Over het zwijgen van Jezus…

36 Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden, maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
37 Pilatus dan zei tegen Hem: U bent dus toch een koning? Jezus antwoordde: U zegt dat Ik een Koning ben. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. Iedereen die uit de Waarheid is, geeft aan Mijn stem gehoor. (Uit Johannes 18)

(…) Omdat Hij alles al gezegd had. En omdat deze onrechtvaardige rechters hoe dan ook doof gebleven zouden zijn voor al zijn woorden en voor hoe Hij zich zou verdedigen.

Daarom zweeg Hij. Slechts een keer verhief Hij tijdens het proces zijn stem. Op de directe vraag “Bent u de Christus, de Zoon van de gezegende God?” antwoordde Hij: “Ik ben het“, om daarop te laten volgen: “U zult de Zoon des mensen zien terwijl Hij komt in zijn glorie op de wolken van de hemel.” Nadat Hij dat gezegd had, zweeg Hij. En op het moment van zijn sterven hoorden degenen die dichtbij het kruis stonden van hem slechts enkele woorden. Hij leed en stierf in stilte. Wat een bittere woorden zou Hij hebben kunnen uiten over het ondankbare menselijke geslacht! Maar Hij zei niets omdat Hij de God-mens was, door wie de HERE God zich aan ons openbaart. Hij zei alles, deed alles, onderwees alles, opende de deur en…. zweeg. Hij aanvaardde de wandaad, de ondankbaarheid, de slagen, de dood.

Gebeurt dit misschien ook niet in ons leven? Soms lijkt het alsof de Heer zwijgt, alsof Hij niet antwoordt op ons bidden als wij lijden en zorgen hebben. Maar in werkelijkheid luistert Hij. Hij weet, Hij lijdt voor ons precies zoals toen, in de dagen van zijn lijden. Zoals toen, toen Hij zich bevond tegenover een blinde afgunst, tegenover de haat en de boosaardigheid van de mensen en zweeg, omdat zijn hart weende om hen die dit deden: vanwege hun afvalligheid, vanwege hun zonde, vanwege hun blindheid. En ook vandaag lijdt de Heer in stilte vanwege ons. Wij roepen Hem aan, maar wij moeten niet denken dat een dergelijke goddelijke stilte duidt op achteloosheid, dat Hij – zoals het gezegde gaat – ‘zonder gevoel’ zou zijn. Hij kan niet ‘niet voelen’. Hij heeft eenvoudigweg, zoals toen, alles (al) gezegd. Hij heeft meer gezegd dan de wereld en ons hart kan bevatten. Hij heeft de weg van het leven aangewezen, en nu wacht Hij in stilte op de beweging van het hart en van de wil van ieder van ons.

(…) De stilte aan het kruis moet voor ons ofwel een berisping zijn, ofwel een aansporing tot een echt christelijk leven. Maar het belangrijkste voor ons is dat zij een bemoediging is, omdat wij begrijpen dat Hij die aan het kruis zwijgt, degene is die in de hemel zwijgt en in Waarheid degene is Die ons redt: Hij, Die ons niet vergeet, Die ons niet verlaat. Alleen Hij is onze unieke hoop. Amen.

Gedeelten uit een preek van Alexander Men (1935-1990) Uit het boekje Omelie Pasquali, uitgegeven door Nova Millennium Romae, januari 2009.

Bron tekst: Ecclesia nr. 7 – april 2017 – Artikel van H. Klink over Alexander Men (met betreffende preek).
Bron afbeelding: holyhome.nl

Jezus voor Pilatus - holyhome.nl

5 Elk woord van God is getoetst,
Hij is een schild voor wie bij Hem hun toevlucht zoeken.
6 Voeg niets aan Zijn woorden toe,
anders straft Hij je en blijk je een leugenaar.
(Uit Spreuken 30)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

De Godverlatenheid van Jezus Christus…

2 Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.
3‘Mijn God!’ roep ik overdag, en u antwoordt niet, ’s nachts, en ik vind geen rust.
(Uit Psalm 22)

(…) Aan de oorspronkelijke dichter en diens lijden gaat Luther (1) voorbij. Het is Christus die in deze psalm klaagt en roept om hulp, maar hulp, een redder, is er niet.

Het lijden wordt verzwaard wanneer men het einde ervan niet kan zien. Hier voegt Luther toe: Onze men­sen in Augsburg hebben het nu ook zo ervaren.” Het lijden van de dichter, Christus, heeft zijns gelijke niet. Onze vaders hoopten op U en U hebt hen uitgehol­pen. Zij werden gered, zo vaak zij U aanriepen. Ik roep en word niet gered. Ik ben een worm en geen mens. Dat zijn, zegt Luther, zeldzame woorden. Chris­tus mag in de wereld geen mens zijn. Alle mensen zijn meer mens dan Hij, en hoe goddelozer ze zijn, des te wijzer, machtiger en rechtvaardiger zij zijn. Dit laatste bedoelt Luther wel ironisch. Zo gaat het immers in de wereld toe? Christus echter en de zijnen mogen geen mensen zijn. Zoals men trapt op een worm, trapt men op Hem. Bij de verachting komt de spot van het volk. De dichter zwijgt daar echter op en is ons daarin tot een voorbeeld. Hij weet zich vanaf zijn geboorte op God geworpen. Op Hem blijft hij vertrouwen. Zal God hem nu niet helpen, nu hij door booswichten wordt omsingeld, die voor hem zijn als dreigende, verscheu­rende dieren? Zijn krachten begeven hem, zijn vijan­den lachen en hebben plezier.

Christus’ overwinning

Maar dan, in vers 20, is er de omslag: de Heere is niet ver van hem. “Het is Gods eretitel dat Hij een helper is van hen die zonder enige menselijke hulp zijn.” De psalm loopt uit op de profetie van de Opstanding: “Ik zal uw Naam aan mijn broeders verkondigen.” “Wat betekent het dat een dode zal vertellen, iemand die vermoord is zal loven? Hier spreekt Christus in eigen persoon van zijn Opstanding en hij noemt ons hier zijn broeders. Hoe belangrijk dít woord “mijn broe­ders” is, kan niemand helemaal bevatten. Dat komt door dit “mijn.” De grote God, die hemel en aarde vervult, die de overwinnaar is van dood en hel, zonde en kwaad, zegt tot hen, die Hem horen: “Gij zijt mijn broeders.” Dit troost ons tegen alle tirannen, want wat kunnen zij doen wanneer Christus onze broeder is?”

“Uw Naam“- “Evangelie is dus het bekend maken van de eer van God, opdat God alleen worde gepre­zen.” Dit betekent ook het bekend maken van onze schande, “want Gods eer en onze eer kunnen niet samen ín één bed liggen, ook kunnen Gods Naam en onze naam niet samen in één stal staan.” “Bekend maken, verkondigen” – dat is nu het predikambt en het Rijk van Christus. Christus is een Koning die door het gepredikte woord regeert, Hij is een “Woordkoning.” Het Woord van Christus is bedoeld om te blijven en het zal komen tot het einde van de wereld, opdat men aller­wege zich tot de Heere bekeert. Ook “wij heidenen zul­len behoren tot het Rijk van Christus, hoewel ons dat niet zoals aan de Joden is beloofd.“ Zij zullen zijn gerechtig­heid verkondigen, dat is “de gerechtigheid van Christus en van het geloof, niet de gerechtigheid van de wer­ken.” God is immers de God van de gevangenen, van hen die geslagen en veracht worden, Hij is “een bisschop van de armen en machtelozen, niet alleen van de rijken.” Hij zorgt ervoor dat een volk geboren wordt, uit water en bloed (Joh. 3), het volk, “een nieuwe creatuur van de waarheid,” dat deze Koning toebehoort.

Luther vindt in deze psalm met zijn hele hart de grondlijnen van het Evangelie van het kruis der verzoe­ning terug. Zou dat ook gelden voor de velen in deze tijd die menen dat zij in het spoor van Luther gaan?

(1) Bespreking van een uitlegging van Psalm 22 zoals Maarten Luther die gedicteerd heeft aan Veit Dietrich tijdenz zijn verblijf in Coburg toen in Augsburg een Rijksdag werd gehouden o.a. met het oog op het gevaar van de Turken en de éénheid van de kerk. De uitlegging van deze Psalm is pas na het overlijden van Luther gevonden in de nalatenschap van Veit Dietrich in 1559 en daarna pas voor het eerst uitgegeven.

Bron tekst: Ecclesia nr. 7 – april 2017 – Luther over Psalm 22 – L.J. Geluk, Rotterdam
Bron afbeelding:  SeniorenNet Blogs

Bijbel en Luther - SeniorenNet Blogs

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Door Mijn Geest…

Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE van de legermachten. (Zacharia 4 : 6b)

De val van Jericho bij het binnen trekken en veroveren van het beloofde land en het ontstaan en kortstondig op bijzondere wijze samenleven van de eerste gemeente en het van daaruit “veroveren van de wereld” voor het koninkrijk van God waren beiden een krachtig teken en werk van de Heilige Geest, waarmee op een bijzondere manier de waarheid werd geïllustreerd van de woorden, die de profeet Zacharia moest doorgeven aan de teruggekeerde ballingen in Jeruzalem.
Het maakt ons ook duidelijk dat God toch steeds weer wil zien – na zulke machtige demonstraties van het werk van Gods Geest en ook vanwege Zijn Woord dat daarbij en daarover verkondigd werd – dat wij mensen onze verantwoordelijkheid zullen nemen en in geloof en vertrouwen op Zijn Woord aan de slag zullen gaan:

  • Het volk Israël moest na de bijzondere val van Jericho met geloof en moed en vertrouwen gewapenderhand het land Kanaän in bezit gaan nemen…
  • De door God op bijzondere wijze bewerkte terugkeer van de ballingen moest gevolgd worden door  met geloof en moed en vertrouwen te werken aan het herstel van Jeruzalem en de herbouw van de tempel ondanks alle tegenslag en tegenwerking die daarbij ondervonden werd…
  • De eerste gemeente moest niet in Jeruzalem blijven (als voorbeeld van een “ideale commune”) en zij moesten niet alleen in Jeruzalem het goed hebben met elkaar, maar met geloof en moed en vertrouwen de wereld in om en door overal het Evangelie te verkondigen met Woord én (vooral!) Daad (het gaat hier dus niet om en over de opdracht aan de apostelen!). En voor een belangrijk deel ging dat vanuit Jeruzalem “de wereld in” vooral toen men door de nood gedreven en verdreven werd!

Bron afbeelding:  Quality Time – blogger

Niet door kracht - Zacharia 4-6 Quqlity time - blogger

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Jericho, Achan en de eerste gemeente…

16 En het gebeurde, toen de priesters de zevende maal op de bazuinen bliezen, dat Jozua tegen het volk zei: Juich, want de HEERE heeft u de stad gegeven! 17 Maar de stad moet met de ban aan de HEERE gewijd zijn, de stad zelf en alles wat erin is. Alleen Rachab, de hoer, zal in leven blijven, zij en allen die bij haar in huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgestuurd hadden, verborgen heeft. 18 Past ú echter op voor wat met de ban gewijd is. Anders slaat u zichzelf met de ban, als u neemt van wat met de ban gewijd is; en dan maakt u van het leger van Israël een met de ban geslagen leger en stort u het in het ongeluk. 19 Maar al het zilver en goud en de koperen en ijzeren voorwerpen moeten heilig zijn voor de HEERE; ze moeten bij de schat van de HEERE komen. (Uit Jozua 6)

Een Israëlitische vader, die zijn kinderen van het dal Achor ging vertellen, begon dan als vanzelf fluisterend te spreken. Want het betekent: ongeluksdal, jammerdal!

Zoals aan de Here alle eerstelingen moesten worden gewijd, zo was het ook met de eersteling van de steden in Kanaän. Alle rijkdom van Jericho zou als één groot brandoffer aan Hem worden gewijd. Maar één man, Achan, die vond het jammer om alle kostbaarheden in vlammen voor de Here te doen opgaan en daarom verborg hij heimelijk een aantal kostbaarheden in zijn tent. (…)

Toen echter de oorzaak was aangewezen en het kwaad uit Gods volk was weggedaan, werd het dal Achor niet de donkere kuil, waarin heel Israël moest omkomen, maar God herschiep toen dit ongeluksdal tot een geopende deur, om Kanaän er door binnen te vallen. Er rust weer zegen op het leger van Israël. Gelouterd en gereinigd mogen ze nu overwinnend verder trekken en het land in bezit gaan nemen.

Jeruzalem was bij en na de gevangenneming, veroordeling en kruisiging van onze Heer en Heiland, te vergelijken met het dal Achor indertijd, en veranderd in een “dal des doods”, een ongeluksdal…
Door het werk van de Heilige Geest in de harten van de leden van de eerste gemeente, werd Jeruzalem herschapen tot “een deur van hoop”, een poort naar de hele wereld. Anders dan bij de val van Jericho, wilde de eerste gemeente – als eersteling van alle gemeenten, helemaal vrijwillig met ál haar gaven en bezittingen – zich wijden aan onze Drie-enige God en aan elkaar en daarmee aan de verkondiging van het Evangelie aan de toenmalige wereld.

Bij dit bijzondere werk van de Geest in deze eerste gemeente kon echter, zoals kort na haar ontstaan bleek, ook zeker nog de leugen en dé leugenaar een kans krijgen en een gelegenheid benutten om dit mooie aanvangswerk te verstoren. De geschiedenis van Ananias en Safira valt dan ook te vergelijken met Achan’s zonde na de inname van Jericho als eerst stad in het beloofde land. Ook de bedreiging van zoiets voor het samenleven van Gods volk en de klaarblijkelijke gevolgen ervan voor de daders zijn hierbij opmerkelijk.

De bijzondere (toe)wijding van de eerste gemeente in Jeruzalem is – net als het gebeuren bij “Jericho en Achor” – een unieke gebeurtenis in de geschiedenis van Gods volk. De latere gemeenten zouden niet op zo’n unieke manier (als die van “de eersteling”) zich wijden aan God. Maar dat neemt niet weg, dat ook deze later ontstane gemeenten en hun leden zich steeds weer behoorden en behoren te bezinnen op de vraag wat het betekent om al hun eerstelingen (aan geestelijke gaven, geld en goed) te wijden aan God.

Bron afbeelding: Christipedia.nl

Jericho val en de zeven trompetten - Christipedia.nl

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Aan allen die in zichzelf niets kunnen vinden…

God maakt rechtvaardig om niet! Hij neemt niets aan van de mens, van geen enkel mens, dan alleen wat Hij eerst Zelf gegeven heeft, namelijk het bloed van het Lam. Hij neemt niets aan dan alleen de gerechtigheid die aangebracht is door de Heere Jezus. Welk ondeugend kind zal met zijn vader verzoend worden door te zeggen: ‘Vader, maak het goed met me; dan zult u een daalder krijgen van wat ik verdiend heb’? Zal de vader dat geld aannemen, zal hij hierdoor weer met zijn kind verzoend worden? Nee toch! God neemt van de mens niets aan dan alleen zijn zonden, niets dan alleen zijn vodden en ongerechtigheden. Zo is Hij ons genadig en welgezind. Maar de natuurlijke mens weigert ook dit!

Daar staat nu de tollenaar. Hij staat veraf, hij heeft geen moed om vooraan te komen staan. Hij kan niet eens de ogen opheffen, en ook niet goed rechtop staan. Hij staat heel ver weg en denkt: Ach, zou een verdorven zondaar zoals ik het durven wagen om voor God te komen? Hij zou mij met één slag van Zich weg kunnen stoten! Hij weet alles wat ik doe, en och… dan is er ook dit kwaad nog, en dat kwaad. O nee, ik durf niet, ik durf God niet aan te zien, ik ben zo’n schurk en zo’n zondaar. Ik heb God zo dikwijls trouw gezworen dat ik die zonde niet meer zou doen, en ik doe het toch telkens op¬nieuw. Hoeveel voornemens heb ik al niet op me genomen, maar het helpt allemaal niets. Ja, tegen mijn wil blijf ik in de zonden verstrikt, en vóór ik het weet ben ik er weer helemaal door overmeesterd. En zou ik dan nu durven, zou ik zo voor God durven verschijnen? O nee! Maar waarheen dan? Naar de hel? Dat zou de duivel wel willen, maar daar kan ik het niet uithouden. Naar God toe! Maar nee, ik durf niet opkijken, want Zijn ogen zien alles. In het hart van de tollenaar was het smartelijk en vol pijn. O, laat ik maar teruggaan. Och, dat harde hart is zo verschrikkelijk hard, het wil niet breken. Kreeg ik er maar de genadeslag op! O God, wees mij zondaar genadig!

Vijf woorden slechts! Méér kan hij niet bidden en dat durft hij ook niet. Wat zal hij nog méér bidden? God kent immers zijn hele weg en hart. Hij weet immers van al het kwaad dat hij bedreven heeft en van al zijn zonden. En wat bidt hij nu? Hij bidt om genade! Noemt hij zich dan een braaf en goed man? Nee, hij zegt dat hij een zondaar is, een slecht mens, een heel slecht mens; een mens die de eeuwige dood verdiend heeft en voor eeuwig aan de galg moet, als God Zijn wet handhaaft.

Maar bij God is er nog genade. Bij Hem is er nog een pardon, zoals soms ook bij een aardse koning. God laat hen die bij Hem om genade aanhouden en die willen dat de Heere Jezus hen helpt, niet over aan de duivel. Dan is Gods ontferming groot, en dan wil Hij ons in genade aannemen. Voor hen laat de Heere Jezus Zichzelf beschuldigen, Hij laat Zich veroordelen en verdoemen.

En zo komt de Heere Jezus ertoe om over de Farizeeër en de tollenaar dit oordeel te vellen; want Hij is de Messias. Hij was daartoe door de Vader gezonden om Zijn Naam middenin de wereld te verheerlijken. In de wereld is de een niet beter dan de ander. Als men ze allemaal in één zak stopt, is er geen verschil. De wereld is verkeerd en blijft verkeerd. De Heere Jezus is gekomen om genade, barmhartigheid en ontferming te bewijzen aan allen die in zichzelf niets kunnen vinden. Dat is nu het Evangelie!

Bron tekst:  Gedeelte overgenomen uit een preek van H.F. Kohlbrugge (1803-1875). De preek is uitgegeven in de “Reveilserie” en is te bestellen onder de titel “Genade in een uithoek van de tempel” (No. 532, Maart 2017) als uitgave van “Stichting Smytegelt-Fonds“

Bron afbeelding: Bemoedigende Bijbelteksten

Bijbeltekst - Strijden voor het geloof - Judas 1 vers 3

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Gerechtvaardigd thuiskomen – na de zondagse samenkomst…

9 Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis. 10 ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een farizeeër en de ander een tollenaar. 11 De farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. 12 Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.”  (…) (Uit Lukas 18)

Kunnen we de Farizeeër over wie de Heere Jezus nu spreekt, beschuldigen van een zondig bestaan of het er op na houden van “ergerlijke” zonden? Nee, hij gaat naar de tempel om te bidden. Dat was toch een goede gang? Er komen er trouwens twee in de tem­pel; er komt ook een tollenaar. En wat wil de Fari­zeeër graag doen? Hij komt om te bidden. Is dat dan niet goed? Hij komt om te bidden, en niet om te vloeken. En schrijft die man bij dat bidden nu aan zichzelf toe wat voor iemand hij is?

Nee, hij schrijft het niet aan zijn kracht of verdiensten toe, maar hij zegt: ‘O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen. Ik dank U dat ik geen rover ben, en ook geen onrechtvaardige, of – nog erger – dat ik geen overspelige ben en ook niet als die tol­lenaar!’ Is dat niet braaf, is dat niet goed dat hij geen rover of een onrechtvaardig mens is? Wie zou dat ook willen zijn? Die man dankt God en leeft een eerzaam leven. Meent hij het? Ja, dat meent hij met zijn hele hart. Wie zou durven beweren dat hij het niet meent als hij zegt: O God ik dank U dat ik niet ben zoals veel andere mensen: (…)

Wanneer u in de Bijbel over Farizeeërs leest, werp dan geen steen op hen. De Farizeeër bidt net zoals de roomsen wel doen, en dat zit in het hart van ons allemaal. Geen mens komt als een oprechte ter wereld; integendeel, wij zijn allen in zonden en met verkeerde neigingen geboren. Ja, een mens is zo verkeerd dat hij alles zou willen doen om maar niet door de enge poort te gaan. Hij zou alles willen doen om maar niet te hoeven komen bij de vrije genade om langs die weg zalig gemaakt te worden. Dat zegt de Heere tegen ons. Die neiging zit in de Farizeeër, die neiging zit in het hart van ons allemaal. In plaats van te gaan naar de enige Arts en Dokter der zielen, de Heere Jezus, loopt men naar een valse profeet, die ons vleselijke bestaan streelt en kussens voor ons maakt.

En nu zoekt de Heere Jezus hen die de Vader hebben wil. Dat zijn de goddelozen die zich niet kunnen bekeren. Hij maakt de zieken gezond, en de armen rijk. Hij eist daarvoor niets, en ontvangt er ook niets voor. Maar de Farizeeër kan door Jezus niet geholpen worden. En die deed juist zoveel en gaf overal geld voor. Als hij honderd gulden had, gaf hij daarvan tien gulden aan de armen. Zo zorgde hij voor de maatschappij en voor de kerk. De Farizeeër is de man die men altijd en overal kan vertrouwen. Met zo iemand komt het wel goed, denkt men, maar Jezus kan hem niet helpen! Waarom niet? Omdat Hij Degene is Die Zijn volk zalig maakt van hun zonde. En als er nu een brave man naar de Heere Jezus komt, een rechtvaardig mens of iemand die heel kuis leeft? Ach, die mensen kan Hij niet helpen, maar wel degene die tot Hem komt en belijdt: ‘Ik heb tegen de geboden van God zwaar gezondigd, met gedachten, woorden en werken. Ja, ik ben helemaal en alleen maar goddeloos, ik deug nergens meer voor, en tot mijn laatste snik zal ik alles blijven bederven.’

Onze Here Jezus kwam niet voor hen die zichzelf toch nog wat helpen of redden kunnen en die zich (daarom) boven anderen (door God) verheven voelen en ook niet voor hen die God nog wat proberen wijs te maken. Hij zoekt alleen de eer van God! Onze God die gezworen heeft: ‘Zo waarachtig als Ik leef, Ik heb geen lust in de dood van de stervende, maar daarin dat hij zich bekeert en leeft.’
(…) 

Bron tekst: Ietwat bewerkt gedeelte uit een preek van ds. H.F. Kohlbrugge (1803-1875). De preek is uitgegeven in de “Reveilserie” en is te bestellen onder de titel “Genade in een uithoek van de tempel” (No. 532, Maart 2017) als uitgave van “Stichting Smytegelt-Fonds“

Bron afbeelding: Church of God – Holland

De Farizeeër en de tollenaar - Church of God - Holland

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Zijn bloed kome over ons…

“En heel het volk antwoordde en zei: zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.”
(Mattheüs 27:25)

Huiveringwekkend was het wat Pilatus toegeschreeuwd werd door de tal­loze Joden voor het gerechtsgebouw: “Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!” Pilatus, wij nemen de verantwoording voor de dood van die Jezus wel op ons.

Maar weet u wat zo apart is aan deze woorden? Dat ze zeer geschikt zijn om door ons overgenomen te worden. Niet schreeuwend, maar bid­dend. Niet gericht tot Pilatus, maar tot God. Wie dat doet, haalt zijn liefde naar zich toe.

Merken we dat satan ons vasthoudt? Hoor wat Petrus zegt: “Vergeet dat u niet met zilver of goud vrijgekocht bent uit uw zinloze wandel, maar door het kostbaar bloed van Christus.” Wat bidden we dan? “Uw bloed kome over mij, Uw bloed dat vrijkoopt.”

Betrappen we onszelf erop dat ons denken, doen en laten niet vrij is van onheilige elementen? Hoor wat de auteur van de Hebreeënbrief zegt: “Jezus heeft, opdat Hij door Zijn bloed ons zou heiligen, geleden.” Bid daarom: “Uw bloed kome over mij, Uw bloed dat heiligt.”

Durven we niet tot God te gaan, omdat we zoveel op onze kerfstok heb­ben? Hoor wat dezelfde auteur zegt: “Wij hebben vrijmoedigheid tot God te gaan door het bloed van Jezus.” Dan is ons gebed: “Uw bloed kome over mij, Uw bloed dat vrijmoedigheid schenkt.”

Vallen we tot onze schrik uit zwakheid in zonden, niet soms zoals het doopformulier zegt, maar vaak? Hoor het machtige woord van Johannes: “Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van álle zonde.” We vouwen onze handen en vragen: “Uw bloed kome over mij, Uw bloed dat reinigt.”

Worden we aangevochten door het feit dat de vrede zo ver weg is, in ons eigen leven, in deze wereld? Wat staat in de Colossenzenbrief? “Christus heeft vrede gemaakt door het bloed van Zijn kruis.” We klemmen ons vast aan deze woorden en bidden: “Uw bloed kome over mij, Uw bloed dat vrede geeft.”

Ook een ander woord van Paulus bergen we als een schat op in ons hart:

“Nu wij gerechtvaardigd zijn door Christus’ bloed,
zul­len wij door Hem behouden worden van de toorn.”

Dat woord eigenen we ons toe door te bidden: “Uw bloed kome over mij, Uw bloed dat rechtvaardigt.”

Kunnen we de twijfel niet van ons afschudden? Laten we bedenken dat we het water van de doop nog veel minder van ons kunnen afschudden. Dat garandeert ons: “Als wij in de Naam van de Zoon gedoopt wor­den, zo verzegelt ons de Zoon dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden.” – En de wijn op de avondmaalstafel bindt ons op het hart: “De drinkbeker der dankzegging is de gemeenschap aan het bloed van Christus.”

Wat rest ons anders dan vol verwondering te roe­men in onze Here Christus en te zingen:

O afgrond, waarin alle zonden verzinken en niet meer bestaan!
O diep geheim van Christus’ wonden – het oordeel is te niet gedaan!
O Heer, Uw bloed roept voor altijd: barmhartigheid, barmhartigheid!

Bron tekst: Ecclesia  nr. 7 april 2017 – Meditatie van  H.J. Lam, Barneveld
Bron afbeelding: Summa catholica ad mentem Sancti Thomae Aquinatis – blogger

Summa catholica ad mentem Sancti Thomae Aquinatis - blogger

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Augustinus en de vrije wil…

5 Ik ben de HEERE, en niemand anders, buiten Mij is er geen God. Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende, 6 opdat men zal weten, vanwaar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, dat er buiten Mij niets is. Ik ben de HEERE, en niemand anders. 7 Ik formeer het licht en schep de duisternis, Ik maak de vrede en schep het onheil; Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
(Uit Jesaja 45 – zie ook (1)) 

(…) Augustinus zag in het manicheïsme een deterministisch systeem dat haaks stond op de Bijbel. God is geen Schepper van kwaad. „Kwaad is er alleen maar door een vrijwillige zondigende ziel, waaraan God de vrije wil heeft gegeven. Stel dat God die vrije wil niet gegeven had. Dan zou er geen enkele rechtvaardige strafmaatregel kunnen bestaan en ook geen verdienste van goed gedrag.” (…) (zie Bronverwijzing onderaan)

Opgemerkt: Is dat waar? Kunnen en moeten wij de zaken zo stellen? Geeft Gods Woord ons werkelijk aanleiding en reden tot deze redenering over het kwaad en over het al of niet “goed recht” van Gods strafmaatregelen bij onze ongehoorzaamheid? Of hebben en kunnen wij mensen zó niet te redeneren over (en tot) God om Hem daarmee de “(onze) wet” te stellen, en hebben wij alleen maar opdracht en reden om heel goed acht te geven op wat God ons zegt en gebied in Zijn Woord en om dat eerbiedig na te spreken en er ook naar te handelen?!

In de Bijbel wordt er met geen Woord gerept over de vrije wil van welke schepsel dan ook. Wel wordt er over het willen en de wil van de mens gesproken, maar dan nooit in die zin dat daaruit wel noodzakelijkerwijs afgeleid zou moet worden, dat het daarbij om een “vrije wil” zou gaan.  Is het niet beter dat we ook hier de leus “Laat God Gód zijn” maar eerbiedig gebruiken en toepassen, dan hoeven we niet te leven bij en van onze menselijke redeneringen om God daarmee iets voor te schrijven of toe te schrijven, maar leven we eerbiedig en nederig bij en van Gods Woord alleen.

God wil door ons mensen als Redder gezien en erkend worden!
Door Zijn volk en (zo uiteindelijk) door de hele (mensen)wereld…

Die Heilsboodschap klinkt door het hele Oude Testament vanaf Genesis 3 :  14
en heel sterk bijvoorbeeld in Psalm 50 en ook in heel Jesaja én
het is dé Blijde Boodschap van het hele Nieuwe Testament 

11 Gods genade is openbaar geworden tot redding van alle mensen. 12 Ze leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroom in deze wereld moeten leven, 13 in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van de grote God en van onze redder Jezus Christus. 14 Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle zonde vrij te kopen, ons te reinigen en ons tot zijn volk te maken, dat vol ijver is om het goede te doen. (Uit Titus 2)

Wanneer we letten op waar Gods oordelen over de wereld, de volken en Gods eigen volk aangezegd en uitgevoerd worden, dan zien we dat God Zijn oordelen altijd eerst aan mensen bekend maakt en vaak ook op de één of andere manier laat aankondigen aan degenen over wie het oordeel dreigt of zal voltrokken worden. Het is God doel en Hem het liefst dat we tot erkentenis van de Waarheid komen en ons tot Hem bekeren. Daarom maakte God ook gebruik van middelaars, die nog mochten pleiten op Gods rechtvaardigheid, genade en trouw (m.n. Abraham en Mozes).

Gods komende gericht en oordeel en straf over het kwaad en alle goddeloosheid*  staat vast en aan de diepe ernst bij en van dit oordeel en de aangezegde eeuwige straf daarover laat de Bijbel ons geen twijfel…
* goddeloosheid is ongeloof aan Zijn Woord – lees/denk hierbij ook altijd aan onze – direct na de zondeval al – beloofde Verlosser Jezus Christus.

Maar, kunnen en mogen we ook niet zeggen en is het niet geheel naar de Geest van de Schrift (=de Bijbel, Gods Woord dat levend en krachtig is en waarin Jezus Christus onze Redder ons wordt geopenbaard) wanneer we de gedachte en hoop koesteren, dat wanneer het laatste oordeel is uitgesproken, dat God van ons verwacht – net als indertijd van Abraham bij Sodom en van Mozes voor het volk Israël in de woestijn – dat wij ons neerwerpen voor God en uitroepen: Als U dan uw geliefde Zoon, onze Heer en Redder Jezus Christus ons al gaf en dat Hij Zijn Leven al voor ons gaf toen wij nog goddelozen waren en wij alleen door Uw reddende Genade op aarde al hebben kunnen en mogen leven als Uw geliefde en gehoorzame kinderen, zult U dan niet ook deze goddelozen het zoenbloed van Jezus toerekenen? En zal Jezus ons daarin niet voorgaan of ons bijvallen? En vindt deze verwachting en hoop ook niet grond in diverse Bijbelteksten waarin ons gezegd wordt dat God wil dat alle mensen behouden worden en dat Jezus zoenoffer voldoende is voor de zonde van de hele wereld?!

Maakt deze gedachte ons (gelovigen) dan niet (net als anderen) zorgeloze en goddeloze mensen? Nee, want wie de boodschap van Gods Genade en Heil en Vrede, zoals die ons geschonken zijn in en met en door onze Heer Jezus Christus door het werk van de Heilige Geest, heeft kunnen en mogen aanvaarden en steeds weer tot zich laat doordringen, die zal Gods Liefde in Jezus Christus met grote blijdschap en diepe vreugde aanvaarden en uitleven. Voor diegene is het geloof geen zaak meer van oordeel en straf, maar van Gods weergaloze Liefde en Genade. Zulke gelovigen zullen met door de Geest gewekte aandacht en liefde gehoor geven aan heel Gods Woord en niet alleen Gods liefdewoorden beluisteren maar ook zijn waarschuwende woorden ter harte nemen en zich realiseren dat God zegt dat Hij zijn kinderen ook tuchtigen en snoeien wil. Die tucht is nodig om klein en nederig en opmerkzaam te leven bij onze strijd tegen “ons vlees”, de wereld en de boze. God snoeit ons omdat Hij wil dat ons leven veel vrucht zal dragen…

(1) Er zijn hier veel tekst/tekstverwijzingen aan toe te voegen uit m.n. de profeten en laten we dit ook (o.a. en m.n.) van de Joodse rabbijnen leren en van hen overnemen: God is beslist ook degene Die het kwaad schiep en schept en gebruikt tot vernedering (=plaats wijzen) van de mens en (daarmee) tot erkenning en verheerlijking van “Zijn Naam”.

Lees advies: Lees bij deze overdenking(en) ook de Psalmen 38, 39 en 40

Bron: Website Reformatorisch Dagblad – “Augustinus plaatste vrije wil tegenover het manicheïsme” artikel van Klaas van der Zwaag.
Bron afbeelding: Theoblogie

C CMYK Vier anti-pelagiaanse geschriften Def.indd

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Als tot eenvoudigen gesproken…

Plain and simple

Now, in order that the Passion might be better understood, the evangelist takes up other details that are suited to the preface and tells what kind of person it is who is suffering here. He indicates this with the following words: that when Jesus asked the cohort and servants, “Whom do you seek?” and they answered, “Jesus of Nazareth,” He then says, “I am He.” (John 18:4-5). Let us consider well these words: “I am He.”

God’s words and deeds are such that man passes quickly over them without properly weighing them or reflecting on them. The wise people of the world, on the other hand, set forth their own ideas in words weighing a hundred or two hundred pounds – they know no limit to embellishing even the simplest matters with their words. But St. John and the other evangelists describe the Gospel and the Passion not in grand and magnificent words but in words that are plain and simple.

The words of Moses are embellished to some extent, but the words of the Lord Jesus are altogether plain, straightforward, and simple. In the Old Testament, Moses and the prophets spoke with grand, magnificent words. In the New Testament, however, Christ and the evangelists speak very plainly and simply. The reason is this: the evangelists realized full well that even if the Gospel were preached, sung, and written as magnificently as possible, they would accomplish very little with the blinded, hardened world.

The righteous and the godly, however, consider it in all sincerity and diligence, even though the words are not grand and magnificent but plain and simple. Among the blinded, hardened, and inattentive, however (as He says), no words, regardless how magnificent and grand they may be, will be of any help at all [see Luke 10:21].

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 28, 219, 10 – 222, 18

Opgemerkt AJ:  God zou God niet zijn als een “eenvoudige” en zelfs een kind niet in staat zou zijn om volwaardig als kind van God te (leren) leven. Lees heel de brief van Titus nog eens, dan zie je waar het om gaat in de kerk/Kerk en dan zijn bijvoorbeeld al die “Israël-visies” opeens zo belangrijk niet meer en ga je beseffen wat het Evangelie werkelijk bij ons teweeg wil brengen:
11 Gods genade is openbaar geworden tot redding van alle mensen. 12 Ze leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroom in deze wereld moeten leven, 13 in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van de grote God en van onze redder Jezus Christus… (Uit Titus 2)

Source/Bron: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com. Or, they can use our web-form located on the homepage of www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from these weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Voor de eenvoudigen - Luther en Lefèvre - Watchtower ONLINE LIBRARY

Bij de afbeelding van Luther (bron: Watchtower ONLINE LIBRARY):

Luther ontdekte dat Lefèvre d’Étaples Bijbelpassages goed in eenvoudige woorden weer kon geven.
(…) OP EEN zondagmorgen rond het jaar 1520 konden kerkgangers in Meaux, een plaatsje niet ver van Parijs, hun oren niet geloven. Tijdens de mis werd uit de evangeliën voorgelezen in hun moedertaal — Frans in plaats van Latijn!
De Bijbelvertaler die dit mogelijk had gemaakt, Jacques Lefèvre d’Étaples (Latijn: Jacobus Faber Stapulensis), schreef later aan een goede vriend: ‘Je kunt je nauwelijks het enthousiasme voorstellen waarmee God eenvoudige mensen bezielt om zijn woord te omarmen.’
In die tijd waren de katholieke kerk en theologen in Parijs tegen het gebruik van Bijbelvertalingen in de volkstalen. Wat bracht Lefèvre ertoe om de Bijbel in het Frans te vertalen? En hoe slaagde hij erin het gewone volk te helpen de Bijbel te begrijpen?
(…) Dankzij zijn nauwgezette bestudering van de Bijbel kwam hij tot de conclusie dat ‘alleen het bestuderen van Goddelijke waarheid (…) de hoogste mate van geluk belooft’. Daarom liet Lefèvre zijn aandacht voor filosofie varen. Voortaan zou hij al zijn energie besteden aan het vertalen van de Bijbel.

Voor eenvoudigen - dream or work

Bron afbeelding: Ali Express

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Door de Geest gewekte honger naar het Woord…

Over het lijden van Christus (4)

Op 13 maart 1519 schreef Luther aan Spalatin over zijn voornemen om een meditatie over het lijden van Christus te laten uitgeven. Ondanks het vele werk waarmee hij in die tijd bezet was, werd het geschriftje ‘Ein Sermon von der Betrachtung des heiligen Leidens Christi’ reeds op 5 april 1519 in gedrukte vorm verzonden. Hoezeer hij daarmee aan de geestelijke honger van het volk tegemoet kwam, bewijzen de minimaal 25 herdrukken die spoedig daarop volgden. Onderstaand citaat is afkomstig uit de genoemde ‘sermoen’:

(…) “Pas er voor op dat u niet doet zoals de onzinnige mensen die vanwege hun zonden zich verbijten en vereten, en bovendien zich inspannen om door goede werken of door genoegdoening zichzelf van schuld en straf te verlossen – men ziet ze toch overal heen en weer lopen om aflaat [= vergeving] voor hun zonden te krijgen! Op deze manier willen zij door verdienste en betaling verlost worden van hun zonden – dit zal echter niet gelukken! Helaas is dit valse vertrouwen op verdienste, op betaling en op voorbidding der heiligen overal diep ingeworteld.

Dán alleen werpt u uw zonden van uzelf op Christus, als u vast gelooft dat Zijn wonden en lijden uw zonden zijn – dat Hij die draagt en ervoor betaalt. Zoals Jesaja zegt: ‘God heeft onze zonden op Hem gelegd’ (vgl. Jesaja 53:6). En Petrus zegt: ‘Hij heeft onze zonden in Zijn lichaam gedragen aan het hout van het kruis’ (1 Petrus 2:24). Ook Paulus spreekt daarover: ‘God heeft Hem tot zondaar [of SV: tot zonde] gemaakt voor ons, opdat wij door Hem rechtvaardig werden’ (vgl. 2 Korinthe 5:21). Op deze en dergelijke teksten moet u zich met volkomen vertrouwen verlaten – zoveel meer als uw geweten u harder pijnigt.

Als u dit niet doet, maar uw geweten door berouw en genoegdoening probeert gerust te stellen, dan zal het toch nooit rust vinden – u moet tenslotte in wanhoop eindigen! Want als wij met onze zonden in ons geweten willen [onder]handelen en ze bij ons laten blijven, ze in ons hart aanzien, dan zijn ze ons veel te sterk en leven ze eeuwig. Maar als wij onze zonden op Christus zien liggen en Hij ze overwint door Zijn opstanding, en wij dat onbevreesd geloven, dán zijn ze dood en tot niets geworden – op Christus konden ze immers niet blijven!

Ze zijn door Zijn opstanding verslonden! Nu zien wij geen wonden, geen smarten en geen lijden meer aan Hem. Dat is: wij zien geen tekenen van zonde. Dit zegt Paulus: dat Christus gestorven is om onze zonden en opgestaan is om onze rechtvaardiging (Romeinen 4:25). Dat wil zeggen: door Zijn lijden openbaart Hij onze zonde en doodt die aan het kruis, maar door Zijn opstanding maakt Hij ons rechtvaardig en vrij van alle zonde – tenminste, als wij dit geloven.

Als u nu niet kunt geloven, dan moet u – zoals vaker is gezegd – God daarom bidden, want deze zaak ligt enkel en alleen in Gods hand. God is vrij om het te geven en geeft het ook [aan hen die Hem daarom bidden(1)] – soms voor allen openbaar, soms verborgen in het hart.”

Maarten Luther: Ein Sermon von der Betrachtung des heiligen Leidens Christi, 1519, vgl. WA 2, 140, 1-29

(1) Vgl. o.a. Psalm 65:3; Matthéüs 7:11; Lukas 11:13

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Bron afbeelding: RK NetNieuws Forum – ActiveBoard

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie