‘Houdt dan de lofzang gaande!’*

Want Hij heeft de nietigheid van Zijn dienstmaagd aangezien; daarom zullen allen mij, van kind tot kind, zalig prijzen.‘ (Uit de lofzang van Maria)

Geciteerd 1: Helpende grootouders, vertelt de Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog en filosoof Alison Gopnik, komen de ontwikkeling van de baby’s en kinderen waarover ze zich ontfermen ten goede.
(…) De baby- en vroege kindertijd zijn bedoeld om zo veel mogelijk te ontdekken. Een sleutelwoord in die fase is variatie: ‘Kinderen leren niet alleen van hun ouders; ze leren door te kijken en luisteren naar, en verzorgd te worden door, zo veel mogelijk verschillende mensen. Hoe meer voorbeelden ze krijgen van hoe te leven, hoe beter zij zich ontwikkelen.’

Geciteerd 2: Dit zullen velen herkennen. Mij valt het bijvoorbeeld altijd op dat mijn ouders eindeloos meer geduld kunnen opbrengen voor spelletjes die ikzelf hemeltergend saai vind, of het voorlezen van boeken die ik niet kan uitstaan.
Voor de grootouders zelf is het vaak óók goed, vertelt Pearl Dykstra. ‘Ouderen leven langer, zijn rijker, en hebben meer vrije tijd’, zegt zij: ‘Zorgen voor kleinkinderen kan een vorm van zingeving zijn.’ Het houdt ook jong: ‘Uit onderzoek blijkt dat ouderen die veel met kleinkinderen omgaan, cognitief minder snel “achteruitgaan” dan ouderen die dat niet doen.’
Voor veel kleinkinderen is de relatie met een grootouder** bovendien een unieke relatie: met opa of oma kun je dingen bespreken die je met je ouders niet durft te bespreken. Of je kunt over je ouders praten, en dat is minstens zo belangrijk.

** Opgemerkt AJ: En ook de relatie met ooms en tantes (ongetrouwde of zonder kinderen) kunnen van grote betekenis zijn!

‘Daarom zullen allen mij, van kind tot kind, zalig prijzen.

Geciteerd 3: Nooit zal het aan zulken ontbreken, die Gods aan haar betoonde genade prijzen.
Het Latijnseomnes generationes” heb ik vertaald met “kindskinderen”, ofschoon het letterlijk betekent “alle geslachten”. Dit laatste blijft echter zo onduidelijk, dat velen zich met de vraag hebben bezig gehouden, in hoeverre het juist is, dat “alle geslachten haar zalig heten”, waar immers Joden, heidenen en vele slechte Christenen haar onteren of voor het minst het toch afwijzen, haar zalig te noemen; dat komt daardoor, dat zij onder het woordje “geslacht” de gehele mensheid verstaan.
Hier betekent het veeleer: de op de natuurlijke geboorte berustende volgorde, zoals de één na de ander geboren wordt: vader, zoon, kleinzoon en voorts ieder verder lid vormen een geslacht. Zo bedoelt de maagd Maria niets anders dan dat haar lof ook zal voortduren van het ene geslacht op het andere, zodat er géén tijd zal komen, waarin haar geen lof ten deel vallen zal.
En dit verduidelijkt zij door te zeggen: “Zie, van nu aan alle geslachten“; d.w.z. “nu neemt het een aanvang en ’t duurt voort van geslacht tot geslacht”.

* Uit Psalm 107 vers 1 (Berijming 1967)

Zie ook:  ‘Aandacht en eerbied voor Maria…‘,

Bron citaten 1-2: de Correspondent – ‘Lynn Berger – Grootouder: dat is pas een vitaal beroep’ – door Lynn Berger (Correspondent Zorgzaamheid)

Bron citaat 3: Uit ‘De Lofzang van Maria, ‘Het Magnificat‘ (1521) van Maarten Luther

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

‘Armen heeft hij met goederen vervuld’…

Legt daarom nu af alle ongerechtigheid en alle bedrog en huichelarij en afgunst en geroddel; en wees begerig naar de zuivere melk, als pasgeboren kindertjes, opdat u daardoor zult groeien; als u tenminste hebt geproefd dat de Heere vriendelijk is.
(1 Petrus 2 : 1-3)

Geciteerd 1: Een christen zal zó handelen, dat alle mensen zouden mogen zien en weten wat hij in zijn hart denkt. Namelijk: in heel zijn wandel en doen God prijzen en de naaste dienen, zonder zich hierin voor iemand te schamen. Zodat hij ieder ten diepste zal laten zien waarvoor men hem moet houden, en dat hij geen toneelstuk opvoert waarbij de mensen met open mond staan te luisteren en te kijken.
Verder zegt Petrus ook, dat je je haatgevoelens en geroddel moet afleggen. Daar raakt hij precies de meest algemene zonde onder de mensen, die men overal onder elkaar bedrijft. Kwaadspreken wordt bijna alledaags en zonder nadenken bedreven. Het wordt ook makkelijk en moeiteloos gedaan, zodat niemand het meer ziet als zonde. Daarom, hoed je ervoor (wil Petrus zeggen) als je enigermate de Geest hebt, en ook weet wat de vruchten van de Geest zijn.

Als u tenminste hebt geproefd dat de Heere vriendelijk is…’

Geciteerd 2: Dat is echter ‘geproefd’ als ik met mijn hart geloof, dat Christus Zichzelf aan mij heeft gegeven en mijn Eigendom is geworden – én dat mijn zonde en ongeluk van Hem zijn geworden, Nu is Zijn leven van mij en mijn leven van Hem. Als iemand dit met het hart verstaat en gelooft, die proeft en smaakt het – want wie zou daarover geen blijdschap hebben? Wie dit echter niet met het hart verstaat en gelooft, die kan er zich ook niet over verblijden.
Zij proeven echter het beste, die in doodsnood verkeren, of die neergedrukt worden door een kwaad geweten*. Hetzelfde zegt Maria in de lofzang: ‘Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld.‘ Maar wat betreft de verstokte mensen die in hun eigen gerechtigheid leven, die op hun werken bouwen en hun zonde en ongeluk niet voelen – voor hen is er geen smaak of geur aan. Wie aan tafel zit en honger heeft, voor die smaakt alles goed. Wie echter al verzadigd is, die heeft zelfs geen zin meer in het smakelijkste voedsel.

Maarten Luther: Epistel S. Petri gepredigt und ausgelegt (1523), vgl. WA 12, 301 ff

* Opgemerkt AJ: Het gaat hier dus over mensen die door het horen/lezen van Gods Woord en het werk van de Heilige Geest daarmee het ‘te kwaad’ hebben gekregen met zichzelf omdat hun geweten hen overtuigd heeft van (individuele en gezamenlijke!) zonde en schuld en oordeel en ze erkennen en belijden dat die schuld van hen ook dagelijks nog toeneemt. Dat bestaat naast de door de heilige Geest gewerkte overtuiging dat zij toch om Christus’ wil vergeving van hun persoonlijke zonden hebben ontvangen en ook dagelijks weer ontvangen, namelijk op hun eerbiedig bidden van het Onze Vader gebed, waarin we ook altijd weer om (dagelijkse) schuldvergeving vragen. Het werk van de heilige Geest opent ons ook de ogen voor Gods bestraffingen in ons leven en in de samenleving. We zien dat bij David gebeuren wanneer de heilige Geest hem door de woorden van de profeet Nathan de ogen opent voor zijn schuld en Gods bestraffing, maar ook voor de door hem van God geschonken genade en vergeving. We lezen daarvan in 2 Samuël 11 en 12 en Psalm 51.

Zie ook de inhoud van deze blog:

NB. Niet alles uit het betreffende overdenking (19) werd hier overgenomen.

Bron citaat: Maarten Luther Als goud door vuur beproefd – Korte verklaring van de eerste brief van de apostel Petrus in 60 overdenkingen – Overdenking 19 – Samengesteld, ingeleid door H.C. van Woerden – © 2020 Den Hertog B.V., Houten.

Bron afbeelding: Knowing-Jesus-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Het gemeenschappelijk lijden…

En weet dat hetzelfde lijden uw broeders in de wereld overkomt.
(1 Petrus 5: 9b)

Geciteerd 1: Deze troost, als je zelf ziet en hoort dat ook anderen hetzelfde lijden, is gemakkelijk te verstaan door gewone christenen, die genoeg te dragen hebben met uitwendige aanvechtingen van de duivel en de wereld. Anders is het in geestelijke, inwendige lijden, wanneer het schijnt dat de duivel jou alleen aantast met zijn giftige pijlen. Als hij je bijvoorbeeld laat twijfelen aan Gods genade, of als hij je laat denken dat je slechts een verworpene bent.

Geciteerd 2: Petrus zegt ons: Lieve vriend, laat je door de duivel en je lijden niet verschrikken of bevreesd maken. Want je moet weten en er niet aan twijfelen dat je niet alleen lijdt! Zo verschrikkelijk kan de duivel je niet aanpakken, of hij heeft dat met anderen ook al gedaan. En hij doet dat nog. Want hij bedoelt en zoekt niet alleen jou, maar de hele christenheid. De duivel stopt nooit om de christenen in hun hun lijden Gods Woord en het geloof uit het hart te trekken en om hen van hun troost in Christus te beroven.

Geciteerd 3: Deze schrik en angst  wordt veroorzaakt omdat de mens denkt dat niemand anders zich in zulke gruwelijke aanvechtingen bevindt als hijzelf. Dat alleen hij een zo’n bijzonder zeldzaam en ongewoon lijden heeft. Inderdaad is het zo dat de aanvechtingen van de ene mens zich bij anderen weer kunnen voordoen in andere voorvallen, omstandigheden en op andere manieren. Daardoor kan hij denken dat zijn lijden verschilt van het lijden van andere christenen. Toch blijft het lijden van de hele christenheid en de aanvechting daarin voor een ieder één en hetzelfde: de duivel probeert ons allen zonder onderscheid weg te trekken van de godzaligheid en van het geloof en vertrouwen in God, tot onverschilligheid, ongeloof, haat en godslastering.

Geciteerd 4: Daarom is het de gewoonte van de apostelen om het lijden van de christenen aan te duiden als gemeenschap in lijden en droefheid (2 Korintiërs 1 : 7; 1 Petrus 4 : 13). Allemaal betrekken ze ons lijden op het lijden van Christus onze Heere, als het Hoofd en de Voorganger. Zoals Petrus in het eerste hoofdstuk zegt: ‘… en hebben onderzocht op welke en wat voor een tijd de Geest van Christus duidde, Die in hen tevoren had getuigd van het lijden dat over Christus zou komen, en van de heerlijkheid daarna volgende‘ (1 Petrus 1 : 11). En Paulus zegt dat hij in zijn vlees vervult wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen in Christus (Kolossenzen 1 : 24).

Geciteerd 5: Vertroost je daarmee dat je ook bij het getal van hen behoort die in de gemeenschap met het lijden van Christus met je zijn geweest en nog met je zijn tot op de jongste dag. O, dit is een heerlijk en gelukkig volk. Allen verkeren ze onder één Here en Hoofd, Dezelfde Die de duivel en zijn hele hel alle macht heeft ontnomen.
In het kort: jouw lijden kan zó zwaar en moeilijk niet zijn, of het is niet zwaarder en moeilijker geweest dan van de lieve apostelen, profeten, patriarchen en alle andere heiligen. Dit is deel hebben aan het lijden van Christus. ‘Zijn wij dan kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus (zegt Paulus in Romeinen 8 : 17), als wij namelijk met Hem lijden, opdat wij ook met Hem in gelijke heerlijkheid verhoogd worden.

Maarten Luther: Predigte des Jahres 1539, Crucigers Sommerpostille, Druck 1544. Vgl. WA 22, S.46 ff

NB. Niet alles uit het betreffende overdenking (59) werd hier overgenomen.

Bron citaat: Maarten Luther Als goud door vuur beproefd – Korte verklaring van de eerste brief van de apostel Petrus in 60 overdenkingen – Overdenking 59 – Samengesteld, ingeleid door H.C. van Woerden – © 2020 Den Hertog B.V., Houten.

Bron afbeelding:  Knowing-Jesus-com

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

HEERlijke WOORDverkondiging…

TOT slot/toepassing…

Geciteerd (uit slot van de verkondiging/preek voor de toepassing): ‘Hier kunnen wij met de apostel wel uitroepen: “O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen.
Moge dit heden de taal en de uitroep van ons allen zijn. Als we met ogen door de heilige Geest verlicht dat Kindeke aanschouwen, in doeken gewonden en liggend in de kribbe, hoe goed zouden we het dan voor onszelf* hebben bij dit geboortefeest van Jezus.

* Opgemerkt 1: ‘Voor onszelf’? En dat zeggen in het slot van de verkondiging van een samenkomst van de gemeente van Jezus Christus, waar we aan elkaar gegeven zijn en elkaar nodig hebben om ‘te vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot alle volheid Gods‘ (Efeziërs 3 : 17-18)

Opgemerkt 2: De verkondiging van Gods Woord voor het slot en voor de toepassing die volgt na de Woordverkondiging aan de gemeente was en is een HEERlijke Woordverkondiging! Maar de prediker durft het niet bij de Woordverkondiging te laten en de toepassing ervan over te laten aan de Heilige Geest en het werk dat Hij wil doen met het WOORD. Nee, dan moet toch ook nog de menselijke Schriftgeleerdheid aan het woord komen en wel op de manier zoals de theologie van de Nadere Reformatie het graag invult en voorschrijft. Dan krijgt mensenwijsheid alle ruimte en dan kan het niet anders of ze vergrijpt zich aan het Woord en aan de schapen!

Opgemerkt 3: Het is hierbij al niet anders dan in de tijd van Jezus omwandeling op aarde. In de synagogen hadden de vrome Farizeeën en de Schriftgeleerden (toenmalige theologen/kerkleiders) het voor het zeggen. En die wisten heel goed de Bijbeltaal te bezigen onder elkaar en onder/naar het volk. Maar ze waren zo onder de indruk van hun eigen vroomheid en werk dat ze er niet meer aan ontdekt konden worden dat ze met ‘hun theologie’ waren gaan heersen over de Schriften en daarmee over het volk – ipv God en het volk daarmee te dienen. Toch heeft God ook met hun gebruiken van de Schriften nog willen werken in de harten van de eenvoudige gelovigen onder het volk! Daardoor waren velen van deze eenvoudigen (‘de schare die de Wet niet kent’ waaronder ‘de zondaars’ en de tollenaars) wel bereid en in staat om acht te geven op de roepstem en doop van Johannes de Doper in de woestijn. En we lezen van mensen onder hen die al voor de uitstorting van de heilige Geest ‘vol van de heilige Geest’ waren (Zie o.a. Lukas 2 : 22-39). En later wilden velen van hen ook graag gehoor geven aan het onderwijs van onze Heer Jezus Christus, al werden ze daarin tegengewerkt door de toenmalige theologen/kerkleiders (zie voor die tegenwerking van hen m.n. het evangelie van Johannes).

Opgemerkt 4: Wanneer onze Heer Jezus Christus onze wedergeboorte ter sprake brengt, dan doet Hij dat in een gesprek met Nicodemus, een Schriftgeleerde (=hoog opgeleide ‘theoloog’) en dat nog wel met sterk verwijtende woorden! (Zie Johannes 3 : 9-13).
Het moet ons niet verbazen wanneer we ook nu nog weer kunnen en moeten constateren dat juist theologen en kerkleiders het Evangelie niet goed begrijpen en/of zelfs verdraaien en gebruiken om zichzelf belangrijk en zelfs onmisbaar te maken. En hoe moeilijk het kan zijn om met die kennis – en kennis is macht en kennis maakt zo maar ‘opgeblazen’, leidt tot zelfverheffing als God het niet genadig verhoedt! – dat laat de Kerkgeschiedenis ons wel zien en nog het meest de Kerkgeschiedenis in de tijd van de omwandeling van onze Heer Jezus Christus hier op aarde. Onder de Farizeeën en Schriftgeleerden werden nauwelijks bekeerlingen en volgelingen gevonden, terwijl onze Heer Jezus Christus hen toch in de synagogen en op straat en in het veld als hun/onze hoogste Profeet en Leraar onderwees. Zelfs degenen onder hen die wel in Hem wilden geloven durfden er niet voor uit te komen uit angst om uit hun eigen kringen en uit de synagogen gestoten te worden, zoveel invloed en macht hadden die theologen/kerkleiders (zie o.a Johannes 12 : 37-43).
Na het Pinksteren in Jeruzalem lezen we ook niet over bekering van Farizeeën en Schriftgeleerden. Wel van een grote groep priesters die ‘het geloof aanvaardde(n)’.

Opgemerkt 5: Dat laatste geeft mij aanleiding om te zeggen dat we binnen de ‘reformatorische kerken’ meer nog hebben te verwachten – DV! – van de ouderlingen en diakenen dan van de predikanten en theologen onder hen. Want die laatsten willen wel graag de mond vol hebben over allerlei gebrek bij de de leden van de eigen en broedergemeenten/kerken en over schuldige kerkelijke onenigheid, maar ze willen (kunnen?) blijkbaar niet beseffen en erkennen hoezeer ze met hún ‘theologische kennis van zaken’ – en dat is nog wat anders dan door de Geest geschonken inzicht in Gods Woord – niet met van God geschonken wijsheid en liefde, maar met hun ‘opgeblazenheid’ er zelf oorzaak van zijn dat ‘de schapen en kudden’ ronddolen alsof ze – door hen aangewezen uitzonderingen daargelaten – (nog) geen Herder hebben en ook dat heel wat schaapskudden elkaar niet (h)erkennen willen/kunnen als kudde(n) van die ene Herder.

Geciteerd uit (en opgemerkt n.a.v.): Preek van ds. A.P.A. du Cloux ‘Is Jezus in u geboren?‘, zoals uitgegeven door Stichting “Smytegelt-Fonds’ in de Reveilserie (No 570, december 2020)

Bron afbeelding: BiblePic-com (nav Handelingen 6 : 8-10)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

‘Hij wil in geest en in waarheid geprezen zijn’…

Een Pelgrimslied

HEER, niet trots is mijn hart,
niet hoogmoedig mijn blik,
ik zoek niet wat te groot is
voor mij en te hoog gegrepen.

Nee, ik ben stil geworden,
ik heb mijn ziel tot rust gebracht.
Als een kind op de arm van zijn moeder,
als een kind is mijn ziel in mij.

Israël, hoop op de HEER,
van nu tot in eeuwigheid.

(Psalm 131, van David, NBV)

> Met weinige woorden prijst Maria het grote, dat God aan haar deed.
Zij somt de goederen ook niet één voor één op, maar in één woord vat zij ze alle samen, door te zeggen: “Hij heeft grote dingen aan mij gedaan“, d.w.z. “Het is alles groot, wat Hij aan mij gedaan heeft”. Daarmede leert zij ons, dat hoe groter de innerlijke vroomheid is, des te minder woorden zij gebruikt.
Want Maria gevoelt, dat zij het onmogelijk in woorden kan weergeven, zoals zij het zelf begeert en graag zou willen. Daarom zijn deze weinige woorden van de geest te allen tijde zo groot en diep, dat niemand ze begrijpen kan, dan hij, die ten minste voor een deel dezelfde geest bezit; maar aan hen, die deze geest missen, schijnen zulke woorden beslist onbetekenend toe en helemaal zonder sap en smaak, terwijl zij met vele woorden en grote drukte hun zaken afdoen.
Zo leert ons ook Christus in Mattheüs 6 : 7, dat wij, wanneer wij bidden, niet vele woorden moeten gebruiken; want zulks doen de ongelovigen, die denken, dat zij terwille van hun vele woorden zullen worden verhoord. Op deze wijze treft men tegenwoordig in alle kerken veel klokgelui, muziek, gezang, geroep en gelees aan, maar ik vrees, heel weinig lof aan God; want, zoals Hij in Johannes 4 : 24 zegt: Hij wil in geest en in waarheid geprezen zijn.

> Met vele woorden, die niet uit het hart komen, wordt God onteerd.
Salomo zegt in Spreuken 27 : 14: “Wie zijn naaste met luider stem prijst en daartoe vroeg opstaat, moet als een lasteraar beschouwd worden“; immers hij maakt de zaak verdacht, omdat iedereen denkt, dat hij een slechte zaak wil vergoelijken; doordat hij echter zo heftig te werk gaat, maakt hij de zaak alleen maar erger. Wie omgekeerd zijn naaste met luider stem lastert en daarbij ’s morgens vroeg opstaat (d.w.z. niet traag is, een grote ijver aan de dag legt), kan als een lofredenaar beschouwd worden. Want dan meent men: het is niet waar, hij doet het uit haat en boosaardigheid; daarmede maakt hij zijn eigen zaak (in de ogen van anderen – AJ) slechter en die van zijn naaste beter.

Precies zo is het ook, wanneer men God meent te loven met veel woorden, geroep en klokgelui; dan doet men net, alsof Hij doof was of nergens van wist, als moesten wij Hem wakker maken en onderrichten. Zulk een valse voorstelling van God strekt Hem meer tot smaad en oneer dan tot lof.
Daarentegen staat het anders, wanneer iemand Zijn goddelijke daden diep in het hart wel overlegt en ze met bewondering en dank gadeslaat; dan uit hij zich met geestdrift en hij zucht meer dan dat hij spreekt; de woorden breken dan vanzelf in een vloed te voorschijn, niet van tevoren overdacht en geordend, zodat als het ware de geest mee uitstroomt en de woorden leven, handen en voeten krijgen, ja dat tegelijkertijd het gehele lichaam in heel zijn levensvolheid en in al zijn leden gaarne zou willen spreken. (1)

Dat is eerst recht God prijzen in geest en in waarheid; daar zijn de woorden louter vuur, licht en leven, zoals David in Psalm 119 : 140 zegt: “Heere, het spreken over U is gans vurig“. Voorts (Psalm 119 : 171): “Van mijn lippen zal Uw lof opbruisen“, precies zoals heet water als het kookt overloopt en opbruist, omdat het vanwege de grote hitte het in de ketel niet meer kan uithouden. In deze geest zijn ook alle woorden van de zalige Maagd in dit lied slechts weinig in aantal, maar toch diep en groot. Zulke mensen noemt Paulus in Romeinen 12 : 11: spiritu ferventes, “die geestelijk vurig zijn en bruisen“, en hij leert ons, ook van zodanige geest te zijn.

(1) Maria ging niet haar loflied op straat of in de synagoge van Nazareth spreken of zingen, maar zij sprak die woorden bij de (min of meer geheime/verborgen) ontmoeting met Elizabeth. (Zie Lukas 1 : 1-46)

Opgemerkt: Gods Woord geeft/leert ons (maar) 150 Psalmen en een aantal lofliederen te bidden en zingen en bedenk of zie dan eens hoe vol liederen/woorden onze Liedboeken en Opwekkingsbundels staan en wat ons inmiddels allemaal op ‘het plein’ van de ‘reli-markt’ als ‘offergave’ te koop wordt aangeboden om daarmee onze ‘huisdiensten’ en/of gemeentelijke ‘erediensten’ op te tuigen.

Uit: De Lofzang van Maria, het Magnificat, 1521 door Maarten Luther in zijn functie als kapelaan opgedragen aan Johan Frederik, Hertog van Saksen, Landgraaf van Thüringen en Markgraaf van Meissen.

Zie ook:

Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere.
Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed.
Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid.
(Uit Romeinen 12 de verzen 11-13)

Bron afbeelding: ToHm Designs – WordPress-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

‘De genade van God (niet) kleineren’*…

Mijn ziel verheft Gods eer;
mijn geest mag blij den Heer
mijn Zaligmaker noemen,
die, in haar lage staat,
zijn dienstmaagd niet versmaadt,
maar van zijn gunst doet roemen.
(Uit ‘Lofzang van Maria‘, gezang 66, Liedboek van de Kerken)

* Want dan wordt de troost die van Maria’s  onwaardigheid en ‘lage staat’ uitgaat van ons weggenomen. Zie hieronder.

> Verkeerd wordt Maria geëerd, wanneer men haar eigen verdienste roemt.
Ongaarne luistert zij naar de dwaze praatjesmakers, die veel over haar verdienste prediken en schrijven. Dezen willen daarmede een bewijs geven van de grootheid van hun eigen kennis en beseffen niet, dat zij het “Magnificat” onderdrukken, de Moeder Gods logenstraffen en de genade van God kleineren.
Want voor zoveel men haar waardigheid en verdienste toekent, voor zoveel doet men de goddelijke genade afbreuk en kleineert de waarheid van het “Magnificat”. De engel groet haar ook alleen maar als de door God begenadigde*, en zegt, dat de Heere met haar is, waarom zij onder alle vrouwen gezegend is.
Derhalve zijn diegenen, die haar zoveel lof en eer opdringen en dit alles aan haar toeschrijven, er niet ver vandaan, om uit haar een afgod te maken, alsof het er bij haar om begonnen was, dat men haar zou eren en van haar goeds verwachten: Terwijl zij het toch van de hand wijst en wenst, dat God in haar geprezen worde en door haar ieder tot oprecht vertrouwen op Gods genade worde gebracht.
* De groet van de engel begint letterlijk naar de Latijnse Bijbel: “Gegroet zijt gij, die vol van de genade (Gods) zijt” (Lukas 1 : 28).

> Maria wil ons niet tot haarzelf, maar alleen tot God leiden.
Wie haar daarom op de rechte wijze eren wil, die mag haar niet afzonderlijk plaatsen voor zich, maar moet haar voor God en diep beneden God plaatsen en haar “ledig” maken en het oog vestigen op haar nietigheid. Alsdan verwondere hij zich over Gods overvloedige genade, die zulk een gering en nietig mensenkind zo rijk en genadig aanziet, omvangt en zegent.
Door deze aanblik moet u er dus toe gedrongen worden, om voor zulk een genade God lief te hebben en te loven, en moet u u er door laten aansporen, van zulk een God alle goeds voor u te verwachten, die geringe, verachte, nietige mensen zo genadig aanziet en niet versmaadt.
Zo moet uw hart jegens God in het geloof, in de liefde en in de hoop worden versterkt. Wat schoners, meent u, kan haar ten deel vallen, dan wanneer u op zulk een wijze door haar tot God komt en ’t van haar leert, op God te vertrouwen en te hopen, ook indien u veracht en tot niets gemaakt wordt, in welk opzicht ook, in leven of sterven? Zij begeert niet, dat u tot Maria, maar dat u door haar tot God komt.
Aan de andere kant moet u leren vrezen voor al het hoge, waarnaar de mensen haken, wanneer u bemerkt, dat God zelfs bij Zijn eigen Moeder een voornaam uiterlijk noch aantrof noch begeerde.

> De ervaring van haar genade maakt Maria tot een vertroostend voorbeeld.
Maar de kunstenaars, die ons de zalige Maagd zodanig schilderen en op het doek brengen, dat niets verachtelijks aan haar valt op te merken, maar louter schoons en verhevens, wat doen zij anders dan dat zij ons alleen voor de Moeder Gods en niet voor God Zelf plaatsen?
Hierdoor maken zij ons beschroomd en angstig en verbergen het vertroostend genadebeeld: zoals men in de vastentijd de beelden verbergt. Want dan is geen voorbeeld meer voorhanden, waardoor wij ons kunnen troosten, maar wordt zij boven alle voorbeelden uitgeheven.

En toch zou en wou zij graag het allervoornaamste voorbeeld van de genade van God zijn, om de ganse wereld jegens de goddelijke genade tot vertrouwen, tot liefde en tot lof aan te sporen; alle harten moesten door haar zulk een vertrouwen op God verwerven, dat zij met volkomen overtuiging zouden kunnen zeggen:

O, u zalige Maagd en Moeder Gods, welk een grote troost heeft God ons aan u getoond, omdat Hij uw onwaardigheid en nietigheid zo genadig heeft aangezien; hierdoor kunnen wij ons ook in de toekomst bewust worden, dat Hij naar dit voorbeeld ook ons arme, nietige mensen niet zal verachten, maar genadig zal aanzien”.

> Het geloof zoekt bij Maria een voorbeeld, het bijgeloof hulp.

Uit: De Lofzang van Maria, het Magnificat, 1521 door Maarten Luther in zijn functie als kapelaan opgedragen aan Johan Frederik, Hertog van Saksen, Landgraaf van Thüringen en Markgraaf van Meissen.

Bron citaat:  maartenluther-nl-com/Luther ‘Lofzang van Maria’ (pdf)

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Zullen wij de ‘Hartenkenner’ wat wijs kunnen of moeten maken?

Want Hij heeft de nietigheid van Zijn dienstmaagd aangezien; daarom zullen allen mij, van kind tot kind, zalig prijzen. (Lukas 1 : 48)

> Onze nietigheid is onze nood en duldt geen roemen.
Maria spreekt van haar nietigheid, niet van haar ootmoed. Van het woordje “humilitas” hebben velen “ootmoed” gemaakt, als zou de maagd Maria op haar ootmoed hebben gewezen en zich daarop hebben beroemd. Vandaar komt het, dat zich vele prelaten ook “humiles” noemen, wat zeer ver van de waarheid verwijderd is. Want voor Gods ogen kan zich niemand op iets goeds zonder zonde en bederf beroemen.
Men mag zich voor Hem op niets anders beroemen dan op Zijn loutere goedheid en genade, die Hij aan ons onwaardigen bewezen heeft; want niet voor onszelf, maar alleen voor God mogen wij liefde en lof hebben, en dit zal ons bewaren, zoals Salomo in Spreuken 25 : 6 v.v. leert: “Gij zult niet met eigenroem voor de koning verschijnen en niet staan (d.w.z. iets zijn) voor de grote heren; het is voor u beter, dat men tot u zegt: “Kom hogerop zitten”, dan dat gij voor de vorst vernederd wordt“.
Hoe zou men dan aan deze zuivere, rechtschapen maagd zulk een vermetelheid en zulk een hoogmoed toeschrijven, dat zij zich op haar ootmoed voor God zou beroemen: Dit is toch de allerhoogste deugd, en niemand houdt zich voor ootmoedig of roemt zich om die reden dan wie de allerhoogmoedigste is.
God alleen kent de ootmoed; Hij beoordeelt en openbaart die ook alleen, zodat de mens nooit minder zich zijn ootmoed bewust is dan juist, wanneer hij recht ootmoedig is.

> Nietigheid” is onze toestand in al zijn noden.
Volgens het spraakgebruik van de Schrift is “humiliare” “vernederen” en “tot niets maken”, en daarom heten de Christenen in de Schrift op vele plaatsen “pauperes”, “afflicti”, “humiliati”, “arme”, “nietige”, “verworpen” schepselen, zoals in Psalm 116 : 10:Ik ben geheel tot niets (of vernederd) geworden“. Zo is “humilitas” niets anders dan een gesteldheid of toestand, waarbij men veracht, onaanzienlijk en gering is, zoals arme, kranke, hongerige, dorstige, gevangene, lijdende en stervende mensen dit zijn.
Zo was het bij Job in zijn aanvechting en bij David, toen hij uit zijn rijk verstoten werd, en bij Christus en alle Christenen in hun noden. Dit zijn de diepten, waarvan boven gezegd werd, dat Gods ogen slechts in de diepte zien, mensenogen daarentegen alleen in de hoogte (d.w.z. zij kijken naar datgene, wat aanzienlijk en schoonschijnend is en er prachtig voor staat). Daarom heet Jeruzalem in de Schrift een plaats, waarop Gods ogen zien.
D.w.z. de Christenheid ligt in de diepte en is onaanzienlijk voor de wereld; daarom ziet God haar aan en heeft Zijn ogen onafgewend over haar, zoals Hij zegt in Psalm 32 : 8:Ik wil Mijn ogen onafgewend op u richten“.* Zo zegt ook Paulus in 1 Korintiërs 1 : 27 v.v.: “God verkiest alles wat voor de wereld dwaas is, opdat Hij te schande zou maken alles wat voor de wereld wijs is, en verkiest wat zwak en onbekwaam is, opdat Hij te schande zou maken wat sterk en machtig is.
Hiermede maakt Hij de wereld met al haar wijsheid en haar vermogen tot dwaasheid, andere wijsheid en een ander vermogen. Omdat het nu eenmaal Zijn aard is, in de diepte op de onaanzienlijke dingen te zien, heb ik het woordje “humilitas” vertaald met “nietigheid” of “onaanzienlijk wezen”.
* Naar de Vulgata.

> Maria roemt niet haar nietigheid, maar Gods genade
(…) Derhalve doen diegenen haar onrecht, die zeggen, dat zij zich wel niet op haar maagdelijkheid, maar op haar ootmoed heeft beroemd. Zij heeft zich echter noch op haar maagdelijkheid, noch op haar ootmoed beroemd, maar uitsluitend daarop, dat God haar genadig heeft aangezien; daarom ligt de nadruk niet op het woordje “humilitatem”, maar op het woordje “respexit”. Want haar nietigheid behoort niet geprezen te worden, maar dat God haar heeft aangezien; precies zoals wanneer een vorst een arme bedelaar de hand toesteekt niet de geringheid van de bedelaar, maar de genade en de goedheid van de vorst geprezen moeten worden.

Opgemerkt:  Het kan toch niet anders of dit Bijbelonderwijs, dat Maarten Luther ons in dit geschrift heeft mogen (door)geven, zal ons spreken en bidden en ook wat we thuis en in en door de gemeente aan liederen (willen/laten) zingen beïnvloeden, tenminste  wanneer we de strekking van dit onderwijs tot ons hart en geweten laten doordringen.

Uit: De Lofzang van Maria, het Magnificat, 1521 door Maarten Luther in zijn functie als kapelaan opgedragen aan Johan Frederik, Hertog van Saksen, Landgraaf van Thüringen en Markgraaf van Meissen.

Zie ook:

Bron citaat:  maartenluther-nl-com/Luther ‘Lofzang van Maria’ (pdf)

Onze ziel ligt neergebogen in het stof, ons lichaam vastgekleefd aan de aarde.
Sta op en kom ons te hulp, verlos ons omwille van Uw trouw.
(Uit Psalm 44 de verzen 26-27)

Bron afbeelding:  Seedbed-com  (Psalm 44)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

‘Het echte zingen van het “Magnificat”‘…

Mijn ziel verheft God, de Heere
(Lukas 1 : 46)

>Wie God alleen maar prijst, wanneer Hij hem weldoet, bemint en prijst Hem niet recht.
Maar nu zijn er tweeërlei valse geesten, die het “Magnificat” niet kunnen zingen, zoals het behoort: de eersten zijn de lieden, die God niet prijzen, vóórdat Hij hun een weldaad bewijst, zoals David zegt in Psalm 49 : 19: “Zij loven U, wanneer Gij hun weldoet“. Naar het schijnt, prijzen zij God luid. Maar omdat zij nimmer willen lijden en door de diepte willen gaan, kunnen zij nooit het echte werken van God ervaren, en derhalve ook nooit God echt beminnen en prijzen.
In deze geest is tegenwoordig de gehele wereld vol van de dienst en de lof van God met zingen, prediken, orgelspelen en muziek maken; het “Magnificat” wordt schitterend gezongen; maar intussen is het bedroevend, dat zulk een kostelijk lied zo helemaal zonder kracht en pit door ons gebezigd wordt.
Want wij zingen niet eerder, dan wanneer het ons goed gaat; zo gauw gaat het niet mis, of het is met het zingen gedaan. Dan ziet men niet meer tegen God op en wij denken, dat God niet meer bij ons kan of wil werken; het “Magnificat” moet dan vanzelf achterwege blijven.

> Wie zichzelf met Gods goederen verrijkt, prijst God niet naar waarheid.
De anderen, die naar de tegenovergestelde kant afwijken, zijn nog gevaarlijker: zij verrijken zich met Gods goederen, zonder deze eerlijk aan de goedheid van God toe te schrijven; zij willen er zelf ook iets aan hebben, zij willen daarvoor door andere mensen geëerd en erkend worden.
Wat God bij hen heeft gedaan, beschouwen zij als hun eigen verdienste, zij klemmen er zich aan vast en maken er als op hun bezit aanspraak op en tegenover anderen, die er zoiets niet op na houden, verbeelden zij zich iets bijzonders te zijn. Dit is inderdaad een gladde, glibberige situatie: Gods goederen maken hier de harten, zoals met hun natuur overeenkomt, hoogmoedig en zelfingenomen.

> Maria roemt op voorbeeldige wijze uitsluitend de daad van God.
Derhalve is het hier noodzakelijk, aandacht te schenken aan het laatste woordje: “God”. Immers Maria zegt niet: “Mijn ziel maakt groot – zichzelf” of “ziet tegen zichzelf op”; van zichzelf wil zij trouwens ook niet de geringste dunk hebben. Integendeel: zij maakt God alleen groot; aan Hem schrijft zij het volkomen en uitsluitend toe.
Zij ontgeeft zich alles en brengt het weer volkomen tot God terug, van Wie zij het ontvangen heeft. Want ofschoon zij zulk een overweldigende daad van God in zich ervoer, was zij en bleef zij toch zó gezind, dat zij zich niet boven de geringste mens op aarde verhief; wanneer zij het had gedaan, dan zou zij met Lucifer in de afgrond van de hel zijn gestort.
Haar gedachtegang was eenvoudig deze: indien een andere maagd deze goederen van God had ontvangen, zou zij even vrolijk hebben willen zijn en het haar net zo goed gegund hebben als aan zichzelf, ja zij zou zichzelf zulk een eer onwaardig en alle anderen waardig hebben geacht; en zij zou zelfs dan nog weltevreden zijn geweest, indien God haar deze goederen ontnomen en voor haar ogen aan een ander gegeven had; zij is niet meer dan een vrolijke woonstee en dienstvaardige gastvrouw voor deze gast geweest Daarom ook is zij dit alles, blij en dienstvaardig, steeds gebleven.

> Maria overwint de grote verzoeking van zelfverheffing.
Ziet, dat is God alleen groot maken, alleen tot Hem hoog opzien en voor zichzelf geen eisen stellen. Hieruit kan men opmerken, hoe menigmaal er aanleiding voor haar geweest is om te vallen en te zondigen, zodat het wonder, dat zij zich van hoogmoed en aanmatiging heeft vrijgehouden, niet kleiner is dan dit, dat zij zulke goederen heeft ontvangen
Komt u van het bijzondere van dit gemoed niet onder de indruk? Als Moeder Gods ziet Maria zich boven alle mensen uitgeheven, en toch blijft zij zo eenvoudig en kalm hieronder, dat zij een geringe dienstmaagd niet als beneden haar staande zou hebben beschouwd.
O, wij arme mensen: Wanneer wij enig goed, macht of eer hebben, ja een weinig aantrekkelijker zijn dan anderen, dan zijn wij niet in staat ons met een mindere gelijk te stellen, en kennen wij in onze pretenties geen grenzen; wat zouden wij dan doen, indien wij grote, hoge goederen bezaten?
Daarom laat God ons dan ook arm en ongelukkig blijven, omdat wij Zijn lieflijke goederen niet onbevlekt houden; wij spelen het niet klaar, over onszelf evenzo te denken, als tevoren, maar laten ons zelfgevoel steeds meegroeien en verminderen, naar gelang de goederen komen of gaan.
Maar dit hart van Maria blijft te allen tijde vast en gelijk; zij laat God in zich werken naar Zijn wil en neemt voor zichzelf daaruit niets meer dan een goede troost, vreugde en vertrouwen in God. Zo moesten ook wij doen; dat zou een echt zingen van het “Magnificat” zijn.

Opgemerkt AJ: Of wij doen aan zelfverheffing* om ons daarmee boven een ander te verheffen blijkt m.n. ook uit hoe wij ons al of niet van een oordeel onthouden en als we dan (toch) oordelen hoe wij dan ons dat recht ‘aanmeten’ en hoe en op grond waarvan wij menen een oordeel te kunnen vellen/hebben over een ander.
* Er zijn vormen van ‘zelfverdediging’ die op zelfverheffing kunnen lijken en dat omdat men protesteert tegen het (onterecht) ‘omlaag getrapt’ worden door anderen en men weet daar allerlei middelen voor in te zetten en vormen voor te bedenken. Dat een ander of anderen ‘omlaag trappen’ kan zelfs vanaf de kansels gebeuren.

Zie ook:

Bron citaat:  maartenluther-nl-com/Luther ‘Lofzang van Maria’ (pdf)

Bron afbeelding:  Pinterest – Pin on Daily Bible Verses

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

In de diepte leren we God liefhebben en loven…

Hij veracht de zwakke niet, verafschuwt niet wie wordt vernederd,
Hij wendt Zijn blik niet van hem af, maar hoort zijn hulpgeroep.

(Uit Psalm 22 vers 25).

Geciteerd 1: Gods wijze van doen is het, vanuit de hoogte in de diepte te schouwen.
Want zoals God in den beginne de wereld uit niets geschapen heeft (waardoor Hij “Schepper” en “almachtig” genaamd wordt), zo volhardt Hij standvastig bij deze manier van handelen; nog is het met al Zijn daden tot de voleinding der wereld zó gelegen, dat Hij uit dat wat niets is, gering, veracht, ellendig en dood, iets maakt, iets kostbaars, eervols, zaligs en levends; aan de andere kant maakt Hij alles wat iets, wat kostbaar, eervol, zalig, levend is, tot niets; Hij maakt het gering, veracht, ellendig en stervend.
Op deze manier kan geen schepsel te werk gaan; het vermag niet uit niets iets te maken. Dit is de oorzaak, dat Gods ogen alleen in de diepte, niet in de hoogte zien, zoals Daniël (Gezang van de drie mannen in het vuur, vers 31) zegt: “Gij zit op de cherubs, en ziet in de diepte (of in de afgrond)”. En in Psalm 138 : 6 heet het: “God is de Allerhoogste en ziet neer op de nederigen, maar de hoogmoedigen kent Hij van verre“.

Geciteerd 2: De aard van de mensen is het, uit de diepte naar de hoogte te zien.
Maar de ogen van de wereld en van de mensen doen het tegenovergestelde: zij zien niet alleen naar boven maar willen zich beslist naar omhoog richten, zoals in Spreuken 30 : 13 staat: “Het is een volk, wiens ogen naar de hoogte zien, en zijn oogleden verheft“.
Dagelijks maken wij mee, hoe ieder slechts boven zich uit streeft naar eer, macht, rijkdom, kennis, genietingen, en alles, wat groot en verheven is. En wáár zulke (hoge en grote) mensen zich bevinden, hangt elk hen aan; daar loopt men op toe, daar biedt men gaarne zijn diensten aan, daar wil iedereen wezen om aan hun hoogte deel te krijgen.

Geciteerd 3: In de diepte leren de Christenen God lief te hebben en te loven.
Daarom heeft God ook ons allen aan de dood onderworpen en het kruis van Christus met onnoemelijke smarten en noden aan Zijn allerliefste Christenkinderen gegeven, ja, somtijds laat Hij hen ook in zonde vallen: want Hij wil immers veel in de diepte zien, om velen te helpen, veel te werken, Zich een echte Schepper te betonen, en Zich daardoor bekend, beminnens- en prijzenswaardig te maken.
Maar helaas, de wereld staat Hem daarin tegen met haar ogen, die steeds en onophoudelijk boven zich uit zien, en hindert Hem bij Zijn zien, werken, helpen, zodat Hij niet bekend, bemind en geprezen wordt, en berooft Hem van al deze eer, en bovendien zichzelf van haar vreugde, genoegen en zaligheid.
Zo heeft Hij ook Zijn enige, liefste Zoon Christus Zelf in de diepte van alle ellende neergeworpen en heeft aan Hem bijzonder duidelijk getoond, wat de strekking van dit alles is, waarin Zijn zien, Zijn werken en helpen, Zijn doen en raad en wil bestaat.
Daarom blijft Christus, Die voortreffelijk de proef heeft doorstaan, ook vol kennis, vol liefde en lof Gods, tot in eeuwigheid. Zoals Psalm 21 : 7 zegt: “Gij hebt hem met louter vreugde voor Uw aangezicht verheugd“, d.w.z. omdat hij U ziet en kent. Hiervan spreekt ook Psalm 44: 9, dat alle heiligen niets anders zullen doen dan God in de hemel prijzen, omdat Hij hen in hun diepte aangezien, en juist daar Zich aan hen bekend en voor hen beminnens- en prijzenswaardig gemaakt heeft.

Uit: De Lofzang van Maria, het Magnificat, 1521 door Maarten Luther in zijn functie als kapelaan opgedragen aan Johan Frederik, Hertog van Saksen, Landgraaf van Thüringen en Markgraaf van Meissen.

Zie ook:

Bron citaat:  maartenluther-nl-com/Luther ‘Lofzang van Maria’ (pdf)

Ik vertrouw op Uw liefde: mijn hart zal juichen omdat U redding brengt, ik zal zingen voor de HEER, Hij heeft mij geholpen.‘ (Uit Psalm 13 vers 6)

Bron afbeelding:  Pinterest (Healing words)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

‘Dat heden voor u geboren is’…

En de engel zei tegen hen: Wees niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal, namelijk dat heden voor u geboren is de Zaligmaker (Heiland, Redder), in de stad van David; Hij is Christus, de Heere.‘ (Lukas 2 : 10-11)

De Geboorte van Onze Heer

Met Zijn menselijk geboren worden op aarde neemt Christus onze (oude) geboorte van ons weg en neemt die op in Zijn geboorte, Hij schenkt ons de Zijne, zodat we daarin zuiver en nieuw zouden worden, alsof het de onze was, zodat elke christen zich kan verheugen en roemen in de geboorte van Christus alsof ook hij/zij, net als Christus, lichamelijk uit Maria was geboren. Wie dit niet gelooft of eraan twijfelt, is geen christen. Dat is de grote vreugde waarover de engel spreekt.

Dit is de troost en buitengewone goedheid van God dat, als een mens dit gelooft, hij kan roemen op de schat dat Maria zijn ware moeder is, Christus zijn Broer, en God zijn Vader. Want al deze dingen zijn waar en gebeuren wanneer we geloven. Dit is het belangrijkste en de belangrijkste schat in elk evangelie, voordat er ook maar enige leerstelling over goede werken uit naar voren kan worden gebracht.

Christus moet bovenal de onze worden, en wij worden de Zijne, voordat we werken kunnen aangrijpen. Maar dit kan alleen gebeuren door het geloof dat ons helpt en leert het evangelie goed te begrijpen en om het op de juiste manier ‘te grijpen’. (1)  Dit is Christus op de juiste manier kennen, zodat het geweten gelukkig, vrij en tevreden is. Hieruit groeit liefde en lof voor God, die ons in Christus kosteloos zulke kostbare en overvloedige gaven heeft geschonken. Dit geeft de moed om alles te doen, te vermijden en te ondergaan zoals God het wil, zowel in leven als in dood, zoals ik al vaker heb gezegd.

Dit is wat Jesaja bedoeld:Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven” (Jesaja 9 : 6) – aan ons, aan ons, aan ons is geboren en aan ons is gegeven. Zorg er daarom voor dat u geen vreugde beleeft aan het Evangelie als alleen maar een mooie geschiedenis, want dat duurt niet lang; ook niet als alleen maar een mooi voorbeeld, want dat houdt geen stand zonder geloof. Maar zorg ervoor dat u zich deze geboorte eigen maakt en van plaats wisselt, zodat u van uw (oude) geboorte wordt bevrijd en de Zijne ontvangt. Dit gebeurt als je gelooft. (2)

Maarten Luther: Dr.Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 10,1.1, S. 72 ev (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 75, p. 216 ev)

(1) ‘Niet dat ik het reeds verkregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.‘ (Filippenzen 3 : 12)
(2Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd. (2 Korinthiërs 4 : 16)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  Bible-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie