Wezel (1568), Emden(1571) en Lunteren (2021)…

En ik wijs u een weg, die bij uitstek uitnemend is
(1 Korintiërs 12 vers 31b)

Wij weten allemaal wel, dat dit de weg is van de liefde, en dat is tegelijk een moeilijke en onbereikbare, en een gemakkelijk te bereiken zaak. Tongen van mensen en engelen – en geen theologie komt daaraan toe – helpen niet als de liefde er niet is en profetische gaven en het weten van alle geheimenissen helpen dan niet, en alle bezit uitdelen en ons lichaam overgeven om verbrand te worden, het helpt dan niet.

Van deze liefde worden theologische constructies gemaakt, en dan is de zaak verkeken. Berkhof zegt, dat dit liefhebben niet hetzelfde is als lief vinden (De mens onderweg, 106), en al is daarmee niet alles gezegd, het kan ons een betrouwbare richtlijn geven. Die liefde is het tegendeel van onmenselijkheid, en daarmee is ook lang niet alles gezegd. We ontmoeten die onmenselijkheid op synode-vergaderingen* en in de activiteit van Christelijk bedoelde organisaties.
* Woorden geschreven in 1965.

Die liefde is daaraan te herkennen dat ze pijn verwekt om het schisma (breuk, scheuring, scheiding) en dringt naar oecumenische aandacht. Waar er vrolijkheid is om het schisma, is die liefde niet. Die liefde kan ook wel eens met macht dringen tot de-institutionalisering. Is zij werkzaam en levend, dan prikkelt zij de kerkgemeente om in tegenspraak te staan tot haar eigen onvermijdelijke organisatievormen, omdat de gemeente die zich organiseert, zich altijd te veel organiseert, zodat zij elke dag dreigt te verzinken in haar geschiedenis en daardoor ook dagelijks wordt verminkt.

Die liefde is het geneesmiddel tegen elke vorm van kerkelijk défaitisme, ook die vorm die leidt tot de hantering van een theologisch kerkrecht. Met al hun mooie woorden en al hun dapper geschreeuw zijn deze kerkrechtelingen diep wanhopig en défaitistisch. Die liefde kunnen wijzelf niet ‘opbrengen’, dat hoeft ook niet en het mag zelfs niet geprobeerd worden: ze is binnen ons bereik omdat Jezus haar ons geeft. Zij verteert onze kortzichtigheid, als wij ons hart niet sluiten voor haar binnenkomst.

Misschien kan een voorbeeld uit de kerkgeschiedenis ons de dingen iets duidelijker maken. In de artikelen van Wezel (1), in oktober en november 1568 opgesteld (meestal spreekt men, waarschijnlijk ten onrechte, van ‘het convent van Wezel’) wordt in artikel II 14 vermeld: “Aan dienaren zijn toegevoegd de leraren en profeten, die wel een en hetzelfde ambt van te onderwijzen hebben, maar er is onderscheid in de manier waarop dat gebeurd”. In II 16 worden deze profeten nader beschreven als uitleggers van de Schrift, “zoals dit door Paulus is ingesteld”.

In dit college van profeten zullen niet alleen de dienaren worden opgenomen, maar ook de leraren en uit de ouderlingen en diakenen en zelfs uit het volk als er zullen zijn die de gave van de profetie, door de Heer verleend, in het algemeen belang van de Kerk verlangen aan te wenden. Zij moeten zich eerst door ‘herhaaldelijk gehouden proposities’ de goedkeuring van de dienaren en de overige profeten hebben verworven (II 19; vgl. Documentatia reformatoria I 185v).

In 1571 had de synode van Emden (2) plaats, waarvan prof. dr. D. Nauta opmerkt (Opera Minora, 1961, 50), dat de artikelen van Wezel uitvoerig handelden over de profetie, en de synode van Emden er met geen enkel woord van repte. Op dit punt schijnt er een belangrijk verschil tussen Wezel en Emden te zijn, en het is mogelijk dat dit verschil kerkelijk historisch beslissend geweest is: Wezel sloot zich nauw aan bij de Schrift, wat o.m. daarin uitkomt, dat de bijzondere kerkelijke ambten niet streng omschreven worden (3), vergelijk onze paragraaf 30 in deze brochure (4); en sprak krachtig reformatorisch, bij Emden echter begint de verjuridisering van de kerk. Laat Wezel dan in strikte zin geen convent geweest zijn, juist die “strikte zin” is zo gevaarlijk. De Schrift kent die “strikte zin” niet en onafzienbare kerkelijke ellende is uit die “strikte zin” voortgekomen.

Zullen we eindelijk wat wijzer en wat meer evangelisch gezind worden? Of zullen we maar voortgaan in het oude spoor, en de kerk nog onmachtiger en nog belachelijker maken?
Wat blijft er dan over van ‘de grote blijdschap die heel het volk ten deel zal vallen‘? (Lukas 2 vers 10).

(1) Het Convent van Wezel (Duits: Weseler Konvent) was een bijeenkomst van vooraanstaande kerkleden uit Nederlandse vluchtelingengemeenten. Het vond plaats begin november 1568 in de Hanzestad Wezel. De tijdens het convent genomen beslissingen zijn nog altijd van wezenlijk belang voor de kerkorde van de gereformeerde kerken in Nederland.
(2) De Synode van Emden was een bijeenkomst van 29 calvinistische verbannen leiders (predikanten en schrijvers), die van 4 tot 13 oktober 1571 de Nederlandse Hervormde Kerk stichtten. De synode werd gehouden in de ‘Duitse’ plaats Emden en stelde de regels en doctrines vast van de Nederlandse Hervormde Kerk.
(3) De synodevergadering van de PKN op zaterdag 12 juni j.l. in Lunteren. De synode besprak het rapport ”Geroepen en gezonden”, met de ondertitel ”Ambt en diversiteit in de Protestantse Kerk in Nederland”. De positie van de kerkelijk werker is in de PKN al jaren onderwerp van intensieve besprekingen. Veel gemeenten worstelen met het feit dat kerkelijk werkers in bepaalde gemeenten de spil zijn van het kerkelijk leven, terwijl ze niet de sacramenten mogen bedienen.
(4) Voor wie een biddend leven leidt is het lezen van de laatste twee paragrafen (30 en 31) ook nu nog nuttig om daar wijsheid uit te ontvangen voor het kerkelijk leven van vandaag.

Bron citaat: Brochure ‘Schisma en oecumene‘ (1965) – van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:Prediker: Werkgroep met saamhorigheid als doel voor ogen…

Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.
(Uit Efeziërs 2 de verzen 19-22)

Bron afbeelding: SteemKR

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Werkgroep met saamhorigheid als doel voor ogen…

Nochtans weet ik dat het de godvrezenden wel zal gaan omdat zij voor Hem vrezen.’
(Uit Prediker 8 vers 12b)

Geciteerd 1: Deze werkgroep (1) heeft het heil van de samenwerking gezien. Het is natuurlijk niet waar, dat de botsing van meningen automatisch de waarheid tevoorschijn doet komen. Maar om haar te vinden, ‘dat edel wicht dat waarheid heet‘ (2), is intensieve samenwerking noodzakelijk. Die samenwerking gaat zo ver, dat ook de geestverwante tegenstander bij herhaling aan het woord komt.

Geciteerd 2: De samenwerking binnen de school (die geen strikte begrenzing gehad zal hebben) wordt bepaald door het doel, het goede zoeken voor het Godsvolk. De uitgever vestigt daarop de aandacht in 12 vers 9 v: ‘En behalve dat Prediker (= prediking, wijsheid, antwoord, richtlijn, waarheid) wijs geweest is, heeft hij het volk in kennis onderwezen‘. We merken dat de uitgever en eerste exegeet van het boek Prediker dit geschrift beter verstaan heeft dan alle navolgende exegeten, en dat is voor die volgenden geen schande, want de exegese in 12 vers 9 is Gods eigen Woord. Het boek Prediker exegetiseert zichzelf – anders zouden we het nooit kunnen begrijpen.

Geciteerd 3: Qohèleth – laten we die zinvolle schuilnaam overnemen – heeft het volk onderwezen, en wel het volk als vergadering of gemeente, als qahaal. Zo getuigt dit boek van saamhorigheid in een tijd waarin die saamhorigheid ging verdwijnen.
Prediker zocht woorden van welgevallen te vinden, een oprecht geschrift, woorden van waarheid.
‘Woorden van welgevallen’ (misschien mogen we parafraseren: woorden van genade), een geschrift van oprechtheid, woorden van waarheid.’ ‘Dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig‘ heeft de uitgever op zijn manier en in de stijl van zijn tijd gezegd.

Geciteerd 4: Prediker heeft oog gehad voor de saamhorigheid van de qahaal, de gemeente: ‘De woorden van wijzen zijn als prikkelen‘, ze stimuleren en maken wakker, men kan ze niet meer kwijt raken en gaat er met elkaar over spreken. ‘Ze zijn als ingeslagen nagels‘; daarbij kan men denken aan het feit dat woorden van echte wijsheid ‘inslaan’ en ‘aanslaan’; maar nog meer denken we hier aan de aaneenhechtende werking van ingeslagen spijkers. Het volk moet zijn eenheid en saamhorigheid terugvinden, het in losse groepen uiteenvallende volk moet weer gemeente, qahaal worden.
Deze uitgever is wel een zeer moedig man geweest, en een groot optimist. Hij achtte de verkenning van de donkerheid en onzekerheid goed voor het volk.

Geciteerd 5: De wijsheidsschool die achter dit boek staat, heeft weinig tot niets georganiseerd, het was een zeer ‘onwerelds’ gezelschap. Zij zeiden niet: als we het dáár niet eens over kunnen zijn, dan kunnen we de tent wel sluiten. (…) Bezien we dit boek met de ogen van een man, die succes-door-eenheid nastreeft, dan moeten we het een chaotisch boek noemen. Eigenlijk vinden we het allemaal een beetje chaotisch. (…) Wie de diepte van de ware religie wil leren kennen, moet alle diepe wegen van dit boek zijn doorgegaan. Daarbij gaat het om dood en leven. Het thema van het ijdele staat in direct verband met de dood.

De samensprekenden hebben hun ambt van predikers zo goed begrepen, dat zij geheel hun persoon in dit ambt deden opgaan. Zij werkten persoonlijk, soms zeer persoonlijk. Tegelijk was hun betrekkelijk kleine groep een gemeente, die zich aftobde om het volk als qahaal, als gemeente te dienen. Opdat dit volk weer werkelijk qahaal zou worden.

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.
(2) Zie gedicht ‘Vriendenzoen‘ van Guido Gezelle.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: SlideToDoc-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wat zou Jezus zeggen?

Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.
(Uit Hebreeën 4 vers 16)

Geciteerd 1: Wat is een christelijke houding ten opzichte van gemeenteleden die gaan scheiden?
„Zoals Jezus omgaat met de overspelige vrouw. De boodschap van dat Bijbelgedeelte is: we zijn allemaal net zo slecht, staan allemaal schuldig voor God. Sta dus naast mensen die –met de moed der wanhoop– scheiden als beste optie zien. Kom met liefde en genade, niet met de norm dat scheiden niet mag. Mensen krijgen het anders nog veel moeilijker met het proces van scheiden, en hun kinderen ook.”

AJ: Ze brachten een vrouw bij Jezus die haar man had verlaten en die een andere man had getrouwd, die was echter inmiddels overleden. Ze vroegen Hem: wat moeten we met haar doen en wat zou u tegen deze vrouw zeggen?
Jezus keek de vrouw aan en zei: Ga terug naar je eerste man en herstel de vrede en je huwelijk met hem. En tegen de anderen zei Hij: Steun deze vrouw en ook haar man want dat zal niet alleen hen maar ook jullie tot zegen strekken!

Geciteerd 2: Zoals er met dit stukje evangelie (uit Johannes 8) werd gesold (en wordt?), zo werd er ook met deze vrouw gesold. Eén vrouw wordt door een hele groep mannen tot bij Jezus gebracht. Dat doet denken aan de wet van de sterkste. Zij duwen de vrouw in het midden en gaan in een kring staan: de houding om rechtspraak te houden. Het zijn zelfbewuste, zelfgenoegzame, harde rechters…

Geciteerd 3: Die veroordelers hebben de veroordeling reeds uitgesproken, de vrouw reeds afgeschreven. Zij strikken de kring toe, hebben de stenen reeds in de hand en willen de dood. Jezus veroordeelt nooit iemand. Hij opent de kring. Hij wil het leven. Hij nodigt ons uit naar anderen, niet met vooroordelen neer te kijken, maar met onbevangenheid en bewondering op te kijken. Zij zijn eigenlijk schijnheilig. Hun motieven zijn onzuiver.

Geciteerd 4: Jezus kijkt naar de vrouw zelf en spreekt tot haar persoonlijk. Hij nodigt ons uit niemand te beschouwen als een geval waarover kan gesproken worden, maar tot de mens in kwestie zelf te durven spreken. Zij zijn onvermurwbaar, helemaal verkrampt, hard voor zichzelf en vooral voor de anderen. Zij laten de vrouw alleen met heel haar ellende en zij willen zich vooral niet met haar inlaten.

Geciteerd 5: (…) Biechten is dus niet vooral: lang blijven stilstaan bij onze vroegere fouten. Wat vooral in de verf moet worden gezet is immers niet onze zwakheid, maar Gods barmhartigheid, die de vernieuwende kracht wordt voor onze toekomst. Wat vooral hoorbaar moet zijn is de diepe dankbaarheid voor de onmetelijkheid van Gods vergeving die over ons komt juist op die domeinen waar wij onze ontrouw ervaren Zo is een biecht een hoopvolle liefdesverklaring tot God, aan wiens barmhartigheid wij ons weer durven toevertrouwen en een uitdrukking van ons geloof in de Heer van het leven, wiens Liefde sterker is dan elke dode plek in ons hart.

Lees het geheel van citaten 2 t/m 5: https://www.kuleuven.be/thomas/page/abel-sacrament-boete-verzoening/

Bron citaat: RD Mens & samenleving – ‘Scheidingsmediator: Veroordeel mensen die gaan scheiden niet‘ – door Mirjam Roukema*

Onbarmhartig zal het oordeel zijn over wie geen barmhartigheid heeft bewezen; maar barmhartigheid overwint (roemt tegen) het oordeel.‘ (Uit Jakobus 2 vers 13)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Moeilijke bezigheid (II)…

Want talloos zijn onze misdaden jegens U,
onze zonden getuigen tegen ons.
We zijn ons van onze misdaden bewust
en erkennen ons wangedrag:
we zijn opstandig en de HEER ontrouw,
we zijn afvallig van onze God,
we zijn belust op bedrog en onderdrukking,
zwanger van leugens brengen we onwaarheid voort.
Het recht is verdrongen
en de gerechtigheid blijft ver van ons;
de waarheid struikelt op straat
en de oprechtheid krijgt nergens toegang.
Zo laat de waarheid verstek gaan,
en wie het kwaad wil mijden, wordt uitgebuit.

(Uit Jesaja 59 de verzen 12-15)

Geciteerd: Reeds hier – in Prediker 1 de verzen 13-18merken we, dat Prediker getuigt van de afwezigheid van de verwachte Messias. Want als we David en Salomo in zeker opzicht typen van Christus noemen, zijn het toch wel zó erbarmelijke typen, dat ze meer de afwezigheid dan de toekomst van de Gezalfde accentueren.

In de geschiedenis is veel krom gegroeid, en dat is inderdaad krom, het kromme kan niet recht zijn. Er is overal tekort, en men kan, als men de waarheid weten wil, het ontbrekende niet meetellen alsof het er wel was. Wij worden overweldigd door de onwrikbare realiteit van het kromgegroeide en het tekort.

Nu wil de Prediker zichzelf herkennen. Hij is als ambtsdrager groot. De wijsheid van Israël is onvergelijkelijk. Die wijsheid is toegenomen, tot de dag toe waarop Prediker bij monde van de tweede spreker het woord voert. Hij heeft zijn ambt genoemd. Hij staat met recht in dat ambt. In Prediker is de wijsheid groter dan ze ooit geweest is in Jeruzalem, ‘mijn hart heeft in overvloed kennis en wijsheid opgedaan‘ (vers 16).

Hij heeft in zijn naspeuringen niets ontzien. Hij is niet op de vlucht geslagen. Als David grof is, dan is hij grof, en moet dat erkend worden. Prediker heeft naar wijsheid gezocht en met evenveel energie naar verdwaasdheid en onverstand, zowel onder het volk als onder de leiders. Hij kon te kust en te keur gaan. Hij heeft zich niet laten afschrikken. Hij heeft de geschiedenis niet geromantiseerd. En het is een vergeefse speurtocht geworden. Want in het kleine beginsel en de bevlekte heiligheid is geen nieuwheid van leven te ontwaren.

De tweede spreker komt de eerste zover tegemoet, dat we ons hart vasthouden. De onvergelijkelijke wijsheid, zoals geen ander volk die kende, onderzoekt haar eigen voorgeschiedenis, en het valt lelijk tegen. In die geschiedenis is niets van winst of leven te vinden. De openbaringsgetuigen zeggen allereerst en allermeest, wat Johannes van de heraut zei: Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. (Zie Johannes 1 de verzen 6-8)

In de korte rede van de tweede spreker (Prediker 1 de verzen 13-18) valt alle nadruk op ‘niet’. En hij verzekert dat het niet meevalt: hoe meert we weten, hoe meer pijn, zie 1 vers 18.

Geciteerd 2: Wij dienen bij de lezing van elk vers te onthouden, dat hier een Israëlitische wijsheidsschool aan het woord is; dat deze school zich uitdrukkelijk beroept op de qahaal, het gemeente-zijn van het – in die dagen duidelijk uiteenvallende – volk van het Verbond; dat de school die in dit boek aan het woord komt zich welbewust en terecht plaatst in de chokma-traditie. Als we dit vasthouden, blijft er voor ons geen ‘ruimte’ voor enghartigheid en kleinzieligheid bij het lezen van Prediker.

(Wordt vervolgd)

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

‘Maar de HEER zag het,
en het was slecht in zijn ogen
dat er geen recht meer was.
Hij zag dat er niemand was,
Hij was geschokt dat niet één mens zijn zijde koos.
Op eigen kracht bracht Hij redding
en zijn gerechtigheid spoorde Hem aan.’
(
Uit Jesaja 59 de verzen 15-16)

Bron afbeelding: Online Bible – Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Moeilijke bezigheid… (I)

Schenk de mens niet langer aandacht.
Wat is hij zonder adem in zijn neus?
Wat heeft hij te betekenen?

(Uit Jesaja 2 vers 22)

Geciteerd: Het onderzoek van de geschiedenis is teleurstellend. Naspeuringen naar de wijsheid in alles wat onder de hemel geschiedt. Het viel hem niet mee. Als men probeert gereed te komen met het verleden, dan blijkt dat verleden een zware last.

Een zware niet door mensen te dragen last

Ernst maken met het vasthouden van de davidische traditie doet ook denken aan de persoon van David. Deze spreker toont kritische zin. We denken onwillekeurig aan het donkerste moment in Davids leven, toen hij namelijk de zoon van zijn hartsvriend (Jonathan, de zoon van koning Saul) grievend onrecht deed door tot de nederige Mefiboseth te zeggen: ‘Waartoe zou je nog meer woorden spreken? Ik beveel: jij en Ziba delen het land‘, 2 Samuël 19 vers 29.

Het is aangenamer zoiets niet te weten. David kwam thuis na de nederlaag van Absalom. Ziba had de kreupele Mefiboseth ervan beschuldigd, dat hij gepoogd zou hebben weer koning te worden. De laster was belachelijk. Mefiboseth staat hier, invalide als hij is, koninklijk tegenover David. En David gedraagt zich als een ploert. 2 Samuël 19 de verzen 24-30 beschrijven de donkerste bladzij uit Davids levensboek. (1) Wie dit niet opmerkt is gelukkig te prijzen.

Ook het naspeuren van de Verbondsgeschiedenis is een kwade bezigheid. Inderdaad, erkent de tweede spreker, dit is een moeilijke bezigheid die God aan de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee af te tobben. Het lijkt of de openbaringshistorie kort voor de komst van de Christus donkerder is dan ooit tevoren.

David is er geweest, en hij was ergerlijk en grof en onrechtvaardig tegenover Mefiboseth. Salomo probeerde Jerobeam om het leven te brengen. Onder Mannasse verheidenste het bondsvolk radicaal. De tocht van Josia tegen de Farao blijft een duistere zaak. En Jeremia dichtte klaagliederen.

Het gaat om de winst van/voor het (Bonds)volk

Geciteerd 2: Prediker zal ook gedacht hebben aan de steeds weer blijkende tegenstelling tussen heidens gedrag van het volk en de prediking van de profeten. Wat is er van terecht gekomen? En het gaat toch om de winst van het volk. Men kan niet in hooghartig aristocratisme neerzien op de domme massa, die later genoemd zal worden de schare die de wet niet kent en dús vervloekt is. Want dit aristocratisme helpt ook niet: de enkele edele figuren vallen zo tegen. Een vorstelijk figuur als Jonathan is heel zeldzaam en maakt geen geschiedenis (wordt niet in gedachten gehouden – AJ); zijn verlamde zoon wordt door David beledigd. Als men onder alle daden van mensen naar het doeltreffende en levendbrengende wil zoeken, komt men bedrogen uit.

(Wordt vervolgd!)

(1) Ook het alsnog laten doden van Davids trouwe generaal Joab door Salomo* kan (m.i. – AJ) als zwarte bladzijde genoemd worden in het leven van David. Moest de moord op Abner en Amasa werkelijk alsnog gewroken worden? Vergat David daarbij Gods vergevende genade niet, die hij eerder zelf wel ontving na het met medewerking van opperbevelhebber Joab laten ombrengen van (‘officier’) Uria?
* Zie 1 Koningen 2 de verzen 5-6 en 28-35.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: Daily Bible Inspirations

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: ‘Heersende te Jeruzalem’…

Ik, Prediker, was koning van Israël in Jeruzalem.
(Prediker 1 vers 12)

Geciteerd: In Prediker 1 vers 12 vinden we het eigenlijke begin van de wijsheid van Prediker, nadat het optreden van die wijsheid is voorbereid door de klacht van de geestverwante tegenstander, wiens idee van de ijdelheid in conflict is met de geschiedenis van het Joodse volk. De eerste spreker heeft gezegd: er is geen voordeel, er is geen mogelijkheid van geestelijke winst en nieuw leven, er is niets nieuws onder de zon in de mensengeschiedenis.

In feite betekent dit de verloochening van de Messias-verwachting. Want het Zaad van de vrouw was iets nieuws onder de zon, en daarvan hebben alle Bijbelschrijvers geweten. De eerste spreker zal het werk van de profeet Maleachi gekend hebben, waarin duidelijk gesproken wordt over het nieuwe; in feite gewagen alle OT-ische profeten van het nieuwe dat de Here geven zal; maar de eerste spreker zegt: er is niets nieuws in de mensengeschiedenis en het zal ook niet komen.

Maar nu komt de Prediker, de prediking voor het volk, de wijsheid aan het woord. Die wijsheid begint te zeggen: Eenmaal was ik koning te Jeruzalem. Daarmee wordt reeds terstond de openbaringstraditie vastgehouden. Eens heerste de wijsheid in Jeruzalem. Er ligt ook een erkenning in van de donkerheid van de tijd waarin Prediker met de zijnen zijn werk doet: men kan vandaag niet meer zeggen dat de Wijsheid te Jeruzalem heerst. Maar zo is de traditie en die willen we vasthouden.

Vervolgens komt de wijsheid de eerste spreker heel ver tegemoet. Wat deed de wijsheid in Jeruzalem? ‘Ik heb er (de aandacht van) mijn hart op gericht, een onderzoek in te stellen en naspeuringen te doen naar de wijsheid in alles wat onder de hemel gedaan wordt‘. De wijsheidstraditie heeft aandacht en belangstelling voor alles dat in verband staat met de levenswijsheid, die door Gods onderwijs gegeven wordt.

Hierbij denken we zowel aan het onderwijs door het toen reeds Schrift geworden Woord als aan het onderricht door de ervaring, vgl. Jesaja 28 vers 26Zijn God onderricht hem over de juiste werkwijze en onderwijst hem‘.
Met name de traditie van de wijsheidsscholen had alle aandacht voor de praktische wijsheid en voor het samengaan van het onderwijs door de Schriften en door de ervaring.

Deze wijsheidstraditie had ook aandacht voor de enigheid van deze kennis: Alzo heeft Hij aan geen volk gedaan; en de man uit den vreemde, Agur, getuigt van de onwijsheid waarin hij geboren is: Ik tobde mij af, o God, ik tobde mij af en ik versmacht; want ik ben onverstandiger dan een mens, en mensenverstand heb ik niet, Spreuken 30 vers 1 v.
Maar Agur heeft het Woord van God gevonden, hij is in aanraking met de wijsheid van Israël. En dan zegt hij: Alle woord van God is doorlouterd; die bij Hem schuilen is Hij tot een schild; doe niets aan Zijn woorden toe, opdat Hij u niet terechtwijze en gij een leugenaar bevonden wordt. Het heil is ook voor de vreemdelingen, Jesaja 56 vers 1 vv.

Aan dat alles kan de laatste wijsheidsschool gedacht hebben, en als we verder lezen merken we dat steeds sterker. Dat moge ter zijner plaatse (nog) ter sprake komen.
Voor het ogenblik is voldoende, dat we er aan denken dat het nawoord van de uitgever de sleutel is tot geheel het boek, en dat we vanuit dit nawoord ook Prediker 1 vers 12v leren verstaan.
Prediker is wijs geweest en heeft ook het volk in kennis onderwezen. Zijn spreuken werken stimulerend en ze zijn hechtende nagelen (spijkers). Dat zoeken we dan ook in de vermelding van de naspeuringen van de Wijsheid die eens in Jeruzalem heerste.

Maar nu blijkt dit onderzoek teleurstellend te zijn. Wel heeft de wijsheid geheerst en wel is het de ware wijsheid, maar de naspeuringen hebben teleurgesteld. Prediker erkent dat de eerste spreker degelijke argumenten heeft. Wat is er terecht gekomen van de heilsgeschiedenis? De school van de Qohèleth onderzoekt niet alleen de eigen tijd, maar ook het verleden. De eerste spreker heeft het verleden achteloos vermeld. De wijsheid toont zulk een achteloosheid niet. Er is veel gebeurd dat waarde had, maar ook veel ellende.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Wat betekent dit alles? Zijn we als Joden nu bevoordeeld? Niet in alle opzichten, want ik heb immers al duidelijk gemaakt dat allen, zowel de Joden als de andere volken in de macht van de zonde zijn. Zo staat er ook geschreven: er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één, er is geen mens verstandig, er is geen mens die God zoekt.‘ (Uit Romeinen 3 de verzen 9-11, zie hierbij ook Psalm 14 en 36)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Sleutel tot het verstaan van het boek.

Ik wendde mij en mijn hart was er op uit om kennis te verkrijgen, onderzoek te doen en een wijze slotsom te zoeken en om goddeloosheid als dwaasheid en onverstand als verdwaasdheid te leren verstaan.‘ (Uit Prediker 7 vers 25)

Geciteerd: Wanneer we het boek Prediker isoleren van het geheel van de Schrift, wordt het voor ons geheel onbegrijpelijk.
Zoals we in het boek Job, in de redevoeringen van de drie vrienden, telkens onschriftuurlijke wijsheid aan het woord horen komen (terwijl het verzet van Job niet steeds onberispelijk is), zo horen we in het boek Prediker verschillende stemmen, en daaronder zijn er die spreken van een ijdelheid, die de wijsheid tot een geïsoleerd bezit maakt. De toon van het boek is dikwijls zo, dat we ons verbaasd afvragen: zijn dit nu gelovige Joden? (1)

Maar zoals we in het boek Job de sleutel tot het verstaan vinden in 42 vers 7, waar we lezen dat de Here de drie vrienden in het ongelijk stelt, zo geeft het nawoord van de uitgever de sleutel tot het verstaan van het boek Prediker. Zo begrijpen we, dat dit boek niet alleen toen het ontstond en uitgegeven werd Gods Woord bracht, maar dit ook doet voor de kerk van alle eeuwen.

Het boek Prediker getuigde in zijn eigen tijd van de duisternis, die er enkele eeuwen voor Christus geboorte heerste. Mensenleven onder Gods gericht is verijdeld leven. Dwars hiertegen in zegt de spreker van 3 vers 14Ik heb ingezien dat al wat God doet voor eeuwig is‘. In de kerk van Christus is het normaal, aandacht te hebben voor vernieuwing, de duurzaamheid en het eeuwig leven.
Maar die kerk zal toch ook aandacht moeten hebben voor de verijdeling van het leven, want haar geschiedenis is een aaneenschakeling van onrecht op de plaats van gerechtigheid. Zolang er nog de tussentijd is tussen Christus’ komst en Zijn wederkomst, is er ijdelheid. In die tijd geldt steeds: ‘als iemand kennis vermeerdert, vermeerdert hij smart‘.

Het boek Prediker werpt schel licht op ‘het stuk van de ellende van de mens’ en doet soms niet vermoeden, dat we dit stuk alleen als geloofsstuk kunnen leren. Het maakt de duisternis zichtbaar doordat het licht schijnt in de duisternis en de duisternis het niet kan verslinden. Met die duisternis hebben we ook vandaag nog allen te maken, we zijn die duisternis zelf in onze verijdeling. Daarin ontbreekt het ‘voordeel’, de geestelijke winst, omdat er ‘in mijn vlees geen goed woont’.

Het is iets te gemakkelijk, Romeinen 8 te lezen alsof Romeinen 7 niet bestond, en het is ‘voordeel’ eerst Romeinen 7 te lezen, daarna 8, en dan weer tot 7 terug te keren. Dan wordt die lezing een geestelijke winst en een behoud van het leven, een koopsom om het leven vrij te kopen van de ijdelheid. Zo wordt ook de lezing van het boek Prediker een voordeel, want Paulus is in Romeinen 7 niet minder pessimistisch dan de somberste stukken van het boek Prediker. En lezen we 3 vers 11, 3 vers 14v en 15v, dan klinkt daarin toch iets dat aan Romeinen 8 doet denken.

(1) De werkhypothese, waarvan de schrijver gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Bron afbeelding: SlideShare

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: De eeuw in hun hart gelegd…

Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd.‘ (Uit Prediker 3 vers 11)

Geciteerd:
We willen nu uit dit onuitputtelijke woord aparte aandacht vragen voor ‘heeft gelegd‘.

Het is niet zo, dat de eeuw in ons hart er van zelf is: pas als God die er in legt, is de eeuw er ook, en kan ze nooit meer weg. De eeuw in hun hart leggen: dit verwijst naar een opzettelijke en bijzondere bemoeienis van God. Dat is heel wat anders en meer dan een belangstelling voor de geschiedenis – al hoort die er beslist ook bij: we zouden geen belang stellen in ons verleden, als God de eeuw niet in ons hart legde. Dat doet God voortdurend, het is een permanente en steeds actueel blijvende daad van God.

De mens bestaande voor het aangezicht des Heren, krijgt in dit bestaan voor Gods aangezicht, dat zijn menselijkheid uitmaakt, de elk moment actueel wordende weldaad van God, waardoor ‘de eeuw’ in zijn hart gelegd wordt. Dit wijst er op, dat we tijd en eeuw nooit als tegenstellingen mogen zien, want dan zien we geen van beide. De eeuw is zeer tijdelijk en de tijd is eeuwig, in meer dan één zin. We merken daar iets van wanneer één van de NT-Bijbelschrijvers het aandurft om te zeggen: ‘opdat jullie deel zouden hebben aan de Goddelijke natuur‘ (zie 2 Petrus 1 vers 4).

Dat woord van Petrus is een bijna overmoedig woord. In de geschiedenis van de exegese is er talloze malen misbruik gemaakt van deze bijna-overmoed, en van de weeromstuit zijn anderen ertoe overgegaan dit kloeke woord te temperen, te verkleinen, en daardoor van glorieus Bijbelse zin te beroven.

Geciteerd 2: Zowel Petrus als de Prediker spreken over wat ons verstand te boven gaat en wat we toch heel zeker moeten weten. God blaast de adem van Zijn leven de mens in, Genesis 2 vers 7, en dat blijft Hij doen, zoals Hij ook elk moment opnieuw vijandschap stelt tussen het zaad van de vrouw en dat van de slang.

Geciteerd 3: We kunnen nu wel nuchter gaan doen – tenslotte is nuchterheid ook niet meer dan een stemming – en Bijbels nuchterheid is een kostbare zaak. Maar wanneer we in onze nuchterheid het Bijbelwoord gaan trivialiseren, is er iets niet in de haak. We moeten niet vergeten dat de spreker van Prediker 3 vers 3b één van de grootste Openbaringsgetuigen is geweest die heel de Schrift kent. Hij is een man van weinig woorden: hij houdt zich aan het advies van Prediker 5 vers 1 slot: ‘laten uw woorden weinige zijn‘.

In zijn weinige woorden zegt hij zóveel, dat alle eeuwen Schriftstudie hebben gemerkt, dat hij iets zéér bijzonders zegt. Ook diegenen hebben dat gemerkt, die tenslotte niets beters wisten te doen dan dit bijzondere vervlakken en terugbrengen tot praatvaderlijk gekeuvel.

Reeds naar de eerste eis van een goede filologie is dit ontoelaatbaar: de spreker van 3 vers 11b is geen keuvelaar, dat hoort men reeds voordat men de zin van zijn woorden gevat heeft. We vermoeden dat de samensprekenden tijdens de discussie van de diepte van 3 vers 11 weinig of geen vermoeden hebben gehad. Deze man heft een spreuk op, waarvan de rijkdom in een geheel mensenleven niet gepeild kan worden.

(Wordt vervolgd!)

Zie ook:

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: Het voordeel van de wijsheid…

De wijsheid van een mens doet zijn aangezicht lichten, zodat de hardheid daarvan verandert.’
( Uit Prediker 8 uit vers 1)

Medicijn tegen zelfbeklag en zelfmedelijden

Geciteerd: De wijsheid die van boven is, maakt een mens menselijker en geeft iemand zijn door menselijke dwaasheid verloren menselijke waardigheid terug. Wijsheid maakt menselijk. ‘Zodat de hardheid van zijn aangezicht verandert.’ De mens is ‘van nature’ zo menselijk niet; iemand kan de menselijkheid terugkrijgen door het onderwijs van God. Dan verdwijnt de stuursheid van het gelaat, de stuursheid die uitdrukking is van zelfrechtvaardiging en zelfbeklag.

In de stuurse uitdrukking woont het zelfbeklag en het zelfmedelijden van een mens.

Wie gelovig inziet dat God de mensen recht gemaakt heeft en dat zij vele ‘vonden hebben gezocht’, weet meteen dat er geen motief is voor zelfmedelijden en zelfbeklag: die bestaan alleen bij de ‘gratie’ van de ‘zelfrechtvaardiging’. En op zelfrechtvaardiging is de mens van nature uit: zo iemand weet het, geeft zichzelf gelijk, God heeft hem of haar niet netjes behandeld.

Geestelijke stromingen en politieke partijen die als grond-dogma huldigen, dat de mens recht heeft op dit en recht op dat, tellen leden bij wie men het ellendig zelfbeklag van het gezicht kan afscheppen. Ook oprechte Christenen vallen hun leven lang herhaaldelijk in de strik van zelfrechtvaardiging en zelfmedelijden.

De Christen is niet zo zelden na een leven van noeste arbeid, op zijn oude dag een dwaas, die niet weet van vermaand te worden. Voor veel Christgelovigen is het gewoonte geworden, zichzelf te rechtvaardigen en daarin wordt men hoe langer hoe listiger. Zich bekeren en worden als een kind, dat is de weg om af te komen van die vreselijke zonde.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:

Beter dat je openlijk wordt terechtgewezen wordt, dan dat je uit liefde wordt gespaard.
(Uit Spreuken 27 vers 5)

Bron afbeelding: Pinterest (Verse of the Day)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Prediker: De Qohèleth spreekt in de qahaal*…

De woorden van de wijzen zijn zo scherp en puntig als een ossenprik,
al hun spreuken zijn ons door één Herder ingeprent
(Uit Prediker 12 vers 11)

Geciteerd 1: Wanneer we ons wagen aan een Bijbelstudie van het boek Prediker, maken we gebruik van een bevoegdheid, die zeker niet algemeen erkend wordt. We gaan namelijk uit van de bereikbaarheid van de geestverwantschap met dit boek, die als zodanig van meer betekenis is dan alle filologisch-wetenschappelijke (1) resultaten (waarmee niet bedoeld is dat deze gemist kunnen worden!).

Bij de voorbereiding van deze Bijbelstudie zijn verschillende en uiteenlopende van die voortbrengselen, van wat men tegenwoordig ‘Bijbelwetenschappen’ noemt, geraadpleegd; de schrijver heeft zich echter aan geen ervan onderworpen.

We vinden het niet verantwoord aan een Bijbelfilologie als zodanig enig kerkelijk of gemeentelijk gezag toe te kennen: we lezen ook het boek Prediker in christelijke mondigheid, en laten ons die niet ontnemen door een schoolgemeenschap in moderne zin – iets geheel anders dus dan een Qohèleth-gemeenschap* -, die gezag wil uitoefenen over ieder die niet vakman is en daardoor haar ten hoogste filologisch gezag de zin toedicht van leidende autoriteit.

Geciteerd 2: We willen het boek Prediker in christelijke vrijheid lezen, dus ons niet daarbij laten dirigeren door een of ander filologisch of theologisch wetenschap-ideaal. Dat zou er namelijk op neerkomen dat de boodschap van dit boek voor ons wordt gesloten. In Prediker 2 vers 25 lezen we: ‘Wie kan iets genieten buiten God?‘ Dat woord is ook toepasselijk op het genieten van het boek Prediker in zijn sobere schoonheid

Geciteerd 3: Het schrijven van dit boek over het boek Prediker is een moeilijke bezigheid geweest, om zich daarmee af te tobben. Wie dit Bijbelboek opvat als een doorlopend betoog van één schrijver (2), kan dit alleen volhouden als hij bereid is hier en daar een beetje te gaan knoeien. Vooral als hij dit doorlopend betoog dan ook nog orthodox wil zien. Zo komt men tot orthodoxisme, wat een karikatuur van orthodoxie betekent.

Geciteerd 4: De werkhypothese, waarvan de schrijver van dit boek gebruik heeft gemaakt, namelijk dat het boek Prediker een verslag is van een discussie waaraan vele en in overtuiging uiteenlopende sprekers deelnamen*, ligt zó voor de hand, dat we moeilijk kunnen aannemen dat ze nooit eerder geopperd zou zijn. In de ons bereikbare literatuur hebben we haar echter niet aangetroffen.

Geciteerd 5: Men vergeet te gemakkelijk dat in de dagen dat het boek Prediker ontstond, de ‘gewone man’ meer van wijsbegeerte begreep en afwist dan 99% van de academisch gevormden vandaag.

Geciteerd 6: Daarbij houden we ons eraan, dat we in het boek Prediker wijsheid vinden voor de gemeente.

* De Prediker is degene die in de volksvergadering het woord voert en zo de samenhang, de gemeentelijkheid van het volk vertegenwoordigt en bevordert. Qohèleth, de Prediker, is de man die spreekt in de qahaal, in de volksvergadering, die onder Israël de religieuze zin heeft van gemeente. Hij noemt zich Prediker, en gebruikt dit woord zowel als (bijna) eigennaam alsook ter aanduiding van zijn werk; en in beide gevallen komt er een duidelijke nadruk op de ambtelijke opdracht waartoe hij zich geroepen weet. We mogen zeggen dat in het ambt de persoon als het ware verdwijnt, en wel in die zin dat de uitoefening van het ambt door de persoon wordt vervuld.

(1) Filologie: studie van de taal- en letterkunde van volkeren door middel van geschriften in samenhang met de cultuurgeschiedenis van dit volk.

(2) Dat neemt niet weg dat we – net als de schrijver van dit boek en de schrijvers van het boek Prediker – de heilige Geest zien als de Schrijver van dit Bijbelboek: zie hierbij ook Prediker 12 vers 11.

Bron citaten: Boek – ‘Heersende te Jeruzalem‘ – door prof. dr. K.J. Popma (1903-1986)

Zie ook:


Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie