Maria onze moeder?

(…) Want Hij, Die geen zonde gekend heeft, heeft Híj zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. (2 Korintiërs 5 : 21)

Wonderlijke verwisseling

O LIEVE GOD, neem onze geboorte van ons en dompel die onder in Uw geboorte en schenk ons de Uwe, zodat we daarin rein en nieuw worden alsof het onze eigen geboorte was. Geef toch dat iedere christen zich over deze geboorte niet minder mag verheugen en verblijden dan alsof hijzelf – net als Christus – lichamelijk uit Maria geboren was. Amen.

Wie dit niet gelooft of hieraan twijfelt, die is geen christen! O, dit ís die grote blijdschap waar de engel van spreekt. Dit is de troost en overvloeiende goedheid van God dat je jezelf – als je dit gelooft – vanwege deze Schat mag beroemen, dat Maria je echte moeder, Christus je Broeder, God je hemelse Vader is. Want dit is waar en echt gebeurd, voor allen die geloven!

Dit is de grond- en hoofdleer van het hele Evangelie, voordat je de leer van de goede werken eruit mag nemen. Christus moet eerst en voor alle dingen de ONZE en wij de ZIJNE worden, voordat we onze handen uitstrekken naar de werken. Dit alles kan echter alleen geschieden door het geloof. Want dan leer je het Evangelie goed verstaan en op de juiste wijze begrijpen.

Als je Christus op de goede manier kent, wordt je geweten vrolijk, vrij en vol vrede. Daaruit ontstaat de echte liefde en dank tot God, omdat Hij ons deze alles te boven gaande goedheid en genade, om niet, uit vrije genade in Christus geschonken heeft. Dan alleen worden wij – zoals ik u allen al zo dikwijls gezegd heb – in leven en sterven van harte gewillig en bereid om alles te doen, te laten en te lijden naar Gods welbehagen.

Maarten Luther: [Kirchenpostille 1522, vgl. WA 10.1.1,72,12-73,12]

Bron tekst:  “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” samengesteld door H.C. van Woerden (Uitgeverij Den Hertog, Houten)

Bron afbeelding:  Bibliacom (Verse of the Day)

2 Korintiërs 5 21 - Made Him to be sin - Bibliacom

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wee de herders…

(…) 1 Wee de ​herders​ die de schapen van Mijn weiden in het verderf storten en laten verdwalen – ​spreekt de HEER.

2 Daarom – dit zegt de HEER, de God van Israël, tegen de ​herders​ die mijn volk weiden: Jullie hebben mijn schapen verjaagd en laten verdwalen, en jullie zijn ze niet gaan zoeken. Daarom ga ik jullie zoeken: ik zal jullie straffen voor je kwalijke praktijken – ​spreekt de HEER.

3 Wat er nog van de schapen over is, zal ik bijeenbrengen uit alle landen waarheen ik ze verjaagd heb. Ik breng ze terug naar hun weide, ze zullen vruchtbaar zijn en in aantal toenemen. 4 Ik zal herders over ze aanstellen die ze zo zullen hoeden dat ze geen angst meer kennen en er niet één meer zal worden gemist – ​spreekt de HEER.

5 De dag zal komen – ​spreekt de HEER​ – dat ik aan ​Davids​ stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als ​koning​ een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en ​gerechtigheid​ zal handhaven.

6 Dan wordt Juda verlost en zal Israël in ​vrede​ leven. Zijn Naam zal zijn

“De HEER is onze ​gerechtigheid”.

Bron tekst: Jeremia 23 (NBV, debijbel.nl, Nederlands Bijbelgenootschap)

Bron afbeelding:  Howard Carter

Jeremia 23 3-4 - I myself will gather - Howard Carter

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Onze schatkisten moeten feestelijk glimmen…

‘de schat in aarden vaten’ (naar 2 Korinthe 4 : 7)

Onze schat ligt verborgen onder het lijden

(…) “Ja, dat zou wel een dwaze koopman zijn die zijn goud en zilver zou weggooien en er geen waarde aan zou hechten, omdat het in zulke lelijke, vieze zakken zat – en niet in prachtig zijde en fluweel was verpakt. Of dat hij niet van deze [geld]schat wilde weten, omdat die te zwaar en niet zo ligt als een veertje zou zijn. Terwijl het toch juist een eigenschap van een schat is dat die zwaar is – en hoe groter hoe zwaarder.

Het is trouwens niet gebruikelijk om goud en zilver in mooie zakken te vervoeren (1), maar in zakken van een zwart, grof en onrein weefsel dat niemand graag als kleding aan zijn lichaam zou dragen.

Op deze manier is het ook het geval met onze schat: deze is waarlijk groot, duur, voortreffelijk, heerlijk en edel – maar we moeten die dragen in moeite en lijden. Dat vanwege de zwaarte, en de smerige zak [= ons sterfelijk lichaam], waarin hij verborgen ligt.

Wie nu deze schat openlijk wil ronddragen, in prachtige zakken, dat is: wie een christen wil zijn om bewonderd te worden, om daardoor plezier en vreugde, goed en eer te krijgen, om fijne vrienden te hebben – die niet veracht wil zijn, geen droefheid, lastering en schade wil lijden, en geen vijanden wil hebben: wát bedoelt hij anders, dan dat hij van zijn schat beroofd wil worden?”

(1) Het schijnt dat Luther weleens een geldtransport heeft gezien en zich heeft verwonderd dat kostbare gouden en zilveren geldstukken werden vervoerd in lelijke en onooglijke zakken. Hij gebruikt het als een beeld van Gods kinderen. Zij dragen de schat in een lichaam van zonde en dood, of zoals Paulus het zegt: ‘de schat in aarden vaten’ (vgl. 2 Korinthe 4 : 7). Luther gebruikt dit voorbeeld in een troostbrief aan de christenen te Augsburg, geschreven op 6 of 11 December 1523.

(…) 5 En wanneer jullie ​bidden, doe dan niet als de huichelaars die graag in de ​synagoge​ en op elke straathoek staan te ​bidden, zodat iedereen hen ziet. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. 6 Maar als jullie ​bidden, trek je dan in je huis terug, sluit de deur en ​bid​ tot je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.
(…) 19 Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde (a): mot en roest vreten ze weg en ​dieven​ breken in om ze te stelen. 20 Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen ​dieven​ in om ze te stelen. 21 Waar je schat is, daar zal ook je ​hart​ zijn. (Uit Matteüs 6)
(a) Ook niet als gemeente(n) door daar te streven naar eer en aanzien onder de mensen, hoe geweldig ‘in dienst van het koninkrijk‘ het ook allemaal mag lijken!

Maarten Luther: An die Christen zu Augsburg, 6. oder 11. December 1523, vgl. WA 12, 225, 9-24

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van ons e-mailadres info@maartenluther.com en van onze website: http://www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Bron afbeelding:  DailyBibleVerse (YouTube)

2 Korintiërs 4 7 - Treasure in earthen vessels - DailyBibleVerse

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

De verandering…

(…) 16 …ik ben geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed (NBG)/ik heb toen geen mens om raad gevraagd (NBV) 17 en ben ook niet naar Jeruzalem gereisd, naar hen die eerder ​apostel​ waren dan ik. (Uit Galaten 1)

Over de roeping en bekering van Paulus…

Stel u eens voor dat Paulus na zijn roeping en Doop zich eerst naar Jeruzalem had begeven om zich daar bij de raad van apostelen en de oudsten te melden met zijn verhaal over zijn bekering en opdracht. Natuurlijk dan gelijk met het verzoek of men zijn verhaal over zijn roeping en bekering wilden aanhoren en om dan ook direct maar zijn apostolaat met speciale roeping voor de verkondiging van het Evangelie aan de heidenen te aanvaarden.
Zou dan deze raad gesteund door de rest van de gemeente – gesteld dat ze toen al op zijn verzoek hadden willen ingaan – Paulus niet eerst maar eens een proeftijd hebben willen aanbieden om eerst maar eens aan te zien en te horen wat hij dan wel te verkondigen had. En zouden ze daarbij aan de oudsten en de leden van de gemeente niet de mogelijkheid hebben willen en zelfs moeten bieden om eerst ook nog gegronde bezwaren in te kunnen en mogen brengen tegen deze man en zijn roeping en bekering en zijn bijzondere opdracht?

Er waren in Jeruzalem (en zelfs daarbuiten) nogal wat leden van de gemeente(n), die in de familie en kennissenkring te lijden hadden gehad van deze Paulus en mogelijk ook zelf zwaar geleden hadden onder deze man en zijn vervolgingsijver (zie Handelingen 9 : 26). En paste zo’n Schriftgeleerde man wel in de kring van apostelen, die toch meest van eenvoudige komaf waren, maar belangrijker nog, die eerder alles verlaten hadden om Jezus te volgen en die toch drie jaar lang al het onderwijs van Jezus aangehoord en “ondergaan” hadden. En had Petrus niet een bijzondere aanstelling en plaats gekregen van Jezus zelf en was hun dan niet – rechtstreeks door Jezus – de opdracht toevertrouwd om het Evangelie te verkondigen aan alle volken?! Moest daarvoor nu plotseling ook nog naderhand een speciale man worden aangesteld en zelfs erkend worden als een ‘door Jezus zelf geroepen apostel’? En zo zou er wel allerlei reden zijn geweest en argumenten aangevoerd om ‘dit geval’ – op z’n best – voorlopig nog eerst maar eens aan te zien om te horen en te zien wat er van (terecht)komen zou…

Maar nee, wat doet Paulus, hij gaat niet eerst bij mensen te rade maar hij begint – alsof hij helemaal geen ‘verleden’ en (daarom) iets uit te leggen had – direct al in de synagogen te Damascus met ‘zijn verkondiging’ dat Jezus de Zoon van God is… (zie Handelingen 9 : 20-23)

Dat de mensen in Jeruzalem echt niet op Paulus zaten te wachten en bereid waren om hem te ontvangen in de ‘broederkring‘, laat staan in de raad van apostelen en oudsten, dat blijkt wel uit het feit dat daar geen ‘warm-welkom-ontvangstcommitee’ op hem stond te wachten, toen hij terugkeerde naar Jeruzalem en zich ook daar wilde aansluiten ‘bij de leerlingen‘. Het is dat Barnabas bereid was om zijn verhaal aan te horen en zich ook nog liet overtuigen, waardoor Paulus uiteindelijk zich toch kon laten aanbevelen bij de apostelen door een belangrijk man in de gemeente, een man die voor de zekerheid toch nog eerst maar zelf het verhaal van en over Paulus doorgaf aan de apostelen…

Wanneer Paulus ook in Jeruzalem ‘de naam van de Heer‘ gaat verkondigen, geeft dat een bepaalde groep Joden al snel reden om een aanslag op Paulus te beramen en het valt beslist niet uit te sluiten dat mogelijk ook rancuneuze leden van de gemeente in Jeruzalem daarbij een rol hebben gespeeld. Later schrijft Paulus namelijk ook over ‘schijnbroeders‘ in de gemeente van Jeruzalem (zie Galaten 2 : 4), en die zullen er natuurlijk altijd wel in een gemeente (kunnen) zijn. In elk geval waren ze er later dus wel in Jeruzalem. En zelfs binnen de raad van apostelen en oudsten ontstond nog onenigheid, toen Paulus veel later in een besloten vergadering in Jeruzalem nog eens aan de aanwezigen duidelijk maakte ‘welk evangelie’ hij aan de heidenen verkondigde (Zie Galaten 2 : 11-14).

We moeten ons erover verwonderen welke ruimte en erkenning de apostel Paulus (uiteindelijk) in Jeruzalem van de apostelen en de oudsten (‘de belangrijkste broeders‘ daar, zie Galaten 2 : 6-10) gekregen heeft, want dat lag helemaal niet voor de hand. Want het was toch wel duidelijk dat ‘de belangrijkste broeders’ in de raad van de gemeente te Jeruzalem zich op heel wat meer konden beroepen dan Paulus met zijn moeilijk te controleren ‘roeping en opdracht’ achteraf. De apostelen en ook Jakobus (een broer van Jezus) hadden heel wat betere en overtuigender ‘papieren’ om hun bijzondere positie te laten gelden en om daarmee hun woorden en opvattingen gewicht te geven. Ze hadden Paulus, toen hij zich in die vergadering tegen Petrus durfde te keren, zomaar ermee buiten spel en buiten de deur kunnen zetten.

En zo zien me maar weer hoe in Gods koninkrijk – en daarom in de gemeente(n) – de zaken er heel anders voorstaan en hun uitwerking krijgen en dienen te krijgen dan dat wij vanuit onze mensenwijsheid bedacht en – zowel toen als nu – als aanvaardbaar geacht zouden hebben en aanvaardbaar achten. Alleen heel goed luisteren naar Gods Woord en dan nederig bidden om wijsheid kan ons ervoor bewaren dat ‘mensenwijsheid’ de overhand krijgt bij wat er in de gemeente verkondigd, besloten en gedaan moet en gaat worden.

En wanneer we de Bijbelse- en Kerkgeschiedenis overzien, dan zien we dat het juist altijd weer de leidinggevenden (de ‘kerkleiders’) zijn die de grootste moeite hebben om ‘de regels van het koninkrijk’ te aanvaarden. Het duidelijkst bleek dat nog in de tijd van Jezus optreden hier op aarde. De kerkleiders meenden zo goed in het vizier te hebben wat wel en niet de belangen van Gods volk hier op aarde en in het toenmalige Jeruzalem en Israël diende, dat zij zelfs de waarheid van het door Jezus – en dus God zelf – gesproken, uitgelegde en toepaste Woord niet konden ‘horen’ en aanvaarden. Het was voor hun gevoel ‘de wereld op z’n kop‘…

Vanwege dat laatste menen ook nu nog mensen dat Jezus provocerend bezig was en dat Hij de toenmalige leiders graag eens ‘op hun nummer zette’… Maar dat is beslist niet juist. Jezus kwam de zaken recht zetten, naar de orde van Gods koninkrijk, en dan menen wij dat de zaken ‘op z’n kop’ worden gezet. Maar dat maakt alleen maar duidelijk waar onze (eigen-) mensenwijsheid toe leidt, wanneer wij daar naar luisteren bij het organiseren en leiding geven aan Gods volk en/of de gemeente(n) van Jezus Christus. En ook in onze tijd lijkt het haast weer een onmogelijkheid om de leidinggevenden van die orde van Gods koninkrijk te overtuigen en dan m.n. bij hen die zich als ‘kerkleiders’ gedragen en/of zien en/of zichzelf graag zo laten noemen – maar deze ‘kerkleiders’ hebben ook altijd weer een grote trouwe (adorerende) en goedgelovige aanhang!

Hier nog een voorbeeld uit het leven van Paulus om dit laatste te illustreren. Paulus is nog niet weg uit de gemeente van Korinthe of er zijn al leidinggevende figuren die graag de zaken eens wat anders aanpakken dan zoals Paulus dat gedaan heeft. Waarom zou de Heilige Geest hen niet evengoed leiden en leiding kunnen laten geven aan de gemeente als Paulus dat deed…?
Paulus berispt niet veel later deze gemeente vanwege het doen aan ‘partij-vorming’ (zie 1 Korintiërs 3) en hij beperkt zich dan tot het noemen van zijn naam en die van Apollos, maar er zullen er vast al meer te noemen zijn geweest, gezien zijn latere opmerkingen over mensen die zich daar al ‘koningen’ hebben gemaakt, terwijl de apostelen zo’n lage plaats werd toegewezen door God. En die lage (geminachte) plaats dreigde (en gold!) zelfs ook al binnen de door hen gestichte gemeenten!

Zullen die ‘koning-kerkleiders‘ geen moeite hebben gehad met het voorlezen van de brieven van Paulus in de samenkomsten van ‘hun gemeente’. Wat voor wervingskracht ging er nu uit van zulke berispende en vermanende brieven. Wat moesten nieuwelingen en bezoekers (‘ongelovige buitenstaanders’, zie 1 Korintiërs 14 : 23) niet denken, wanneer heel de gemeente in de duidelijke taal van de brieven werden terecht gewezen en (nog weer) onderwezen. Dan kon je toch beter in zo’n samenkomst iemand een bijzonder staaltje van klanktaal laten weggeven, toch? Niet dus, volgens Paulus.

Tot slot. Wij moeten van Paulus beslist geen ‘buitengewoon mens’ maken en zelfs zijn doop en bekering moeten wij niet bijzonder maken. Alleen zijn roeping en opdracht waren ‘bijzonder’ (1). Dat ook Paulus een heel gewoon mens is en blijft en van zichzelf geen bijzondere gaven of krachten of karakter-eigenschappen bezat (t.o.v. de andere apostelen, maar ook die van gewone gemeenteleden), dat maakt hijzelf duidelijk genoeg in zijn brieven. Alleen dankzij ‘Gods genade‘ had hij kunnen leven en werken in dienst van het Evangelie zoals hij gedaan heeft. Ook Paulus had het nodig dat hij ‘klein en nederig’ bleef daaronder. Daar hoefden en moesten echter beslist niet de andere apostelen of de leiders of leden van de gemeenten voor zorgen, maar dat deed God Zelf door Paulus ‘een satan‘ te zenden die hem met ‘vuisten sloeg‘ opdat ‘hij zich niet zou verheffen‘…

(…) 9 maar Hij zei: ‘Je hebt niet meer dan mijn ​genade​ nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid.’ Dus laat ik mij veel liever voorstaan op mijn zwakheid, zodat de kracht van ​Christus​ in mij zichtbaar wordt. 10 Omdat ​Christus​ mij kracht schenkt, schep ik vreugde in mijn zwakheid: in beledigingen, nood, vervolging en ellende. In mijn zwakheid ben ik sterk. (Uit 2 Korintiërs 12)

(1) Opgemerkt door een lezer: Iets meer dan het artikel suggereert zou er nog nadruk gelegd kunnen worden op het bijzondere apostolische ambt. Paulus was een mens net als wij, maar hij had de opgestane Heer gezien – als een ontijdig geborene – en was daarom een mede getuige van Zijn opstanding.

Bron afbeelding:  Bible Verse Images

2 Korintiërs 9-10 - That's why i delight in weakness - Bible Verse Images

 

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Christelijke gemeenschap… (IV)

(…) 16 Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld; ook ​Christus​ niet, die we vroeger wel volgens die maatstaven beoordeelden. 17 Daarom ook is iemand die één met ​Christus​ is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. (Uit 2 Korintiërs 15)

Grondslag van alle ware Christelijke gemeenschap…

‘Broeders in de Heer‘ noemt Paulus de gemeente in Filippenzen 1 : 14. Maar ‘broeder’ of ‘zuster’ is de een voor de ander alleen door Jezus Christus. Ik ben de ander een broeder door datgene, wat Jezus Christus voor en aan mij gedaan heeft, en de ander is mij tot broeder geworden door wat Christus voor en aan hèm gedaan heeft.

Dat wij alleen broeders zijn door Jezus Christus is een feit van onmetelijk grote betekenis. Zo is niet de ernstige, naar broederschap verlangende, vrome mens die mij tegemoet komt, de broeder met wie ik in deze gemeenschap te doen krijg. Neen, broeder is de door Jezus Christus verloste mens, die van zijn zonden vrijgesproken is en tot geloof en het eeuwige leven geroepen is.

Wat iemand als christen in zichzelf ook moge zijn, in alle innigheid en vroomheid, kan geen grondslag zijn van onze gemeenschap. Alleen wat iemand van Christus uit is, bepaalt onze broederschap.· Onze gemeenschap bestaat alleen in datgene, wat Christus aan ons beiden gedaan heeft.

Dat geldt niet alleen voor het begin, zodat in de loop van de tijd onze gemeenschap nog kan worden aangevuld, maar het blijft zo voor de toekomst en tot in alle eeuwigheid. Gemeenschap met de ander heb ik en zal ik alleen hebben door Jezus Christus.

Hoe echter en dieper onze gemeenschap wordt, des te meer zal het andere tussen ons op de achtergrond raken en des te duidelijker en zuiverder zal tussen ons alleen Jezus Christus en zijn werk levend worden. Wij hebben elkaar alleen door Jezus, maar door Christus hebben wij elkaar ook werkelijk. Nu en voor alle eeuwigheid.

Dit maakt, dat elk vaag verlangen naar meer voorgoed verdwijnt. Wie meer wil hebben dan dat, wat Christus tussen ons tot stand heeft gebracht, wil geen christelijke gemeenschap, maar zoekt bepaalde buitengewone ervaringen van gemeenschap, die hem elders onthouden bleven en vermengt de christelijke broederschap met onduidelijke en onzuivere begeerten.

Zie evt. ook: 
– Christelijke gemeenschap… (I)
– Christelijke gemeenschap…(II)
– Christelijke gemeenschap…(III)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “De genade van de zichtbare gemeenschap” – “Grondslag van alle broederschap” – (19 april) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  Pinterest

2 korintiërs 5 16 - in Christ he is a new creature - Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Christelijke gemeenschap… (III)

(…) ‘Over de onderlinge ​liefde​ hoeven wij u niets te schrijven, want u hebt zelf
van God geleerd hoe u in ​liefde​ met elkaar moet omgaan…
maar, broeders en zusters, wij sporen u aan het nog veel meer te doen‘
(Uit 1 Tessalonicenzen 4 : 9)

Over de ‘onderlinge liefde’…

Het onderricht in de broederliefde heeft God zelf op zich genomen, en alles, wat er nog van menselijke kant aan toegevoegd kan worden, is de herinnering aan die goddelijke onderwijzing en aan de vermaning ‘dit nog veel meer te doen.‘

Toen God ons barmhartigheid bewees en toen Hij ons Jezus Christus als de Broeder openbaarde, toen Hij ons hart in beslag nam door zijn liefde – toen begon tegelijkertijd het onderricht in de broederliefde. Omdat God barmhartig was voor ons, leerden wij barmhartig te zijn jegens onze broeders. Omdat wij vergeving ontvingen in plaats van het oordeel, werden we bereid tot broederlijke vergeving.

Wat God aan ons gedaan heeft, zijn we nu ook schuldig aan de ander te doen. Hoe meer wij ontvangen hadden, des te meer konden wij geven, en hoe armer onze liefde jegens de broeder was, hoe minder wij leefden uit Gods barmhartigheid en liefde.

Zo leerde en leert God zelf ons om tegenover elkaar te staan, zoals Hij in Christus tegenover ons is komen staan. ‘Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods‘ (Romeinen 15 : 7).

Zie ook: 
– Christelijke gemeenschap… (I)
– Christelijke gemeenschap…(II)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “De genade van de zichtbare gemeenschap” – “Onderricht in de broederliefde” – (18 april) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  Today’s Bible Verse (News and Views)

Romeinen 15 7 - Therefore, accept each other - TodaysBibleVerse

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

De enige Goede Herder en de huurlingen…

(…) 11 Ik ben de Goede ​Herder. De Goede ​Herder​ zet zijn leven in voor zijn schapen; 12 maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – 13 want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte.  (Uit Johannes 10)

Jezus, de Goede Herder, dat heeft met herdersidyllen en grote-stille-heide-poëzie niets te maken. Dergelijke gedachten kunnen de tekst alleen maar bederven. ‘Ik ben‘, daarmee wordt duidelijk dat hier geen sprake zijn kan van herders en hun werkzaamheid in het algemeen, maar van Jezus Christus alleen.

Ik ben de Goede Herder, niet een goede herder, alsof Jezus zich met een andere goede herder zou vergelijken en van hem zou leren wat een goede herder is. Wat een goede herder is, is alleen te leren van dé Goede Herder, naast wie er geen andere bestaat, van het ‘ik’ van Jezus.

Het herderlijk ambt in de kerk van Jezus Christus betekent niet dat er naast de Goede Herder nog een tweede of derde zou zijn, maar schept alleen de mogelijkheid dat Jezus de Goede Herder van de gemeente is. Hij is de ‘opperherder‘ (1 Petrus 5 : 4), in zijn herderlijk ambt delen de ‘pastores’ willen zij het ambt en de kudde niet bederven.

Dat het hier gaat om de Goede Herder zonder meer en niet om een herder onder anderen, blijkt onmiddellijk uit de ongewone werkzaamheid die Hij zich zelf toeschrijft. Er wordt niet gesproken van weiden, drenken en helpen, maar: ‘De Goede Herder geeft zijn leven voor de schapen.‘ Dat geldt alleen van de Goede Herder.

Vanuit Jezus verstaan krijgt deze zin een nog veel rijker betekenis :

  • In de eerste plaats, als Jezus over het geven van zijn leven spreekt als over iets dat nu gebeurt, dan mogen wij met dr. Bengel zeggen: ‘Zijn hele leven was een gaan naar de dood.’
  • In de tweede plaats, als Jezus zegt dat Hij ‘voor de schapen’ sterft, dan moet in dit sterven de ene, definitieve daad gezien worden die de kudde redt, een vrije geen afgedwongen daad.
  • Ten derde, de uitspraak dat het sterven van de herder de schapen ten goede komt, wil niet ontkennen, dat Jezus voor alle mensen stierf, maar wijst erop dat alleen de schapen van zijn kudde aan de vrucht van dit sterven deel zullen hebben. De blik valt niet op de wereld, maar alleen op de weldaad van Jezus aan zijn gemeente.

De Goede Herder en zijn gemeente horen bijeen.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “De goede herder” – “Beeldspraak bij de gratie van Jezus Christus” – (21 april) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Zie evt. aanvullend ook nog:  “De Goede Herder” (Luther-citaat)

(…) 14 Ik ben de Goede Herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, 15 gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen. 16 Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één Herder. (Uit Johannes 10)

Bron afbeelding:  Pinterest

Johannes 10 14-15 Ik ben de Goede Herder - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Een God dankend mens…

‘De farizeeër stond en bad bij zichzelf op deze manier: Ik dank U, God, dat ik niet ben als andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook als deze tollenaar’
(Lukas 18 : 11, weergave DB 1545).

(…) “Wat is het anders dan de hoge Goddelijke Majesteit lasteren en bespotten wat de farizeeër hier durft te bidden? Hij zegt immers: ‘Ik dank U, God, dat ik zó heilig en goed ben, dat ik Uw genade helemaal niet nodig heb, maar dat ik van mijzelf weet dat ik Uw wet heb gehouden, zodat U mij nergens over kunt berispen. Verder heb ik bij U zoveel verdiend dat U mij daarvoor wel moet vergelden en belonen, tijdelijk en eeuwig – tenminste als U de eer wilt houden een rechtvaardig en waarachtig God te zijn.’

Het ontbreekt de farizeeër beslist ook aan alle christelijke liefde en trouw. Je kunt niet merken dat hij de zaligheid van zijn naaste op het oog heeft. Waar hij zijn naaste moest helpen en redden, doet hij hem zelfs het grootste onrecht. Want terwijl hij ziet dat zijn naaste tegen God zondigt, denkt hij er niet aan hoe hij hem zou kunnen behouden of redden van de toorn van God en de eeuwige verdoemenis.

Hij meent immers dat de tollenaar recht wedervaart als hij in zijn verdoemelijke en verloren staat blijft. Hieraan kun je merken hoeveel gevoel en liefde hij voor Gods geboden heeft en hoe hij de zonde haat …

Hoe groot is de verdorvenheid van een huichelachtige heilige, die de ziel van zijn naaste in gevaar en nood van de eeuwige verdoemenis ziet liggen, hoewel hij toch verplicht is om lichaam en leven te wagen om hem te redden – en die daar geen enkele moeite (meer) voor doet (1), al zou hij dat zelfs met één woord of zucht kunnen doen!”

Maarten Luther: Crucigers Sommerpostille, vgl. WA 22, 200, 26 – 202, 2, ohne Datierung, 1531? (verkort, uit de selectie van dr. Georg Buchwald)

(1) Opgemerkt AJ:  Behalve dan door deze “mindere naaste(n)” te veroordelen en met woorden en daden te minachten, vooral ook door hen de broederlijke gemeenschap zo veel mogelijk te onthouden of zelfs helemaal te ontzeggen, menende dat deze (dwang)maatregelen van hen om “de zondaar(s)” tot inkeer te brengen hun werk wel zullen doen…

(…) 1 Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u ook bent die anderen oordeelt, want waarin u de ander oordeelt, veroordeelt u uzelf. U immers die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen. (Uit Romeinen 2)

Bron afbeelding:  Verse of the Day

Romeinen 8 1-2 - No condemnation - Verse of the Day

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Christelijke gemeenschap… (2)

Hoe goed is het, hoe heerlijk als broeders bijeen te wonen! (Uit Psalm 133)

De (terug)weg via de Mediator naar de ander…

Een christen komt alleen tot de ander door Jezus Christus.

Onder de mensen is er altijd twist. ‘Hij is onze vrede‘ (Efeziërs 2 : 14), zegt Paulus van Jezus Christus, in wie de oude, verscheurde mensheid één geworden is. Zonder Christus is er geen vrede tussen God en de mensen en ook niet tussen de mensen onderling.

Christus is middelaar geworden. Hij heeft vrede gemaakt met God en vrede gebracht onder de mensen. Zonder Christus zouden we God niet kennen, we zouden Hem niet kunnen aanroepen en niet tot Hem kunnen naderen. Maar zonder Christus zouden wij ook de broeder niet kennen en niet tot hem kunnen gaan. De weg is versperd door ons eigen ik.

Christus heeft de weg tot God en tot de broeder vrijgemaakt. Nu kunnen christenen in vrede met elkaar leven, zij kunnen elkaar liefhebben, dienen en één worden. Maar zij kunnen dat, ook in de toekomst, alleen door Jezus Christus.

Alleen in Hem zijn wij één, alleen door Hem zijn wij met elkaar verbonden. Hij blijft tot in eeuwigheid de enige Middelaar.

(Wordt vervolgd…)

Zie ook:  Christelijke gemeenschap… (I)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “De genade van de zichtbare gemeenschap” – “De weg naar de ander” – (17 april) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 13 Dit weet ik: de HEER doet recht aan zwakken en armen.
14 De rechtvaardigen zullen Uw naam prijzen, de oprechten wonen in Uw nabijheid
(Uit Psalm 140)

Bron afbeelding:  Pinterest

Psalm 140 1 - Deliver me, O Lord - Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

‘Het onze vader uitgelegd voor de eenvoudigen’, 1519 (15)

(…) Hiermee leg ik Mijn woorden in jouw mond. Nu op deze dag geef ik je gezag over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten. (Jeremia 1 : 10)

De tweede bede: Uw koninkrijk kome

De tweede bede, net als de anderen, doet twee dingen: het vernedert ons en het verhoogt ons. Het vernedert ons omdat het ons met onze eigen lippen dwingt onze grote en jammerlijke ellende te belijden. Maar het verhoogt ons omdat het ons tevens laat zien hoe we onszelf in zo’n vernedering moeten gedragen. Elk woord van God verschrikt en troost ons, verwond en geneest; het breekt af en bouwt op; het rukt uit en plant opnieuw; het vernedert en verhoogt [zie: Jeremia 1 : 10; 2 Korinthiërs 10 : 4-5].

In de eerste plaats vernedert deze bede ons wanneer we openlijk toegeven dat Gods koninkrijk nog niet tot ons is gekomen. Wanneer ernstig wordt nagedacht en diep gezocht, is dit schrikwekkend en het zal elk godvruchtig hart stellig bedroeven. Want we moeten uit deze smeekbede afleiden dat we dit nog steeds ontberen, dat we in ellende en onder wrede vijanden verkeren, beroofd van het land van onze liefste Vader.

Dit leidt tot twee schrijnende en jammerlijke verliezen. De eerste is dat God de Vader wordt beroofd van zijn koninkrijk in ons, en dat Hij die heer is en zou moeten zijn over alles, door ons doen en laten de eer van Zijn macht en Naam worden onthouden. Dit onteert Hem enorm, want het maakt Hem hier op aarde (schijnbaar, voor ons mensen, zie o.a. Psalm 50, AJ) een ​​heer zonder land en de sprake van Zijn almacht wordt tot een voorwerp van spot hier op aarde. Die gedachte moet ongetwijfeld iedereen die God liefheeft en Hem juist wil eren hoogst verontrusten.

Verder is het verschrikkelijk dat wij mensen degenen zijn die Gods koninkrijk schaden en belemmeren. En als hij rechtvaardig met ons zou afrekenen, zou Hij ons terecht als vijanden en berovers van zijn koninkrijk kunnen veroordelen.

Het andere verlies betreft onszelf. Dit vanwege het feit dat wij hier verblijven als ellendige gevangenen van machtige vijanden in ons vijandig gezinde landstreken. Het is natuurlijk al een vreselijk en betreurenswaardig lot wanneer een kind van een aardse prins of wanneer zelfs een heel land door Turken gevangen en bezet wordt gehouden (1), en daarmee en daaronder voorwerp van schaamte en lijden zijn, en tenslotte de meest afschuwelijke dood ondergaan, maar het is nog veel meer betreurenswaardig dat wij mensen in de ellende liggen onder de macht van boze geesten, blootgesteld aan allerlei gevaren voor lichaam en ziel, en op elk moment de eeuwige dood kunnen sterven. Wanneer we dat onder ogen zien, dan zullen we toch eerder huiveren bij het overdenken van ons eigen leven, dan bij het zien van honderd doden.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 2, 95, 13 – 96, 5 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 42, blz. 37/38)

(1) Tegen die tijd hadden de Turken het Nabije Oosten veroverd en ook Bosnië (1463), Albanië (1466) en Syrië en Egypte (1517).

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de Engelstalige versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Daarom, koningen, wees verstandig
wees gewaarschuwd, leiders van de aarde,
Onderwerp u, toon de Heer uw ontzag,
breng Hem bevend uw hulde,
Bewijs eer aan Zijn Zoon met een kus,
anders ontvlamt Zijn woede, en uw weg loopt dood,
want bij het geringste ontsteekt Hij in toorn,
Gelukkig wie schuilen bij Hem.
(Uit Psalm 2)

Bron afbeelding:  Pinterest

Jeremia 1 10 - today I appoint you - Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie