‘Niets is zo machtig als een vraag’…

Ik zal jullie ook een vraag stellen: Doopte Johannes in opdracht van de hemel
of van mensen?
‘ (Lucas 20 vers 4). *

Geciteerd 1: Na afloop van een lezing door de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Paul Krugman stelde Hickels partner een pertinente vraag. En, schrijft Hickel (1), ‘niets is zo machtig als een vraag’.

Geciteerd 2: Ik (Hickel) was het eens met ongeveer alles wat Krugman zei. Maar toen we weer naar huis liepen, vroeg mijn vriendin: ‘Waarom moeten de Verenigde Staten zo nodig groeien? Ze hebben ongeveer het hoogste bbp van de wereld, terwijl ze op sociale indicatoren minder goed scoren dan andere landen.’ Haar vraag verraste me, zo had ik er nog nooit over nagedacht. Dus ik antwoordde met de gebruikelijke platitudes: ‘Groei is noodzakelijk voor stabiliteit, inkomen en welzijn.’

Geciteerd 3: Intussen denk ik er helemaal anders over: ik aanvaard de aanname van groei niet meer. Het blijft wel een sterk woord: groei. Kinderen groeien, planten groeien, natuurlijk zijn we allemaal voor meer groei. Het lijkt vanzelfsprekend dat we ook verlangen dat onze economie groeit. Maar we vergeten onszelf af te vragen: wat betekent het nu werkelijk? We veronderstellen dat het om de toename van de goede dingen in ons leven gaat, maar het wrange is: in werkelijkheid maakt het ons leven níét beter. Ik bedoel: met een hoger bbp produceren we wel meer koopwaar en diensten, maar het levert niet noodzakelijk sociale winst op. Sociale winst is: een meer gelijke verdeling van het inkomen, toegang tot publieke dienstverlening zoals onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting. Dat is een verbetering van ons leven.

Opgemerkt: Hoe zit dat met het werken aan de groei in aantal en werken aan de geestelijke groei van een Christelijke gemeente? (2) De Farizeeën en Schriftgeleerden meenden dat zij bij uitstek geschikt waren om het (ware) Godsvolk te doen groeien in beide opzichten. Ze hadden leerscholen gesticht om geschikt bevonden volksgenoten ook tot die taak te verheffen en in de synagogen probeerden ze het gewone volk te verheffen tot ‘ware kinderen van Abraham’. En ze reisden ‘stad en land’ af om een bekeerling te maken…

Waarom heeft Jezus Zich niet bij hen aangesloten, zodat ze gezamenlijk konden optrekken? Of: Waarom schreef Hij niet Zelf een leerboek, opende Hij niet Zelf een leerschool, maar leerde Hij wel in hún (?) tempel en synagogen? En waarom liet Hij zijn discipelen zonder program achter en gaf Hij hen zelfs niet een gedegen Pinksterpreek mee om mee te beginnen op die eerste Pinksterdag in Jeruzalem? Zelfs een theoloog als Calvijn zou zijn leerlingen/volgelingen niet zó ‘het bos in’ hebben willen sturen! Was het omdat Jezus vol was van de heilige Geest en al het werk dat Hij mocht doen en later Zijn discipelen zou laten doen voluit aan de heilige Geest en het beschikbare Woord van God (het OT) toevertrouwde? De vraag stellen is ‘m (Bijbels) beantwoorden!

*Ze overlegden met elkaar: Als we antwoorden: “Van de hemel”, dan zal Hij antwoorden: Waarom hebt u hem dan niet geloofd? Maar, als we antwoorden: “Van mensen”, dan zal het volk ons willen stenigen, omdat iedereen ervan overtuigd is dat Johannes een profeet was.” Dus antwoordden ze dat ze het niet wisten. Daarop antwoordde Jezus: Dan zeg ik u ook niet krachtens welke bevoegdheid ik die dingen doe.‘ (Uit Lukas 20 de uit de verzen 1-8 de verzen 6-8)

Leestip: Lukas 20 de verzen 27-40 dat eindigt met de woorden: En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.
Zie ook: ‘Oh, dat elite-denken dat in ons allen zit…

(1) Jason Hickel (38) is zo’n type dat over de hele wereld thuis is. Hij is geboren en opgegroeid in Swaziland (nu Eswatini), heeft gestudeerd aan Amerikaanse universiteiten en gewerkt in India, en doceert aan The London School of Economics. Het Londense instituut is ook het beginpunt van zijn recente boek ‘Minder is meer’.
(2) Zorgt dát (soort) streven naar groei in en van een gemeente (zowel in aantal als geestelijk) ook niet voor ongelijkheid en zelfverheffing – onderling en naar andere kerken/gemeenten?! Het is helemaal niet moeilijk om daar vroegere en huidige voorbeelden van te geven!

Bron citaat: HUMO (via Blendle) – ‘We denken dat economische groei ons leven beter maakt, maar die vergroot de ongelijkheid en maakt ons ziek‘ – door Jason Hickel

Bron afbeelding: BibleWordings-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Maria in huis halen’…

Gabriël ging haar huis binnen en zei: “Gegroet Maria,
je bent begenadigd, de Heer is met je.
(Uit Lukas 1 vers 28)

Geciteerd 1:De discipel Johannes nam de moeder van Jezus sinds Zijn sterven in huis. Nu lijkt het alsof Maria bij protestanten niet binnen mag komen. Dat is een slechte zaak,” zegt de Friese dorpsdominee Herman F. de Vries.

Opgemerkt: Artikel niet gelezen: Maar, wat mag ‘Maria in huis halen’ dan wel betekenen? Een icoon of schilderij aan de wand in huis en in ons gemeente/kerkgebouw? En dan zo nu en dan wat devotie daarbij?

Mijn grootvader schreef in zijn boek Eva’s dochters (1923) in het tweede hoofdstuk: Het “zaad van de vrouw” zou verlossen. Een moeder(!) zal in geloof neerzien op haar spartelende-kindje-op-schoot, dat haar Zaligmaker is. Maar geen vader zal met rechtmatige trots daarbij staan in het besef dat hij de wereld verlost heeft door de generatie van die zoon. En die moeder – die gezegende onder de vrouwen – is niet de mooiste, de sterkste, de rijkste. Niets van de groot(s)heid van de wereld is aan haar en van haar af te zien. Maar zij is de begenadigde, zij heeft genade bij God gevonden. (1) Die genade die de trotse evolutie-mens – het ‘Kaïn-nageslacht’ – verwierp. Die genade waaraan de hoogmoedige kinderen van Abraham geen behoefte hadden. Die genade die mensen boetvaardig en nederig van hart maakt om die genade ook dagelijks weer te willen en kunnen ontvangen.

(1) Opgemerkt AJ: Er werd dus niets in of bij Maria gevonden, maar er werd iets in God ‘gevonden’ dat Maria begenadigde en haar de kracht en het geloof gaf dat nodig was.

Vervolg citeren uit ‘Eva’s dochters’: Als u wilt zien HOE God wonderen doet? Lees dan weer eens eenvoudig, zoals Lukas ons vertelt wat er gebeurd is. Realiseer u een ogenblik dat simpele gebeuren…
En als men u dan eens vraagt: weet u wie de grootste vrouw (2) van de wereld moet zijn geweest? Dan hoeft u niet rooms te zijn om zonder te bedenken te antwoorden: Maria, de begenadigde.

(2) Opgemerkt AJ: Toch zullen we hierbij ook denken aan Jezus woorden over Johannes de Doper, die Hij als grootste onder de profeten aanwees, omdat hij Jezus had mogen aankondigen, aanwijzen en dopen: Maar de kleinste in het koninkrijk van God is groter dan hij. (zie Lukas 7 de verzen 24-30)

Bron citaat: CIP-nl – ‘Laten we meer aandacht aan de moeder van Jezus geven‘ – FB-Post

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on my Saviour)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één*…

Want zij hebben allen gezondigd, en derven (missen) de heerlijkheid Gods;
(Uit Romeinen 3 vers 23)
* Behalve die Ene Rechtvaardige door Wie wij (dagelijks*) gerechtvaardigd worden!
* Zie Lukas 18 vers 14

Wij mensen worden allemáál onze plaats gewezen…

Geciteerd: Wij als mensen zijn verloren in onze zonden; of anders en confronterender gezegd: doordat wij ons hebben afgekeerd van God in zonde, verdienen wij de rechtvaardige straf van de eeuwige hel. Wij, van nature slaven van de zonde en ten diepste volgelingen van Satan, wij verdienen straf, toorn, verlorenheid; voor eeuwig.

Opgemerkt: God heeft ons gezegd dat wanneer wij van de boom zouden eten, dat we dan zouden sterven. Wij kunnen ons niet meer verlossen van de zonde en het kwaad en onze dood en dat zou eeuwig zo moeten blijven, wanneer God niet Zelf ons daarvan zou verlossen. En daarom heeft Hij de schepping ook gewild en ‘aangedurfd’ want hij heeft haar omwille van Christus in het leven geroepen. Wat Paulus zegt in Kolossenzen 1 en 1 Korintiërs 15 zullen we daarom nu altijd ook hebben te bedenken bij het lezen van de eerste hoofdstukken van Genesis. Dan zullen we maar voorzichtig zijn met ‘wij verdienen (!) de eeuwige straf in de hel’.
De zonde wil God voor eeuwig weg doen maar de zondaar, daar horen we God heel andere woorden over spreken. De uitverkorenen mogen daarvan blijven getuigen in deze wereld die aan de zinloosheid is overgegeven (Romeinen 8 vers 20). Wie de Liefde van God – Christus dus – heeft leren kennen en enig besef heeft wat een moeten voortleven onder een eeuwige straf betekent, die zal zich vooral ontzetten over zijn eigen gebrek aan (mede) zondaarsliefde… Vooral wanneer we steeds weer kennis nemen van hoe onze Heer Zich gaf om die zonde-straf voor ons te dragen en later ook de apostelen zich helemaal aan ons gegeven hebben om ons het Evangelie met Woord en daad te brengen (zie bijv. Handelingen 20 de verzen 17-38)

Aanvullend 1: We kunnen zelfs ook zeggen/stellen dat het gebrek aan medezondaarsliefde in de kerken en dus onder de christenen/christenvolken een groter oorzaak van problemen en zonden in deze wereld is dan zonden en duisternis van de ‘onbekeerde heidenen’. Wanneer het zout niet werkzaam is dan deugt het nergens toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. Is het christendom van de westerse volken inmiddels niet helemaal in dat stadium terecht gekomen? Zien/ervaren we de gevolgen niet in alles wat we zien en horen…

Aanvullend 2: Niet een diep zondenbesef brengt ons tot geloof maar de kracht van de heilige Geest. De Doop is ons en onze kinderen gegeven om niet te gaan twijfelen wanneer we zien hoeveel strijd en aanvechting op ons afkomt – zie 1 Petrus 4 de verzen 12-19 – wanneer we elke dag weer willen leven uit het geloof dat de heilige Geest ons schonk en ook elke dag weer schenken wil door het eenvoudig gelovig gebruik blijven maken van de middelen: God loven en danken, Bijbellezen en gebed en het bijwonen van de samenkomsten van de gemeente met bediening van het Woord en (gebruik van) de Sacramenten.
Dat is ook de reden dat de apostelen zo’n eenvoudig Evangelie verkondigden aan hun hoorders op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem en later in de heidense steden. Ze vertrouwden op de kracht van de heilige Geest, Die het geloof zou en wil werken in de harten van de hoorders. En daarom mochten die hoorders ook direct al gedoopt worden en daarna (pas) onderwezen worden in wat een Godvruchtig leven is en wat hun zonden zijn en waarmee ze (ook altijd weer) moe(s)ten breken.
In heel wat kerken willen ze eerst een zondenbesef (aan)kweken door de prediking en durven ze het niet aan om eenvoudig het kinderlijk geloof* als uitgangspunt te nemen en de mensen toe te laten tot (Doop en) het Avondmaal in het geloof en vertrouwen dat de voortgaande prediking en het gebruik van de Sacramenten door de Geest gebruikt worden om hen steeds meer te laten (in)zien hoezeer wij in afhankelijkheid daarvan leven en geloven en dat we (mee) daarom de samenkomsten van Christus gemeente niet moeten verzuimen.
* Ook wel het ‘zuigelingengeloof’ te noemen waar Paulus de Korintiërs over aanspreekt in 1 Korintiërs 3.

Aanvullend 3: Vanwege de woorden in het hierboven opgenomen citaat en mijn opmerkingen daarbij, hier nu ook nog aandacht voor de eerste drie hoofdstukken van de Romeinenbrief. Paulus schrijft in hoofdstuk 3 vers 23: ‘Want zij hebben allen gezondigd, en derven (missen) de heerlijkheid Gods;‘ En waar die ‘heerlijkheid Gods’ gemist wordt, daar hebben de mensen en wat zij doen en voortbrengen geen goddelijke eeuwigheidswaarde en daarom kan hun voortbestaan en kunnen hun voortbrengselen niet eeuwig zijn, maar ligt dat onder Gods voortdurende toorn die zich in het hier en nu (al) openbaart. Alleen het van de heilige Geest geschonken geloof in Jezus Christus, en de kracht die Hij ons daarbij schenkt om te wandelen in de werken die God tevoren bereid heeft, verlost ons mensen van die Goddelijke toorn (zie Johannes 3 de verzen 18-21) We kunnen op grond van Gods Woord heel goed weten dat wij christenen (m.n. ook in de westerse wereld) ons niet maar zomaar gelukkig kunnen prijzen, omdat wij ons wel gevrijwaard weten van die Goddelijke toorn over ons persoonlijk en/of gemeentelijk en kerkelijk leven. Integendeel, er is heel veel waarvan we zeggen moeten dat het Bijbels gezien niet meer dan ‘eigenwillige’ of ‘eigenzinnige’ godsdienst was en/of is waarover evenzeer Gods toorn zich openbaart, namelijk in het verval van ons persoonlijk en ook dat van ons gemeentelijk en kerkelijk (samen)leven.

De eenvoudige en nederige gelovigen zullen elke dag opnieuw nederig vragen om de liefde en de wijsheid, die de Geest ons altijd weer genadig en zonder verwijt op het gelovig gebed schenken wil, ook daadwerkelijk te kunnen en mogen ontvangen en dat om dié door God voorbereide werken – waaronder natuurlijk ook het spreken van liefdevolle en wijze woorden – ook daadwerkelijk te mogen en kunnen doen en om dié niet na te laten – dat laatste kan namelijk ook nog! We weten ook uit 1 Korintiërs 13 dat er voor het oog allerlei indrukwekkend doen van goede werken kan zijn (persoonlijk of gemeentelijk/kerkelijk), maar dat daarvan toch (eenmaal) gezegd zal worden dat daarin de waarachtige liefde tot God en de naaste ontbrak. Een ieder onderzoeke daarom zijn of haar hart, dan worden we door Gods Geest en genade ook bewaard voor hoogmoed: persoonlijk maar ook gemeentelijk/kerkelijk. Zelfs de ongelovige medemensen in deze wereld, die het zonder de leiding van Gods Woord en Geest moeten stellen, zullen dan ook mee profiteren van de heilzame invloed van het Evangelie, zoals die er in deze wereld kan en mag zijn door woorden en werken van Gods gehoorzame kinderen.

Zo staat er ook geschreven: “Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één, er is geen mens verstandig, er is geen mens die God zoekt. Allen hebben ze zich afgewend, heel de mensheid is verdorven. Er is geen mens die nog het goede doet, er is er zelfs niet één. Hun keel is een open graf, hun tong is bedrieglijk, achter hun lippen schuilt het gif van een ader, hun mond is vol vervloeking en venijn. Ze haasten zich om bloed te vergieten, brengen ellende en vernietiging. De weg van de vrede kennen ze niet, vrees (angst) voor God kennen ze niet.” Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt alleen tot degenen spreekt die aan de wet zijn onderworpen. Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. Daarom is voor Hem geen sterveling onschuldig omdat hij de wet naleeft, want juist de wet leert ons de zonde kennen.‘ (Uit Romeinen 3 de verzen 10-20)

Bron citaat: Geloofstoerusting-nl – ‘God had de wereld lief… wij de duisternis‘ – door Laurens Pruis

Heer, hoor mijn gebed,
luister naar mijn smeken,
antwoord mij, U bent trouw en rechtvaardig.
Daag Uw dienaar niet voor het gerecht,
voor U is geen sterveling onschuldig.

(Uit Psalm 143 de verzen 1-2)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Rups of vlinder – that is the question…

Ik zeg jullie: van allen die geboren zijn uit een vrouw is niemand groter dan Johannes, maar in het koninkrijk van God is de kleinste nog groter dan hij.’ Alle mensen die dit hoorden, ook de tollenaars, brachten hulde aan God en Zijn gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten dopen. Maar de Farizeeën en Wetgeleerden verwierpen het plan van God: Zij hadden zich immers niet door hem laten dopen.‘ (Uit Lukas 7 de verzen 29-30)

Wanneer we menen dat wij reden hebben om tussen gelovigen onderscheid te kunnen of moeten maken tussen mensen die in het rupsenstadium blijven hangen en mensen die al het vlinderstadium bereikt hebben, dan moeten we dat verschil maken op Bijbelse gronden afwijzen. Alleen al het feit dat we op deze manier over onszelf en over anderen zullen/moeten gaan oordelen zou ons ervan kunnen en moeten overtuigen dat we daarmee niet op een Bijbels spoor zitten. Maar hier dan nog maar iets dat ons ook kan helpen om te beseffen dat dit soort verschil willen zien en maken tussen gelovigen (!) in de Gemeente van Jezus Christus niet van ons gevraagd wordt, integendeel we zullen daar helemaal van hebben af te zien.

De tollenaars in Jezus dagen kunnen ons helpen om dat met het onderwijs van onze Heer in te zien. Wij moeten dan goed beseffen dat de biddende tollenaar in de gelijkenis en de hoofdtollenaar Zacheüs geen mensen waren die er oneerlijke praktijken op na hielden en zich dáárom en daardoor grote zondaars wisten en daarom verlangden naar een hun genadig en vergevend God. Nee, die Joodse tollenaars hoefden zich vanwege hun levenspraktijk (op financieel gebied, etc.) en godsdienstige praktijk (de tienden geven, de tempel bezoeken, offeren) heus niet te schamen tegenover hun volksgenoten. Zij hadden echter Gods Woord veel beter begrepen dan de Farizeeën en Schriftgeleerden. Zij wisten (ook) goed dat ze een volk waren dat van God veel betere wetten hadden ontvangen dan de heidenvolken, maar zij wisten ook dat zij als mens geen haar beter waren dan die heidenen. Dat hadden ze uit Gods Woord en uit de geschiedenis van Gods volk goed begrepen. Daarom hadden zij ook goede aandacht gegeven aan de verkondiging van Johannes de Doper en voelden zij zich niet te goed om zich door hem te laten dopen. Vandaar ook dat zij zich zo ver vernederen konden onder de bezetter dat ze bereid waren om voor hen te werken als belastinginners.

We moeten de biddende tollenaar dan ook niet maken tot iemand die daar zijn grote schuld over zijn financieel wangedrag kwam belijden en dan de volgende week opnieuw daarover schuld stond te belijden omdat hij er gewoon mee was door gegaan. Nee, daar stond iemand die dat schuld belijden wekelijks (zo niet dagelijks) deed omdat hij zo goed uit Gods Woord begrepen had, wat voor een klein beginsel van een Godewaardig leven zelfs de meest vrome Jood nog maar bezat. Dat had hij alleen al begrepen uit de boetpsalmen van David en uit David’s en Salomo’s levensgang, maar dat natuurlijk verder ook uit nog veel meer van wat er te lezen valt in het Oude Testament!

Ook Zacheüs moeten we zien als een man die al voor hij Jezus in huis haalde uit Gods Woord geleerd had waarom Agur bad of God hem voor (veel) rijkdom en voor armoede wilde bewaren. En alhoewel hij op een eerlijke manier rijk geworden was, besefte hij dat hij z’n geld toch ook nog graag zag en gebruikte als een soort van levensverzekering. Hij voelde aan dat zijn hart daar niet zó los van was als God wel van hem vroeg. Anders dan de rijke jongeling – die aan Jezus vroeg: wat ontbreekt mij nog – besefte hij dat hem nog heel wat ontbrak… We zien/horen dan ook dat Jezus – anders dan bij de rijke jongeling – Zacheüs niet vraagt om eerst alles te verkopen en dan in Zijn gevolg te komen. Nee, Jezus laat Zacheüs de vrijheid om te zeggen wat hij met zijn bezit zal doen. En Zacheüs merkt vol vreugde dat de ontmoeting met Jezus hem nu helemaal heeft losgemaakt van zijn rijkdom en dat hij nu ook de durf heeft daarvan gul uit te delen aan (of beter: delen met) de armen. En hij kan de omstanders ook duidelijk maken dat hij zich niet schuldig had gemaakt aan afpersing (waar ze wel allemaal steeds van beschuldigd werden), want zegt hij: laat ze dan maar komen, dan vergoed ik het viervoudig. Stel je voor dat hij dat aandurfde terwijl hij wist dat één of meer mensen zich dan bij hem zouden komen melden, nou dan kon hij zijn ontslag alvast wel gaan indienen bij de Romeinen.

Slotconclusie: Die nederige tollenaarshouding van de biddende tollenaar en van de dankbare Zacheüs die past ons allemaal!

Bron afbeelding: The Glory of His Grace

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Bruikbare metafoor?

Een directeur van een autofabriek biedt jou via zijn vertegenwoordiger een fonkelnieuwe super-de-luxe auto aan en dat helemaal gratis en dat terwijl je helemaal geen rijbewijs hebt of eerder in een auto gereden. En die directeur biedt je dan ook nog gratis rijles aan en dat mag zelfs direct al in die aangeboden nieuwe auto, waarvan hij ook alle brandstof kosten voor zijn rekening neemt. En dat die vertegenwoordiger dan toch tegen je zegt: nee joh, rijden en lessen in zo’n auto, dat vind ik veel te riskant en dat vind ik geen reclame voor onze directeur en z’n mooie auto’s, wanneer jij daar wat stuntelig in die auto rond rijdt met een rijinstructeur naast je. Schaf eerst eens uit eigen middelen zelf een autootje aan en betaal de rijlessen en brandstof ook eerst zelf, dan kan je laten zien dat je die auto wat waard vind en bewijzen dat je die auto en de vervolgrijlessen en al die vergoedingen van de brandstof ook waard bent. Wanneer je dan je dan vaardig genoeg geworden bent – volgens mijn oordeel – kom dan terug om met deze auto te gaan lesrijden…

We nemen maar even aan dat je het niet met die vertegenwoordiger op een akkoordje wil/gaat gooien door te zeggen dat je die mooie auto wel in de garage of voor de deur wilt hebben en ook alle vergoedingen ontvangen, maar dat dan zonder er in te gaan lesrijden. Dan kan het ook niet verkeerd gaan met dat lesrijden, maar dan kan iedereen toch zien – en horen, want je vertelt er graag over – hoe goed gezind die directeur jou wel is. Dan kan je maar beter eerlijk bekennen dat je geen behoefte hebt aan zo’n auto omdat je er toch niet mee rijden wilt, want dat is nou juist wel het doel van die directeur.

Maar wanneer je zou ingaan op dat voorstel van die vertegenwoordiger, dan moet je hem wel eerst eerlijk vertellen dat je niet over de middelen beschikt om een autootje aan te schaffen, laat staan de lessen en de brandstof te betalen. Maar de vertegenwoordiger weet daar wel raad op, en zegt dat wanneer jullie dan eens samen de bankrekeningen bekijken, dat daar dan vast wel nog een bedrag uit bij elkaar te schrapen valt voor een oud autootje. En wanneer jij bereid bent om wat er maandelijks nodig is aan geld voor lessen en brandstoffen, dat dan in te houden op de uitgaven voor vrouw en kinderen dan moet het helemaal goed gaan komen. Vrouw en kinderen* zullen toch vast blij zijn, dat ze mee mogen helpen dat pa straks zo’n mooie auto krijgt om mee te rijden! Die zullen zo’n offer vast (graag willen) brengen, meent de vertegenwoordiger. Vooral ook wanneer ze bedenken dat die directeur hen dan mogelijk ook nog eens zo goed gezind zal willen zijn…

* Overigens heeft die directeur zeker ook altijd een auto voor vrouw en kinderen, voor iedere leeftijd eentje precies op maat en met de zelfde ‘regeling’: gratis rijinstructie van de rijinstructeur en alle brandstof wordt vergoed.

Opgemerkt: Vergelijk de bankrekeningen waar nog wel wat uit bijeen te schrapen valt met de woorden ‘dat er niet tegenstaande de val nog vele overblijfselen van het beeld Gods in den mensch, ook in hun hart, zijn (over)gebleven’, en ‘zoals we die overal in de natuurlijke mens opmerken’ (1). En vergelijk dat ‘inhouden op het gezinsbudget’ om de de lessen en brandstof te kunnen betalen, met het voorlopig niet mogen deelnemen aan de Avondmaalstafel (want nog niet wedergeboren volgens het oordeel van ‘de vertegenwoordiger’). Want door – als gelovig lid van de gemeente – niet te mogen deelnemen aan wat Christus aan ons uitdeelt tot onze versterking van het geloof, daar lijdt niet alleen de geweigerde gelovige onder, maar alle mensen in zijn omgeving!

(1) Woorden geciteerd uit: Ecclesia (nr 15/16 – juli 2021) – ‘Pedagogiek in de Betuwe (II) – De opvoedkundige ideeën van Ottho Gerhard Heldring en andere opvoeders en opvoedsters van de Heldringgestichten in Zetten)‘ – door dr. O.W. Dublois, Berkenwoude.

Aanvullend: De rijinstructeur die wordt onmiddellijk aan iedereen toegewezen, aan oud en jong! Die blijft ook altijd aanwezig in die auto van de directeur en kan bij het weggebruik beslist niet gemist worden. De rijders die het grootste gevaar vormen op de weg, dat zijn degenen die a.h.w. een natuurlijke aanleg voor rijvaardigheid hebben en daarom snel rijvaardig worden – tenminste naar hun eigen inzicht dan – en daarom de neiging hebben of menen dat het minder of zelfs helemaal niet meer nodig is om steeds heel goed te letten op de aanwijzingen en soms zelfs een ingreep van de rijinstructeur. Terwijl degene die geen hoge dunk hebben van hun eigen rijvaardigheid, die letten juist wel graag goed op de instructies en soms het ingrijpen van de rijinstructeur.
Het moet gezegd worden dat juist die vaardige mensen in de regel een veel te hoge dunk van hun rijvaardigheid ontwikkelen en zich dan gaan ergeren aan de andere weggebruikers, die toch overal gewoon zo graag en zo goed mogelijk – het lukt ze niet overal en altijd – de instructies van de rijinstructeur opvolgen onderweg. Die vaardige mensen, dié gaan anderen inhalen waar het niet past en rijden soms luid toeterend achter anderen aan of rijden anderen voorbij om te laten merken dat hun rijgedrag hen beslist niet zint en daar anders moet. Door dat soort afleiding vormen zij juist het gevaar op de weg voor de andere weggebruikers en dat niet alleen voor die weggebruikers die rijden in een auto van de genoemde directeur.
Dat die vaardige rijders de instructie van de rijinstructeur nauwelijks of niet meer horen en dat ze zelfs zijn ingrepen menen te kunnen negeren, dat valt ze op den duur zelfs niet eens meer op. Ze zijn zo overtuigd van hun eigen rijvaardigheid geworden, dat de rijinstructeur zelfs gaat nalaten om hen nog instructies te geven en om wanneer nodig nog in te grijpen. Zo bescheiden is die rijinstructeur wel. En er zijn er heel wat onder die vaardige rijders, die menen dat ze de minder vaardige rijders buiten rijtijd bijles kunnen en/of moeten geven over wat nu wel precies vaardig rijgedrag is op de weg. Maar dat kan echt alleen de rijinstructeur zelf hen duidelijk maken tijdens de ritten wanneer ze onderweg zijn. Wanneer die minder vaardige rijders de ‘vaardige rijders’ daar dan op wijzen, dan voelen ze zich nog in hun wiek geschoten ook.
NB. Vergelijk het onderwijs in de zondagse samenkomsten van de gemeente maar met een gezamenlijke busreis, daar zal de chauffeur van de bus de route alvast hebben voorgereden onder aanwijzingen van de rijinstructeur en zal hij ook tijdens die busrit voorbeeldig van zijn aanwijzingen gebruik maken, anders brengt de chauffeur de bus met alle inzittenden en/of andere weggebruikers nog in gevaar of ze rijden een verkeerde route en komen ze niet aan op de juiste bestemming.

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over ‘theologisch geformuleerde/gefundeerde’ opvoedkunde gesproken…

Hoeveel opvoeders in het geloof in Christus u ook zult hebben, u hebt maar één vader. Door Christus Jezus ben ik uw vader geworden, omdat ik u het Evangelie heb gebracht.
( De apostel Paulus tot de Korintiërs in 1 Korintiërs 4 vers 15).

Geciteerd 1: De waarschuwing van Heldring voor een overmatig, misschien moeten we zeggen een ziekelijk zondebesef was gebaseerd op de praktijk. Zowel op Steenbeek als op Talitha en Bethel had hij gezien waartoe lijdelijkheid van de ultra-orthodoxie kon leiden, gezien hoe meer dan één meisje geestelijk misvormd was geworden door hyperorthodoxe ouders die hun kinderen veel te eenzijdige leerstellingen over de uitverkiezing (die in bepaalde kringen als sjibbolet voor rechtzinnigheid gold) hadden bijgebracht. Het ergerlijke hierbij was dat deze ouders soms bovendien hun vrome leer aan een zedeloze levenswandel paarden; meer dan één schokkend voorbeeld wordt gegeven.
Geciteerd 2: De opvoeder – in wie naast wijsheid en liefde een scherp geweten en een helder oog voor onderscheiding van goed en kwaad onontbeerlijk zijn – moet zich steeds bewust blijven van de gebrokenheid van de mens, ook in het hart van het kind. Niettemin is radicale verandering en vernieuwing, in christelijke wedergeboorte, ook bij het kind mogelijk.

Opgemerkt 1: We kunnen bij deze woorden, ook gezien de achtergrond van deze (professionele) opvoeders/opvoedkundigen, toch zeker een vergelijk maken met de Farizeeën en Schriftgeleerden in Jezus dagen. Deze laatsten waren door allerlei soort van gelukkige omstandigheden terecht gekomen in de selecte groep van theologen/pedagogen/volksleiders die met hun theologische kennis neerzagen op ‘de schare die de wet niet kent’, ‘Vervloekt (verdoemt, niet wedergeboren) zijn zij!’. Maar we kunnen lezen dat de Here Jezus juist oog had voor die schare en met ontferming over hen bewogen was en dat Hij zich fel keerde tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën met hun hoogmoedige ‘Joodse theologie’ waarover zij ook in hun geschriften schreven.

Opgemerkt 2: Wij dienen goed te beseffen hoe eenvoudig het Evangelie in haar centrale boodschap is (1) en hoe zij juist door eenvoudigen en zwakken en zondaren begrepen werd en kan en zal worden, tenminste wanneer zij niet voortdurend door indrukwekkende theologen en kerkleiders weersproken en tegen gewerkt wordt. Bedenk dat onze Heer Jezus Christus geen enkele keer gebruik heeft gemaakt – tenzij corrigerend – van de toen beschikbare theologische geschriften – zoals die o.a. beschikbaar waren in de school van Gamaliël – en dat Hij Zijn discipelen ook niet verwezen heeft naar een (door Hem of anderen) aangelegde bibliotheek. En ook de apostelen hebben ons geen bibliotheek aanbevolen of nagelaten, behalve dan de toen al erkende Schriften (‘de Wet en de Profeten’, het Oude Testament) en de door hen geschreven evangeliën en brieven en het boek Handelingen. Daar hadden en hebben onder de leiding en het werk van de heilige Geest de gemeenten (blijkbaar) genoeg aan!

Opgemerkt 3: Wat de voorgangers/theologen in de gemeenten/kerken van de ‘nadere reformatie’ hun leden hebben onthouden is de troost van Zondag 1, zoals die hun met en door hun Doop al bezegeld was. Die mensen moesten op basis van wat ‘overblijfselen van het beeld Gods in den mensch’, die overblijfselen eerst in eigen kracht zien uit te bouwen tot een zodanig ‘gode welgevallig’ leven, dat de in hun gemeenten/kerken dienstdoende theologen (waaronder pedagogen) ‘de eerste kiemen (of meer) van hun wedergeboorte’ konden waarnemen, om dan gebruik te maken van door ‘God gegeven uurtjes’ (en dat was dus als regel buiten de gewone kerkdiensten/samenkomsten om het geval) waarin ‘de grote waarheid der wedergeboorte met klem en kracht verkondigd kan worden’.

Opgemerkt 4: In de kerken van de ‘nadere reformatie’ wordt kinderen en ouderen de troost van Zondag 1 eerst afgenomen en ook het broodnodige deelnemen aan het Avondmaal wordt hen ontzegd. En dan vindt men het vreemd en heeft men er een hoog oordeel over dat er bij die zwakke en zondige en minder gefortuneerde mensen allerlei zonden voortwoekeren en niet weerstaan worden. Zeker weten dat de felle verwijtende en de oordeel aanzeggende woorden van Jezus ook nu dergelijke voorgangers/theologen – die de kleine en zwakke schapen van hun Heer niet werkelijk voeden en weiden maar alleen de vette schapen het groene gras en het heldere water gunnen – even goed en even hard (be)treffen als de Schriftgeleerden en Farizeeën indertijd! (2)

(1) Op de Pinksterdag in Jeruzalem waarbij de heilige Geest werd uitgestort op de discipelen was één preek voldoende om een grote schare tot bekering te brengen en te dopen en Filippus had aan één verkondiging genoeg om de ‘Moorman’ te dopen en hem zijn weg met blijdschap te laten vervolgen, in Filippi hadden de gevangen bewaarder ‘en zijn huis’ genoeg aan de middernachtelijke verkondiging van Paulus en Silas om zich gewillig door hen te laten dopen en zich te voegen bij de daar al aanwezige gemeente en in Korinthe had Paulus zoveel bekeerlingen dat hij daar geen tijd had om al die mensen te dopen. In Athene was een afwijzing van eerst nog tot luisteren bereidwillige wijsgeren voldoende reden voor Paulus om geen verdere pogingen te doen om hen alsnog tot bekering te brengen…
(2) Bedenk dat het toenmalige ‘Godsvolk’ ook heel veel moeite had met deze felle toon en verwijten van onze Heer richting de ‘theologische elite’ van die dagen. IJverden zij niet voor het dienen van God onder het volk door hun onderwijs en voorbeeldig gedrag (ook op de straten en de pleinen) en hadden zij het niet voor elkaar gekregen dat de Romeinse overheden hen gunstig gezind waren. Hielden zij niet het besef levend dat onder de overheersing van de Romeinen en het Grieks wijsgerig denken het Joods verlangen naar het herstel van een onafhankelijk Israël, dat door de komst van de Messias gerealiseerd zou worden, niet mocht verminderen.

Het verbaast me dat u zich zo snel hebt afgewend van hem die u door de genade van Christus heeft geroepen en dat u zich tot een ander evangelie hebt gekeerd. Er is geen ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Wanneer iemand iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel – vervloekt is hij!’ (De apostel Paulus tot de Galaten, aan wie hij het evangelie ‘van Jezus en Die gekruisigd voor ogen geschilderd had’, in Galaten 1 de verzen 8-9).

Zie ook:De kinderen tot Christus leiden…

Bron citaat: Ecclesia (nr 15/16 – juli 2021) – ‘Pedagogiek in de Betuwe (II) – De opvoedkundige ideeën van Ottho Gerhard Heldring en andere opvoeders en opvoedsters van de Heldringgestichten in Zetten)‘ – door dr. O.W. Dublois, Berkenwoude.

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Mijn kind, wees sterk door de genade van Jezus Christus’…

Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij
in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
’ (Uit Matteüs 18 vers 3)

Worden als de kinderen

Geciteerd: Ze zeggen dat kinderen Gods Woord niet kunnen horen, omdat ze nog niet tot hun verstand zijn gekomen. En als Gods Woord niet gehoord wordt, kan er geen geloof zijn, Romeinen 10:17: ‘Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.
Vertel me eens, is dat christelijk gepraat, om zo naar ons eigen goeddunken over Gods werken te oordelen? De kinderen zijn nog niet tot verstand gekomen en daarom kunnen ze niet geloven? En wat nu als jij door dit verstand het geloof zou kwijtraken en de kinderen door hun gebrek aan verstand tot geloof zouden komen?
Vertel eens, wat voor goeds doet het verstand voor het geloof en Gods Woord? Is het niet het verstand dat het geloof en Gods Woord het meeste weerstaat, zodat niemand door het verstand tot geloof kan komen of Gods Woord wil verdragen, tenzij eerst het verstand verblind en bespot wordt?
De mens moet aan het verstand afsterven en als een dwaas worden, ja, hij moet zo onverstandig en dwaas worden als een klein kind, wil hij gelovig kunnen worden en Gods genade ontvangen, zoals Christus in Mattheüs 18:3 zegt: ‘Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.’ Hoe vaak houdt Christus ons niet voor dat we kinderen en dwazen moeten worden en veroordeelt Hij het verstand!
Maarten Luther: WA 17.II, 84-85

Opgemerkt 1: Begrijpen we nu waarom Maarten Luther geen dikke theologische/dogmatische boeken (zoals de Institutie van Johannes Calvijn) heeft willen schrijven en waarom de Augsburgse Confessie, die hij opstelde in samenwerking met Philipp Melanchton meer gericht was op het bewerken en bewaren van de eenheid met de Rooms Katholieke kerk van die dagen, dan dat daarmee eens en voorgoed de nieuwe (?) leer moest worden vastgelegd en gewaarborgd in de (nieuwe) kerken.
Eenvoudige, betrouwbare verkondiging van Gods Woord in de taal van de hoorders en de Bijbel weer in de gezinnen, dát zag Luther als middel om de heilige Geest Zijn werk te kunnen laten doen in de harten van de gelovigen. En die wens om Gods Woord zo te mogen verkondigen en zo te mogen horen, die werd aangewakkerd door het optreden en werk van Maarten Luther en dat ook mee door zijn geschriften, die overal in Europa gretig aftrek vonden en drukkers reden gaven om zijn werk ijverig te vermenigvuldigen.
De jonge Calvijn heeft dat begonnen werk van de Geest willen bespoedigen door het schrijven van zijn werk “Institutie’. Maar dat was jeugdige zelfoverschatting! Dit werk was mee een belangrijke oorzaak dat er binnen de Reformatie door dit werk ‘wijs’ geworden (felle) calvinisten het werk van de Geest ter hand namen en daarmee veroorzaakten dat zowel Rooms Katholieke als Duits/Lutherse mensen een afkeer ontwikkelden tegen de reformatorische gehaaste ‘vernieuwingslust’ en bepaalde (snel) door te voeren reformatorische vernieuwingen (kerken zonder beelden bijvoorbeeld) en dat vanwege het optreden van (bepaalde leiders van) deze ‘groepering(en)’ en zich keerden tegen het werk van de (zeker!) nodige doorgaande reformatie van de kerken in Europa.

Opgemerkt 2: Toch moeten we dit niet zozeer vooral Johannes Calvijn zelf kwalijk nemen. Het zou wel beter (meer naar Gods Woord) geweest zijn wanneer hij zijn praktische inzichten (o.a. de kerkenraad als ‘hoogste orgaan’* binnen de gemeenten/kerken) eerst als voorganger in praktijk had gebracht (dus zonder eerdere publicatie van zijn ‘alomvattende’ Institutie, want dat boek kwam veel te veel tegemoet aan de intellectuele behoeften en bevrediging daarvan bij de ‘leidinggevenden’ – en de mogelijkheden die zo’n ‘alomvattend’ theologisch werk geeft om je daarmee boven anderen te verheffen in plaats van er werkelijk dienstbaar mee te willen en kunnen zijn! – en, zoals Luther in dit citaat hierboven aangeeft, is dat ‘verstandswerk’ eerder een bron van hoogmoed en ‘opgeblazenheid’ dan dat het de onderlinge liefde bevordert. Dat laat de kerkgeschiedenis in diverse verwikkelingen binnen de reformatie-welgezinde kerken al heel kort na de reformatie ons (helaas!) wel zien…

* En dat ‘hoogste orgaan’ moet zelf ook niet hiërarchisch geïnterpreteerd worden! Alleen Gods Woord – en het door Gods Woord gevormde geweten – dient daar te worden gevolgd.

BijMijn kind wees sterk…’ Zie 2 Timoteüs 2 de verzen 1-13.

Bron citaat: checkluther-com – Citaat Zondag 1 augustus 2021 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

Kennis maakt opgeblazen, maar liefde sticht. Indien iemand zich inbeeldt enige kennis verworven te hebben, dan heeft hij nog niet leren kennen, zoals het behoort.‘ (Uit 1 Korintiërs 8 de verzen 1-2)

Bron afbeelding: Closer Day By Day

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De kinderen tot Christus leiden…

Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn,” maar jullie maken er een rovershol van! Toen kwamen er in de tempel blinden en verlamden naar Hem toe, en Hij genas hen. De hogepriesters en de Schriftgeleerden zagen welke wonderen Hij verrichtte en hoorden de kinderen in de tempel “Hosanna voor de Zoon van David” roepen, en ze waren hoogst verontwaardigd. Ze gingen Hem vragen: “Hoort u wat ze zeggen?: En Jezus antwoordde hun: “Jazeker! Hebt u dan nooit gelezen: Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt U zich een loflied laten zingen”? Zo liet Hij hen staan, en Hij ging de stad uit naar Bethanië, waar Hij de nacht doorbracht.‘ (Uit Matteüs 21 de verzen 14-17)

Geciteerd: Maar eenstemmig was de idee dat alle pedagogiek (dus alle opvoeding – AJ), al het christelijk onderwijs, de ziel van het kind moet leiden tot Christus.

Opgemerkt 1: Kinderen die in de gemeente van Jezus Christus ontvangen en geboren worden krijgen bij de Doop samen met de ouders en gemeente te horen en te zien dat ook dit kind (al) door God de Vader in Christus is aangenomen en onder Zijn hoede en dus onder het werk van de heilige Geest is gesteld, namelijk zoals Hij met het Woord in de gemeente en dus ook in de gezinnen met hun kinderen nieuw leven wekkend (wederbarend) aan het werk is bij/in ieder van hen.

Opgemerkt 2: De ouders (en andere opvoeders) zullen zich dus afvragen of zij dit met woord en daad beleden hebben, namelijk dat hun kinderen in de gemeente en bij hen thuis onder dit wederbarende werk van de Geest geplaatst zijn en leven en of zij hen die heerlijke plaats in de kudde van Jezus Christus door het geloof ook steeds gegund en daadwerkelijk gegeven hebben.

Opgemerkt 3: Er is geen heerlijker en vrijer leven dan het samenleven in de vrijheid waar Christus ons als gemeente gesteld heeft. We hoeven helemaal geen onderzoek te doen naar de ‘genade-staat’ van onszelf en onze kinderen, maar we mogen elke dag leven als Gods kinderen, die weten dat onze Drie-enige God met Vaderlijke ontferming over ons/hen bewogen is. Dat is niet alleen thuis het geval, maar natuurlijk ook in de samenkomsten van de gemeente en op school en in het maatschappelijk leven.

Opgemerkt 4: Het enige wat we dus te doen hebben gekregen, dat is leven als dankbare kinderen van God. En dat doen we door persoonlijk en in de gezinnen ook steeds weer met elkaar de dag te beginnen met lof- en dankzegging, met Bijbellezen en gebed en door het bijwonen van de samenkomsten van de gemeente op zondag met daarbij ook het gelovig gebruik van de Sacramenten.

Opgemerkt 5: Wanneer we zo leven, dan ontdekken niet de ouders of andere opvoeders (door hun (Bijbelse)opvoedkunde), maar dan ontdekt de heilige Geest ‘gaandeweg’ de kinderen aan hun zonden en gebreken. Dat we daarvan op aan kunnen dat weten we uit Gods Woord. Wanneer de kinderen met de ouders de Psalmen meebidden (door ze aan tafel aan te horen of te lezen), dan leren ze al om te vragen om aan hun zonden ontdekt te worden (Psalm 19 en 139 bijv.), en zij zullen dat hun leven lang mogen doen – net als ook hun ouders en andere opvoeders dat hun leven lang hebben te doen. Ouders en opvoeders hebben dus maar een heel beperkte taak, die vooral bestaat uit het de kinderen voorgaan in het geloof, en dat door zelf uit het geloof te leven.

Opgemerkt slot: Christen-ouders hebben dus (!) geen boeken over opvoedkunde en/of een pedagogische opleiding of opleiders nodig, maar zij mogen iedere dag bidden om hulp en wijsheid van de heilige Geest om als liefhebbende ouders en kinderen te leven met God en met elkaar. Zo kinderlijk eenvoudig heeft God het voor ons gemaakt en wil Hij het ook elke dag weer voor ons weer laten zijn!
Maar wat heeft het toch veel aan die van God geschonken eenvoud ontbroken en heeft men het zicht daarop verduisterd door allerlei mensenwijsheid hoger te achten dan het eenvoudige onderwijs van Gods Woord!

Leestip: De (lopende) serie meditaties in Ecclesia ‘Toch een goed verhaal‘ van drs. H.J. Lam, Werkendam.

NB. Lees ook mijn antwoorden n.a.v. reacties op dit bericht: reactie (I), reactie (II) en (III)

Bron citaat: Ecclesia (nr 15/16 – juli 2021) – ‘Pedagogiek in de Betuwe (II) – De opvoedkundige ideeën van Ottho Gerhard Heldring en andere opvoeders en opvoedsters van de Heldringgestichten in Zetten)‘ – door dr. O.W. Dublois, Berkenwoude.

Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent Hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik want u bent sterk*, het Woord van God blijft in u, en u hebt het kwaad overwonnen.*‘ (Uit 1 Johannes 2 vers 14)
* Zie 1 Johannes 2 vers 27 en in Christus is en hebben ook zij/wij de boze overwonnen.

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on Jesus loves me!)

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

De rechtszaak tegen Jezus…

Wee jullie, Schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten en versieren de graven van de rechtvaardigen, en jullie zeggen: “Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, zouden wij ons niet zoals zij schuldig hebben gemaakt aan de moord op de profeten.” Daarmee erkennen jullie zelf dat jullie kinderen zijn van hen die de profeten vermoord hebben. Maak de maat van jullie voorouders maar vol! Slangen zijn jullie, adderengebroed, hoe denken jullie te ontkomen aan een veroordeling tot de Gehenna?‘ (Uit Matteüs 23 de verzen 29-33)

Geciteerd 1: Een duidelijk voorbeeld van de huichelarij – waar Jezus op doelde en voor waarschuwde (1) – vinden we in het proces tegen Jezus. De Joodse leiders lieten daar zelf valse getuigen optreden, dwars tegen Gods gebod in, maar wel in de overtuiging dat ze God dienden. Alleen het feit dat er geen twee getuigen waren die exact dezelfde verklaringen aflegden, verhinderde dat Jezus op grond van hún valse aanklachten werd veroordeeld.

Het Sanhedrin vormde de hoogste Joodse rechtbank. Toch liet men zonder gewetensbezwaar valse getuigen optreden. Die valse getuigen waren vooraf al door de Joodse leiders gerekruteerd. Want waar haal je ze anders midden in de nacht zo gauw vandaan! Waarom kon men zonder gewetensbezwaar van valse getuigen gebruik maken? Omdat men zo in overeenstemming bleef met de rabbijnse regels met bepalingen tot valse profeten, volksverleiders en afvalpredikers. Volgens deze regels werden zulke figuren buiten de normale rechtsregels geplaatst. Het optreden tegen over hen was dus niet aan normale rechtsregels gebonden. De enige regel die ten aanzien van hen gold, was: hen te pakken krijgen en uitschakelen en onschadelijk maken.

Jezus was voor de Joodse leiders zo’n figuur. Hij moest en zou veroordeeld worden. De manier waarop deed er niet (meer) toe, want het doel heiligde de middelen. Daarom werden er t.a.v. hem allerlei rechtsregels opzij geschoven (bijv. het verbod om ’s nachts te vergaderen en het verbod om een proces op een en dezelfde dag te beginnen en af te sluiten) en kon men zonder gewetensbezwaar valse getuigen laten optreden. Door dat te doen schond men voor eigen besef de eigen rechtsorde niet. Men hield zich aan de officiële regels die zeiden dat ketters rechteloos waren. De huichelachtigheid daarvan ligt dus niet in een gebrek aan subjectieve eerlijkheid, maar in een algemene praktijk die Gods gebod uitschakelt (en waarbij men zich toch ‘gedekt’ voelt/weet – AJ).

Helaas heeft in de kerkgeschiedenis de huichelarij van het Sanhedrin maar al te vaak school gemaakt. Een heel bekend voorbeeld ervan is de geschiedenis van Johannes Hus, de Praagse reformator. Toen hij in 1414 met vrijgeleide van koning Sigismund in Konstanz aankwam om zich voor het concilie te verantwoorden, werd hij prompt gevangen genomen en ter dood gebracht – na een schijnproces. (2) Men had de koning er namelijk van overtuigd, dat hij een belofte die hij aan een ketter gegeven had, niet hoefde te houden.

Zo is de kerkgeschiedenis vol voorbeelden van grote en kleine kerkelijke vergaderingen die zonder problemen de normale rechtsregels en vaak zelfs de meest elementaire Bijbelse gegevens aan de kant schuiven om een tegenstander (een al of niet vermeende ketter) klein te krijgen. In een dergelijke sfeer krijgt ook het vals getuigenis volop zijn kans. En waar laster en leugen en de onbetrouwbaarheid en het struikelen van het recht om zich heen grijpen, gaat het ware leven dood en wordt het verstikt. Dat is geen wonder, want het is de sfeer van de hel. Dergelijke praktijken zijn afkomstig van de duivel. Hij is immers een leugenaar, de vader van alle leugens. Als hij liegt spreekt hij naar zijn aard. Hij is een mensen- (en huwelijks-) moorder van den beginne (zie Genesis 3 vers 12, Johannes 8 vers 44). Leugen leidt tot moord. Waar de leugen heerst en het leven stempelt, worden mensen gewurgd. Daar stikken ze. Daar valt geen adem meer te halen, vaak in de letterlijke zin van het woord.*

* Verbanning, brandstapel, strop, executie.

(1) Geciteerd 2: Deze vorm van huichelarij is alleen te ontdekken in het licht van de Schrift. Het is een typische kerkzonde. Alleen in de kerk komt het voor dat de naaste veroordeeld en uitgerangeerd wordt als gevolg van de vroomheid van zijn verdrukkers. Paulus sleepte de gelovigen uit hun huizen, mishandelde hen, gooide hen in de gevangenis en getuigde tegen hen, niet omdat hij zo’n doortrapt karakter had of een sadist was, maar omdat hij zo serieus en vroom was. Iemand kan met heel z’n bestaan en optreden dwars tegen God in liegen en tegen Zijn waarheid ingaan, terwijl zo iemand er van overtuigd is God – en vooral ook het ‘Godsvolk’ – een dienst te bewijzen. (Zie ook Johannes 11 de verzen 49-50)

(2) Geciteerd 3: In 1409 werd Hus geëxcommuniceerd door aartsbisschop Zbynek van Praag, maar ingrijpender was het Grote Anathema dat (tegen)paus Johannes XXIII in 1412 uitsprak. Het Anathema was in feite een dwingende banvloek. Onder dreiging van excommunicatie werden bewoners van Praag en omstreken opgedragen om Hus overal te mijden, in openbare en besloten plekken, hem vlees en drinken te onthouden, niets van hem te kopen of aan hem te verkopen, hem alle gastvrijheid te weigeren.
Het enige dat het Grote Anathema niet kon afdwingen was gevangenneming – iets dat koning Wenceslaus ook pertinent weigerde. Maar onder de omstandigheden kon Hus weinig anders doen dan Praag verlaten. Hij bleef prediken en kwam ook geregeld voor korte verblijven terug naar Praag. Maar de situatie moest op een hoger niveau worden uitgespeeld. De gelegenheid werd Hus aangereikt door Wenceslaus’ broer Sigismund, Rooms koning en keizer van het Duitse Rijk, die Hus een vrijgeleide – de salvus conductus – beloofde als hij zou getuigen voor het Concilie van Konstanz.
Keizer Sigismund greep niet in toen het Concilie Jan Hus tot dood op de brandstapel veroordeelde – een vonnis dat op 6 juli 1415 werd voltrokken.

Bron citaat 1+2: Gij geheel anders – Bijbelse richtlijnen voor een Christelijk leven‘ – M.R. van den Berg (Tweede druk, 1982, Buijten en Schipperheijn – Amsterdam)
De citaten zijn uit hoofdstuk 12 ‘Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste‘ en daarvan geheel paragraaf e (geciteerd 1) en het slot van d (geciteerd 2).

Bron citaat 3: Wikipedia

Het is een blijk van genade als iemand, doordat zijn aandacht op God gericht is, in staat is onverdiend leed te verdragen. ‘ (Uit 1 Petrus 2 vers 19)

Bron afbeelding: Michelle Lesley – Living Stones

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Dietrich Bonhoeffer: Over kruisdragen gesproken…

Genade vóór het gericht…

Uit Navolging: Over ons kruisdragen (N.a.v. Markus 8 : 31-38)
Zo wordt de christen tot drager van zonde en schuld voor andere mensen. Hij zou daaronder bezwijken, wanneer hij  niet zelf gedragen werd door Hem die alle zonden droeg. Zo echter kan hij in de kracht van het lijden van Christus de zonden die op hem neerkomen, overwinnen, doordat hij ze vergeeft. De christen wordt tot lastdrager: ‘Draagt elkanders lasten; zo zult gij de wet van Christus vervullen’ (Galaten 6 vers 2).
Zoals Christus onze last draagt, zo moeten wij de last van de broeders dragen; de wet van Christus, die vervuld moet worden, is het kruisdragen. De last van de broeder die ik te dragen heb, is niet alleen zijn uiterlijk lot, zijn ka­rakter en aanleg, maar is in de meest eigenlijke zin zijn zonde. Ik kan die niet anders dragen dan doordat ik hem die vergeef, in de kracht van het kruis van Christus, die ik deelachtig ben geworden. 
Zo plaatst de oproep van Jezus tot kruisdragen elke volgeling in de gemeenschap van de zonden-vergeving. Zonden-vergeving is het lijden van Christus, dat ons bevolen wordt. Het is ieder christen opgelegd. Hoe zal de discipel echter weten, wat zijn kruis is? Hij zal het ont­vangen, wanneer hij komt tot de navolging van de lijdende Heer, hij zal in de gemeenschap met Jezus zijn kruis leren kennen.

Uit Navolging: Over elkaar oordelen (N.a.v. Matteüs 7 : 1-12)
Bij het oordelen treden we de ander tegemoet in een observeren en overdenken dat afstand schept. De liefde laat echter daartoe geen ruimte en geen tijd. De ander kan voor wie liefheeft nooit voorwerp van beschouwend toekijken zijn, maar hij is te allen tijde de levende aanspraak op mijn liefde en mijn dienst.

Uit “Gemeenschapsleven”
Is ook niet daar waar zonde en misverstand het gemeenschapsleven moeilijk maken, de zondige broeder toch altijd nog de broeder met wie ik gemeenschappelijk onder het Woord van Christus sta? En is zijn zonde voor mij niet telkens een nieuwe aanleiding ervoor te danken, dat wij samen onder de ene, vergevende liefde van God in Jezus Christus leven mogen? Wordt op deze manier niet juist het moment van grote teleurstelling in de broeder ontzaglijk heilzaam voor mijzelf, omdat het mij grondig leert, dat wij beiden toch nooit van eigen woorden en daden kunnen leven, maar alleen van het ene Woord en de ene Daad, die ons waarachtig verenigt: namelijk van de vergeving van de zonden in Jezus Christus?

Uit “De broeder” (N.a.v. Matteüs 5 : 21-26)
Het is nog tijd van de genade, want er is ons nog een broeder ge­geven, nog zijn wij ‘met hem op weg’. Vóór ons staat het gericht. Nog kunnen wij de broeder ter wille zijn, nog kunnen wij de schuld betalen aan hem, wiens schuldenaar wij geworden zijn. Maar het uur komt, dat wij zullen vervallen aan de rechter. Dan is het te laat, dan gelden recht en straf tot de laatste schuld betaald is. Begrijpen we het, dat voor de discipelen van Jezus de broeder niet tot wet, maar tot genade gemaakt is? Het is genade, de broeder ter wille te mogen zijn, hem recht te doen wedervaren, het is genade, dat wij ons met de broeder kunnen verzoenen. De broeder is onze genade voor het ge­richt.

Bron afbeelding: Plough Publishing House

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie