Christelijke gemeenschap… (I)

Ze bleven trouw aan het onderricht van de ​apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het ​gebed. (Handelingen 2 : 42)

Gemeenschap als bron van vreugde

De persoonlijke tegenwoordigheid van andere christenen is voor de gelovige een bron van onuitputtelijke vreugde en versterking. De gelovigen behoeven zich er niet voor te schamen, alsof ze nog te zeer aan het vlees gebonden zouden zijn, wanneer zij er naar verlangen andere christenen werkelijk bij zich te zien.

De mens is immers als lichaam geschapen, in hetzelfde vlees kwam de Zoon van God voor ons op aarde, lichamelijk werd Hij opgewekt en lichamelijk ontvangt de gelovige de Here Christus in het sacrament, en de opstanding der doden zal de volkomen gemeenschap van de geestelijk-lichamelijke schepselen Gods brengen.

Daarom prijst de gelovige om de persoonlijke tegenwoordigheid van de broeder de Schepper, de Verlosser, God en Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

De gevangene, de zieke, de christen in de verstrooiing ziet in de nabijheid van de broeder-in-Christus een stoffelijk genadeteken van de tegenwoordigheid van de drieënige God. Bezoeker en bezochte herkennen aan elkaar in hun eenzaamheid Christus, die lichamelijk tegenwoordig is en zij ontvangen elkaar en ontmoeten elkaar, zoals men de Heer ontmoet; met eerbied, in ootmoed en met blijdschap.

Van elkaar ontvangen zij de zegen als de zegen van de Heer Jezus Christus. Wanneer er dus reeds een zo grote blijdschap gelegen is in de ontmoeting van de ene broeder met de andere, hoe onuitputtelijk groot moet dan niet de rijkdom zijn voor hen, aan wie het, naar Gods wil, vergund is in dagelijkse gemeenschap met andere christenen te mogen leven!

Maar wat voor de eenzame een onuitsprekelijke genade van God is, wordt door anderen, die deze genade dagelijks ontvangen, gemakkelijk veronachtzaamd en over ’t hoofd gezien. Het wordt gemakkelijk vergeten, dat de gemeenschap met de broeders een genadegift is uit het Rijk van God, die ons elke dag ontnomen kan worden…

Wie daarom tot op dit ogenblik een christelijk leven mag leiden samen met andere christenen, die moge God om deze genade uit het diepst van zijn hart prijzen.

(Wordt vervolgd…)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “De genade van de zichtbare gemeenschap” – “Gemeenschap als bron van vreugde” – (15 april) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 2 maak dan mijn blijdschap volkomen, doordat u eensgezind bent, dezelfde ​liefde​ hebt, één van ziel bent en één van gevoelen. 3 Doe niets uit eigenbelang of eigendunk, maar laat in nederigheid de een de ander voortreffelijker achten dan zichzelf.4 Laat eenieder niet alleen oog hebben voor wat van hemzelf is, maar laat eenieder ook oog hebben voor wat van anderen is. (Uit Filippenzen 2)

Bron afbeelding:  Pinterest

handelingen 2 42 - They devoted themselves - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wedergeboorte en navolging… (V, slot)

(…) En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders.
(Uit Lukas 15 : 5)

​Het lijden moet gedragen worden, opdat het voorbijgaat. Óf de wereld moet het dragen en eraan te gronde gaan, óf het valt op Christus en wordt in Hem overwonnen. Zo lijdt Christus plaatsvervangend voor de wereld. Alleen zijn lijden is verlossend lijden.

Maar ook de gemeente weet nu, dat het lijden van de wereld een drager zoekt. Zo valt in de navolging van Christus het lijden op haar, en zij draagt het, doordat ze zelf door Christus wordt gedragen. Plaatsvervangend staat de gemeente van Jezus Christus voor de wereld tegenover God, terwijl ze navolgt onder het kruis.

God is een God van dragen. De Zoon van God droeg ons vlees. Hij droeg daarom het kruis, Hij droeg al onze zonden en bracht verzoening door zijn dragen. Zo is ook de volgeling tot dragen geroepen. In het dragen bestaat het christen-zijn. Zoals Christus in het dragen de gemeenschap met de Vader bewaart, zo is het dragen van de volgeling gemeenschap met Christus.

De mens kan de hem opgelegde last ook afschudden. Maar hij wordt daarmee niet van de last bevrijd, maar draagt nu een veel zwaarder, een veel ondraaglijker last. Hij draagt het zelfgekozen juk van zijn eigen ik.

Jezus heeft allen die met velerlei lijden en lasten beladen zijn, geroepen hun juk af te werpen en zijn juk op zich te nemen, dat zacht, en zijn last die licht is. Zijn juk en zijn last is het kruis.

Onder dit kruis te gaan, betekent niet ellende en vertwijfeling, maar verkwikking en rust voor de zielen, het is hoogste vreugde. Hier gaan we niet meer onder zelfgemaakte wetten en lasten, maar onder het juk van Hem die ons kent en die zelf meegaat onder het juk.

Onder zijn juk zijn we zeker van zijn nabijheid en gemeenschap.
De volgeling vindt Hem zelf, wanneer hij zijn kruis opneemt.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Navolging en kruis” – “Geroepen tot dragen” – (1 maart) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Zie ook:
– Wedergeboorte en navolging… (I)
– Wedergeboorte en navolging… (II)
– Wedergeboorte en navolging…(III)
– Wedergeboorte en navolging…(IV)

(…) 25 In die tijd zei ​Jezus​ ook: ‘Ik loof u, Vader, ​Heer​ van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen (kinderkens, NBG) hebt onthuld.
(…) 28 Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; 29 neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; 30 want mijn juk is zacht en mijn last is licht. (Uit Matteüs 11)

Bron tekst:  Rooted Families

Matteüs 11 28-30 - Rest - Rooted Families

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wedergeboorte en navolging… (IV)

​(…) Vergeef, dan zal je ​vergeven​ worden. (Uit Lukas 6 : 37)

Weliswaar is alleen Christus’ eigen lijden verzoenend lijden, maar omdat Christus vanwege de zonde van de wereld heeft geleden, omdat op Hem alle last van de schuld viel en omdat Jezus Christus zijn volgelingen de vrucht van zijn lijden toekent, daarom overvalt ook de discipel de aanvechting en de zonde, ze bedekt hem met louter schande en stoot hem als de zondebok buiten de poorten der stad.

Zo wordt de christen tot drager van zonde en schuld voor andere mensen. Hij zou daaronder bezwijken, wanneer hij niet zelf gedragen werd door Hem die alle zonde droeg. Zo echter kan hij in de kracht van het lijden van Christus de zonden die op hem neerkomen, overwinnen, doordat hij ze vergeeft.

De christen wordt tot lastdrager: ‘Draagt elkanders lasten; zo zult gij de wet van Christus vervullen‘ (Galaten 6 : 2). Zoals Christus onze last draagt, zo moeten wij de last van de broeders dragen; de wet van Christus, die vervuld moet worden, is het kruisdragen.

De last van de broeder die ik te dragen heb, is niet alleen zijn uiterlijk lot, zijn karakter en aanleg, maar is in de meest eigenlijke zin zijn zonde, Ik kan die niet anders dragen dan doordat ik hem die vergeef, in de kracht van het kruis van Christus, die ik deelachtig ben geworden.

Zo plaatst de oproep van Jezus tot kruisdragen elke volgeling in de gemeenschap van de zondenvergeving. Zondenvergeving is het lijden van Christus, dat ons bevolen wordt. Het is ieder christen opgelegd.

(Wordt vervolgd…)

(…) 36 Wees ​barmhartig​ zoals jullie Vader ​barmhartig​ is. 37 Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. ​Vergeef, dan zal je ​vergeven​ worden. 38 Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt. (Uit Lukas 6)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Navolging en kruis” – “Dragers van zonden en schuld voor anderen.” – (29 februari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Zie ook:
– Wedergeboorte en navolging… (I)
– Wedergeboorte en navolging… (II)
– Wedergeboorte en navolging…(III)
– Wedergeboorte en navolging…(V)

Bron afbeelding:  King James Bible (Inspirational Image)

Lukas 6 37 - Forgive - King James Bible

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wedergeboorte en navolging… (III)

Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf
en neme zijn kruis op en volge Mij.
(Uit Marcus 8 : 34)

Kruis – einde van een gelukkig leven!

Doop is onze roeping en tevens dood én leven (1)

Opdat echter niemand zou menen, dat hij zich zelf een of ander kruis zou moeten zoeken, of dat hij willekeurig een lijden moet opzoeken, zegt Jezus, dat voor ieder zijn kruis reeds klaar ligt, hem door God beschikt en toegemeten. Hij moet de hem bepaalde maat van lijden en verworpen-zijn dragen. Dat is voor ieder een andere maat. De ene keurt God groot lijden waardig, Hij schenkt hem de genade van het martelaarschap (a); de ander laat Hij niet boven zijn kracht verzocht worden. Toch is het één en het zelfde kruis.

Ieder christen wordt zijn kruis opgelegd. Het eerste Christus-lijden dat ieder moet ervaren, is de oproep die ons wegroept uit de bindingen van deze wereld. Het is het sterven van de oude mens in de ontmoeting met Jezus Christus. Wie de weg van de navolging inslaat, geeft zich in de dood van Jezus, hij legt zijn leven in het sterven, dat is van meet af aan zo; het kruis is niet het einde van een vroom en gelukkig leven, maar het staat aan het begin van de gemeenschap met Jezus Christus.

Elke oproep van Christus leidt naar de dood. Of wij met de eerste discipelen huis en beroep moeten verlaten om Hem te volgen, of dat wij met Luther uit het klooster een wereldlijk beroep opnemen, in beide wacht de éne dood op ons, de dood aan Jezus Christus, het afsterven van onze oude mens aan de roep van Jezus.

Omdat de oproep van Jezus tot de rijke jongeling hem de dood brengt, omdat hij slechts als een, wiens eigen willen afgestorven is, kan volgen, omdat elk gebod van Jezus ons beveelt te sterven met al onze wensen en begeerten en omdat we onze eigen dood niet kunnen willen, daarom moet Jezus Christus in zijn woord onze dood en ons leven zijn.

De oproep tot de navolging van Jezus, de doop in de naam van Jezus Christus (1), is dood en leven. De oproep van Christus, de doop, stelt de christen in de dagelijkse strijd tegen zonde en duivel. Zo brengt elke dag met zijn aanvechtingen door vlees en wereld nieuw lijden van Jezus Christus over de discipel. De wonden die hier geslagen worden, en de littekenen die een christen uit deze strijd overhoudt, zijn levende tekenen van de kruisgemeenschap met Jezus.

(Wordt vervolgd…)

(a) (…) 22 Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de ​Mensenzoon​ haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. 23 Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld.
24 Maar wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad. 25 Wee jullie die nu verzadigd zijn, want je zult hongeren. Wee jullie die nu lachen, want je zult treuren en huilen. 26 Wee jullie wanneer alle mensen lovend over je spreken, want hun voorouders hebben de valse profeten op dezelfde wijze behandeld. (Uit Lukas 6)

(1) Opgemerkt AJ: Net zo waarachtig en krachtig als de roepstem waarmee Jezus zijn discipelen riep is de roepstem van Jezus hoorbaar en zichtbaar aanwezig in onze doop. Die roepstem en roeping moeten wij niet verwarren met de latere opdracht van Jezus aan zijn discipelen om als Zijn apostelen getuigen te zijn van Hem. Zij gaven een uniek getuigenis dat heel de toenmalige wereld is doorgegaan en dat ook nu nog doorgaat in en naar alle volken. Onze levens mogen er getuigenis van afleggen dat wij het getuigenis van de apostelen geloven en dat niet alleen op en om de woorden van hun getuigenis, maar omdat de Heilige Geest mee getuigenis geeft in ons hart en ons overtuigd van de Waarheid.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Kruis is lijden met Christus” – “Kruis – einde van een gelukkig leven” (28 februari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Zie ook:
–  Wedergeboorte en navolging… (I)
–  Wedergeboorte en navolging… (II)

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Lukas 6 27-28 - But to you who listen - DailyVersesnet

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wedergeboorte en navolging… (II)

‘En neme zijn kruis op‘… (Uit Markus 8 : 34)

Geen goedkope geloofsvertroosting…

Het is de genade van Jezus, dat Hij zijn discipelen op dit woord heeft voorbereid door het woord van de zelfverloochening. Alleen, wanneer wij ons zelf geheel vergeten hebben, ons zelf niet meer kennen, alleen dan kunnen wij bereid zijn het kruis om Zijnentwille te dragen.

Kennen wij alleen nog Hem, dan kennen we ook de pijnen van ons kruis niet meer, dan zien wij alleen nog maar Hem.

Had Jezus ons niet zo liefdevol op dit woord voorbereid, dan konden wij het niet dragen. Zo heeft Hij ons echter in staat gesteld ook dit harde woord als genade te vernemen, Het komt tot ons in de vreugde van de navolging en versterkt ons daarin.

Kruis betekent niet ongerief en een zwaar lot, maar het is het lijden, dat voor ons voortspruit uit de gebondenheid aan Christus alleen. Kruis is geen toevallig, maar noodzakelijk lijden. Kruis is geen lijden, gebonden aan het natuurlijk bestaan, maar lijden, gebonden aan het christenzijn.

Kruis is helemaal niet alleen wezenlijk lijden, maar lijden en verworpen worden, en ook hier strikt genomen een verworpen worden ter wille van Jezus Christus, niet ter wille van een of andere gedraging of belijdenis.

Een christenheid die de navolging niet meer ernstig opvatte, die van het evangelie alleen de goedkope geloofsvertroosting gemaakt had en voor wie verder natuurlijk en christelijk bestaan ongescheiden door elkaar liepen, moest het kruis als het dagelijks ongerief, als de nood en angst van ons natuurlijk leven opvatten….

Hier was men vergeten, dat kruis altijd tegelijkertijd verworpen-zijn betekent, dat de smaad van het lijden bij het kruis behoort.

In het lijden uitgestoten, veracht en verlaten te zijn door de mensen (1), zoals het de nooit eindigende klacht van de psalmist is, dit wezenlijke merkteken van het kruislijden, kan een christenheid die burgerlijk en christelijk bestaan niet (meer) weet te onderscheiden, niet meer begrijpen.

Kruis is meelijden met Christus, Christus-lijden. Alleen de gebondenheid aan Christus, zoals die er is in de navolging, staat in ernst onder het kruis.

(Wordt vervolgd…)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Navolging en kruis” – “Kruis is lijden met Christus” – (27 februari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1) (…) 1 Dit alles heb Ik tegen jullie gezegd om te voorkomen dat jullie je geloof verliezen. 2 Jullie zullen uit de ​synagoge​ gezet worden, en er komt zelfs een tijd dat iedereen die jullie doodt, meent daarmee God te dienen. (Uit Johannes 16)

Zie ook:
– Wedergeboorte en navolging… (I)
– Wedergeboorte en navolging…(III)

Bron afbeelding:  Odyssey (Bible verses to get you through your week)

Johannes 16 33 - Take heart I have overcome the world - Odyssey

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wedergeboorte en navolging… (I)

(…) En Hij riep de schare, met zijn discipelen, tot Zich en zei tegen hen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en omwille van het Evangelie, die zal het behouden. (Marcus 8 : 34-35)

De navolging als gebonden zijn aan de persoon van Jezus Christus plaatst de volgeling onder de wet van Christus, dat wil zeggen onder het kruis.

De mededeling aan zijn discipelen van deze onvervreemdbare waarheid begint er nu merkwaardigerwijs mee, dat Jezus zijn discipelen nog eenmaal geheel vrijlaat. ‘Indien iemand Mij volgen wil‘ zegt Jezus. Het is geen vanzelfsprekendheid, zelfs niet onder de discipelen.

Niemand kan toch gedwongen worden, het kan zelfs niet van wie dan ook verwacht worden, veeleer: ‘wanneer iemand‘, ondanks alle andere aanbiedingen die tot hem komen, wil volgen. Nog eenmaal komt alles neer op de beslissing; midden in de navolging waarin de discipelen staan, wordt nog eenmaal alles afgebroken, alles opengelaten, niets verwacht, niets gedwongen.

Zo beslissend is dat wat nu gezegd moet worden. Dus nog eenmaal, voordat de wet van de navolging wordt verkondigd, moeten zelfs de discipelen zich in de vrijheid laten stellen ‘Wanneer iemand mij wil volgen, die verloochene zich zelf.‘ Zoals Petrus bij de verloochening van Christus zei: ‘Ik ken die mens niet‘ zo moet de volgeling nu tot zich zelf spreken.

Zelfverloochening kan nooit opgaan in een nog zo grote veelheid van afzonderlijke daden van zelfkwelling of ascetische oefeningen; het betekent geen zelfmoord, omdat ook hier nog de eigen wil van de mens zich kan handhaven. Zelfverloochening betekent alleen Christus kennen; niet meer zich zelf, alleen nog Hem zien, die voorgaat en niet meer de weg die ons te zwaar is. Zelf-verloochening zegt wederom alleen: Hij gaat vooraan, houd u aan Hem vast.

(Wordt vervolgd…)

Zie ook:
– Wedergeboorte en navolging… (II)
– Wedergeboorte en navolging… (III)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Navolging en kruis” – “Vrij om na te volgen” (26 februari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  pastorpoppieblog

Markus 8 32-34 - take up his cross - pastorpoppieblog

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Verzoeking en bewaring… (II)

(…) Terwijl ze beweren wijs te zijn, zijn ze dwaas en hebben ze de majesteit van de onvergankelijke God ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, lopende en kruipende dieren.  (Romeinen 1 : 22-23)

Veronderstellende vrij én wijs te zijn…

(…) De hemel is de hel altijd een slag voor. De hemel: daar ontketende ‘de oude slang’ een oorlog (Openbaringen 12 : 7). Hij is er uitgegooid. Op de aarde gesmeten. Tekeer gaat hij sindsdien hier beneden als ‘een brullende leeuw‘ (1 Petrus 5). Geraffineerd treedt hij op als ‘een engel van het licht‘ (2 Korintiërs 11).

Vermomd, spiritueel, religieus.

Nu het Kind buiten zijn bereik is, achtervolgt hij de Vrouw, de Moeder-Kerk, die de woestijn is ingevlucht en daarvan hemels manna leeft (vg. Exodus 16). Dagelijks begenadigd! ‘Geef ons heden ons dagelijks brood‘, zo leert Jezus ons bidden. De eerste christenen dachten bij deze bede niet uitsluitend aan het levensonderhoud, maar ook aan het Avondmaal. Dagelijkse (!) voeding en versterking door Woord en Sacrament, om het vol te houden in de strijd van het geloof, om ‘de geboden van God te bewaren en te belijden wie Jezus is‘ (Openbaring 12 : 17). Volhouden: satan vervolgt namelijk de vrouw in de woestijn (vs. 13) en de overigen van haar nageslacht. De Kerk, vandaag!

Vervolging: de draak braakt een rivier uit die de woestijn instroomt. Met deze woorden wordt er geen rampscenario getekend in de zin van een tsunami. Dit detail van het visioen schildert het raffinement van duivelse verzoeking! Satan maakt namelijk van de woestijn een soort paradijs!
Hij hypnotiseert de Kerk door gelovigen hier en nu het beloofde land voor te spiegelen. Maak een knieval voor ‘het gouden kalf‘ en je kunt je baden in een rivier van overvloed, luxe, entertainment, genot, plenty mogelijkheden die je toelachen om riant te overleven in de wildernis…

Een levensstijl als die van de Egyptenaren, die in geval van droogte – en dus schaarste – de rivier de Nijl tot hun god hebben en die zelf hun land/tuin kunnen bevloeien, onafhankelijk van de hemel! Tegelijkertijd wel, als massamens, afhankelijk van de systemen van Egypte, ‘de wereld’. Terwijl alle deuren open gaan en er meer dan genoeg te consumeren is, de ‘kwaliteit van leven’ toeneemt, de crisis voorbij – om jaloers op te worden – is de massamens echter innerlijk leeg en bang, slaaf in een ‘diensthuis‘, in de veronderstelling ‘vrij’ te zijn.

(Wordt vervolgd…)

Bron tekst:  “Verzoeking en bewaring” meditatie van M. Verduin (Zeist) in Ecclesia nr. 2 – januari 2018.

Zie ook:  Verzoeking en bewaring… (I)

Bron afbeelding:  Pinterest

Romeinen 1 22-23 - Claiming to be wise - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

De Mensenzoon en de kinderlofzang…

“U hebt Hem (voor korte tijd) minder gemaakt dan de engelen, maar met eer
en heerlijkheid gekroond en Hem boven al uw werken gesteld“

(Psalm 8: 6 ev)

(…) De Mensenzoon

Dat het zingen van de kinderen juist in deze situatie van grote betekenis is, wordt des te duidelijker als we de Psalm nog eens lezen:
“Uit de mond der kinderen hebt U lof bereid, met het oog op uw vijanden, om de vijand en de wraakzuchtige de mond te snoeren. Omdat ik de hemelen, het werk van uw vingers zal aanschouwen, de maan en de sterren, die U alleen grondvestte – wat is de mens dat U aan hem denkt en de mensenzoon dat U zorg voor Hem draagt?”

De dichter is onder de indruk van Gods majesteit en vraagt zich af hoe het kan dat de almachtige God zo bezorgd is over de broze en kleine mens. Zo moet de Psalm geklonken hebben in de tijd van de Psalmist.

In de tijd van Jezus heeft de Psalm een nog diepere betekenis. Dat is vooral het geval als we letten op het feit dat de kinderen in Psalm 8 zingen dat God zorg draagt voor de ‘mensenzoon‘. Wie thuis is in de Evangeliën weet dat de Here Jezus dit woord naarmate Hij dichter bij Jeruzalem kwam steeds vaker in de mond nam en er zichzelf mee aanduidde. Hij verwees ermee naar Daniël 7, waar de profeet in een visioen iemand ziet “als een Mensenzoon, aan wie God alle macht heeft over de hemel en de aarde.” Het feit dat Jezus deze woorden op zichzelf leek toe te passen, ergerde de farizeeërs en Schriftgeleerden buitengewoon. Hij suggereerde ermee dat Hij Gods Zoon was.

Als Jezus hen er dus op attent maakt dat het zingen van de kinderen in Jeruzalem heenwijst naar Psalm 8 onderstreept Hij dat Hij de Zoon des mensen is en dat God zorg voor Hem zal dragen, ook als de vijanden Hem zullen doden. In dat licht is ook het vervolg van de Psalm in de LXX-tekst veelbetekenend. De psalmist zegt in de LXX immers over de mensenzoon: “U hebt Hem (voor korte tijd) minder gemaakt dan de engelen, maar met eer en heerlijkheid gekroond en Hem boven al uw werken gesteld” (Psalm 8: 6 ev).

Deze woorden zijn een regelrechte heenwijzing naar wat God de mensenzoon zal schenken: Hij zal Hem, ondanks het feit dat Hij voor een korte tijd minder is geworden dan de engelen, met eer en heerlijkheid kronen. Aan deze belofte wordt Jezus herinnerd bij het zingen van de kinderen.

Deze belofte brengt Hij de priesters onder de ogen, als Hij verwijst naar deze Psalm.

Het is alsof Hij wil zeggen: “u verwerpt me wel, maar weet dat God, die vol majesteit is, voor wie het heelal, dat zo imposant is ‘slechts’ het werk is van zijn vingers (Psalm 8 : 4 en Jesaja 40) aan de Zoon des mensen met zorg zal denken, ondanks het feit dat Hij nu minder is dan de engelen. Hij zal Hem, ondanks uw vijandschap, kronen met eer en heerlijkheid en Hem alle macht geven in de hemel en op de aarde.” Daar herinneren de kinderen aan!

Dat deze Psalm op deze manier door de vroegchristelijke gemeente is uitgelegd bewijst de brief aan de Hebreeën. In hoofdstuk 2 (vs 8, 9) wordt de Psalm direct betrokken op Jezus: “Wij zien nog niet dat aan de mens alles onderworpen is. Maar wij zien Jezus die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor een ieder de dood zou smaken – met eer en heerlijkheid gekroond.” Psalm 8 heeft zijn vervulling gekregen.

De lofzang van de kinderen is uitgekomen, ondanks de priesters. Psalm 118, waarin Hem Gods zegen werd toegezongen als de Zoon van David is in vervulling gegaan. Jezus is opgestaan. De Zoon van David is de Zoon des mensen! Hij is verheerlijkt en hééft alle macht gekregen. De christelijke gemeente ziet Hem daarom nu al, zittend aan de rechterhand van God, tot Hij alle vijanden gesteld zal hebben tot een voetbank van zijn voeten (Psalm 110).

Zo wordt duidelijk dat het zingen van de kinderen voor Jezus een buitengewone bemoediging geweest is, omdat Hij het zag in het licht van Psalm 8 in de LXX! Hij hoorde in hun lofzang de belofte van Gods hulp en trouw aan de Zoon des mensen, ondanks de vernedering die Hij moest ondergaan, alle vijanden ten spijt! En dat liet Hij de hogepriesters en de Schriftgeleerden weten.

“Uit de mond der kinderen…”!

Bron tekst:  “Psalm 8 in de LXX. Uit de mond der kinderen…” gedeelte overgenomen uit de bijdrage van dr. H. Klink en drs. mw. M.A. Aalders in Ecclesia nr. 20 – oktober 2015.

Zie ook: Uit de mond van kleine kinderen

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Psalm 8 4-6 - Son of man - SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Uit de mond van kleine kinderen…

“Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren, Hosanna in de hoge.”
(Uit Psalm 118)

(…) Jezus’ intocht

Wanneer we dit weten (God’s bemoediging zoals we daarover lezen in Jesaja 40), begrijpen we beter waarom de Here Jezus deze Psalm aanhaalt kort na de intocht in Jeruzalem. Wat was er aan de hand? We lezen in Matteüs 21 dat de Here Christus als Hij een week voor het Paasfeest naar Jeruzalem gaat, voordat Hij de stad intrekt, door de schare verwelkomd wordt. Daarop laat Jezus zijn discipelen een ezel brengen, waarop Hij plaats neemt. Zo rijdt Hij als een koning Jeruzalem binnen, terwijl de schare Hem toezingt uit Psalm 118: “Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren, Hosanna in de hoge.”

Het is niet voor niets dat de schare juist deze Psalm zingt. Psalm 118 werd in de tijd voor de ballingschap gezongen als de koning de overwinning had behaald op de vijanden. In een processie trok het volk de triomferende koning tegemoet om hem al zingende Jeruzalem binnen te halen.

De Psalm laat zien dat het volk de koning begeleidde tot binnen de muren van Jeruzalem. Daar aangekomen trok de stoet naar de tempel, waar de koning verwelkomd werd door de priesters, die de tempeldeuren voor hem openden. De priesters betraden daarop in gezelschap van de koning het tempelcomplex, om daar met de koning God voor de overwinning te danken.

In dit licht is het duidelijk waarom de schare Jezus toezingt uit Psalm 118: “Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.” De menigte erkent Hem als de door God beloofde Zoon van David, die door God in de tempel bevestigd zal worden Ín het koningschap dat Hem toekomt over Israël en de volkeren.

De schare begeleidt Hem naar het tempelplein. Maar daar wacht een deceptie: in plaats van Hem te verwelkomen, stuit Jezus uitgerekend bij de priesters op een muur van weerzin en vijandschap. De intocht eindigt in een anti-climax. We lezen dat Jezus van de ezel afstapt en zijns weegs gaat. Dan vindt de tempelreiniging plaats, die de vijandschap van de priesters alleen nog maar meer aanwakkert.

In deze gespannen situatie zijn het alleen de kinderen die Jezus blijven omringen met hun gezang. Zij roepen nog steeds het ‘Hosanna’ uit Psalm 118, dat de schare in de mond bestorven is. Dat zij dat doen, ergert de priesters buitengewoon. Ze sommeren Jezus de kinderen tot de orde te roepen: “Hoort U wat ze zingen?!” Dan wijst de Here Christus hen op Psalm 8: “Hebt u niet gelezen: ‘uit de mond der kinderen en zuigelingen hebt U lof bereid?‘

Het kan niet anders dan dat het zingen van de kinderen de Here Jezus veel te zeggen heeft gehad. Hij werd omgeven door het lofgezang van de kinderen, die zich niet lieten intimideren door de haat van de priesters.

Deze kinderen zijn nog ontvankelijk voor Gods majesteit. Voor hen is God een grootsere realiteit dan die van de boze mannen die Jezus afwezen. Hun blik reikt daarom verder dan die van de priesters en hun zingen heeft iets gezagsvols en profetisch, iets van de bemoediging die Jesaja geeft aan de ballingen en die Luther later zijn vriend Melanchton schenkt. Zij beseffen dat God met Jezus is en Hem in zijn almacht en trouw niet zal verlaten…

En daarom blijven zij zingen, ondanks het abrupte einde van de optocht naar de tempel en de vijandschap van de wraakzuchtige! Hun zingen “Hosanna, gezegend die komt in de Naam des Heren”, heeft in hun mond dus voor Jezus iets van een belofte: God heeft zich immers door de mond der kinderen lof bereid! Daar herinnert de Here Christus de priesters aan. En zij hebben geen repliek. Nu al wordt hun mond gesnoerd!

Bron tekst:  “Psalm 8 in de LXX. Uit de mond der kinderen…” gedeelte overgenomen uit de bijdrage van dr. H. Klink en drs. mw. M.A. Aalders in Ecclesia nr. 20 – oktober 2015.

(…) 3 Kinderen​ zijn een geschenk van de HEER,
de vrucht van de schoot is een beloning van God.
4 Als ​pijlen​ in de hand van een schutter,
zo zijn ​kinderen, verwekt in je jeugd.
5 Gelukkig de man wiens ​koker​ is gevuld
met ​pijlen​ zoals zij.
Hij staat niet te schande
als hij zijn vijanden aanklaagt in de ​poort.
(Uit Psalm 127)

Zie ook: De Mensenzoon en de kinderlofzang…

Bron afbeelding:  Pinterest

Psalm 8 2 - Out of the mouth - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

‘Het onze vader uitgelegd voor de eenvoudigen’, 1519 (14)

(…) “Zie nu hoe het Onze Vader u leert allereerst uw grote ellende en verkeerdheid te zien en erkennen als een godslasteraar van God. Daarom moet je doodsbang zijn voor je eigen gebed als je je realiseert wat je aan het bidden bent. Want het moet werkelijkheid voor je zijn dat je Gods naam nog steeds niet hebt geheiligd. Het moet dan even waar zijn dat wie Gods naam niet heiligt, deze ontheiligt en schendt.

Het moet bovendien helder en duidelijk zijn dat het ontheiligen van Gods naam een ​​ernstige zonde is en het eeuwige hellevuur verdient als Gods gerechtigheid Zijn recht zou opeisen. Wat zouden we nog willen inbrengen en doen? Onze eigen gebed weerspreekt ons en keert zich tegen ons – het beschuldigt ons en getuigt tegen ons. Daar liegen we! Wie zal helpen?

Merk dan, als u zich (weer) ernstig bekeerd hebt, als u zich echt hebt laten vernederen door de erkenning van uw ellende, dan komen de geruststellende woorden die u weer zullen verheffen. Dat wil zeggen, deze smeekbede leert ons ook niet te wanhopen, maar (juist) om Gods genade en hulp te vragen.

Want u moet er zeker van zijn en vast geloven dat God ons deze bede geleerd heeft omdat hij vast van plan was en is om uw gebed te verhoren. Dus het resultaat van het gebed is dat God onze zonde(n) niet tegen ons gebruiken wil en niet hard met ons handelt. God kijkt genadig en vriendelijk en gunstig gezind naar naar degenen die oprecht bekennen dat zij zijn naam onteren maar toch altijd – elke dag! – weer verlangen en (daarom) bidden dat deze zal worden geheiligd.

Aan de andere kant moet duidelijk zijn dat zij die op hun geweten vertrouwen en niet geloven dat ze Gods naam onteren, niet zullen worden gered. Ze zijn nog steeds te zelfverzekerd, te hooghartig – ze hebben geen ontzag voor God. Zij behoren (nog) niet bij degenen tot wie Christus zegt: ‘Komt tot Mij, allen die (door werken en falen daarbij) vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven’ (Matteüs 11 : 28). Ze begrijpen het Onze Vader niet en ‘verstaan’ niet wat ze bidden. “

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 2, 93, 20 – 94, 4 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 42, blz. 35)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de Engelstalige versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  King James Bible

Matteüs 11 28 - Come to me - King James Bible

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Persoonlijk | 1 reactie