Bidden met en voor de gemeenschap der heiligen (III)

(…) Christus kan niet liegen wanneer Hij zegt: ‘Ik ben met u tot aan het einde van de wereld’ en ‘De poorten van de hel zullen de kerk niet overweldigen’ (vgl. Mattheüs 28 : 20 en 16 : 18). Dat wil echter niet zeggen dat Hij ons niet heeft bevolen om te waken en het licht zo goed mogelijk te bewaren.

Er wordt gezegd: ‘Waak, want de duivel is een brullende leeuw die rondom u gaat om te verslinden’ (vgl. 1 Petrus 5 : 8). Dit was niet alleen zo in de tijd van de apostelen, toen Petrus dit zei, maar het is nu nog zo en het zal zo blijven tot aan het einde van de wereld – daar kunnen wij op rekenen.

Daarom bidden wij: dat God ook ons wil helpen, zoals Hij onze voorouders heeft geholpen en onze kinderen na ons zal helpen – tot lof en eer van Zijn Goddelijke Naam in eeuwigheid. Want wij kunnen de kerk niet bewaren, onze voorouders konden dat ook niet, en onze kinderen na ons zullen dat ook niet kunnen.

Gods Zoon heeft het gedaan! – Hij doet het nog en Hij zal het doen. Hij Die zegt: ‘Ik ben met u tot aan het einde van de wereld’, ‘want Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in eeuwigheid’ (vgl. Hebreeën 13 : 8). En Hij heet ook ‘Die was, Die is, en Die zijn zal’ (Openbaring 1 : 8 en Exodus 3 : 14).

Ja, zo heet deze Mens, zo heet geen ander mens, en zo zal niemand heten. Want u en ik waren duizend jaar geleden niets en toch is de kerk zonder ons bewaard gebleven. Niemand heeft het gedaan dan Hij Die heet ‘Gisteren en heden Dezelfde’.

(…) Wat wij nu over de kerk zeggen, dat hebben onze voorouders ook al moeten zeggen, zoals de Psalmen en de Schrift getuigen. En onze kinderen na ons zullen het ook meemaken dat zij met ons én met de hele kerk zullen zingen: ‘Was de HEERE niet met ons geweest – laat Israël nu zeggen – was de HEERE niet met ons geweest, toen de mensen tegen ons opkwamen, dan hadden zij ons levend verslonden’ enzovoort, (vgl. Psalm 124 : 1 w).

Maarten Luther: Wider die Antinomer, 1539, WA 50,476,2,3 -477,16 [[Tegen de Wetsbestrijders, 1539]

Bron afbeelding:  BiblePic.com

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Bidden met en voor de gemeenschap der heiligen (II)

(…) In de vierde bede (1) wordt ieder mens vermaand dat hij zijn hart ruimer en groter moet maken. Want hij bidt hier niet alleen voor zichzelf, maar voor de hele christenheid en voor de uitbreiding van het Evangelie onder alle mensen. Wel bijzonder moeten we hierbij ook denken aan het predikambt, dat is aan allen die het Woord van God moeten prediken.

Want zoals we in de eerste drie beden bidden om de dingen die God toebehoren, dat Hij het Zijne van ons ontvangt, zo bidden wij hier ook voor de hele christenheid. Onder alle dingen is er echter niets méér nodig en nuttig voor de christenheid dan het dagelijks Brood, dat is, dat God ons geleerde predikanten wil geven die Zijn Woord in de hele wereld prediken en verkondigen. Want als het predikambt en het Woord van God werkelijk wordt beoefend, dan groeit en bloeit de christenheid. Dat heeft Christus ook bevolen te bidden: ‘Bid de Huisvader dat Hij arbeiders uitzendt in Zijn oogst’ (vgl. Mattheüs 9 : 38).

Daarom, volgens de goede orde der liefde moeten wij eerst en meest voor de christenheid bidden. Daarmee doen wij meer dan voor onszelf bidden. Want Chrysostomus heeft gelijk als hij zegt: ‘Wie voor de hele christenheid bidt, voor die bidt vervolgens de christenheid.’ Ja, zelfs daarin bidt hij mét de christenheid ook voor zichzelf. Het is geen goed gebed als iemand alleen voor zichzelf bidt.

Hopelijk vergis ik mij, dat al die broederschappen mij helemaal niet bevallen en wel bijzonder die het altijd over zichzelf hebben, alsof zij alleen naar de hemel zullen gaan en ons hier op aarde willen achterlaten.

U echter moet eraan denken en erop letten dat Christus niet tevergeefs heeft geleerd dat niemand mag bidden ‘mijn Vader’, maar ‘onze Vader’, niet ‘geef mij heden mijn dagelijks brood’, maar ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, vervolgens: ‘onze schuld’, ‘ons’, ons’, ‘ons’ enzovoort. Hij wil ons allen horen, niet mij of jou, of een afgescheiden, teruggetrokken farizeeër.

Daarom zingen we ook met elkaar, dan klinkt het mooier, ook al kun je niet goed zingen of de toon houden, dan zing je maar mee met de hele gemeente. Als je alleen wilt zingen, dan moet je erop rekenen dat iedereen er iets op aan te merken heeft.

(1) Het OnzeVader uitgelegd aan eenvoudige leken, 1519.

Maarten Luther: Auslegung deutsch des Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. WA 2,114,5-31

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” (Zondag 50, v&a 125, “Welke is de vierde bede?”) samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Psalm 40 vers 4 OB - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Bidden met en voor de gemeenschap der heiligen (I)

(…) 23 En op die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult ​bidden​ in Mijn Naam, zal Hij u geven. (Uit Johannes 16)

[Behandelde tekst: Johannes 16 : 23]

De kerk van Christus heeft op aarde meer vijanden dan vrienden, daarom is het nodig dat wij ijverig volharden in bidden en smeken. Wij aan wie het Woord bevolen is – die in het predikambt zijn – zullen de christelijke kerk helpen en behouden door de reine en zuivere leer, maar iedere christen moet haar ook ondersteunen door het gebed.

Wie nu de christelijke kerk en het Evangelie liefheeft, en graag haar welzijn en voorspoed zou zien, die moet bedenken dat hij om die te behouden ook zelf daarbij moet helpen. Dat kan echter alleen gebeuren door het gebed.

Daarom bidt u: dat de Naam van God geheiligd wordt, Zijn Rijk komt en Zijn wil geschiedt – daarentegen dat de naam van de duivel ontheiligd wordt, zijn rijk verstoord en zijn wil en listen verhinderd worden. Als u dat doet, dan staat u zelf, en iedere christen die dat ook doet, als een strijder in zijn wapenrusting op het slagveld en in de voorhoede en u helpt de christelijke kerk tegen de duivel en de wereld verdedigen en beschermen.

Want iedere christen is een strijder en strijdt tegen de duivel op het slagveld. Zo zwaar als onze strijd is om de prediking en de leer, zo zwaar moet u ook mét ons strijden in de gebeden. Voor de reine en zuivere leer moet gestreden en geworsteld worden, want wij christenen zijn geweldige strijders, eerst wij in het predikambt en daarna u in de gebeden.

Deze twee zaken doen de duivel het meeste hartenleed, als je niet alleen ijverig preekt, maar ook daarbij nog ernstig bidt. En indien hij ooit verslagen en afgebroken zal worden, dan moet het met deze twee wapens gebeuren. Want Hij Die in de hemel is, liegt niet.

Ik twijfel niet dat door onze gebeden veel boze aanslagen van onze tegenstanders zijn belet en verhinderd geworden. En zou vandaag iets goeds gebeuren en iets kwaads verhinderd worden, dan moet het door het gebed gebeuren. Daarom, gooi uw gebed niet weg, hoewel u denkt dat u daartoe helemaal niet geschikt bent (want anders zou niemand meer kunnen bidden).

Daarom mag u niet zeggen of denken: laat anderen maar voor de kerk bidden,
mijn gebed is niet de moeite waard.

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1534, vgl. WA 37,392,28-393,15; vgl. ЕА(г) 5, S. 131-132

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” (Zondag 21, v&a 55, “Wat verstaat u onder de gemeenschap der heiligen?”) samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding:  Daily Bible Verses

Johannes 16 23 - Whatever you ask - Daily Bible Verses

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Die eigen wegen gaan…

Jona ging naar Jafo en vond er een schip met bestemming Tarsis. Hij betaalde de overtocht en ging aan boord om mee te varen naar Tarsis, weg van de HEER. (Jona 1 : 3)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (20)

Nu moeten we ook de geestelijke lessen van het boek Jona (als geheel) bezien…
– Luther in 1526 – Derde citaat:

Jona gaat naar Jafo, waar hij een schip naar zee kiest, zijn reisgeld betaald, aan boord gaat, zijn slaapvertrek opzoekt, in slaap valt en zich doelloos laat wegvaren. De naam Joppe betekent ‘mooi’ of ‘goed’. Dat wijst ons op mensen zonder god en gebod, die een zelfgenoegzaam leven leiden, gekenmerkt door ongehoorzaamheid aan God. Deze stad is heel geschikt voor ongehoorzaamheid, eigenwilligheid en zelfrechtvaardiging.

In Jafo vindt de profeet een schip, dat wil zeggen een goed hulpmiddel dat bruikbaar is bij zijn opvattingen en voor de uitvoering van zijn plan, zoals bijvoorbeeld ook aan de wet van God wel een plek gegeven wordt in het menselijk zelfbedrog.

Dan zijn er de zeelui, dat zijn de onderwijzers van dergelijke wetsopvattingen en andersoortige eigen bedenksels, die de mensen leiden, wie weet waarheen, de grote zee op. En daar hebben we dan geen vast en oprecht geweten meer voor God, maar eentje waarmee door de grillige golven van de zee wordt gespeeld, etc.

Jona betaalt zijn reis aan deze zeelui – want deze leraren zijn dienaren van hun buik, die als huurlingen hun werk verrichten en hun diensten aanbieden. En de mensen zijn al te graag bereid om hen rijkelijk te belonen voor deze diensten.

Nu gaat Jona het schip in en geeft zich over aan de stuurmanskunst van de zeelui, legt zich op bed onder in het schip om daar in slaap te vallen, dat wil zeggen, hij voelt zich veilig, meent dat er nu goed voor hem gezorgd wordt en met die gedachte(n) gaat hij onder zeil. Zoals alle werkheiligen doen. Tevreden met hun drogredenen liggen ze als het ware diep onderin het schip te slapen onbewust van het kwaad dat ze doen.

Salomo zegt: ‘Naderen om te luisteren is beter dan het offer van dwazen, want die weten niet, dat zij kwaad doen. (Prediker 4 : 17). Nu, dat valt wel te vergelijken met naar Jafo reizen en zich terugtrekken in het onderste ruim van het schip. Dat is inderdaad reizen van de verhevenheid van Jeruzalem en van de gehoorzaamheid aan God naar de diepe groeve van ongehoorzaamheid en eigenwilligheid.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 246, 28 – 247, 16

NB. De bovenstaande tekst werd vertaald vanuit het Engels (zie hieronder).

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, they can use our web-form located on the homepage of maartenluther.com There you can find both options to subscribe and unsubscribe from these weekly quotes. Our emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  Doodle Through The Bible

Prediker 4 17 - Guard your steps - Doodle Through The Bible

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Het wordt ons geopenbaard…

En Jezus antwoordende zei tot hem: Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona; want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. (Matteüs 16 : 17)

Het ware Brood, Jezus Christus, kan niemand ontvangen door eigen kracht, wijsheid of verstand, niet door studeren, niet door horen, niet door bidden, niet door zoeken! Want om Christus te kennen zijn alle boeken te weinig, alle predikers te gering en alle verstand schiet hier tekort.

Alleen de Vader Zelf moet Hem openbaren en ons schenken, zoals Hij zegt in het Evangelie van Johannes: ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke’ (Johannes 6 : 44).

De apostel zegt ook: ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader’ (Johannes 6 : 65). En ten slotte: ‘Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij’ (Johannes 6 : 45). Daarom leert Hij ons dat wij vanwege dat zalige Brood de Vader zullen bidden en zeggen:

GEEF ONS HEDEN ONS DAGELIJKS BROOD!’

Het Brood, het Woord, de Spijs is niemand anders dan Jezus Christus onze Heere Zelf. Hij zegt in het Evangelie: ‘Ik ben het levende Brood Dat van de hemel gekomen is, wie van dit Brood eten zal, die zal leven in eeuwigheid; en het brood dat Ik hem geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven van de wereld.’

Alle prediking en alle lering die Jezus Christus niet prediken en voorstellen, zijn niet het dagelijkse brood en voedsel van onze ziel.

Maarten Luther: Auslegung des Vaterunsers für die einfältigen Laien, 15191 vgl. WA г, 111,26 – 112,6.

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot u – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” Samengesteld, vertaald en ingeleid door H.C. van Woerden. Den Hertog Uitgeverij.

Bron afbeelding:  SlidePlayer

You did not learn this from any human being..

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Want onvolkomen is ons kennen…

(…) Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. (…) Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen,  zoals ik zelf gekend ben.
(Uit 1 Korintiërs 13 : 9-12)
(…) Niet dat ik het al verkregen heb of al volmaakt ben, maar ik jaag ernaar
om het ook te grijpen. Daartoe ben ik ook door ​Christus​ ​Jezus​ gegrepen.
(Filippenzen 3 : 12)

(…) Want u staat daarom nog niet buiten deze prediking, omdat u deze niet volkomen kunt eigen maken. Ook de apostel Paulus moet immers belijden: dat hij het nog niet verkregen heeft of reeds volkomen is (vgl. Filippenzen 3 : 12). Want niet hij is een christen die deze dingen volkomen verstaat, maar hij die onder alle omstandigheden aan Christus hangt. Een christen heeft reeds de gerechtigheid van Christus, omdat hij begonnen is die te hebben.

In het Evangelie staat overal geschreven: Έn Jezus zei tegen Zijn leerlingen’, of ‘tegen Zijn discipelen’, want Hij noemt hen discipelen of leerlingen, maar geen meesters. De naam leerlingen bedoelt te zeggen dat zij nog steeds leren, omdat zij Christus moeten leren kennen, maar niet dat zij Hem al volkomen hebben Ieren kennen.

Hoewel de kennis van Christus onvolkomen is, toch is het de kennis van Christus, al blijven zij ook leerlingen. De les is daarom volledig en volkomen, maar zij die leren, kennen haar nog niet volledig en volkomen. Wij zijn slechts beginnelingen en strekken ons uit naar het hogere (vgl Filippenzen 3 : 13).

Christenen zijn mensen die heel krachtig de dood voelen en de macht van de zonde – maar wat doen zij? Midden in het gevoel van zonde en dood hangen zij evenwel aan Christus. Zij verloochenen het Woord niet; en zij lijden en zij blijven in Christus. Op geen andere plaats – alleen in Christus – zoeken zij hun zaligheid en vrede. Dit alles moeten wij goed onthouden, zodat wij van een christen geen stok en blok maken, en daarbij denken dat hij de zonde niet zou voelen. Hij is immers nog een mens van vlees en bloed en moet noodwendig de zonde en de zwakheid van zijn geloof ondervinden.

De profeet Jesaja beschrijft het: ‘Maar Hij is om onze misdaden gewond, en om onze zonde geslagen – de straf lag op Hem, opdat wij vrede zouden hebben en door Zijn wonden zijn wij genezen’ (vgl. vers 53 : 5). (…) Daarom moet men degenen die deze genade niet kunnen begrijpen of verstaan, vermanen, zodat zij zich vanwege hun zwakheid niet laten afschrikken, maar dat zij net als de apostelen bidden: ‘Heere, versterk ons geloof’ (vgl. Lukas 17 : 5).

Maarten Luther: Vorlesung über Jesaja 1527-2.9 – Scholia 1532/34, vgl. WA 25,331,33 – 332,7.

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Filippenzen 3 12-14 - Niet dat ik het al gegrepen heb - SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Reformatie herdenken(1): ellende, verlossing en dankbaarheid…

(…) 1 U was dood door de misstappen en ​zonden​ 2 waarmee u de weg ging van de god van deze wereld, de heerser over de machten in de lucht, de geest die nu werkzaam is in hen die God ​ongehoorzaam​ zijn… (Uit Efeziërs 2)
(…) 13 maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht. 14 Daarom heet het: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en ​Christus​ zal over u lichten. 15 Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, 16 u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. 17 Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is… (Uit Efeziërs 5)

Ook in de maand oktober wordt er in de “Luther-citaten” wat meer aandacht gegeven aan het feit dat Luther 500 jaar geleden op 31 oktober 1517 zijn 95 stellingen tegen de aflaat ter discussie stelde. Dat dit gebeuren (na de Pinksterdag) zou uitlopen op de grootste geestelijke opwekking aller tijden kon toen niemand bevroeden – nog minder dat de Catechismus, dat is: de Tien Geboden, het Geloof en het Onze Vader daarin zo’n belangrijke rol zouden spelen. Dit is dan ook de reden waarom het citaat voor deze week uit Luthers boekje Eine kurze Form der zehn Gebote, eine kurze Form des Glaubens, eine kurze Form des Vaterunsers (1520) is gekozen. We kunnen veilig stellen dat hier in korte lijnen de hele inhoud van Luthers prediking is weergegeven: ellende, verlossing en dankbaarheid.

Hier volgt het citaat:

“Het is niet zonder bijzondere ordening van Godswege geschied dat het voor de eenvoudige christenen, die de Schrift niet lezen kunnen, ingesteld is om de Tien Geboden, het Geloof en het Onze Vader te leren en te kennen. In deze drie stukken is voorwaar alles wat in de Schrift staat en wat altijd gepredikt kan worden, ook alles wat een christen nodig is te weten, grondig en overvloedig begrepen. En wel in zulke korte en eenvoudige woorden, dat niemand zich beklagen of verontschuldigen kan dat wat hem nodig is tot zaligheid, te veel zou zijn, of te moeilijk is om te onthouden.

Want drie dingen zijn een mens nodig te weten om zalig te worden. Het eerste is, dat hij weet wat hij doen en laten moet. Het tweede, wanneer hij nu ziet dat hij het niet doen of laten kan uit eigen krachten, dat hij dan weet waar hij het halen, zoeken en vinden moet, waardoor hij het alsnog doen en laten moge. Het derde is, dat hij weet hoe hij het zoeken en vinden zal.

Zoals het eerst voor een zieke vooral nodig is dat hij weet waarin zijn ziekte bestaat. Daarna is het nodig dat hij weet waar het geneesmiddel is dat hem helpt om te doen en te laten wat een gezond mens doet en laat. In de derde plaats moet hij het nodige begeren, zoeken en vinden of laten brengen.

Op deze manier leren eerst de geboden de mens zijn ziekte kennen, zodat hij ziet en ondervindt wat hij doen en niet doen, laten en niet laten moet en zichzelf erkent een zondig en verdorven mens te zijn. Daarna houdt het Christelijk Geloof hem voor en leert hem waar hij het geneesmiddel, namelijk de genade, halen moet, dat hem helpt vroom te worden en de geboden te houden. En God wijst hem Zijn barmhartigheid aan, in Christus betoond en aangeboden. Ten derde leert het Onze Vader hem hoe hij dat medicijn moet begeren, vinden en tot zich laten brengen, namelijk met geregeld, deemoedig en vertroostend gebed. Dan zal het hem gegeven worden, en zó wordt hij zalig. Dat zijn de drie stukken in de hele Schrift.“

Maarten Luther: Eine kurze Form der zehn Gebote, eine kurze Form des Glaubens, eine kurze Form des Vaterunsers, 1520, vgl. WA 7, 204, 5 – 205, 2; Betbüchlein 1522, vgl. WA 10.2, 376, 12 – 377, 13

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: http://www.maartenluther.com

Bron tekst:  SlidePlayer

Galaten 5 13-26 - For you were called - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Het uitwendig en inwendig werk van de Heilige Geest…

(…) 19 Ga dus op ​weg​ en maak alle volken tot mijn ​leerlingen, door hen te ​dopen​ in de naam van de Vader en de Zoon en de ​heilige​ Geest, 20 en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie (1), alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (Uit Matteüs 28)

(…) 14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? 15 En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? (Uit Romeinen 10)

Nu God Zijn heilig Evangelie heeft laten uitgaan onder de mensen, handelt Hij met ons op twee manieren.
In de eerste plaats uitwendig en in de tweede plaats inwendig.
– Uitwendig handelt Hij met ons door het mondeling gesproken woord van het Evangelie en door zichtbare [of tastbare] tekenen, zoals de Doop en het Avondmaal zijn (2).
– Inwendig handelt Hij met ons door de Heilige Geest en het geloof, bovendien door alle andere gaven. Echter wel in die maat en orde dat de uitwendige zaken zullen en moeten voorafgaan aan de inwendige. De inwendige zaken moeten volgen en door de uitwendige zaken gewerkt worden.

Want God heeft het zo besloten: dat Hij niemand de inwendige zaken wil geven dan alleen door het middel van de uitwendige zaken. Hij wil immers op geen andere manier aan iemand de Geest of het geloof geven, dan alleen door het uitwendige Woord en de tekenen [= sacramenten]. Dit alles alleen zoals Hij dat ingesteld heeft volgens het Evangelie van Lukas: ‘Laten zij naar Mozes en de Profeten luisteren’ (Lukas 16 : 29).

Vandaar dat ook Paulus de doop het bad der wedergeboorte noemt, waarin de Heilige Geest door God rijkelijk uitgegoten wordt (Titus 3 : 5). Het mondeling gesproken Evangelie wordt door Paulus bovendien een Goddelijke kracht genoemd, die allen zalig maakt die daarin geloven (Romeinen 1 : 16).

Broeders, op deze orde moet u letten, want dat is van het grootste belang! Hoewel dan de geestdrijvers zich voordoen alsof zij hoog opgeven van Gods Woord en Geest en zich beroemen op een voortreffelijke, brandende liefde en ijver om de waarheid en de gerechtigheid van God, toch is het hun bedoeling om deze door God ingestelde orde om te keren. Uit weerspannigheid willen zij het tegenovergestelde instellen en daarom drijven zij het op deze manier: alles wat God uitwendig verordent om het inwendige door Zijn Geest te werken – zoals reeds gezegd is – bespotten zij.

Ach, hoe vol hoon en laster verwerpen zij alle genademiddelen en slaan zij die
in de wind en willen eerst beginnen met de Geest.

Maarten Luther: Wider die himmlischen Propheten, von den Bildern und Sacrament, vgl. WA 18,136,9-31

(1) Hij is met ons door het getuigenis van de apostelen dat God in deze wereld d.m.v. zijn gemeente(n), die door het werk van de Heilige Geest, de verkondiging van het Evangelie en de bediening van de sacramenten voortzetten tot  de wederkomst.
(2) Het uitwendig werk (nog) voorafgaand aan de Doop van onze pasgeboren kinderen, dat is het (altijd voortgaande) gebed tot onze Drie-enige God in de gemeente voor onze (ongeboren) kinderen en voor elkaar en natuurlijk ook de verkondiging van het Woord (o.m. door het verkondigend belijden van Gods Woord aan dopeling, ouders en gemeente door het lezen van het Doopformulier) voorafgaand aan het dopen.
Leest hoe vast het formulier ons belijden laat dat de doop betuigt en verzegelt dat God onze Vader is (niet “wil zijn”!) en dat daarom het kind later alleen nog maar deze waarheid zal kunnen gaan ontkennen en daarmee in strijd leven met de Waarheid in leer én leven.

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Bron afbeelding:  Sing Out my Soul to The Lord – blogger

Romeinen 10 6-10 - Who shall ascend - Sing Out - blogger

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Vrede met God…

Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben ​vrede​ met God
door onze Heere ​Jezus​ ​Christus. (Romeinen 5 : 1)

‘Wij hebben vrede met God’. Onze strijd met God is dus beëindigd. Ons weerspannig hart heeft zich geschikt naar Gods wil. Onze eigen wensen zijn stil geworden. De overwinning is aan God en ons vlees en bloed die God haten zijn verslagen en moeten zwijgen. ‘Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede met God’.

God heeft gelijk gekregen. God is rechtvaardig, of wij zijn wegen verstaan of niet; God is rechtvaardig, of Hij ons nu straft en tuchtigt of ons begenadigt. God is rechtvaardig, wij zijn de overtreders. Wij zien het niet, maar ons geloof moet het belijden: God alleen is rechtvaardig. Wie zo in het geloof erkent dat het gelijk, het recht, aan Gods kant is, is voor God op de rechte plaats gekomen; hij is voor God recht-vaardig geworden, om voor Hem te kunnen bestaan.

‘Wij hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus’. Ook Gods strijd tegen ons is dus beëindigd. God haatte de wil die zich voor Hem niet wilde buigen. Ontelbare keren riep Hij, vermaande, smeekte en dreigde Hij, tot zijn toom over ons geen geduld meer kende. Toen hief Hij zijn hand op om te slaan, toen sloeg Hij toe.

Hij trof de enige onschuldige op de aarde. (1) Het was zijn lieve Zoon, onze Here Jezus Christus. Jezus stierf voor ons aan het kruis, geslagen door de toom Gods. God zelf had Hem daartoe gezonden. Toen zijn Zoon zich boog tot in de dood voor zijn wil en recht, was Gods toom gestild. Wonderbaarlijk geheimenis – God heeft vrede met ons gesloten door Jezus Christus.

‘Wij hebben vrede met God’. Onder het kruis is vrede. Hier is de overgave aan Gods wil, hier is de vrede van het geweten in de vergeving van al onze zonden. Hier onder het kruis, is de toegang tot de genade waarin wij staan, hier is de altijd open deur naar de vrede met God. Hier ligt de weg waarlangs de wereld de vrede kan vinden met God.

Daarom is het kruis van Jezus Christus voor zijn gemeente een eeuwige bron
van vreugde en hoop op de komende heerlijkheid Gods.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Vrede met God” – (2 maart) “Na de strijd” – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1) (…) Wie van u zonder ​zonde​ is, laat die als eerste een ​steen​ naar haar werpen. 8 En weer bukte Hij neder en schreef op de grond. 9 Maar toen zij dit hoorden, gingen zij één voor één weg, te beginnen bij de oudsten, en zij lieten ​Jezus​ alleen en de vrouw in het midden. 10 En ​Jezus​ richtte Zich op en zei tegen haar: Vrouw, waar zijn zij? Heeft niemand u veroordeeld? 11 En zij zei: Niemand, Here. En ​Jezus​ zei: Ook Ik veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer! (Uit Johannes 8)

Bron afbeelding:  Pinterest

Romeinen 5 1 Peace with God through Jesus Christ - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

We vlucht(t)en weg van God…

(…) Toen de jongeman dit woord gehoord had, ging hij bedroefd weg,
want hij had veel bezittingen.
(Matteüs 19 : 22)

Lectures on Jonah – 1525/1526 (19)

Nu moeten we ook de geestelijke lessen van het boek Jona (als geheel) bezien…
– Luther in 1526 – Tweede citaat:

De tweede interpretatie betreft geestelijke vlucht en ondergang. We zien hoe het een zondaar vergaat wanneer hij geestelijk sterft en dan herleeft – dat wil zeggen wanneer hij gerechtvaardigd wordt en zijn zonden verzoend.

Dit is de manier waarop dat gebeurt: zonde is de eerste stap in het proces. Wij zijn allemaal in zonde gevallen door de ongehoorzaamheid van Adam. Deze zonde is door onze ongehoorzaamheid toegenomen en verergerd. Daarom zijn we gevlucht weg van Gods tegenwoordigheid, omdat we de wil van God niet doen, vooral wanneer we hechten aan een aantrekkelijke zonde, of meedoen aan hypocrisie en onwaarachtige aanbidding van God, in afwijking van wat het betrouwbare Woord van God ons voorhoudt.

Hier blijkt het uit de ongehoorzaamheid en de vlucht van Jona weg van het aangezicht van God. Want omdat wij in zonde zijn, zoeken wij Gods nabijheid niet, maar leven we ver verwijderd van Hem, zoals de verloren zoon in het Evangelie van Lukas (Lukas 15 : 11).

Het feit dat Jona over zee reist, zonder een bepaalde bestemming in gedachten te hebben, wijst erop dat de zondaar die wegvlucht van God, geen bepaald doel voor ogen heeft, maar gedreven door “vlees en wereld” rondzwerft en dwaalt, waar ook maar de duivel hem heen leidt en (aan)dringt om heen te gaan. Hij maakt zich niet druk over zijn doel en bestemming, behalve dat hij niet in gehoorzaamheid aan God wil leven. Hij wil zijn leven inrichten naar eigen goeddunken.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 19, 246, 12-27

NB. De bovenstaande tekst werd vertaald vanuit het Engels (zie hieronder).

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, they can use our web-form located on the homepage of maartenluther.com There you can find both options to subscribe and unsubscribe from these weekly quotes. Our emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  YouTube

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie