tot elkaar zeggen:
wij kunnen elkaar nooit meer verliezen, wij horen door Gods wil bij elkaar tot de dood.
(…) De vreze des Heren is het begin der wijsheid, een goed inzicht hebben allen die ze betrachten. Zijn lof houdt eeuwig stand.
(Psalm 111 : 10)
(…) En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen, en zij vreesden met grote vreze. En de engel zei tot hen: Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen… (Lukas 2 : 9-10, weergave WA 1530).
(a) (…) “Al zou ik alles [tot voorbeeld] nemen, ook het kostbaarste en allerbeste wat in de wereld te vinden is, dan zou het toch de naam ‘Zaligmaker’ (1) niet kunnen dragen. Ik moet met mijn zonde buiten al het geschapene treden! Nee – zon, maan en sterren, alle schepselen tezamen, artsen, geleerden en machtigen kunnen mij niet verlossen.
Wanneer ik sterf, zie ik niets dan enkel donkerheid en duisternis en toch blijft dit licht ‘voor u is heden de Zaligmaker geboren’ voor mijn ogen en vervult hemel en aarde. Deze Zaligmaker zal mij verlossen als alles mij verlaat. En als de hemel en de sterren en alle schepselen een vreselijk aanzien hebben (2), dan zie ik vanwege dit Kindje niets [dat mij verschrikt] in hemel en op aarde.
Zo groot moet in mijn ogen dát licht worden, namelijk dat Hij mijn Zaligmaker is, dat ik kan zeggen: Lieve Maria, u hebt dit Kindje niet alleen voor uzelf gebaard – u bent wel Zijn moeder, kan het in uw armen dragen en in doeken wikkelen en het uit de kribbe nemen en er weer inleggen, maar ik heb een hogere heerlijkheid dan uw moederlijke [heerlijkheid] is. Uw heerlijkheid gaat over het moederschap en de lichamelijke zorg voor het Kind.
Onze* heerlijkheid is echter: u draagt onze Schat, omdat wij niemand kennen: geen mens en geen engel, die ons zou kunnen verlossen dan alleen dit Kindje, dat u, lieve Maria, in uw schoot draagt (3). * “Mijn” en “ik” is hier vervangen door “Onze” en “wij” – AJ.
Als een mens vanwege dit Kindal het andere kon vergeten en alles voor hem (of het nu geld of bezit, macht of eer was) alle glans en schijn (=heerlijkheid) zou verliezen, zodat hij vanwege dit Kindje alles verachtte wat op aarde is, waardoor de hemel met zijn sterren en de aarde met al haar macht en al haar schatten voor hem tot niets zouden worden, dan zou hij het echte voordeel en de vrucht van deze preek van de engel hebben!
Daartoe moeten we, wijzelf tenslotte ook komen dat voor ons – om het maar kort te zeggen – alles duisternis wordt en dat we niets anders weten dan deze preek van de engel:
…‘want voor u is heden de Zaligmaker geboren.’
Beluister in aanvulling hierop de onderstaande verkondiging “de Doxa van God” in de dienst op 2e Kerstdag, 26 december 2017 gehouden in de Oude Kerk te Barneveld (predikant ds. L. de Wit, Putten).
(a) Dit citaat, volgens een afschrift van Luthers secretaris Georg Rörer (1492-1557), brengt ons direct onder de preekstoel van Luther. Het gesprokene is naar alle waarschijnlijkheid letterlijk aan ons overgedragen. Rörer had zelf een kortschrift (tachygrafie) ontwikkeld, half Latijn en half Duits, waardoor hij instaat was gesproken teksten snel en nauwkeurig op te schrijven.
(1) Het in de Duitse versie veelvuldig gebruikte woord ‘Heiland’ is steeds met ‘Zaligmaker’ vertaald.
(2) Mogelijk een herinnering aan een eerdere adventspreek over ‘de tekenen van Christus’ wederkomst’ (Lukas 21 : 25-33).
(3) Deze wat gebrekkige manier van spreken houdt echter niet in dat Luther hier zou ontkennen (of ooit ontkend heeft) dat Christus juist ook Maria’s persoonlijke Zaligmaker is.
Maarten Luther: Predigt am ersten Weihnachtsfeiertag nachmittags, am 25. Dezember 1530, Lucas 2:11, vgl. WA 32, 264, 20 – 265, 10 (Rörers Nachschrift)
Weergave: Predigten Dr. Martin Luthers, 2. Band, S. 56-57, Georg Buchwald, Ausgabe: Gütersloh 1926
Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com
(…) En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken. (Genesis 3 : 24) De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn. (Genesis 4 :1)
Dit laatste vers hoort noodzakelijk bij het voorgaande. Adam en Eva, aan de dood vervallen mensen, houden hun nieuwe gemeenschap op nieuwe wijze in stand. Zij worden de trotse scheppers van nieuw leven, maar dit nieuwe leven wordt geschapen in het jammerlijk samenhoren van mens en dood; Kaïn is de eerste mens, die op de vervloekte akker geboren wordt.
Pas met Kaïn begint de geschiedenis,de geschiedenis van de dood. Adam, in stand gehouden voor de dood, verteerd door de dorst naar het leven, verwekt Kaïn, de moordenaar. Het nieuwe in Kaïn, de zoon van Adam, is, dat hij zelf zich vergrijpt aan het leven van de mens. De mens, die niet van de boom des levens eten mag, grijpt des te gretiger naar de vrucht van de dood, de vernietiging van het leven.
Waarom moordt Kaïn? Uit haat tegen God. Deze haat is groot. Kaïn is groot; hij is groter dan Adam, want zijn haat is groter en wat betekent dit anders dan dat zijn verlangen naar het leven groter is? De geschiedenis van de dood staat in het teken van Kaïn.
Christus aan het kruis, de vermoorde Zoon van God, is het einde van de geschiedenis van Kaïn, en daarmee het einde van alle geschiedenis. Het is de laatste vertwijfelde stormloop op de poort van het paradijs. En onder het flikkerend zwaard, onder het kruis sterft het mensengeslacht. Maar Christus leeft.
Het kruishout wordt het hout des levens; in het midden van de wereld, aan het kruishout, welt de bron des levens op, en tot dit water zijn allen die naar leven dorsten geroepen, en wie van dit hout des levens gegeten heeft, zal nooit meer hongeren en dorsten.
Vreemd paradijs, deze heuvel van Golgotha, dit kruis, dit bloed, dit gebroken lichaam, vreemde boom des levens, deze paal waaraan God zelf moest lijden en sterven – maar hier schenkt God uit genade het rijk van het leven terug, het rijk van opstanding; hier wordt de poort van de onvergankelijke hoop, van het wachten en het geduld, opengedaan.
Boom des levens, kruis van Christus, midden van de gevallen en in stand gehouden wereld van God: voor ons het einde van het paradijsverhaal.
Thans opent Hij de poorte weer van ’t hemels paradijs; geen cherub sluit de toegang meer: God zij lof, eer en prijs
(…) Het geschiedde in die dagen dat er een gebod (dogma) uitging van keizer Augustus, dat de gehele wereld zou ingeschreven worden. (Uit Lukas 2)
Een ”dogma”, staat er in het Grieks, een beschikking, uitgevaardigd krachtens DICTATORIAAL GEZAG. De keizer beslist. Hij spreekt en het is er, gebiedt en het staat er. Heel de wereld zijn gebied, en heel het gebied onder zijn gebod. Wat daarbuiten nog aan wereld was, had in zijn ogen niets te betekenen. De beschaafde wereld (”oikoumenè”) viel samen met zijn trotse rijk. En heel dit rijk moest in kaart worden gebracht.
(…) Kijk, daar gaan ze. Van Nazareth naar Bethlehem. Een voettocht van 100 kilometer. Wat zal er in hen omgaan? Het wordt ons niet verteld. Mag ik zeggen wat ik denk? Een mengeling van verwarring en verwondering. Verwarring over het verborgene van het Godsbestuur. Immers de keizer bestuurt! Maar zou ook verwondering hun hart niet hebben vervuld? Verwondering over datzelfde verborgen Godsbestuur. Want uiteraard wisten zij van de oude profetie dat de Verlosser in Bethlehem zou geboren worden. Niet in Nazareth. Maar dáár woonden zij! En dat klopte niet…
En ziedaar, onvoorzien wordt de weg naar Bethlehem gebaand. Zonder dat de keizer het flauwste vermoeden heeft, vormt zijn dogma een bevestigend teken van Gods trouw en bestuur. En hoewel Jozef en Maria nog niets ontwaren van enige messiaanse heerschappij, zullen ze beseft hebben dat heel die Romeinse drukdoenerij ten dienste staat van Gods bestek…
Bron tekst: RD Kerk&religie – “Een gekroonde keizer tegenover een Kind in de kribbe” door prof. dr. A. de Reuver
(…) 3 Want deze is het over wie gesproken werd door de profeet Jesaja toen hij zei: De stem van een die roept in de woestijn: Maak de weg van de Heere gereed, maak Zijn paden recht. (Uit Matteüs 3)
Dit is het Woord van de Heer Die spreekt: Niet door kracht noch door geweld,
maar door Mijn Geest zal het geschieden,…” (uit/naar Zacharia 4 : 6)
Het waarachtige Licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld.
(Johannes 1 : 9)
HC Zondag 46 – Vraag: Waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt?
(1) Het Onze Vader is zeker het allerbeste gebed dat op aarde bestaat of door iemand zou kunnen worden bedacht. En wel omdat God de Vader het door Zijn Zoon heeft opgesteld en het Hem in de mond heeft gelegd, zodat we niet hoeven te twijfelen dat het Hem bovenmate zeer behaagt.
Al bij het begin geeft Hij zowel een gebod als een belofte, als Hij van ons deze eer eist dat wij Hem zullen bidden als een kind dat iets vraagt aan zijn vader. Daarbij wil Hij ook van ons hebben dat wij in vol vertrouwen zullen bidden dat Hij ons graag geven wil wat we nodig hebben.
Bovendien is daarin vervat dat wij ons beroemen dat wij Zijn kinderen zijndoor Christus, en volgens Zijn belofte en gebod én in de Naam van de Heere Christus in vertrouwen tot Hem gaan.
(1) Behandelde tekst: Mattheüs 6 : 7-13
Maarten Luther: Wochenpredigten über Matth. 5-7, 1530/1532, vgl. WA 32,420, 9-38
Bron tekst: “Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelberger – Maarten Luther” – samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.
(…) 15 U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’. 16 De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. 17 En nu we zijn kinderen zijn, zijn we ook zijn erfgenamen, erfgenamen van God. Samen met Christus zijn wij erfgenamen: wij moeten delen in zijn lijden om met hem te kunnen delen in Gods luister. (Uit Romeinen 8)
(…) En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.(Jesaja 9 : 5)
(…) In Psalm 64 brengt de Kerk haar gebed tot God onder woorden: ‘Verberg mij voor de heimelijke raad van de boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid. (…) Zij doorzoeken allerlei onrecht; ten uiterste doorzoeken zij wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste van een man, en het diepe hart’ (vers 3-7).
Maar u moet niet wanhopen, want Christus is de Raad en Raadsman voor Zijn Kerk. Hij weet hoe de vijanden tekeergaan, en Hij is volledig op de hoogte van de plannen die door koningen en overheden in het geheim gesmeed worden. Hij kan alle voornemens van de vijanden op niets doen uitlopen en ze in hun mislukking openlijk te schande maken.
Hij heeft dit bijvoorbeeld ook gedaan met ‘de raad van Achitofel’. David vatte weer moed toen hij zei: ‘Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er. En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelf; een ieder die hen ziet, zal zich wegpakken. En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandig aanmerken. De rechtvaardige zal zich verblijden in de Heere, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen’ (Psalm 64 : 8-11).
Bent u daarom niet uiterst gelukkig dat de Heere Jezus
uw Raad en uw Raadsman is?
Het is dan ook vanzelfsprekend dat u verplicht bent om dit in uw gedrag te tonen. Erken en acht Hem hoog als uw Raad. Luister naar Hem en gehoorzaam Hem als Hij u raad geeft door Zijn Woord en Geest. Wanhoop nooit in onduidelijke of twijfelachtige zaken. Deze kunnen te maken hebben met uzelf, uw lichamelijke toestand, of de toestand van uw ziel; die kunnen verward en zorgvol zijn. Ze kunnen ook te maken hebben met de toestand van uw gezin, van het land, van de kerk, of in het algemeen.
Spreek in alle angstige en onbegrepen omstandigheden tot uw ziel:Mijn ziel, waarom bent u zo terneergeslagen en onrustig?Is Christus geen Raadsman voor u? Weet Hij van uw omstandigheden niet af? Kan Hij u niet redden?
Ik heb nog een korte boodschap voor u die tot nu toe niet hebt geluisterd naar de heilzame raad van de Messias. Ik vraag u ernstig: Luister niet langer naar uw vorige goddeloze raadgevers. Neem een voorbeeld aan Paulus, die niet te rade ging met vlees en bloed, met de zondige wereld en de verachtelijke satan.
Kies Christus en Zijn heilige Woord tot uw raadslieden.
Zij raden u tot bekering en geloof. Wij raden u: geef de zonde en de wereld op, zoek niet de dingen van beneden, maar de dingen van boven. Werk uw zaligheid uit met vrezen en beven. Verwerp deze raad niet, maar stem erin toe. Geloof dat ze nuttig is voor u en volg ze op.
Bron tekst: Reveil-Serie “Is Jezus uw Raadsman”, No 540, December 2017, Uitgave van Stichting “Smytegelt-Fonds”. (Tekst op diverse plaatsen ingekort!)
Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Here vertrouwt, is onaantastbaar. (Spreuken 29 : 25)
Ik hef mijn ogen op tot U, die in de hemel troont.
(Psalm 123 : 1)
HC Zondag 46 – Vraag: Waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt?
(1) ‘Ik roep tot de HEERE in mijn nood…’ (vgl. vers 1). Het moet wel een dringende nood zijn die ons aanzet tot het gebed, zoals onze eigen zaligheid of de zaligheid van onze broeder, de eeuwige dood, onze zonden, onze verlorenheid, de eer van God, het Rijk van God, oorlog en vrede, om maar enkele dingen te noemen.
In het Onze Vader worden echter al deze noden in een schone en
heerlijke volgorde aan ons voorgesteld.
Als het voor ons maar mogelijk was om al het kwade waardoor we bedreigd worden, goed te overwegen en te overdenken, dan zouden deze noden ons zeker leren bidden – ja, dan werden we er wel toe gedwongen en gedrongen! De beden uit het Onze Vader moeten wij daarom nauwkeurig in ons opnemen, en ook door de zware wolken heen breken die het aanschouwen van Gods vriendelijk aangezicht verhinderen.
God is ons gunstig gezind – wij moeten daarom vast geloven dat het gebed ons aangenaamste offer voor God is, en dat bidden [en danken] de enige godsdienst is die God van ons verlangt. (2)
Sommigen zoeken als zij in nood zijn naar een middel en vragen om het gebed van de gemeente. Daar is op zich zeker geen bezwaar tegen, want het gebed van meerdere personen is sterker en krachtiger. Maar het blijft noodzakelijk dat je zelf ook bidt en daarin één wordt met de gehele kerk, die uit één mond bidt: ‘Onze Vader…’.
Want God wil niet alleen de Vader van sommige mensen zijn,
maar ook van jou, wie je ook bent.
Uitdrukkelijk heeft David dan ook toegevoegd ‘tot de HEERE’, en dit tegen elke verkeerde gedachte over God. Ik werd eenmaal ook gekweld door zulke gedachten en waardoor sommige eenvoudige mensen onder de papisten nu nog worden gekweld, namelijk dat de Goddelijke Majesteit in de hemel te groot en te hoog is om aan te spreken.
Want ik dacht: ‘Ik ben een zondaar, daarom kan ik niet tot God bidden, want Hij is vanwege mijn zonde vertoornd. Daarom zal ik middelaars zoeken die Hij wel genadig wil zijn: Maria, Petrus, Anna enzovoort.’ Want vreesachtige gewetens verschrikken al als zij alleen nog maar de Naam van God horen noemen, zoals ikzelf uit ervaring weet.
(1) Behandelde tekst: Psalm 120 (2) De eerste plaats komt toe aan het eerbiedig luisteren naar Gods Woord, nog voor onze offerande van bidden en danken (Zie o.a. 1 Samuel 15: 22-23 en Lukas 10 : 42).
Maarten Luther: In XV Psalmos graduum, 1532/1533 (1540), vgl. WA 40.3, 22,21 – 23,28
Bron tekst: “Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelberger – Maarten Luther” – samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.
(…) 2 God, wees ons genadig en zegen ons, laat het licht van Uw gelaat over ons schijnen, sela 3 dan zal men op aarde Uw weg leren kennen, in heel de wereld Uw reddende kracht.
(Uit Psalm 67)
Wie in woede tegen u opstond, zal u loven, wie ontkwam aan uw woede, omgordt zich met gejuich. (Psalm 76 : 11)
Er worden ons in deze tekst (1) mensen voor ogen gesteld die door hun ernst, hun kracht, hun overgave, hun ijver en hun vroomheid tot diegenen behoren op wie wij trots zijn; van wie wij menen dat de Schepper zelf trots op hen zou mogen zijn; naar wie wij opzien in eerbied en verering; voor wie wij ons onvoorwaardelijk buigen – mensen op wie wij geen enkele kritiek zouden durven hebben; mensen op eenzame hoogte, mensen van uniek formaat.
En nu gebeurt er iets ongelofelijks: deze hoogstaande mensen van een ongeëvenaarde ernst en vroomheid worden aangevallen en ten val gebracht door één enkel woord: ‘maar had de liefde niet’; zij schenen alles te zijn en zij worden tot niets, tot niets tegenover God die het licht van de waarheid over hen uitgiet en voor wie niet verborgen blijft dat zij onder al hun hoogheid en kracht een koud, stenen hart verbergen.
‘Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak’. Waarover? Over alles wat voor mij heilig en belangrijk is in het leven. Tot wie? Natuurlijk tot hem, op wie ik deze dingen wil overdragen, die ik wil winnen voor de heilige zaak.
Gesteld dus, wij zouden inderdaad de unieke gave hebben meegekregen te zeggen, onder woorden te brengen, wat wij ondervinden en wat er in de ziel van anderen moet omgaan, gesteld, wij deden dat in alle oprechtheid en overgave – ‘maar had de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal’.
Dat slaat in als een verlammende en vernietigende bliksem. Met die mogelijkheid hadden wij geen rekening gehouden, dat ook ons heiligste woord onheilig, goddeloos en gemeen zou kunnen worden, wanneer ons hart er niet bij is, wanneer het zonder liefde wordt gesproken.
Dat is dus mogelijk, dat het Woord/woord, ons mensen gegeven ter wille van onze persoonlijkste contacten, ontheiligd wordt, doordat het van de liefde losgemaakt zich zelf dient, zichzelf liefheeft. Een holle echo, loos gebabbel zonder hart of ziel, dat kunnen onze woorden worden, dat zijn zelfs onze heiligste, ernstigste en eerlijkste verzekeringen, ook wanneer het verzekeringen van onze liefde zijn — wanneer zij niet zelf liefde zijn.
(..) Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.
(Johannes 8 : 36)
Bron afbeelding:Nathan Driskell – Bible Verses
Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God!
(Psalm 42 : 12)
(…) “Maria als krachtige vrouw (1), staand in een traditie van vrouwen die mannen niet meer echt nodig hebben: dat is een beeld dat de kerk niet altijd met evenveel genoegen heeft hooggehouden. (…) Westerse kerken hebben haar veel meer getemd: Maria is vooral een gezeglijke girl next door.
“Ik kwam een prachtige middeleeuwse afbeelding tegen van Maria die de duivel ferm voortsleept. Nee, dat is geen gedwee, passief vrouwtje, maar echt een krachtige vrouw. Dan is ze de ‘tweede Eva’ die de demonen bedwingt. En dus ook een ander soort rolmodel dan Maria voor velen geweest is.”
De apostel Paulus: (…) 19 U, die zo verstandig bent, verdraagt dwazen toch met het grootste gemak. 20 Tenslotte verdraagt u het ook dat men u tiranniseert, uitzuigt, onderwerpt, zich boven u verheft en u beledigt. 21 Nu, ik moet u tot mijn schande bekennen dat wij daarvoor te zwak zijn geweest. Als anderen over zichzelf durven op te scheppen, durf ik het ook. Ik ben toch maar een dwaas. (…) 23 Zijn zij dienaren van Christus? Ik ben zo gek dat ik durf te zeggen: ik nog meer. Ik heb harder gezwoegd, heb vaker gevangengezeten, heb veel meer lijfstraffen ondergaan, ben vaker in doodsgevaar geweest. (Uit 2 Korintiërs 11)
Jezus woorden: (…) 32 Er zat een groot aantal mensen om hem heen, en die zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken u.’ 33 Hij antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’ 34 Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. 35 Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’(Uit Marcus 3)
(1) Gezegende vrouw ‘Maria staat in een bijbelse lijn van gevaarlijke vrouwen’, vindt Janneke Stegeman. ‘De traditie heeft haar veel te lief en te veilig gemaakt.’
Bron tekst: Trouw/De Verdieping (via Blendle) – “Gevaarlijke, krachtige Maria” door Wolter Huttinga