Over de wet van het geloof… (III)

‘Laat het ja, dat gij zegt, ja zijn, en het neen, neen; wat daar bovenuit gaat, is uit den boze.‘ (Uit Matteüs 5 vers 37)

Geciteerd 1: Het gebod van de volkomen oprechtheid is slechts een ander woord voor de totaliteit van de navolging. Alleen hij die in de navolging aan Jezus gebonden is, staat in de volkomen oprechtheid. Hij heeft niets voor Zijn Heer te verbergen. Hij leeft doorzichtig voor Hem. Hij is door Jezus gekend, in de waarheid gesteld. Hij is als zondaar voor Jezus kenbaar. Niet hij heeft zich aan Jezus kenbaar gemaakt, maar toen Jezus Zich aan hem kenbaar maakte in de oproep tot navolging, toen wist hij, dat hij in zijn zonde door Jezus gekend werd. (1)

Volkomen oprechtheid bestaat alleen vanuit de aan het licht gebrachte zonde, die ook door Jezus vergeven is. Wie in het belijden van zijn zonden in waarheid voor Jezus staat, die alleen schaamt zich niet over de waarheid, al zal die altijd gezegd moeten worden. De oprechtheid die de discipel van Jezus vraagt, bestaat in de zelfverloochening, die de zonde niet verheelt. Het is alles aan het licht getreden.

Omdat het in de oprechtheid ten slotte en allereerst gaat om het blootleggen van de mens in zijn gehele zijn, in zijn slechtheid voor God, daarom wekt deze oprechtheid de weerstand van de zondaren op, daarom wordt hij vervolgd en gekruisigd. De oprechtheid van de discipel heeft zijn enige grondslag in de navolging van Jezus, waarbij Hij ons aan het kruis onze zonde openbaart. Alleen het kruis als de waarheid van God over ons maakt ons oprecht. Wie het kruis kent, is niet meer bang voor andere waarheden. Voor wie onder het kruis leeft, heeft de eed, als wet om de waarheid te bewerkstelligen, afgedaan; want hij leeft in de volkomen waarheid van God.

Geciteerd 2: Jezus neemt Gods wet in Zijn handen en legt die uit: Overwinning van de vijand – door liefde jegens de vijand, dat is de wil van God in Zijn wet (Zie Matteüs 5 de verzen 43-46).

De vijand is in het Nieuwe Testament altijd degene die mij vijandig gezind is. Met iemand, tegenover wie de discipel vijandig zou kunnen staan, rekent Jezus totaal niet. De vijand heeft echter recht op hetzelfde als de broeder: de liefde van de volgeling van Jezus. De handelwijze van de discipel mag niet bepaald worden door de handelwijze van de mensen, maar door het handelen van Jezus met hem. Hij heeft daarom slechts één bron: de wil van Jezus.

Er wordt gesproken van de vijand, dus van hem die vijand blijft, niet bewogen door mijn liefde, die mij niets vergeeft, wanneer ik hem alles vergeef; die mij haat, wanneer ik hem liefheb; die mij des te meer smaad, naarmate ik hem ernstiger dien. ‘Tot loon voor mijn liefde weerstaan zij mij, maar ik ben een en al gebed‘ (Psalm 109 vers 4).

Maar de liefde moet niet daarnaar vragen, of zij beantwoord wordt, veeleer zoekt ze degene die haar nodig heeft. Wie heeft echter meer liefde nodig dan degene die zelf zonder enige liefde in haat (2) leeft? Wie is daarom ook de liefde meer waard dan mijn vijand? Waar wordt de liefde heerlijker geprezen (3) dan midden onder haar vijanden.

(1) Zie o.a. Lukas 5 vers 8
(2) Versta haat als het de ander niet de plaats gunnen en geven die God hem of haar gegeven heeft -bijvoorbeeld zijn of haar plaats in het huwelijk of die in het gezin (als echtgenoot en vader of moeder).
(3) Lees: Waar wordt Christus meer geprezen dan waar ook wij onze vijanden liefhebben.

Bron citaat: ‘Navolging’ – ‘De Bergrede: Matteüs 5’ – Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)

Zie ook: ‘Over de wet van het geloof… (I) en (II)

‘Ik bid voor hen, maar mijn liefde roept vijandschap op…’ (Uit Psalm 109 de verzen 4-5)

Bron afbeelding: Bible Hub

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over de wet van het geloof… (II)

‘Ga eerst heen en verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.‘
(Uit Matteüs 5 uit vers 24)

Geciteerd 1: De Wet waarnaar Jezus Zijn volgelingen allereerst verwijst, verbiedt hun de moord en beveelt hun de broeder* aan. Het leven van de broeder is door God gesteld en in Gods hand, alleen God heeft macht over leven en dood. Voor de moordenaar is geen plaats in de gemeente van God. Hij vervalt aan het gericht dat hij zelf uitoefent.

Geciteerd 2: Het scheldwoord dat ons zo licht ontvalt, dat wij zo licht tellen, openbaart, dat wij de ander niet eren, ons boven hem verheffen en zo ons leven waardevoller vinden dan het zijne. Dit woord is een slag naar de broeder, een stoot naar zijn hart. Het moet hem treffen, wonden, vernietigen. Het opzettelijke scheldwoord ontrooft de broeder ook in het openbaar van zijn eer, wil hem ook in het oog van anderen verachtelijk maken, heeft het in zijn haat gemunt op de vernietiging van zijn innerlijk en uiterlijk bestaan. Ik voltrek het gericht aan hem. Dat is moord. De moordenaar vervalt aan het gericht.

Wie toornt tegen zijn broer, hem een boos woord toevoegt, hem openlijk smaadt of belastert, heeft als moordenaar bij God geen plaats meer. Hij heeft zich met zijn broeder ook van God gescheiden. Er is voor hem geen toegang meer tot God. Zijn offer, zijn godsdienstoefening, zijn gebed zal God niet meer welgevallig kunnen zijn. Voor de volgeling van Jezus kan dienst aan God nooit meer, zoals voor de rabbijnen, losgemaakt worden van de dienst aan de broeder. Verachting van de broeder maakt de godsdienstoefening onwaarachtig en ontneemt daaraan elke goddelijke belofte.

De enkeling zowel als de gemeente die met een verachtend of onverzoenlijk hart voor God wil treden, speelt een spel met een afgod. Zolang de broeder de dienst van de liefde ontzegd wordt, zolang hij aan de verachting blijft prijsgegeven, zolang de broeder iets tegen mij of de gemeente van Jezus kan hebben, zolang kan het offer niet worden aangenomen. Niet allereerst mijn eigen boosheid, maar reeds het feit, dat er een door mij gekrenkte, geschandvlekte, onteerde broeder is en ‘iets tegen mij heeft’, plaatst zich tussen God en mij. Zo moet de gemeente van de discipelen van Jezus zichzelf onderzoeken, of zij zich niet hier en daar schuldig moet weten aan broeders, of ze terwille van de wereld niet meehaatte, meeverachtte, meesmaadde en zo schuldig is aan de moord op de broeder.

Zo moet de gemeente van Jezus Christus heden ten dage zichzelf onderzoeken, of niet het ogenblik waarop zij voor gebed en godsdienstoefening voor God treedt, veel stemmen met aanklacht tussen haar en God treden en haar gebed verhinderen. Zo moet de gemeente van Jezus Christus zichzelf onderzoeken of ze door de wereld gesmaden en onteerden een teken heeft gegeven van de liefde van Jezus, die leven wil bewaren, dragen en beschermen. Anders zou de meest correcte godsdienstoefening, het vroomste gebed, de moedigste belijdenis haar niet helpen, maar tegen haar getuigen, omdat ze de navolging van Jezus heeft verlaten.

God wil niet gescheiden worden van onze broeder. Hij wil niet geëerd worden waar de broeder onteerd wordt. Hij is de Vader. Ja, Hij is de Vader van Jezus Christus, die ons aller broeder werd. Daarin is de laatste oorzaak gelegen, waarom God Zich niet meer van de broeder wil laten scheiden. Zijn lijfelijke Zoon werd onteerd, gesmaad, terwille van de eer van de Vader. Maar de Vader laat Zich niet van Zijn Zoon scheiden; nu wil Hij Zich ook niet laten scheiden van diegenen aan wie Zijn Zoon gelijk werd, terwille van wie Zijn Zoon smaad droeg. Om derwille van de menswording van de Zoon van God is de dienst aan God niet meer los te maken van de dienst aan de broeder. Wie dan zegt, dat hij God liefheeft en toch zijn broeder haat is een leugenaar.

Zo blijft er dan voor degene die werkelijk God wil dienen in de navolging van Jezus Christus, maar één weg, de weg van de verzoening met de broeder. Wie met een onverzoend hart tot het Woord en het Avondmaal komt, ontvangt daardoor zijn oordeel. Hij is een moordenaar voor het aangezicht van God. Daarom: ‘Ga eerst heen en verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.’

Geciteerd slot: Het is een moeilijke weg die Jezus van Zijn volgeling vraagt. Hij is met veel zelfverootmoediging en smaad verbonden. Maar het is de weg tot Hem, de gekruisigde Broeder en daarom een genaderijke weg. In Jezus werd de dienst aan de minste broeder en godsdienstoefening één. Hij ging heen en verzoende zich met de broeder en bracht daarna het éne, ware offer aan de Vader: Zichzelf.

* NB. Overal waar broeder of broer (en hij of hem) staat kan natuurlijk ook het woord zuster of zus (of zij of haar) ingevuld worden.

Zie ook: ‘Over de wet van het geloof… (I)‘ en (III)

Bron citaat: ‘Navolging’ – ‘De Bergrede: Matteüs 5’ – Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)

‘Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan Zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen? Of laat Hij hen wachten? Ik zeg jullie dat Hij hen spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’ (Uit Lukas 18 de verzen 7-8)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Lopen op twee benen of liever hinken*…

‘Met beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik u allen dat u zichzelf niet hoger moet aanslaan dan u kunt verantwoorden, maar verstandig over uzelf moet denken…’ (Uit Romeinen 12 uit vers 3)

Geciteerd 1: Het was haast gênant, tijdens de laatste synodevergadering van de Protestantse Kerk. De synode had wat vragen bij het rapport over de nieuwe profielen van werkers in de kerk. ‘Hoe zit het in de nieuwe voorstellen met de kennis van de grondtalen, het Hebreeuws en het Grieks?’, zo vroeg een synodelid. En het antwoord was: ‘Nou, ik heb eens bij een groep dominees gevraagd wie er bij de preekvoorbereiding eigenlijk Hebreeuws en Grieks leest…’ Snap je dan wel waarom de westerse kerk vanouds hechtte aan kunnen verstaan van de Schrift in de oorspronkelijke talen?
Geciteerd 2: Gelukkig staat of valt het Koninkrijk van God niet met een kerk die zichzelf in de voet schiet.

Opgemerkt 1: Hebben de orthodoxe theologen niet zo hoog geroemd in de Statenvertaling en in onze belijdenisgeschriften, dat iedere rechtgeaarde gelovige zou kunnen denken dat je heus niet nog eens in de grondtalen hoeft (of moet) gaan zitten wroeten om te weten te komen wat de Bijbelse leer is die wij hebben te verkondigen?!
En is het niet ook nog eens waar dat de heilige Geest ons de wijsheid en het inzicht wil schenken naar gelang wij die nodig hebben en waarbij ons niet een gebrek aan ijver en/of luiheid verweten kan worden?! Daarom kan en behoort ook een HBO-pastor of een onmiskenbaar begaafd prediker een volwaardige plaats/aanstelling krijgen binnen onze gemeenten/kerken.
Opgemerkt 2: Zullen we bij deze discussie en moeiten binnen de PKN niet eerder hebben te spreken van een verkeerd hanteren van het ‘tweesnijdend zwaard’, waardoor men zichzelf en anderen verwondt, dan van ‘een kerk die zichzelf in de voet schiet’.

* Het lichaam van Christus hinkt toch niet op één been en voet omdat het de andere wel missen kan?!

>> Leestip: Romeinen 12.

Bron: De Waarheidsvriend – ‘Grondtalen‘ – Dr. T.T.J. Pleizier

‘Span je in om voor God te staan als iemand die betrouwbaar is. Zorg dat je je niet voor je werk hoeft te schamen en verkondig regelrecht de waarheid.’ (Uit 2 Timoteüs 2 vers 15)

Bron afbeelding: ArtStation

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over de wet van het geloof… (I)

‘Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de Wet zichtbaar. God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. En er is geen onderscheid. Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God, en iedereen wordt uit genade, die (ons) niets kost door God als rechtvaardige aangenomen, omdat Hij ons door Christus Jezus heeft verlost.‘ (Uit Romeinen 3 de verzen 21-24)

Geciteerd: Vatten wij zelf soms onze eerste stap op als voorwaarde voor het ontvangen van genade, van het geloof, dan zijn wij daarin door onze werken reeds veroordeeld en van de genade totaal afgesneden. Daarbij is in die uiterlijke werken alles besloten, wat wij gezindheid, goede voornemens plachten te noemen, alles wat de Rooms-Katholieke Kerk ‘facure quod in est’ noemt. Doen wij de eerste stap met de bedoeling daarmee te komen in de situatie van het kunnen geloven, zo is ook dit kunnen geloven niets dan een werk, dan een nieuwe levensmogelijkheid binnen ons oude bestaan en daarmee volkomen verkeerd begrepen: wij blijven in ongeloof. (1)

En toch moet het uiterlijk werk gebeuren, toch moeten wij de daadwerkelijke stap zetten in het geloof. Wat betekent dat? Dat betekent, dat deze stap alleen dan juist gedaan wordt, wanneer wij de stap doen niet met de blik op ons werk dat gedaan moet worden – en op wie wij van onszelf uit zijn (AJ) – , maar met de blik gericht op het woord van Jezus, dat ons daartoe oproept. Petrus weet dat hij niet eigenmachtig uit de boot kan en mag gaan, de eerste stap zou reeds zijn ondergang betekenen; daarom roept hij: ‘Beveel mij tot U te komen op het water’ (2) en Christus antwoord: ‘Kom’. Christus moet dus geroepen hebben, alleen op Zijn woord kan (en zal/moet) de stap worden gedaan.
Deze roepstem is Zijn genade, die (ons) uit de dood roept tot het nieuwe leven van gehoorzaamheid. Zo is inderdaad de eerste stap van gehoorzaamheid op zichzelf al een daad van het geloof aan het woord van Christus.

Het zou echter een volkomen miskenning van het geloof als geloven betekenen, wanneer nu daaruit weer de gevolgtrekking werd gemaakt, dat dus die eerste stap niet meer nodig zou zijn, omdat toch het geloof er al is. Daartegenover moet men het dan wagen met de stelling: eerst moet de stap van de gehoorzaamheid gedaan zijn, voordat men kan geloven. De ongehoorzame kan niet geloven – of uit de ongehoorzaamheid blijkt ongeloof (3).

Jullie beklagen je erover dat je niet (zo) kunt geloven? Niemand heeft het recht zich te verwonderen, dat hij niet tot geloof komt, zolang hij of zij zich in enig opzicht willens en wetens verzet tegen het gebod van Jezus of zich eraan onttrekt. Ge wilt een of andere zondige hartstocht, een vijandschap, een verwachting, uw levensplannen, uw verstand niet aan het gebod van Jezus onderwerpen? Verwonder je dan niet, dat je de Heilige Geest niet ontvangt (beter: weerstaat! – AJ), dat je niet kunt bidden, dat jullie gebed om meer geloof (of om ‘meer van de Geest’) vruchteloos blijkt. Ga veeleer heen en verzoen je met je broeder, laat af van de zonde die je gevangen houdt en je zult weer kunnen geloven. Want wanneer je Gods gebiedende woord in de wind slaat, zo zal je ook Zijn woord van genade niet ontvangen. Hoe zou je gemeenschap kunnen vinden met Hem, aan wie je je willens en wetens op een of andere plaats onttrekt? De ongehoorzame kan niet geloven, alleen de gehoorzame gelooft. (3)

(1) Zien we dit soort werk en geloof niet ook de mensen opgelegd worden binnen de kerken van de ‘nadere reformatie’?!
(2) We dienen goed te beseffen dat onze Heer bij de eerste oproep tot navolging aan Petrus niet Petrus eerst zelf heeft laten vragen om in Zijn gevolg te mogen komen. En zo ligt dat ook voor ieder van ons. De waarachtige oproep tot navolging komt tot ons door het Woord en werd/wordt bevestigd (bezegeld!) door onze doop.
(3) Wanneer men dat nu eens zou toepassen op de gang naar het Avondmaal: De gelovige moet gehoorzamen… (ook al klagen eigen vlees, de wereld – ook die in de kerk – en de boze hem of haar aan).

Zie ook: “Over de wet van het geloof… (II)‘ en (III)

Bron citaat: ‘Navolging’ – ‘De oproep tot navolging’ – Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)

‘Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. En door welke wet komt dat? Door de Wet die eist dat wij hem naleven? Nee, door de wet die eist dat je gelooft.’ (Uit Romeinen 3 vers 27)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Op de weg van dagelijkse navolging tot (dit) inzicht (ge)komen…

‘Betekent dit nu dat we moeten blijven zondigen om de genade te laten toenemen?
Dat in geen geval!‘ (Uit Romeinen 6 uit de verzen 1-2)

Geciteerd: Kwam Luther zelf niet gevaarlijk dichtbij de totale verdraaiing van het verstaan van de genade? Wat betekent het, wanneer Luther kan zeggen: ‘Pecca fortiter, sed fortius fide et gaude in Christo’ (Zondig moedig, maar geloof des te moediger en verheug u in Christus’)? Wel, je bent nu eenmaal een zondaar en komt nooit los van de zonde; of je nu monnik bent of mens in de wereld, of je vroom wilt zijn of slecht, je ontkomt niet aan de verstrikking van de wereld, je zondigt. Zondig dus maar moedig – en wel op grond van de eenmaal geschiede genade! Is dat de onverbloemde proclamatie van de goedkope genade, de vrijbrief voor de zonde, de opheffing van de navolging? Is dat godslasterlijke aansporing tot moedwillig zondigen met het oog op de genade? Is er een duivelser smaden van de genade dan te zondigen met het oog op de geschonken genade? Heeft de rooms-katholieke catechismus niet gelijk, wanneer hij hierin de zonde tegen de heilige Geest ziet?

Voor een juist verstaan komt hier alles aan op de toepassing van het resultaat en de vooronderstelling. Wordt nu Luthers uitspraak tot vooronderstelling van een genadetheologie, dan is daarmee de goedkope genade geproclameerd. Maar juist niet als begin, maar uitsluitend en alleen als eind, als resultaat, als sluitsteen, als allerlaatste woord kan Luthers stelregel juist worden opgevat. Opgevat als vooronderstelling, wordt het pecca fortiter tot ethisch principe; aan een principe der genade moet dan het principe van het pecca fortiter beantwoorden. Dat is rechtvaardiging van de zonde. Zó opgevat verkeerd Luthers uitspraak in zijn tegendeel. ‘Zondig moedig’ – dat kon voor Luther slechts laatste uitkomst zijn, de troost voor hem/haar die op de weg van navolging tot het inzicht komt, dat hij/zij niet zonder zonden kan worden, die in vrees voor de zonde wanhoopt aan Gods genade.

Voor zo iemand is het ‘zondig moedig’ niet zoiets als een principiële bevestiging van zijn ongehoorzaam leven, maar het is het evangelie van de genade Gods, voor Wie wij te allen tijde en in iedere omstandigheid zondaren zijn en dat ons juist als zondaren zoekt en rechtvaardigt. Erken (belijd) eerlijk je zonden, probeer die niet te ontkennen en ontlopen, maar ‘geloof nog veel moediger’. Je bent een zondaar, wees dus ook een zondaar – verbloem het dus niet wat je hebt misdaan (AJ) -, wil dus niets anders zijn wat je bent, ja, wordt dagelijks weer een zondaar en wees daarin moedig.

Tot wie anders mag dit gezegd zijn dan tot wie dagelijks aflaat van wat hem of haar hindert bij de navolging van Jezus en die toch niet getroost is – mogelijk zelfs tot wanhoop komt (AJ) – over zijn dagelijkse ontrouw en zonde. Wie anders kan dat zonder gevaar voor zijn geloof horen, als hij/zij die zich door zo’n troost opnieuw geroepen weet tot de navolging van Christus. Zó wordt Luthers uitspraak, als resultaat opgevat, tot kostbare genade, die alleen genade is.

Bron citaat: ‘Navolging’ – ‘De kostbare genade’ – Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)

‘Ik ontdek in mij deze wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen. Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft. Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit het bestaan dat beheerst wordt door de dood? God zij gedankt, door Jezus Christus, onze Heer. Met mijn verstand onderwerp ik mij aan de wet van God, maar door mijn natuur onderwerp ik mij aan de wet van de zonde.‘ (Uit Romeinen 7 de verzen 21-25)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Gelouterd goud of blinkend blik…

‘Opdat uw geloof rechtschapen en veel waardevoller bevonden zal worden dan het vergankelijk goud, dat door vuur wordt beproefd, tot lof, prijs en eer, wanneer Jezus Christus wordt geopenbaard.’ (Uit 1 Petrus 1 vers 7)

Dit kunnen wij met geen werken tot stand brengen…

Geciteerd: Het vuur waarover Petrus spreekt brengt aan het goud geen schade toe. Het verteert het niet en het wordt daardoor ook niet minder in gewicht. Het vuur is juist nuttig omdat het alle toevoegingen uitbrandt, zodat het goud geheel wordt gereinigd en gelouterd. Zo is het ook met het vuur of de hitte van vervolgingen en verdrukkingen. Deze veroorzaken veel pijn en brengen de oude mens veel ellende, zodat zij die daardoor worden geoefend, soms ook moe en ongeduldig zijn. Maar het geloof wordt er door gezuiverd en gelouterd, als doorlouterd goud of zilver. Dit kunnen wij met geen werken tot stand brengen. Want hoe kan een uitwendig werk het hart inwendig rein maken? Als het geloof nu zo wordt beproefd, dan moet alles wat toevoeging of bedrog is wegvallen. Daarop zal dan een heerlijke dank, lof en prijs volgen, wanneer Christus geopenbaard zal worden.

Door het geloof rechtvaardig voor God…

Want zo is het ook met het christelijke leven gesteld: het moet altijd toenemen, heiliger en reiner worden. Eerst komen wij tot geloof door de prediking van het Evangelie; door het geloof worden wij voor God rechtvaardig en heilig. Aangezien we echter nog in het vlees leven, dat zonder zonde niet kan zijn, wekt het vlees de zonde nog steeds op, houdt ons terug en hindert ons, zodat wij niet zo volkomen heilig en rein zijn als we wel zouden moeten zijn. Daarom werpt God ons in het vuur, dat is: in de aanvechting, lijden en verdrukking. Op die manier worden wij meer en meer gereinigd tot onze dood toe. Zodoende wordt niet alleen de zonde in ons gedood, maar wordt ook ons geloof beproefd en vermeerderd.

Aansporen en weerleggen…

Waarom dit alles? Opdat wij van dag tot dag meer worden verzekerd van ons geloof; opdat in ons verstand de Goddelijke wijsheid en kennis toenemen; opdat de Schrift steeds helderder en duidelijker wordt, waardoor we de onzen beter tot de heilzame leer kunnen aansporen, en de tegensprekers weerleggen. Had de duivel ons de afgelopen jaren niet zo woedend aangegrepen met geweld en list, dan zouden wij tot deze zekerheid in de leer nooit gekomen zijn. Ook zouden de artikelen van de christelijke gerechtigheid en de leer van het geloof niet zo helder aan de dag zijn getreden. Vandaar dat Paulus zegt in 1 Korintiërs 11 vers 19: ‘Immers moeten er ook sekten onder u zijn, opdat de beproefden openbaar worden.‘ En Christus zegt in Matteüs 18 vers 7: ‘Er moeten ergernissen onder u komen.’

Niet vertoornen, maar medelijden hebben…

Ook kunnen we er niet vrolijk zijn en erbij staan lachen wanneer wij zien dat het de vijanden van de Goddelijke waarheid geheel naar hun zin en wens gaat. Vooral niet wanneer zij hier allerlei blijdschap en vreugde hebben, als zij rijk, welvarend en machtig zijn en hun grootspreken en opscheppen geen maat of einde heeft. En als wij daarentegen arm, ellendig en veracht zijn. Petrus zegt echter: Als het er zo met ons toegaat, dan staat het er goed met ons voor. Want ons geloof moet op deze manier door veel verdrukkingen oprecht worden bevonden, opdat wij daardoor worden versterkt en getroost tegen zo’n ergernis, en opdat wij ons over de goddelozen niet vertoornen, maar medelijden met hen hebben. Dan moeten wij denken: wat helpt het hen, dat ze zo rijk en vrolijk zijn, en bovendien alle macht en eer van de wereld hebben. Hoe lang zullen zij die bezitten? Ja, voordat zij eraan denken, verandert alles voor hen, zodat ze met de rijke man eeuwig gebrek moeten lijden. En wel zo erg, dat zij zelf geen druppel water kunnen bemachtigen, en in plaats van vreugde eeuwige treurigheid en droefenis moeten ontvangen.

Daarmee vertroosten wij ons en roemen zelfs…

Maar wij zullen met geduld Zijn zalige en troostrijke verschijning verwachten. Namelijk wanneer Hij in Zijn heerlijkheid verschijnen zal met al Zijn heiligen, en wonderlijk zal zijn in al Zijn gelovigen (2 Tessalonicenzen 1 vers 10). Dan zal onze lof, prijs en heerlijkheid beginnen en eeuwig duren! Daarmee vertroosten wij ons: ‘En roemen wij, vanwege de hoop der toekomstige heerlijkheid, die God zal geven. En niet alleen dat, maar wij roemen ook vanwege de verdrukking, omdat wij weten dat verdrukking geduld werkt, en geduld ervaring, en ervaring hoop, en de hoop beschaamt ons niet, omdat de liefde van God is uitgegoten in onze harten door de heilige Geest, Die ons is gegeven.‘ (Romeinen 5 vers 3)
[Maarten Luther: Epistel S.Petri gepredigt und ausgelegt, vgl. W(2)9,1130 ff(1539) en WAA 12, 272 ff(1523)]

Bron citaat: ‘Als goud door vuur beproefd’ – 2020 Den Hertog B.V., Houten.

Bron afbeelding: KJV Bible verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Steeds weer ‘zonder schroom binnengaan’…

‘Uit Hem bent ook u in Christus Jezus, Die voor ons door God gemaakt is tot Wijsheid, en tot Gerechtigheid, en tot Heiliging en tot Verlossing.‘ (Uit 1 Korintiërs 1 vers 30)

Geciteerd: Verdriet en rouw kent ds. J. Joppe uit ondervinding, maar hij weet ook van troost in het lijden. Met zijn jongste boekje wil de hersteld hervormde predikant uit Barneveld lezers die door verliezen zijn getroffen, steun bieden. „Er is plaats bij God, tot Wie we mogen komen met al onze vragen.”

Opgemerkt vooraf: Ja, goed om van te horen (lezen) en goed de moeite die deze predikant genomen heeft (door het schrijven van boekjes) om Gods Woord te helpen lezen en toe te passen.

Geciteerd: Een kind is een broos bezit. Het kan vandaag nog kerngezond zijn en morgen ernstig ziek worden. Bij dat gebed is het genadeverbond een krachtige pleitgrond.
Bent u anders over het verbond en de doop gaan denken? „Dat kan ik niet zeggen. Het heeft mijn denken erover wel verdiept. Met onze belijdenis ben ik ervan overtuigd dat gelovige ouders op grond van Gods genadeverbond niet hoeven te twijfelen aan het behoud van jonggestorven kinderen.

Opgemerkt 1: Helaas geeft ‘onze belijdenis’ met die woorden wel de indruk dat we wel reden hebben om te twijfelen over het behoud van onze kinderen die niet vroeg gestorven zijn.

Opgemerkt 2: Ook de woorden ‘het genadeverbond is een krachtige pleitgrond’ vind ik niet Bijbels. (1) Wij hebben een levende Pleitbezorger in de hemel en dat mogen juist ook onze kinderen – niet alleen hun ouders! – vast en zeker weten op grond van hun doop.

Opgemerkt 3: Het is juist al dat grond geven aan twijfel bij gelovige ouders en hun kinderen dat gerekend moet worden tot ongeloof! Dus ouders mogen zichzelf het wel heel kwalijk nemen als zij hun kinderen die twijfel bijbrengen en hun kinderen daar dan vroom bij laten horen dat ze wel dagelijks voor hen pleiten bij God op grond van het theologische begrip ‘genadeverbond’…

Opgemerkt slot: Laten we onszelf en onze kinderen maar steeds voorhouden dat bij God alle beloften ‘ja en amen’ zijn in en door onze Heer Jezus Christus. En ook dat Gods gedachten en wegen hoger zijn dan onze wegen, zodat we onszelf en onze kinderen wel altijd weer ernstig laten waarschuwen door Gods Woord (2), maar onder alles vasthouden aan dat ‘ja en amen’ van Gods beloften, die aan ons bevestigd zijn met en door onze doop.

(1) De vraag is: Beseffen (geloven!) we te leven voor het aangezicht van onze levende Drie-enig God, dan mogen we ook zeker weten dat de doop ons niet toevallig is overkomen/bediend, maar door God gewild. Dan past het ons niet ook maar enige twijfel te hebben over de geldigheid van wat ons is toegezegd bij en door onze doop. Zelfs het beroep op: maar er zijn toch tweeërlei kinderen van het Verbond is toegeven aan ongeloof, tenminste wanneer we dat gaan toepassen op onszelf of op onze gedoopte kinderen of op onze gedoopte broeders en zusters en daarom (hardop of stilletjes) gaan twijfelen aan ons eigen behoud of dat van onze kinderen en/of dat van onze broeders en zusters.
(2) Lees hierbij m.n. de woorden in Hebreeën 10.

Leestip: ‘Vertroost elkaar met deze woorden – Dagboek over belofte en troost’ – De citaten/meditaties ‘Bevreesd en wankelmoedig’ (1-3 van 4 t/m 6 mei) en ‘Wat Sion zegt’ (1-3 van 7 t/m 9 mei) – Den Hertog uitgeverij.

Bron citaat: Barneveldse ds. J. Joppe ‘God weet van ons verdriet’ in Terdege (RD).

‘Broeders en zusters, dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom binnengaan in het heiligdom, omdat Hij voor ons met Zijn lichaam een weg naar een nieuw leven gebaand heeft, door het voorhangsel heen. We hebben nu een Hogepriester die dienstdoet in het huis van God; laten we God dan naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons hart gereinigd is, wij van een slecht geweten bevrijd zijn en ons lichaam met zuiver water is gewassen. Laten we zonder te wankelen datgene blijven belijden waarop we hopen, want Hij die de belofte heeft gedaan is trouw.‘ (Uit Hebreeën 10 de verzen 19-23)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Belijdenis doen geen geloofsexamen… (met bijbehorend certifikaat/waarmerk)

‘Maar nu het geloof gekomen is, staan we niet langer onder toezicht, want door het geloof en in Christus Jezus zijn jullie allen kinderen van God. Jullie allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebben jullie met Christus omkleed. (…) En omdat jullie Christus toebehoren, zijn jullie nakomelingen van Abraham, erfgenamen volgens de belofte.‘ (Uit Galaten 3 uit de verzen 25-29)

Geciteerd: Maar het kan vooral door belijdenis doen geestelijk minder gewichtig te maken. Het is geen geloofsexamen. Gereformeerden benadrukken graag dat Gods keuze vooropstaat. Vandaar hun voorkeur voor de kinderdoop. Dat mag bij belijdenis doen ook wel meer doorklinken: mijn ja is het ja van een zondaar en een twijfelaar. Ook als ik het niet zeker weet, weet God het wel zeker.

Opgemerkt 1: Ja, maar laten we het bij doop en belijdenis doen aub niet hebben over de keuze van God voor jou/ons en daarna dan ook over de keuze van mij/ons voor God.
In het Evangelie dat ons en de a.s. dopeling(en) in de gemeente van Jezus Christus in de oren klinkt (en dat gebeurd ook wanneer er een pasgeborene wordt gedoopt!) is alles vast en waar van Gods kant: ‘Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons.’ (Uit 2 Korintiërs 1 vers 20).
Het Evangelie komt altijd weer van één Kant naar ons toe, vast en zeker, als waarheid waaraan wij niet zullen twijfelen, maar die wij gelovig hebben te aanvaarden en te beamen.
Maar aan de kant van ons mensen (onze menselijke natuur waaraan wij sterven moeten, en wat ook wordt afgebeeld in de doop) is alles zwak en onvast, waarom Paulus ons voorhoudt om met hem te belijden: ‘Niet dat ik meen (pretendeer) dat ik het al gegrepen heb of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.‘ (Filippenzen 3 de verzen 12-14)

Opgemerkt 2: In de laatste hoofdstukken (10-13) van de brief aan de Hebreeën wordt aandacht gegeven aan moeiten die ons de vastheid van ons geloof kunnen benemen na ‘de eerste liefde’, maar dan worden we aangespoord om onze onbeschroomdheid niet te verliezen en dat mee door elkaar te blijven aansporen lief te hebben en goed te doen en niet weg te blijven uit de samenkomsten van de gemeente, maar die gebruiken om daar bemoedigd te worden en elkaar te bemoedigen alleen al door daar ook aanwezig te zijn. (Zie Hebreeën 10 : 19-39)

* Een certificaat is een schriftelijke verklaring, doorgaans, maar niet altijd, bedoeld als bewijsstuk voor de kwaliteit van een bedrijf, mens, dienst of product. (…) Het afgeven van een certificaat wordt meestal voorafgegaan door een controlehandeling zoals een inspectie, audit of een andere vorm van verificatie. (Bron Wikipedia)

Bron citaat: ND Geloof & kerk – ‘Belijdenis doen – dat zou sneller, laagdrempeliger en geestelijk minder gewichtig moeten worden’ – door Dick Schinkelshoek

‘Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.’ (Uit Romeinen 10 de verzen 9-10)

Bron afbeelding: King James Bible

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over onnutte dienstknechten en heiligenverering…

‘Zo is het ook met u: wanneer ge alles hebt gedaan wat u opgedragen werd, zegt dan: ‘Wij zijn onnutte knechten; wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.‘ (Lucas 17 de verzen 7-10)

Geciteerd 1: Grote bewondering had Athanasius ook voor de bekende kluizenaar Antonius. Antonius leefde in de Egyptische woestijn en leidde een voor velen inspirerend leven. In de eenzaamheid, dicht bij God, in gebed en meditatie, was Antonius in het vroege christendom een zeer aansprekend voorbeeld van persoonlijke toewijding aan God. Athanasius wilde dat latere generaties dit niet zouden vergeten en schreef een levensbeschrijving* van deze heilige, het zogenoemde ”Leven van Antonius”, de ”Vita Antonii”. Daarnaast schreef Athanasius voor gemeenteleden en collega’s uitgebreid over de identiteit van Christus, als de Zoon van God: ”Tegen de heidenen, over de menswording van het Woord”, ”Contra gentes/De incarnatione”.

Geciteerd 2: Zo kunnen we leren uit de bronnen. Athanasius speelde in dit vroegchristelijke netwerk een leidende rol. In 371 liet hij Auxentius dus veroordelen. Tien jaar later, in 381, veroordeelde Ambrosius het arianisme nog een keer tijdens het concilie van Aquileia. Tijdens het concilie van Chalcedon in 451 werd echter de laatste en definitieve slag (?? – AJ) aan het arianisme toegebracht.

Opgemerkt: Zeker durf ik de stelling aan dat de Kerk (met hoofdletter) meer geleden heeft vanwege de aandacht en roem die gegeven werd aan heilige mensen zoals ene Antonius, dan dat de Kerk daar goede vruchten van heeft geplukt. Altijd weer heeft die aandacht voor en dat roemen in mensen(werk) de gelovigen (zowel voorgangers als ‘leken’) hen doen opzien naar/tegen ‘heilige mensen’ en hen afgeleid van het eenvoudige werk dat God hen te doen geeft in deze wereld en de wijsheid die God hen daarbij schenken wil op het eenvoudig gebed. En men gelooft stellig dat de Kerk er minder goed had voorgestaan in deze wereld wanneer ze dergelijke mannen – die als voorbeeld moeten dienen en waarin/waarover dus te roemen viel en valt – had moeten missen. De Kerk heeft veel meer baat van het horen en lezen van wat Gods Woord verhaalt over de ‘Bijbelheiligen’ – en die waren zo voorbeeldig niet! – dan dat ze zich verdiepen in de levens van gecanoniseerde* ‘kerkheiligen’.

* Een heiligverklaring of canonisatie is een handeling van de hoogste kerkelijke autoriteit waardoor een gestorven persoon de status van heilige krijgt. In de regel gaat aan een heiligverklaring een kerkrechtelijk proces vooraf, waarin is vastgesteld dat de betreffende persoon gedurende zijn aardse leven een geloofsheld was en daarom vererenswaardig is.

‘Houdt dus op te oordelen en wacht de tijd af dat de Heer komt, omdat Hij het is Die aan het licht zal brengen wat in het duister verborgen is en zal onthullen wat mensen heimelijk beweegt. En dan zal Gód het zijn Die ieder de lof geeft Die hem of haar toekomt.’ (…) ‘Houd uzelf aan wat GESCHREVEN is. U mag uzelf niet belangrijk maken door de een te verheerlijken boven de ander (in de gemeente van Jezus Christus (AJ). (…) ‘Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen‘ (…) ‘Opdat het zal zijn zoals GESCHREVEN staat: “Wil iemand zich beroemen, laat die zich op de Heer beroemen.‘
(Uit 1 Korintiërs 4 uit de verzen 1-8 en uit 1 Korintiërs 1 vers 29-31)

Bron citaat: RD Kerk & religie – ‘Athanasius van Alexandrië: voorvechter van de Drie-eenheid’ – Prof. dr. M.A. van Willigen

‘Alles wat vroeger is geschreven, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen.’ (Uit Romeinen 15 vers 4)

Bron afbeelding: The Catholic Bible Page

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De boze tandeloos maken…

‘Wien ik niet waardig ben, neerbukkendde, de riem van Zijn schoenen te ontbinden.‘
(Markus 1 vers 7)

Geciteerd 1: Uit bovenstaande Schriftplaats (en andere) weten we wat de Heere eigenlijk gedaan heeft met de voetwassing. Hij heeft Zijn discipelen de meest nederige dienst bewezen die iemand bewezen kan worden.

Geciteerd 2: ‘Zo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te wassen.’ U zult wel begrijpen dat het spotten is met de woorden van Jezus, als men die net zo letterlijk opvat als men in Herrnhut, in Rome of aan het hof te Wenen doet. Men maakt er en vrome handeling van, een werk van liefdadigheid. Maar wat de vleselijke mens zichzelf oplegt, is nooit het gebod van de Heere. De mens wil zich steeds op ingeven van de duivel versieren met goede werken, om God wat voor te spiegelen. Maar hij weerspreekt daarmee de gezonde leer en loopt weg van de door God hem/haar gewezen plaats.

Geciteerd 3: Het wassen van de voeten is in het Oosten een dagelijkse gewoonte, en de geringste dienst. Als de Heere ons deze geringste dienst heeft willen bewijzen, wil Hij ermee aangeven dat wij ook schuldig zijn elkaar zelfs de geringste te bewijzen. We mogen ons immers niet laten beheersen door die hoogmoedige Kaïnsgeest, die zegt: ‘Ben ik mijns broeders hoeder?’ Integendeel laten we vurig zijn in de onderlinge liefde, om elkaar te helpen en te dienen, tijdig en ontijdig met alles wat ons ten dienste staat. Zijn Heer gelijkvormig zijn, betekent dat men broeder of zuster, de naaste, de vijand behandelt zoals de Heere ons behandeld heeft. Wie dit niet wil doen verheft zich boven Hem.

Geciteerd 4: Geliefden, ik ben blij dat ik bij sommigen van u de gezindheid zie die ook in Christus Jezus was. En ik zal mij nog meer verblijden, wanneer u daarin nog overvloediger zult zijn. ‘Ik ben niet groter dan mijn Heere’ – moge de Heere deze gedachte op ons hart binden. Hoe gelukkig zullen we zijn, als Hij nu zou weerkomen, en ons daar mee bezig zou zien. Ik smeek daarom hen die iets tegen hun broeder hebben en in onmin met hem leven, niet meer denken: ‘Dát had hij van mij niet moeten zeggen, mij niet moeten verwijten, laat hij eerst maar naar zichzelf kijken, ik ben meer dan hij.’ Nee, laat hij toch de tanden van de duivel eruit slaan door naar zijn broeder te gaan, en hem de kus der liefde te geven. Dat is niet na te bootsen, maar waar de Geest is, daar is een discipel van de Heere, en waar een discipel van de Heere is, daar leidt deze Geest.

Geciteerd slot: Laat Hij Die ook onze voeten wast, ons onbestraffelijk bewaren tot Zijn dag (1 Korintiërs 1 vers 8). Hij heeft ons gewassen van al onze zonden in Zijn dierbaar bloed. Hij ziet elke dag op ons en voorziet ons zelfs van de minste kleinigheid in het dagelijks leven. En laat Hij ook dit woord op uw/jullie hart schrijven: ‘Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij ze doet‘ (Johannes 13 vers 17). En ook dat andere woord: ‘Gij zijt geheel rein.’
AMEN.

Bron citaten: Reveilserie No. 593 – ‘Gij zijt geheel rein’ – Preek van dr. H.F. Kohlbrugge (1803-1875)

‘Weest niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld.’ (Uit Romeinen 13 vers 8)

Bron afbeelding: Young Disciples International

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie