Godsvertrouwen – niet “los verkrijgbaar”…

Citaat: “Wat we echter vooral nodig hebben, is een christelijke vertrouwensbasis. Vertrouwen in elkaar, in de kerk van alle tijden en bovenal in God. Hij houdt zijn kerk in leven, ook in de toekomst.” (Zie bron tekst onderaan)

Opgemerkt: Wat in het betreffende artikel en in de kerken vooral gemist wordt, dat is het vertrouwen in Gods Woord, daar loopt het op spaak op allerlei terrein van het kerkelijk en persoonlijk leven.
Nog nooit is er in de kerken (en ook in de politiek) zoveel verwachting gewekt en geweest van ons mensen zelf (en dat zelfs ondanks de maar voortgaande kerkversnippering en kerkverlating). Belijden dat we nog net zo afhankelijk zijn van het Woord en dat we niet minder uit en van het Woord (dat in verleden, heden en in de toekomst Levend en Krachtig is) hebben te leven als in de tijd van de Reformatie en dat dit gebeurd in de samenkomsten vanaf de preekstoelen (door nederige en zuivere bediening van Gods Woord) en in de huis/slaapkamers en catechisatie-lokalen daar wordt (hier) niet de vinger bij gelegd. En dat is tekenend voor het kerkelijk/theologisch-klimaat van onze tijd…

De verkondiging kan op zondag heel “Bijbelgetrouw” zijn, maar wanneer het klimaat in de gemeente helemaal doortrokken is van “maar we moeten het wel met elkaar organiseren” anders is en wordt het niets (eerder was dat: dan blijven we niet bij “de Belijdenis” en tegenwoordig: “anders blijft er geen hond meer bij de kerk”) en wanneer we tijdens de diensten, in het kerkblad en op de website diezelfde “organisatie-geest” ontmoeten en uitstralen, dan kan en wil God dat verkondigde Woord niet zegenen!
Denk aan de vrijgemaakte kerken/gemeenten in de jaren zestig, daar zou men de doorgaande reformatie wel eens van binnenuit organiseren! Helaas is die geest van organisatiekunde de laatste jaren overgewaaid naar en binnen gehaald in de NGK, alleen had en heeft men nu andere doelen op het oog (zowel binnen de eigen NGK-gemeenten/kerken als ook bijv. nu bij de fusie met de GKV en breder).

Lees de woorden aan de zeven gemeenten in Openbaring (en m.n. ook Openbaring 3 : 7-13). Wanneer we op de meest eenvoudige wijze gemeente zijn, waar het Woord bediend wordt, dan heeft zo’n gemeente – met de dichter van Psalm 23 – te belijden: het ontbreekt ons aan niets. Het is aan God (door de kracht van Zijn Woord, en niet door onze organisatiekunde!) om de sluizen van onze harten (naar elkaar, verkondigend naar “de buitenwereld” en ten bate van onderlinge kerkelijke (h)erkenning) en ook die van onze portemonnees open te zetten. Dat hebben we niet te doen door al dat tegenwoordige organiseren – o.a. dmv (kostbare) gemeenteprojecten en “luidkeels” onder de aandacht gebrachte goede doelen-projecten (1), etc. -, want daarmee ontnemen we God zijn eer(!!!) en prijzen wij onszelf (aan) en de werkelijke Geestelijke (met een hoofdletter!) betrokkenheid kunnen we heus niet mee-organiseren (wordt alleen gewekt door het Woord!) en die betrokkenheid ontbreekt dan ook!

(1) Dergelijke georganiseerde “goede doelenprojecten” kunnen we zeker wel de gemeentelijke/persoonlijke AFLATEN van deze tijd noemen!

Bron tekst: “Theologenblog: Vertrouw elkaar in de kerk” – Rob van Houwelingen – RD Opinie, 7 november 2017

Bron afbeelding: Pinterest

Openbaring 3 8 - I know thy works - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Mij/ons ontbreekt niets…

‘De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij weidt mij op een groene weide en voert mij tot het frisse water. Hij verkwikt mijn ziel en leidt mij op de goede weg omwille van Zijn Naam. En al wandelde ik in een duister dal, dan vrees ik geen ongeluk, want U bent met mij. Uw stok en staf vertroosten mij. U richt voor mij een tafel toe tegenover mijn vijanden. U zalft mijn hoofd met olie en schenkt mij overvloedig in. Het goede en de barmhartigheid zullen mij volgen mijn leven lang. En ik zal in het huis des HEEREN voor altijd blijven’ (Psalm 23, weergave DB 1545).

“In deze Psalm looft en dankt David, en iedere christenziel, God voor Zijn grootste weldaad, namelijk voor de prediking van Zijn lief, heilig Woord, waardoor wij geroepen, aangenomen en geteld worden onder het volk, dat Gods gemeente of kerk is. Daar kan men alleen – verder nergens – de ware kennis van Gods wil en de zuivere godsdienst vinden en hebben.

In de eerste plaats vergelijkt de profeet zichzelf met een schaap en God met een trouwe en goede herder, die voor zijn schapen zorgt. De groene weide is de plaats waar volop gras en fris water is, waar de schapen kunnen grazen en drinken. Dat betekent: Christus’ gelovigen eten en drinken (als) het Woord van God.

De profeet geeft in deze psalm verschillende voorbeelden om het Woord van God aan te duiden: een groene weide, fris water, de goede weg, een stok, een staf, een tafel, een balsem of vreugdeolie en een beker, die steeds volgeschonken wordt. Hij doet dat niet zonder reden, want het gebruik van Gods Woord is ook velerlei. Die dus tot de schapen van deze Herder behoren, hebben geen gebrek aan enig goed en zijn naar ziel en lichaam overvloedig verzorgd, zoals Christus zegt: ‘Zoek eerst het koninkrijk van God …’ (vgl. Mattheüs 6 : 33).

Dat betekent: bij deze Herder is het leven voor de gelovigen altijd goed, waarbij eten, drinken en allerlei vreugde en blijdschap in overvloed is. Ze worden niet alleen door Zijn Woord geleerd, geleid, verkwikt, gesterkt en vertroost, maar ook altijd op de goede weg gehouden. Zo worden ze met alle nooddruft van lichaam en ziel verzorgd, en tenslotte overwinnen en zegevieren ze over alle aanvechtingen en beproevingen – waarvan ze er ook genoeg moeten verduren.

Kort gezegd: ze leven in volkomen rust en veiligheid, omdat deze Herder
hen weidt en hoedt.“

Maarten Luther: Der 23. Psalm über Tisch ausgelegt, 1536, vgl. WA 51, 267 vv (verkort)

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com

(…) 10 als bedroefden, maar toch steeds blij; als armen, maar die toch velen rijk maken; als mensen die niets hebben en toch alles bezitten.  (Paulus aan de gemeente te Korinthe, in 2 Korintiërs 6)
(…) 16 Moge de ​Heer​ zich ontfermen over de huisgenoten van Onesiforus, want hij heeft mij vaak opgemonterd en zich niet voor mijn gevangenschap geschaamd. (Paulus in 2 Timoteüs 1)
(…) 6 …het moment waarop ik heenga nadert. 7 Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. 8 Nu wacht mij de krans van de ​gerechtigheid​ die de ​Heer, de rechtvaardige Rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar Zijn komst hebben uitgezien. (Paulus in 2 Timoteüs 4)

Bron afbeelding: Free Christian Wallpapers

Psalm 23 1-4 - I shall not be in want - Free Christian Wallpapers

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Hoe te léven met een ons genadig God… (III)

(…) 14 En Hij was bezig een ​boze geest​ uit te drijven en deze was stom. En het geschiedde, toen de geest uitgevaren was, dat de stomme sprak. En de scharen verwonderden zich. (Uit Lukas 11)

[Behandelde tekst: Lukas 11 : 14-23, over de genezing van een doofstomme]

(…) Het derde stuk gaat over de goede werken. Wanneer nu de natuur én de persoon goed is, dan volgt het derde, namelijk dat men ook goed moet doen. Wanneer de satan uitgeworpen is, neemt de verstomming een einde en begint de stomme te spreken. Dan wordt hij pas echt iemand die hoort, spreekt, dankt en onderwijst – iets wat hij tevoren niet kon. (1)

Dat zijn dan ook de voornaamste werken van een christen, dat hij spreekt en anderen leert, zijn gezin onderwijst, de gelovigen troost en vermaant. Dan spreekt hij pas werkelijk, dan kan hij bidden, dan doet hij ook met zijn handen zoveel goeds als maar kan. Dat zijn de goede werken! Daarom kan een christen geen goede werken doen vóór de twee eerste stukken, namelijk vóór hij zich leert kennen als een kind van de duivel en vóór Christus hem door Zijn genade verlost.

Als dat gebeurd is, dan weet hij pas wat hij met zijn goede werken op het oog moet hebben. Zeker niet om daardoor naar de hemel te gaan! – want Christus gééft u dit alles, omdat u uzelf als een ellendig mens en Christus als uw Zaligmaker kent. God kan u niets geven dat meer is dan Christus! Hij wordt aan u gegeven zonder enig werk, maar slechts door de kennis dat wij niets zijn én door de kennis van Zijn barmhartigheid.

Zonder twijfel houden velen het ervoor dat zij alles al ontvangen hebben als ze hun ellende kennen – ja, als het alleen over het verstand ging: ik weet dat ik een kind van de duivel ben. Maar daar hoort nog veel meer bij, want u ziet hoe zij afvallig worden die veel spreken en schrijven over hun zonde.

Ons leven lang hebben wij nodig deze stukken te leren, want een christen is die mens die in de eerste plaats zichzelf kent [door het gebod], in de tweede plaats zich aan Christus houdt [door het geloof], en in de derde plaats goede werken doet [door de liefde]. Welke werken dat zijn, leren de Tien Geboden, wat daartoe nodig is te bidden, leert het Onze Vader. Dat zijn de drie stukken die een mens tot christen maken. (a)

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1530, vgl. WA 32, S.19-20, weergave: Dr. Georg Buchwald, Martin Luther Predigten I, S. 663-664, Gütersloh 1926

(a) Let hier ook op de volgorde die geheel overeenkomt met de hoofdlijn van de НС: gebod, geloof, gebod en gebed. Opmerkelijk is dat Luther hier de Tien Geboden (gebod) en het Onze Vader (gebed) in de geest van de HC samenvoegt, waardoor er toch niet meer dan drie stukken nodig zijn tot zaligheid (vgl. HC Zondag 1, vr. 2).

(1) Door de kerkleer worstelde Luther veel van zijn jonge jaren met de vraag “Hoe krijg ik een genadig God”. Toen hij de boodschap van het Evangelie begreep, werd voor hem “Hoe léven wij met een ons genadig God” de centrale vraag en boodschap (antwoord) die hij in en door zijn werk als prediker, pastor en theoloog aan ons wilde voorleggen en doorgeven en voorléven.

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” (Zondag 33, v&a 90, “Wat is de opstanding van de nieuwe mens?”) samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Zie ook:
– “Hoe te léven met een ons genadig God… (II)
– 
“Hoe te léven met een ons genadig God… (I)”

Bron afbeelding:  Pinterest

Lukas 11 24 - But even more blessed are all - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | 1 reactie

Hoe te léven met een ons genadig God… (II)

(…) 13 Want u bent tot vrijheid geroepen, broeders, alleen niet tot die vrijheid die aanleiding geeft aan het vlees; maar dien elkaar door de ​liefde. 14 Want de hele wet wordt in één woord vervuld, namelijk hierin: U zult uw naaste ​liefhebben​ als uzelf. (Uit Galaten 5)

(…) Wij willen nu niet verder ingaan op de werken in het algemeen en op die in het bijzonder die een christen met het oog op zijn eigen leven moet doen. Wij willen liever nog wat zeggen over die andere werken die zijn verhouding tot zijn medemensen betreffen. De mens leeft immers niet alleen in zijn eigen lichaam, maar ook te midden van andere mensen op aarde. Ook tegenover hen heeft hij een taak. Hij moet in ieder geval met hen spreken en hij heeft met hen te maken, hoewel ook van de dingen die hij in dit verband doet, geldt dat zij voor zijn gerechtigheid en zaligheid niet nodig zijn. (1)

Daarom moet hij ook deze werken in vrijheid doen en zijn bedoeling daarmee mag geen andere zijn, dan zijn medemensen ermee te dienen en te helpen. Hij mag er niets anders mee op het oog hebben, dan wat voor die anderen nuttig is. Dat is een oprecht christelijk leven en daar gaat het geloof dan ook met plezier en met liefde aan het werk.

Zo heeft Paulus het aan de Galaten geleerd (vgl. Galaten 5 : 6). En zo schrijft hij ook aan de Filippenzen, nadat hij hun duidelijk heeft gemaakt dat zij door hun geloof in Christus de volle rijkdom van de genade bezitten: ‘Ik vermaan u, met een beroep op alle troost die u hebt in Christus, en bij alle troost die u hebt in mijn liefde tot u, en bij de gemeenschap die u hebt met alle geestelijke ware christenen’ – en dan gaat hij verder: ‘maak mijn hart toch volkomen blij, en wel door voortaan één van zin te zijn, en dat de een de ander liefde zal bewijzen; dat de een de ander zal dienen, en ieder niet op zichzelf of het zijne ziet, maar ziet op de anderen en wat zij nodig hebben’ (vgl. Filippenzen 2 : 1 vv).

Kijk, hier heeft Paulus een duidelijk beeld van het christenleven getekend, waarin alles wat de mens doet op het welzijn van zijn naaste gericht is, juist omdat ieder voor zichzelf genoeg heeft aan zijn eigen geloof. Alles wat hij verder bezit aan werk en leven, heeft hij nu over om daar zijn medemens uit vrijwillige liefde mee te dienen.

Maarten Luther: Von der Freiheit eines Christenmenschen, 1520, vgl. WA 7,34,22-35,13

(1) Door de kerkleer worstelde Luther veel van zijn jonge jaren met de vraag “Hoe krijg ik een genadig God”. Toen hij de boodschap van het Evangelie begreep, werd voor hem “Hoe léven wij met een ons genadig God” de centrale vraag en boodschap (antwoord) die hij in en door zijn werk als prediker, pastor en theoloog aan ons wilde voorleggen en doorgeven en voorléven.

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” (Zondag 33, v&a 90, “Wat is de opstanding van de nieuwe mens?”) samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Zie ook:
– “Hoe te léven met een ons genadig God… (III)
– “Hoe te leven met een ons genadig God… (I)”

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Galaten 5 13-14 You, my brothers were called to be free - SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Hoe te léven met een ons genadig God…(I)

[Behandelde tekst: Lukas 7 : 36-50, uit een preek over ‘de zondige vrouw’, vervolg]

(…) Dit is de goede boete: dat men in de zonde niet doorgaat, maar deze overdenkt en er verdriet over heeft – dáár zal ten slotte een nieuw leven moeten volgen. Want het is onmogelijk, wanneer het berouw goed in het hart zit en het u bedroefd maakt dat u tegen God gezondigd hebt, dat u zich in zulke zonden gewillig weer zult begeven. (1)

Zo’n berouw echter zal een mens voor zich niet kunnen maken wanneer het hém past. Het is het werk van de Heilige Geest dat Hij in ons begint door het Woord van God, dat eerst de zonde openbaart en daarna ook de straf der zonden aanwijst – de eeuwige dood. Dit is geen straf om mee te spotten, maar dringt en drijft de ziel zó dat zij niet meer weet wat zij moet beginnen en van angst bijna geen adem meer kan halen.

Vervolgens komt hier dat hartelijke wenen en de echte verandering van het hele leven van deze vrouw. Nu loopt zij geen jonge gezellen meer na en wenkt niet meer met haar ogen. Zij gebruikt nu haar haar niet meer om hoogmoed mee te bedrijven. Maar zij gedraagt zich nu zó dat men wel moet zien dat zij zich diep schaamt over haar vorige leven en zich wil beteren en bekeren. Hier moeten wijzelf ook met de boete beginnen, niet zelfvoldaan zijn, maar ernstig en eerlijk onderzoek doen naar ons doen en laten.

Wanneer wij in strijd met het Woord hebben geleefd, dan moeten wij daar dadelijk mee stoppen. Onze misdaad aan God belijden en bidden dat wij in het vervolg ons daarvoor wachten en ons beter mogen gedragen. Dat is het eerste dat wij van deze vrouw moeten leren – als wij tenminste willen beginnen om ware boete te doen.

Echter, daarmee is de boete nog niet geëindigd, want daardoor worden uw zonden niet vergeven, ongeacht dat zij u verdriet doen. Er moet nog iets anders bijkomen: namelijk dat u met deze vrouw tot de Heere Christus gaat en Hem om vergeving bidt. Ja, nóg meer, dat u ook een hartelijk vertrouwen in Hem hebt dat Hij uw zonden wil vergeven – zonder verdienste, uit pure genade. Dat is het goede stukje van de boete, waardoor de boete volkomen wordt en wij vergeving van zonden ontvangen – namelijk alleen door het geloof in Christus.

Maarten Luther: Hauspostille 1544, gepredigt zu Hause, 1530-1535,vgl. WA 52,666,36 – 667,24

(1) Door de kerkleer worstelde Luther veel van zijn jonge jaren met de vraag “Hoe krijg ik een genadig God”. Toen hij de boodschap van het Evangelie begreep, werd voor hem “Hoe léven wij met een ons genadig God” de centrale vraag en boodschap (antwoord) die hij in en door zijn werk als prediker, pastor en theoloog aan ons wilde voorleggen en doorgeven en voorléven.

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” (Zondag 33, v&a 90, “Wat is de opstanding van de nieuwe mens?”) samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

Zie ook:
– “Hoe te leven met een ons genadig God… (II)”
– “Hoe te léven met een ons genadig God… (III)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

God verhoort geen “mooie mensen”… (II)

Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is van degenen die Hem zoeken. (Hebreeën 11 : 6)

CHRISTUS ZEGT: ‘En wat u bidden zult in Mijn Naam, dat zal Hij u geven.’ Christus voegt duidelijk deze woordjes ‘in Mijn Naam’ toe, om ons te leren dat er zonder geloof geen goed gebed gedaan kan worden en dat buiten Christus niemand één letter kan bidden die voor God waarde heeft of Hem aangenaam is.

De ongelovigen en de geveinsden bidden allemaal met de gedachte, dat God hun eigen werken of de verdiensten óf de heiligheid van anderen zal aanzien en hen daarom verhogen en kronen moet.

De huichelaar bidt: ‘Ik dank U, Heere, dat ik niet ben als de andere mensen.’ net alsof hij zegt: ‘Ik heb Uw genade en barmhartigheid niet nodig, maar ik heb die wel verdiend.’ Hij wil niets van God ontvangen, maar meent ondertussen wél iets aan Hem te geven. Hij denkt dat God hem moet belonen en verheugd zal zijn dat Hij zo’n heilige man als vriend heeft.  Maar in de hemel spreekt God Zijn NEE over dit gebed uit.

Hij wil het gebed van niemand horen en aannemen, dan alleen van degenen die op grond van louter genade en barmhartigheid – in de Naam van Christus – tot Hem komen en met de tollenaar zeggen: ‘O God, wees mij zondaar genadig!’

Maarten Luther: Das XIV. und XV. Kapitels. Johannis, 1538, vgl. WA 45,541,10-23

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot u – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” Samengesteld, vertaald en ingeleid door H.C. van Woerden. Den Hertog Uitgeverij.

Zie ook: God verhoort geen “mooie mensen”… (I)

Bron afbeelding:  YouTube

Lukas 18 13 - God be merciful to me - YouTube

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

God verhoort geen “mooie mensen”… (I)

Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen. (Johannes 14 : 14)

CHRISTUS WIL HIER ZEGGEN: als je in Mij gelooft en de Heilige Geest hebt ontvangen, waardoor het hart verzekerd wordt van de genade van God – zoals Hij gezegd heeft: ‘Wie Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien’ – dan volgt hier met zekerheid op dat zo iemand ook bidt, want bidden is het eigenlijke en echte werk van een christen. Daarvóór, voordat wij christenen worden en geloven, weten we niet wat bidden is.

Al zou een mens dan – in zijn eigen gedachten – allerinnigst bidden, dan is dat nog niet door de Geest der genade en der gebeden. Want in zijn hart is het eigenlijk niet anders dan: ‘Lieve Heere, wilt U toch gedenken hoe ik leef en hoeveel ik lijden moet om dit of dat, hoor mij hierom, hoor mij daarom,’ en zo gaat het maar door.

Dat is geen gebed op grond van het geloof in de genade en de barmhartigheid van God in Christus! Want ons hart blijft onzeker en weet niet of deze gebeden ooit verhoord zullen worden. Zo iemand wil slechts – buiten Christus – met God onderhandelen, alsof God Zich Zijn genade en hulp door een mens zou laten ontwringen.

Daarom mag dit geen ‘gebedsgenade’ heten, maar moet ‘niet gebeden en God bespot’ genoemd worden.

Een waar christelijk gebed komt van de Geest der genade en zegt: ‘Ik heb zo slecht geleefd als het maar zijn kan, daarom bid ik dat U mijn leven en werken niet aanziet, maar dat U alleen – uit enkel genade – omwille van Christus, mij Uw goedheid en barmhartigheid geven en schenken wilt.’

De vrucht van deze goedheid en barmhartigheid is dat je in het gebed in echte ootmoedigheid en nederigheid voor God neervalt en in een vast geloof op de beloften van God in Christus vertrouwt.

Maarten Luther: Das XIV. und XV. Kapitel S. Johannis, 1538, vgl. WA 45,540,26 – 541,9

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot u – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” Samengesteld, vertaald en ingeleid door H.C. van Woerden. Den Hertog Uitgeverij.

Zie ook: “God verhoort geen “mooie mensen”… (II)”

Bron afbeelding:  Pinterest

Johannes 16 24 - until now you have not asked - Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Als reukwerk voor Uw aangezicht…

(…) 2 Laat mijn ​gebed​ als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen als het avondoffer zijn.
(Uit Psalm 141)

Uit het voorwoord: ‘Een Venetiaanse drukker die Luther’s uiteenzetting over het Onze Vader had gelezen, maar niet wist wie de auteur was, riep uit, zoals de Lutherse reformator John Mathesius (1504-1565) rapporteerde:’ Gezegend zijn de handen die dit hebben geschreven. Gezegend zijn de ogen die dit zien. Gezegend zullen de harten zijn die dit boek geloven en roepen tot God.’ Natuurlijk was de reactie op het boek niet overal onverdeeld (zo) positief. Hertog George van Saksen meldde Luther dat zijn onlangs gepubliceerde boek over het gebed van de Heer veel gewetens in verwarring had gebracht.’

De inleiding: “Onze Vader, die in de hemel is”

(…) “Alle Schriftgeleerden concluderen dat gebed niets anders is dan het verheffen van het hart tot God. Maar als het verheffen van het hart de essentie en de aard van het gebed vormt, volgt dat alles wat de verheffing van het hart niet uitnodigt en bewerkt, geen gebed is.

Daarom zijn spreken, zingen en bespelen van een muziekinstrument, zonder het oprechte verheffen van het hart, in tegenspraak met het gebed, het is een waanvoorstelling en in tegenspraak met ons mens-zijn. Het is in wezen wensdenken – alleen vertoning en naam zijn dan aanwezig.

Toch, niemand kan en moet op zijn hart vertrouwen en zich inbeelden dat hij bidden kan zonder (vaste) woorden te moeten gebruiken, tenzij hij goed geoefend is in de Geest en ervaring heeft in het afzien van misleidende gedachten. Anders zal de duivel hem heel erg bedriegen en al spoedig het gebed in zijn hart smoren. Daarom moeten we ons vastklampen aan de woorden [van het gebed van de Heer, etc.] En met hun hulp stijgen we omhoog, totdat onze veren groeien en we in staat zijn om te vliegen zonder de hulp van woorden.

Ik veroordeel geen woorden of het gesproken gebed, en niemand behoort ze te verwerpen. Integendeel, we aanvaarden ze als een bijzonder groot geschenk van God. Het is echter verkeerd als de woorden niet in dienst staan van hun vruchtbare doel, namelijk om ons hart te bewegen, maar alleen gepreveld en gemompeld worden met de mond, met de onjuiste veronderstelling dat dit alles is wat nodig is. Niet alleen ontbreekt dan de vruchtbare verbetering en verheffing, maar er is dan zelfs sprake van corruptie van het hart.”

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 2, 85, 9-15; 24-35 (translation used: Luthers Works, Amercan Edition vol. 42, p. 25)

NB. Deze Luther-Quote werd vertaal uit het Engels (zie hieronder).

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, they can use the web-form located on the homepage www.maartenluther.com There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. Our emails are free of charge and we do not ask for donations.

Bron afbeelding:  Pinterest

Psalm 141 2 - Let my prayer be counted - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Nooit ernstig met onze zonden gestreden?

(…) Wie is gedurende een heel uur vrij van aanvechtingen? Dan wil ik nog zwijgen van de onzegbaar vele beproevingen en verzoekingen. Van álle aanvechtingen is deze echter wel de gevaarlijkste: als er helemaal geen aanvechting is en alles naar onze zin gaat, zodat de mens God vergeet, te makkelijk wordt, en de dag van de zaligheid [of de genadetijd] misbruikt.

Ja, hier is het aanroepen van Gods Naam nog tienmaal meer nodig dan in een tijd van beproeving. Daarom staat er ook geschreven: ‘Duizend vallen aan de linker- en tienduizend aan de rechterkant’ (vgl. Psalm 91 : 7). Ook dat zien wij als bij heldere dag: dat er juist gruwelijke overtredingen en ongerechtigheden plaatsvinden in tijden van vrede en voorspoed. (…)

Als geen voor- of tegenspoed ons leert om God aan te roepen of op Hem te vertrouwen, dan zou alleen de zonde al meer dan genoeg zijn om ons tot bidden te noodzaken. Want de zonde heeft ons op drie manieren met sterke en grote legers omsingeld. Het eerste is ons eigen vlees, het tweede de wereld, het derde de duivel. Door deze drie worden wij zonder ophouden bestreden en aangevochten. Het vlees zoekt genot en rust, de wereld zoekt bezit, gunst, macht en eer, de duivel zoekt hoogmoed, roem, zelfbehagen en het verachten en haten van onze naaste.

Deze zaken zijn alle bij elkaar zo machtig, dat elk daarvan op zichzelf al voldoende is om een mens genoeg aanvechtingen te bezorgen. Wij kunnen ze immers op geen enkele manier overwinnen dan alleen door gelovig de heilige Naam van God aan te roepen. Zoals Salomo zegt: ‘De Naam van God is een vaste Burcht, de gelovige vlucht daarheen en wordt boven alles verheven’ (vgl. Spreuken 18 : 10). Zo ook David: ‘Ik zal de kelk van het heil drinken en Gods Naam aanroepen’ (vgl. Psalm 116 : 13). Evenzo: ‘Ik zal met lofzegging God aanroepen, dan zal ik verlost worden van al mijn vijanden’ (vgl. Psalm 18 : 4).

Deze werken en de kracht van Gods Naam zijn voor ons helaas geheel onbekend geworden, omdat wij ons niet aan Hem hebben gewend (vgl. Job 22 : 21) en nooit ernstig met de zonden hebben gestreden.

Maarten Luther: Von den guten Werken, 1520, vgl. WA 6,223,31 – 224,3; 225,12-29

Bron tekst: “Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus” (Zondag 52, v&a 127, “Welke is de zesde bede?”) samengesteld door H.C. van Woerden, Den Hertog uitgeverij.

24 Laat het goud toch in de aarde rusten,
laat het erts van Ofir liggen op de bodem van de stroom,
25 dan zal de Ontzagwekkende je goud zijn,
dan zal hij een schat zijn van het puurste zilver.
26 Je zult vreugde vinden bij de Ontzagwekkende
en je gezicht weer naar Hem opheffen.
(Uit Job 22)

Bron afbeelding: NKJV

Job 22 24-26 - the Almighty will be your gold - NKJV

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wat God verbonden heeft… (III)

(…) 7 En het einde van alle dingen is nabij; wees daarom bezonnen en nuchter in de ​gebeden. 8 Maar heb voor alles vurige ​liefde​ voor elkaar, want de ​liefde​ zal een menigte van ​zonden​ bedekken. 9 Wees gastvrij voor elkaar, zonder morren. 10 Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft, als goede beheerders van de veelsoortige ​genade​ van God. (Uit 1 Petrus 4)

Zo groot is de mens dat hij, als zijn leven rechtvaardig is, zelfs over de engelen zal oordelen. Zaliger is de liefde, die de menigte van de zonde bedekt.

Wij hebben de macht van de liefde geprezen: dat zij menigte van zonden bedekt. Wij hebben gesproken als tot volmaakten. Als er nu iemand zou zijn die zich niet als volmaakte voelt – wat uitgesproken is, richt zich desalniettemin ook tot hem. Laten wij nog eenmaal bij deze liefde verblijf houden, om haar beeld goed in ons op te nemen, zoals ze zich aanschouwelijk voor de ziel stelt. (…)

Toen de Schriftgeleerden en de farizeeërs een vrouw op openbare zonde hadden betrapt, stelden zij haar in het midden van de tempel voor het aangezicht van de Heiland. Jezus echter bukte zich en schreef met zijn vinger in de aarde. Hij, die alles wist, wist ook wel wat de Schriftgeleerden en farizeeërs wisten, voordat ze het Hem zeiden. De Schriftgeleerden en farizeeërs brachten de zonde van deze vrouw gelijk aan het licht, wat ook niet zo moeilijk was, want haar zonde was duidelijk. Ze brachten tegelijk een andere zonde aan het licht: die, waaraan zij zichzelf schuldig maakten, terwijl zij sluw een valstrik legden voor de Heer.

Maar Jezus bukte zich en schreef met de vinger in de aarde. Waarom bukte Hij dan; waarom schreef Hij dan wel met zijn vinger in de aarde? Zat hij daar als een rechter, die nauwgezet luisterde naar de aanklacht, die terwijl hij luistert, zich neerbuigt en een aantekening maakt van het punt van de aanklacht, met de bedoeling die niet te vergeten, zodat hij een streng oordeel uit kan spreken? Is de schuld van deze vrouw de enige die schriftelijk werd aangetekend door de Heer? Of – als iemand met zijn vinger in de aarde schrijft, schrijft hij dan niet veeleer met de bedoeling dat hij uit kan wissen om te vergeten?

Daar stond de zondares, omringd door zulke mensen die misschien wel schuldiger waren dan zij en zij klagen haar luidkeels aan. De liefde echter bukte zich en vernam de aanklacht niet, die over haar hoofd heen in de lege lucht verdween. De liefde schreef met de vinger om uit te wissen, wat zij zelf wist; want de zonde brengt de vele zonden aan het licht, maar de liefde bedekt de menigte van de zonden. Ja, zelfs voor de ogen van de zonde bedekt de liefde de menigte van de zonden.

Want slechts één woord van de Heer en de farizeeërs en de Schriftgeleerden verstommen, en toen was er geen aanklager meer, niemand die veroordeelde. Jezus echter sprak tot haar (1): Ik veroordeel u ook niet, ga heen en zondig niet meer, want straffen van de zonde baart nieuwe zonde. Maar liefde bedekt menigte van zonden.

(1) Jezus was daar Degene zonder zonde, die het recht had om de eerste steen te werpen…

Bron tekst: “Sören Kierkegaard: ‘De liefde bedekt menigte van zonden'”, Ecclesia nr. 22, oktober 2017.

Zie ook de twee eerdere blogs (I) en (II)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

1 Petrus 4 7-10 - love will cover a multitude of sins - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie