Christelijke zielszorg… (VIII)

(…) Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u! 5 Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij. 6 Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door ​gebed​ en smeking met dankzegging bekend worden bij God. 7 En de ​vrede​ Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw ​harten​ en uw gedachten behoeden in ​Christus​ Jezus. (Uit Filippenzen 4)

Ziet hoe lief zij elkaar hebben!

Een christen sterft dagelijks (1 Korintiërs 15 : 31), maar hoewel zijn vlees daaronder lijdt en te gronde gaat, zo wordt toch de innerlijke mens vernieuwd van dag tot dag (2 Korintiërs 4 : 16).

Het sterven van de heiligen naar hun vlees heeft zijn enige grondslag daarin, dat Christus door de Heilige Geest zijn leven in hen is begonnen. De heiligen sterven aan Christus en Zijn leven. Nu behoeven ze geen eigen gewild lijden meer te zoeken, waardoor ze zich alleen maar opnieuw in hun vlees zouden handhaven. Christus is hun dagelijkse dood en  hun dagelijkse (brood/Brood, AJ) leven .

Daarom geldt ook voor hen in volkomen mate de jubel, dat de uit God geborenen niet meer kunnen zondigen; dat de zonde over hen niet meer heerst; dat ze der zonde gestorven zijn en naar de Geest leven. ‘Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn’ (Romeinen 8 : 1). God heeft een welbehagen in zijn heiligen, want Hijzelf is het, die hun strijd en hun sterven bewerkt en juist daarin de vrucht van de heiliging laat groeien, waarvan de heiligen volkomen zeker moeten zijn, dat hij er is, ook wanneer hij hun (en anderen!, AJ) diep verborgen blijft.

Het is trouwens niet zo, dat nu verder hoererij, gierigheid, moord en broederhaat in de gemeente kunnen heersen onder de boodschap van de vergeving. Het is ook niet zo, dat de vrucht van de heiliging onzichtbaar kan blijven. Maar juist daar, waar ze ver weg zichtbaar wordt, waar de wereld bij het zien van de christelijke gemeente moet spreken, zoals in de eerste dagen van de christenheid: ‘Ziet, hoe lief zij elkander hebben’, juist daar zullen de heiligen geheel alleen en vastberaden zien op Hem, wie zij toebehoren, en zullen zij zonder te weten van het goede aan henzelf, vergeving vragen voor hun zonden.

Dezelfde christenen die het zich tot eigendom maken, dat de zonde niet meer heerst, dat de gelovige niet meer zondigt, zullen belijden:

Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet. Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige’ (1 Johannes 1 : 8 – 2 : 1).

Daarom heeft de Heer hen zelf leren bidden: Vergeef ons onze schulden. Daarom heeft Hij hun geleerd elkaar de zonden te vergeven, altijd weer (Efeziërs 4 : 32; Matteüs. 18 : 21 vv).

Doordat de christenen elkaar als broeders vergeven, geven zij in hun gemeenschap plaats aan de vergeving van Jezus, zien zij in de ander niet meer iemand die hun kwaad doet, maar iemand voor wie Christus aan het kruis vergeving verworven heeft. (1) Zij ontmoeten elkaar als de door het kruis van Jezus geheiligden. Onder dit kruis wordt door dagelijks sterven hun denken, hun woord, hun lichaam geheiligd. Onder dit kruis groeit de vrucht van de heiliging.

(wordt vervolgd)

(1) Opgemerkt AJ: Ook/zelfs het vergeven van en liefde bewijzen aan onze vijanden (binnen of buiten de gemeente/kerk) is opdracht! Onze Heer Jezus Christus ging voor ons aan het kruis toen wij nog goddelozen (‘vijanden/vijandig’) waren…

Zie ook:   Christelijke zielszorg… (I), (II), (III), (IV), (V)(VI) en (VII)

Bron tekst:  Dietrich Bonhoeffer – ‘Navolging‘ – Vijfde druk  – Uitgeverij Ten Have

Bron afbeelding:  Bible Study Tools – Inspriational Images

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Die de wijngaard bederven…

Vang voor ons de vossen, vang die kleine vossen. Ze vernielen de wijngaard, onze wijngaard vol bloeiende ranken. (Hooglied 2 : 15)

Hagedissen bij de koning *

 Een hagedis kunt u met beide handen grijpen, maar hij zit in de paleizen van de koning. (Spreuken 30 : 28, HSV vertaling 2010)

Komt u geregeld spinnen tegen in uw huis? Het is een merkwaardig fenomeen. Je ruimt je huis goed op, stofzuigt geregeld, houdt de ramen dicht en dan opeens: een spin. Waar komt het beestje vandaan? Hoe komt het binnen? In Israël herkent men dit ook, maar dan met hagedissen. Ze zijn klein, je kunt ze steeds weer pakken en naar buiten brengen, maar toch vind je ze iedere keer opnieuw in je huis.

Je kunt dan denken: “dat ik ze in huis vind, is nog wel te begrijpen, maar in een paleis, waar alles schoon en netjes is, zullen ze wel niet te vinden zijn”. Dat is echter niet het geval. Deze tekst uit Spreuken stelt dat de hagedis ook zit in het paleis van de koning.

Wat betekent deze Spreuk? Hij komt uit hoofdstuk 30. Daar gaat het over dienaren van de koning. Om preciezer te zijn: het zijn lessen hoe ze de koning het beste kunnen dienen en we kunnen een wijze les leren door naar een hagedis te kijken.

Allereerst iets over die hagedis. Het is geen (bijzonder) mooi dier. Het is maar klein en lijkt (zelfs wel) een beetje op een slang, maar dan met pootjes. Het woord ‘hagedis’ in het Hebreeuws, de taal van het Oude Testament, komt van het woord schrikken, van iets negatiefs dus, het gaat (ook) over iets dat eigenlijk verwijderd moet worden. In hedendaags Nederlands zouden we kunnen zeggen: iets irritants.

De toepassing is dan als volgt. Die hagedissen zijn wij. Wij zijn, of voelen onszelf vaak klein, ook al zijn we misschien al volwassen. Daarnaast zijn veel mensen in onze omgeving soms irritant. Zo voelen we ons zelf vaak niet, maar we kunnen ervan uit gaan dat veel mensen in onze omgeving wel weer zo naar ons kijken. Irritante trekjes zie je immers duidelijk bij anderen, maar zijn lastig om bij jezelf waar te nemen. Er is alle reden om ons mensen op te pakken en te verwijderen.

De spreuk gaat echter verder. Die irritante hagedisjes zitten ook in het paleis van de koning. In de tijd dat het geschreven werd, was het een verwijzing naar God en zijn tempel in Jeruzalem.

Voor ons betekent het een verwijzing naar de grote Koning, Jezus Christus. Ook wij mogen, ook al voelen we ons klein, zwak of ongeschikt, bij Hem horen. We mogen bij Hem in dienst staan. Dat is bijzonder, want eigenlijk horen wij, onheilige mensen, niet thuis bij een Heilige God. We zouden verwijderd moeten worden, maar ondertussen zitten we er wel.

In Psalm 84 staat dat zelfs een mus en een zwaluw een plek vinden om te wonen in de tempel. Hier in Spreuken 30 : 28 blijken zelfs hagedissen een plek te hebben. Deze spreuk zegt veel over ons en over de genade van God. Als kerk, als dienaren van God, zijn we hagedisjes. Eigenlijk zouden we allemaal opgeruimd moeten worden. Een hagedis hoort niet in huis en zeker niet in de tempel, het paleis van de Koning.

Maar we zitten er wel. We zijn zelfs welkom! Het evangelie is dat Jezus, God zelf, door zijn leven te geven aan het kruis, de weg vrij maakt voor ons mensen om bij Hem te komen. Het is belangrijk om aan deze genade nooit te wennen, maar er dankbaar voor te blijven.

Daarnaast helpt het ons ook om dankbaar te blijven voor de kerk. Ja, onze gemeentes zijn vol fouten en er zou veel verwijderd moeten worden. We zijn niet, zoals we eigenlijk zouden moeten zijn en het is herkenbaar dat we vergeleken worden met hagedissen.

Maar ondertussen is dat niet het enige. Jezus ziet ons tegelijkertijd als zijn dienaren en we mogen bij Hem horen. Zelf hagedissen zitten in het paleis van de koning. U en jij en ‘die ander’ horen er ook bij.

Bron tekst: ‘Meditatie’ door M. Dubbelman, Giessenburg in Ecclesia nr 15/16 -juli 2019

* Tevens (kleine) aanvulling op ‘Vang de kleine vossen‘ (door Dirk Jan van Veelen, NGK Zwolle):  4. De vos van de ergernis en irritatie.

Bron afbeelding:  Daily Bible Verses

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Geloof hoop en liefde…

Velen zeggen van mijn ziel: Zij heeft geen heil bij God’ (Psalm 3:3, weergave DB 1545).

Door lijden tot heerlijkheid

(…) “Altijd scherp ik u in en herinner ik u eraan dat de woorden van de Heilige Schrift, woorden van geloof, hoop en liefde zijn. Daardoor worden we in Christus’ genade onderwezen, zodat we niet in iedere angst en vrees neervallen en ondergaan. ‘Dit Woord ’ – zoals de apostel in Romeinen 15 : 4 zegt – ‘is tot onze lering en troost geschreven, opdat wij door geduld hoop zouden hebben.

Het is echter heel moeilijk en het is een werk van Gods genade dat je gelooft. Dit betekent: dat God ons het hoofd opheft en ons kroont midden in de aanvallen van dood en hel, namelijk dán als de uitkomst verborgen is, en ons niets anders voor ogen staat dan uiterste wanhoop en een God Die niet schijnt te verlossen. Op die manier worden wij onderwezen om tegen hoop op hoop te geloven (vgl. Romeinen 4 : 18).

Deze wijsheid van het kruis is in onze dagen bovenmate zeer verborgen in een diep geheimenis. Toch is er geen andere weg naar de hemel dan door dit kruis van Christus! Daarom moeten wij op onze hoede zijn dat niet het leven van doen en laten, met haar wettische werken, én daarbij het uitwendige beschouwende leven met haar overdenkingen, ons zouden bekoren.

Zowel het een als het ander is aangenaam voor het vlees, maar daarom ook gevaarlijk! Dit is dan ook de reden dat dit leven altijd door het kruis ingetoomd en door tegenheden verstoord moet worden. De weg van het kruis echter is aller-pijnlijkst. Zalig de mens die dit verstaat.”

Maarten Luther: Operationes in Psalmos, 1519-1521, vgl. WA 5, 84, 34 – 85, 5

Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres:  info@maartenluther-citaten.nl

(…) 7 Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. 8 De ​liefde​ zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – 9 want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. 10 Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. (Uit 1 Korintiërs 13)

Bron afbeeldingSlidePlayer

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Onze Heer en Redder…

(…) 1 Geliefde broeders en zusters, dit is al de tweede brief die ik u schrijf. Met beide wil ik u tot een helder inzicht brengen, 2 en wel door u te herinneren aan de woorden die de ​heilige​ profeten destijds hebben gesproken en aan het gebod van onze ​Heer​ en redder (1) dat uw ​apostelen​ u hebben doorgegeven. (Uit 2 Petrus 1)

(…) 17 Want Hij ontving van God, de Vader, eer en luister, toen de stem van de majesteitelijke luister tegen Hem zei: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.’ 18 Die stem hebben wij zelf uit de hemel horen klinken toen wij met hem op de ​heilige​ berg waren. 19 Ons vertrouwen in de woorden van de profeten is daardoor alleen maar toegenomen. U doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een ​lamp​ die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de ​morgenster​ opgaat in uw ​hart.

(…) 20 Besef daarbij vooral dat geen enkele ​profetie​ uit de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat, 21 want nooit is een ​profetie​ voortgekomen uit menselijk initiatief: mensen die namens God spraken werden daartoe altijd gedreven door de ​heilige​ Geest. (Uit 2 Petrus 1)

Het geduld van onze ​Heer​ uw redding…

Twee citaten uit artikel “”Emanuel Rutten werd gegrepen door Jezus van Nazareth” zoals dat online gepubliceerd werd op ‘RD Kerk & religie’ (24-07-2019)

  • „Als je onbevangen bent, merk je dat het christendom zoveel te bieden heeft dat je erin mee kunt gaan.”
  • „Het verhaal van Jezus is het meest sublieme verhaal dat de wereld gekend heeft. We worden geraakt in ons hart door iets hogers dat ons draagt.”

Opgemerkt AJ: We moeten hierbij steeds beseffen dat onze Heer Jezus Christus Zijn apostelen de wereld instuurde met een boodschap en verhaal dat de hoorders beslist niet subliem en ook nog eens heel ongelofelijk in de oren klonk. Voordat de apostelen een/het Nieuwe Testament ‘volgeschreven’ hadden moesten ze toch al ‘aan de bak’…
Paulus vertelt aan het begin van z’n eerste brief aan de Korintiërs hoe hij het Evangelie (want dat was en is en blijft het wel!) aan de (heiden)man bracht. Daar kwam dus geen ‘schittering van mensenwoorden’ en eigen overtuigingskracht aan te pas, want het geloof van de bekeerlingen moest niet steunen op mensenwijsheid en overtuigingskracht, maar voluit (achteraf ook nog!) gezien en erkend kunnen worden als een werk van de heilige Geest in de harten van de hoorders…
En wat moesten de bekeerlingen in Korinthe na hun (zuigelingen)doop nog veel leren!
Maar zo werkten de apostelen wel naar opdracht van hun Heer Jezus Christus: doopt hen en leert hen onderhouden al wat ik u geleerd heb… (zie slot Matteüs 28)

Heilige haast…

Jezus gebood de apostelen bij hun uitzending in het Joodse land (Markus 6):

(…) 7 En Hij riep de twaalf bij Zich en begon hen twee aan twee uit te zenden en gaf hun macht over de onreine geesten. 8 En Hij gebood hun dat zij niets mee zouden nemen voor onderweg dan alleen een staf: geen reiszak, geen brood, geen geld in de gordel; 9 maar dat zij wel sandalen zouden aanbinden en niet met twee stel onderkleren gekleed zouden zijn. 10 En Hij zei tegen hen: Waar u een huis zult binnengaan, blijf daar totdat u uit die plaats vertrekt. 11 En als er zullen zijn die u niet ontvangen en niet naar u luisteren, schud dan, als u vandaar weggaat, het stof af dat onder uw voeten zit, tot een getuigenis tegen hen. Voorwaar zeg Ik u: Het zal voor Sodom of Gomorra verdraaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor die stad. 12 En toen zij weggegaan waren, predikten zij dat men zich moest bekeren. 13 En zij dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en maakten hen gezond.

Paulus schrijft later aan de Romeinen (waaraan hij zelf niet het Evangelie verkondigd heeft) in hoofdstuk 15:

(…) 14 Broeders en zusters, ikzelf ben ervan overtuigd dat u inderdaad niets dan het goede wilt en dat het u niet aan kennis ontbreekt, zodat u ook in staat bent om elkaar terecht te wijzen. 15 Ik heb u hier en daar nogal vrijmoedig geschreven, maar alleen om u te herinneren aan wat u al weet. Ik doe dat vanwege de genade die God mij geschonken heeft: 16 ik moet in volledige toewijding aan zijn evangelie een dienaar van Christus Jezus voor de heidenen zijn, zodat zij een God welgevallig offer kunnen worden, geheiligd door de heilige Geest. 17 Dat ik trots kan zijn op mijn werk voor God, dank ik aan Christus Jezus. 18 Ik zal over niets anders spreken dan wat Christus door mij tot stand brengt om de heidenen tot gehoorzaamheid te brengen: door wat ik zeg en doe, 19 door Zijn macht waarmee ik tekenen en wonderen verricht door de macht van Gods Geest.

Opgemerkt AJ: Het onderwijs van onze Heer Jezus Christus en dat van de apostelen en het werk dat de heilige Geest daarmee kan en wil doen zal ons helpen om het belang van Belijdenisgeschriften en dogmatische werken zoals die in gebruik zijn geraakt in het kerkelijk leven en bij het opleiden van predikanten/theologen te relativeren!
Lees en merk op (bijvoorbeeld) hoe ‘onbevangen’ Jezus tot het Joodse volk spreekt over ‘Mijn Vader‘ en ‘jullie Vader‘ (in de hemel) en het blijkbaar helemaal niet nodig gevonden heeft om eerst (of later) eens een soort van definitie (beeld) te geven van wie God nu eigenlijk is, zoals men dat later wel nodig vond  bij het opstellen van verschillende van onze Belijdenisgeschriften (Nederlandse Geloofsbelijdenis, Westminster Confessie en andere dogmatische werken).

Lees aanvullend (nu nog) dit (in dit verband leerzame!) Digibron artikel:

Vergelijk Westminsterconfessie en Heidelbergse Catechismus.

Geciteerd uit bovengenoemd artikel:

Het meest in het ooglopende verschil met onze Heidelbergse Catechismus is, dat de Westminster geen Lutherse invloeden kent. Zonder de twee reformatoren tegen elkaar uit te spelen weten we dat het levensdevies van Calvijn was: Hoe komt God aan Zijn eer? Terwijl Luther meer de nadruk legde op: Hoe krijg ik een genadig God? Bij de opzet van onze Heidelberger is deze Lutherse invloed duidelijk te merken. Dat is al zo bij de eerste vraag: Wat is uw enige troost beide in het leven en in het sterven? In de Westminster catechismus (klein en groot) lezen we als eerste vraag: ‘Wat is het hoofddoel van de mens?’

Opgemerkt AJ (n.a.v. bovengenoemd Digibron-artikel): ‘Hoe krijg ik een genadig God?’ (Luther). Nee, Luther vond in de Bijbel een genadig God, Die ons aanspreekt als onze Redder! Dat Evangelie wilde hij weer verkondigd hebben, nadat hij dit in Gods Woord weer (tegen veel officiële kerkleer in) had mogen ontdekken. Luther’s aanpak stelt niet de mens centraal, maar wie God voor ons is: Immanuel. Dat is onze troost in leven en in sterven. De Westminster insteek is niet ‘Bijbels’ genoeg! En dat heeft z’n gevolgen gehad en nog!

(…) 13 Maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar ​gerechtigheid​ woont. 14 Omdat u hiernaar uitziet, geliefde broeders en zusters, moet u zich inspannen om smetteloos, onberispelijk en in ​vrede​ door hem te worden aangetroffen. 15 Bedenk dat het geduld van onze ​Heer​ uw redding is. Dat heeft ook onze geliefde broeder ​Paulus​ u geschreven met de wijsheid die hem is geschonken. (Uit 2 Petrus 3)

Bron afbeelding:  Daily Bible Quotes

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Christelijke zielszorg… (VII)

(,,,) Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over
Jezus Christus – de gekruisigde. (1 Korintiërs 2 : 2)

Dagelijkse herinnering…

(…) Van nu af aan heten de christenen in het Nieuwe Testament slechts nog ‘de heiligen’. De andere naam die zich liet denken, namelijk ‘rechtvaardigen’, vindt geen ingang. Die vermag niet op dezelfde wijze de hele omvang van de ontvangen gave te beschrijven. Die is betrokken op de eenmaal geschiede doop en rechtvaardiging.

Weliswaar is het zich herinneren van dit gebeuren iets wat dagelijks herhaald moet worden. (1) Weliswaar blijven de heiligen de gerechtvaardigde zondaren. Maar met de gave van doop en rechtvaardiging eens en voor al, de dagelijkse herinnering eraan is ons tegelijkertijd in de dood van Christus de gave der bewaring van het leven van de rechtvaardigen tot aan de jongste dag gewaarborgd. Het leven in deze bewaring is echter de heiliging.

Beide gaven berusten op hetzelfde, nl. op Jezus Christus, de Gekruisigde (1 Korintiërs 1 : 2 en 6 : 11). Beide gaven hebben een en dezelfde inhoud, namelijk de gemeenschap met Christus. Beide gaven behoren onlosmakelijk tezamen. Maar zij zijn juist daarom ook niet een en hetzelfde.

Terwijl de rechtvaardiging aan de christen de door God geschiede daad toekent, belooft de heiliging hem Gods tegenwoordig en toekomstig handelen.

Terwijl in de rechtvaardiging de gelovige door de dood voor eens en voor al gesteld wordt in de gemeenschap met Jezus Christus, bewaart de heiliging hem in de ruimte waarin hij gesteld werd, in Christus, in de gemeente.

Terwijl bij de rechtvaardiging de verhouding van de mens tot de wet op de voorgrond staat, is bij de heiliging de afzondering van de wereld tot op de toekomst van Christus beslissend.

Terwijl de rechtvaardiging de enkeling in de gemeente plaatst, bewaart de heiliging de gemeente met alle enkelingen.

De rechtvaardiging ontrukt de gelovige aan zijn zondig verleden (1), de heiliging doet hem bij Christus blijven, in zijn geloof staan, in de liefde groeien. Het zal geoorloofd zijn zich rechtvaardiging en heiliging in de verhouding van schepping en bewaring te denken.

Rechtvaardiging is de nieuwe schepping van de nieuwe mens (a), heiliging is zijn behouden en bewaard blijven tot op de dag van Jezus Christus.

(wordt vervolgd)

(1) Dat is precies de reden waarom wij onze rechtvaardiging (onze Doop) dagelijks in herinnering (hebben te) houden. En we doen dat met name en vooral door het Onze Vader te (blijven) bidden waarin we ook altijd weer met vast vertrouwen bidden: en vergeef ons onze schulden… En we doen dat dagelijks voor onszelf, maar ook met elkaar in huwelijk en gezin en familie en samen met onze broeders en zusters.

(a) (…) 4 Maar toen de goedertierenheid (genadige en vergevende goedheid) van God, onze Zaligmaker (Redder), en Zijn ​liefde​ tot de mensen verschenen is (b), 5 maakte Hij ons zalig, niet op grond van de werken van ​rechtvaardigheid​ die wij gedaan hadden, maar vanwege Zijn ​barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de ​Heilige​ Geest. 6 Die heeft Hij in rijke mate over ons uitgegoten door Jezus ​Christus, onze Zaligmaker, 7 opdat wij, gerechtvaardigd door Zijn ​genade, erfgenamen zouden worden, overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven. (Uit Titus 3)

(b) (…) 14 En het Woord is vlees (mens) geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van ​genade​ en waarheid. 15 Johannes getuigt van Hem en heeft geroepen: Hij was het van Wie ik zei: Deze Die na mij komt, is vóór mij geworden, want Hij was er eerder dan ik. 16 En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel ​genade​ op ​genade. 17 Want de wet is door ​Mozes​ gegeven, de ​genade​ en de waarheid zijn er door ​Jezus​ ​Christus​ gekomen. 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard (doen kennen). (Uit Johannes 1)

Zie ook:   Christelijke zielszorg… (I), (II), (III), (IV), (V) en (VI)

Bron tekst:  Dietrich Bonhoeffer – ‘Navolging‘ – Vijfde druk  – Uitgeverij Ten Have

Bron afbeelding:  Share-IT! Tags

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Christelijke zielszorg… (VI)

(…) 3 Weet u niet dat wij die ​gedoopt​ zijn in ​Christus​ ​Jezus, zijn ​gedoopt​ in Zijn dood? 4 We zijn door de ​doop​ in zijn dood met Hem ​begraven​ om, zoals ​Christus​ door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. 5 Als wij delen in Zijn dood, zullen wij ook delen in Zijn opstanding. 6 Immers, we weten dat ons oude bestaan met Hem gekruisigd is omdat er een einde moest komen aan ons zondige leven: we mochten niet langer ​slaven​ van de ​zonde​ zijn. 7 Wie gestorven is, is rechtens vrij van de ​zonde. (Uit Romeinen 6)

Eens en voorgoed…

(…) Wij zijn in Hem, in de kracht van zijn menswording. Zo stierf Hij voor ons, opdat wij, die zondaren zijn, in Hem Gods gerechtigheid zouden worden als zondaren die door Gods uitsluitende gerechtigheid van de zonde zijn vrijgesproken. Is Christus voor God onze zonde, die veroordeeld moet worden, zo zijn wij in Hem de gerechtigheid; maar dan zeker niet onze eigen gerechtigheid (Ιδία δικαιοσύνη Romeinen 10 : 3; Filippenzen 3 : 9), maar juist in geheel strenge zin alleen Gods gerechtigheid.

Dat is dus Gods gerechtigheid, dat wij als zondaren Zijn gerechtigheid worden, en dat is onze, d.w.z. Zijn gerechtigheid (Jesaja 54 : 7), dat God alleen rechtvaardig is, en wij door Hem aangenomen zondaars. Gods gerechtigheid is Christus zelf (1 Korintiërs 1 : 30). Christus is echter ‘God met ons’, ‘Immanuel’ (Jesaja 7 : 14), God onze gerechtigheid (Jeremia 33 : 16).

De verkondiging van de dood van Christus voor ons is de prediking van de rechtvaardiging. Het opgenomen worden in het lichaam van Christus, d.w.z. in zijn dood en zijn opstanding, is de doop. Christus is éénmaal gestorven; zo valt ook doop en rechtvaardiging eens en voorgoed ons ten deel.* Zij zijn in de strengste zin onherhaalbaar. Herhaalbaar is slechts de herinnering aan dat wat eens en voorgoed aan ons gebeurd is, en niet alleen herhaalbaar, maar wat dagelijkse herhaling nodig heeft.

Toch blijft de herinnering iets anders dan de zaak zelf. Wie de zaak zelf verliest, voor hem bestaat er geen herhaling. Hier heeft de Hebreeënbrief gelijk (6 : 5 v. en 10 : 26 v.). Als het zout smakeloos wordt, waarmee zal het dan gezouten worden? Voor de gedoopten geldt: Weet gij niet…? (Romeinen 6 : 3; 1 Korintiërs 3 : 16 en 6 : 19) en: Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wél dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Jezus Christus (Romeinen 6 : 11).

Het is alles geschied, niet alleen aan het kruis van Jezus, maar ook aan u. Gij zijt van de zonde gescheiden, gij zijt gestorven, gij zijt gerechtvaardigd. Daarmee heeft God zijn werk volbracht. Hij heeft zijn heiligdom op aarde gevestigd door gerechtigheid. Dit heiligdom heet Christus, lichaam van Christus. De scheiding van de zonde is voltrokken door de dood van de zondaar in Jezus Christus. God heeft een van de zonde gerechtvaardigde gemeente.

Dat is de gemeente van de discipelen van Jezus, de gemeente der heiligen. Zij zijn opgenomen in zijn heiligdom, zij zijn zelf Zijn heiligdom, Zijn tempel. Zij zijn uit de wereld weggenomen en leven in een nieuwe eigen ruimte midden in de wereld.

Van nu af aan heten de christenen in het Nieuwe Testament slechts nog ‘de heiligen’. De andere naam die zich liet denken, namelijk ‘rechtvaardigen’, vindt geen ingang. Die vermag niet op dezelfde wijze de hele omvang van de ontvangen gave te beschrijven. Die is betrokken op de eenmaal geschiede doop en rechtvaardiging.

Weliswaar is het zich herinneren van dit gebeuren iets wat dagelijks herhaald moet worden. Weliswaar blijven de heiligen de gerechtvaardigde zondaren. Maar met de gave van doop en rechtvaardiging eens en voor al, de dagelijkse herinnering eraan is ons tegelijkertijd in de dood van Christus de gave der bewaring van het leven van de rechtvaardigen tot aan de jongste dag gewaarborgd.

Het leven in deze bewaring is echter de heiliging. Beide gaven berusten op hetzelfde, nl. op Jezus Christus, de Gekruisigde (1 Korintiërs 1 : 2 en 6 : 11). Beide gaven hebben een en dezelfde inhoud, namelijk de gemeenschap met Christus. Beide gaven behoren onlosmakelijk tezamen.

(wordt vervolgd)

* Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk. (Uit Romeinen 11 : 29)

Zie ook:   Christelijke zielszorg… (I), (II), (III), (IV) en (V)

Bron tekst:  Dietrich Bonhoeffer – ‘Navolging‘ – Vijfde druk  – Uitgeverij Ten Have

(…) 31 Wat moeten wij hier verder over zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? 32 Zal hij, Die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met Hem niet alles schenken? 33 Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. 34 Wie zal hen veroordelen? ​Christus​ ​Jezus, die gestorven is, meer nog, die is ​opgewekt​ en aan de rechterhand van God zit, pleit voor ons. 35 Wie (of wat) zal ons (dan nog kunnen) scheiden van de ​liefde​ van ​Christus? (Uit Romeinen 8)

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Christelijke zielszorg… (V)

Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; niet uit werken, opdat niemand zou roemen.” (Efeziërs 2 : 8-9)

Geen terugval in de werken!

(…) Zo mogen de christenen (de heiligen) niet meer ‘zondaren’ genoemd worden, in zover daaronder dusdanigen begrepen zijn, die onder de macht van de zonde leven (αμαρτωλοί vgl. als enige uitzondering en uitspraak over zichzelf 1 Timoteüs 1 : 15); veeleer: eens waren ze zondaars, goddelozen, vijanden (Romeinen 5 : 8 en 19; Galaten 2 : 15 en 17), nu echter zijn ze de heiligen om Christus’ wil. Als heiligen worden ze herinnerd en vermaand te zijn, wát ze zijn. Niet het onmogelijke wordt gevraagd: dat zij die zondaars zijn, heilig zouden zijn, – dat zou de totale terugval in de werken en lastering van Christus zijn -, maar de heiligen moeten heilig zijn, geheiligd in Christus door de Heilige Geest.

(…) Het is trouwens niet zo, dat nu verder hoererij, gierigheid, moord en broederhaat in de gemeente kunnen heersen onder de boodschap van de vergeving. Het is ook niet zo, dat de vrucht van de heiliging onzichtbaar kan blijven. Maar juist daar, waar ze ver weg zichtbaar wordt, waar de wereld bij het zien van de christelijke gemeente moet spreken, zoals in de eerste dagen van de christenheid: ‘Ziet, hoe lief zij elkander hebben’, juist daar zullen de heiligen geheel alleen en vastberaden zien op Hem, wie zij toebehoren, en zullen zij zonder te weten van het goede aan henzelf, vergeving vragen voor hun zonden.

Dezelfde christenen die het zich tot eigendom maken, dat de zonde niet meer heerst, dat de gelovige niet meer zondigt, zullen belijden: ‘Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet. Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige’ (1 Johannes 1 : 8 – 2 : 1).

Daarom heeft de Heer hen zelf leren bidden: Vergeef ons onze schulden. Daarom heeft Hij hun geleerd elkaar de zonden te vergeven, altijd weer (Efeziërs 4 : 32; Matteüs 18 : 21 w.). Doordat de christenen elkaar als broeders vergeven, geven zij in hun gemeenschap plaats aan de vergeving van Jezus, zien zij in de ander niet meer iemand die hun kwaad doet, maar iemand voor wie Christus aan het kruis vergeving verworven heeft. Zij ontmoeten elkaar als de door het kruis van Jezus geheiligden. Onder dit kruis wordt door dagelijks sterven hun denken, hun woord, hun lichaam geheiligd. Onder dit kruis groeit de vrucht van de heiliging.

De gemeente van de heiligen is niet de ‘ideale’ gemeente van zondelozen en volmaakten. Het is niet een gemeente van reinen die aan de zondaar geen plaats meer geeft voor berouw en bekering. Het is veeleer een gemeente die zich het evangelie van de zondenvergeving waardig bewijst, doordat hier werkelijk Gods vergeving wordt verkondigd, die niets meer met zelfvergeving te doen heeft: een gemeente van degenen die inderdaad Gods kostbare genade hebben ervaren, en waardig aan het evangelie wandelen in die zin, dat zij er niet lichtvaardig mee omgaan.

(wordt vervolgd)

Zie ook:   Christelijke zielszorg… (I), (II), (III) en (IV)

Bron tekst:  Dietrich Bonhoeffer – ‘Navolging‘ – Vijfde druk  – Uitgeverij Ten Have

(…) 27 Waar blijft het roemen (over onze ‘mooie mensen/gemeenten’) dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Die van de werken? Nee, maar door de wet van geloof. 28 Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet. 29 Of is God alleen de God van de ​Joden? Niet ook van de heidenen? Zeker, ook van de heidenen. 30 Aangezien er namelijk één God is, Die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof. 31 Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet. (Uit Romeinen 3)

Bron afbeelding:  Bible Quotes

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Christelijke zielszorg… (IV)

(…) 24 Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan
dat beheerst wordt door de dood? 25 Dat doet God!
Dank aan Hem door ​Jezus​ ​Christus, onze ​Heer.

(Uit Romeinen 7)

Geen veroordeling…

(…) De heiligen weten zelf niet van de vrucht van de heiliging die ze voortbrengen. De linkerhand weet niet, wat de rechter doet. Als ze hier iets wilden weten, als ze hier in zelfbeschouwing vervielen, dan hadden ze zich reeds losgescheurd van de wortel en de tijd van hun vruchtdragen zou voorbij zijn. ‘De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing’ (Galaten 5 : 22).

Naast de heiligheid van de gemeente treedt hier de heiliging van de enkeling in het helderste licht. Maar de bron is een en dezelfde, de gemeenschap met Christus, de gemeenschap aan hetzelfde lichaam. Zoals de afzondering van de wereld slechts in voortdurende strijd zichtbaar tot stand komt, zo bestaat ook de persoonlijke heiliging in de strijd van de geest tegen het vlees.

De heiligen zien slechts strijd, nood, zwakheid en zonde in hun eigen leven; en hoe gerijpter zij zijn op de weg ter heiliging, des te duidelijker zien ze zichzelf als de verliezers, als de stervenden naar het vlees. (1) ‘Wie Christus toebehoren, kruisigen het vlees met zijn hartstochten en begeerten’ (Galaten 5 : 24). Nog leven ze in het vlees, maar juist daarom moet hun gehele leven één geloof aan de Zoon van God zijn, Die in hen Zijn leven is begonnen (Galaten 2 : 20).

Een christen sterft dagelijks (1 Korintiërs 15 : 31), maar hoewel zijn vlees daaronder lijdt en te gronde gaat, zo wordt toch de innerlijke mens vernieuwd van dag tot dag (2 Korintiërs 4 : 16).

Het sterven van de heiligen naar hun vlees heeft zijn enige grondslag daarin, dat Christus door de Heilige Geest zijn leven in hen is begonnen. De heiligen sterven aan Christus en zijn leven. Nu behoeven ze geen eigen gewild lijden meer te zoeken, waardoor ze zich alleen maar opnieuw in hun vlees zouden handhaven. Christus is hun dagelijkse dood en hun dagelijkse leven.

Daarom geldt ook voor hen in volkomen mate de jubel, dat de uit God geborenen niet meer kunnen zondigen; dat de zonde over hen niet meer heerst; dat ze der zonde gestorven zijn en naar de geest leven.  ‘Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn’ (Romeinen 8 : 1).

God heeft een welbehagen in zijn heiligen, want Hijzelf is het, die hun strijd en hun sterven bewerkt en juist daarin de vrucht van de heiliging laat groeien, waarvan de heiligen volkomen zeker moeten zijn, dat hij er is, ook wanneer hij hun diep verborgen blijft.

(wordt vervolgd)

Zie ook:   Christelijke zielszorg… (I),  (II), (III) en (V)

(1) Het gemeentelijk/kerkelijk leven geeft helaas toch echt een ander beeld en men laat graag zien en horen hoe geweldig hét er is én mén er is… Het ‘mooie plaatje van de ‘mooie gemeente’ en van ‘mooie mensen’ daar, dát moeten we elkaar en de buitenwacht toch voorhouden, dat begrijpt toch iedereen?! Maar, hoeveel mensen zijn daardoor ‘op het verkeerde been gezet’ en/of heel erg van hun stuk gebracht (over zichzelf, want zo’n ‘mooie mens’ vonden ze niet in zichzelf) of diep teleurgesteld geraakt (tot aan cynisme over God toe) vanwege wat men werkelijk aantrof  in een gemeente.

Bron tekst:  Dietrich Bonhoeffer – ‘Navolging‘ – Vijfde druk  – Uitgeverij Ten Have

Bron afbeelding:  Inspirational ImageKing James Bible

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Christelijke zielszorg… (III)

(…) 25 Toen de discipelen dit hoorden, waren zij zeer verslagen en zeiden:  Wie kan dan behouden worden?  26 Jezus​ zag hen aan en zei: Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. (Uit Matteüs 19)

Zijn werk volbracht…

(…) De verkondiging van de dood van Christus (1) voor ons is de prediking van de rechtvaardiging. Het opgenomen worden in het lichaam van Christus, d.w.z. in zijn dood en zijn opstanding, is de doop. Christus is éénmaal gestorven; zo valt ook doop en rechtvaardiging eens en voorgoed ons ten deel. Zij zijn in de strengste zin onherhaalbaar. Herhaalbaar is slechts de herinnering aan dat wat eens en voorgoed aan ons gebeurd is, en niet alleen herhaalbaar, maar wat dagelijkse herhaling nodig heeft.

Toch blijft de herinnering iets anders dan de zaak zelf. Wie de zaak zelf verliest, voor hem bestaat er geen herhaling. Hier heeft de Hebreeënbrief gelijk (6 : 5 v. en 10 : 26 v.). Als het zout smakeloos wordt, waarmee zal het dan gezouten worden? Voor de gedoopten geldt: Weet gij niet…? (Romeinen 6 : 3; 1 Korintiërs 3 : 16 en 6 : 19) en: Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wél dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Jezus Christus (Romeinen 6: 11). Het is alles geschied, niet alleen aan het kruis van Jezus, maar ook aan u. Gij zijt van de zonde gescheiden, gij zijt gestorven, gij zijt gerechtvaardigd.

Daarmee heeft God zijn werk volbracht. Hij heeft zijn heiligdom op aarde gevestigd door gerechtigheid. Dit heiligdom heet Christus, lichaam van Christus. De scheiding van de zonde is voltrokken door de dood van de zondaar in Jezus Christus. God heeft een van de zonde gerechtvaardigde gemeente. Dat is de gemeente van de discipelen van Jezus, de gemeente der heiligen. Zij zijn opgenomen in zijn heiligdom, zij zijn zelf zijn heiligdom, zijn tempel. Zij zijn uit de wereld weggenomen en leven in een nieuwe eigen ruimte midden in de wereld.

Van nu af aan heten de christenen in het Nieuwe Testament slechts nog ‘de heiligen’. De andere naam die zich liet denken, namelijk ‘rechtvaardigen’, vindt geen ingang. Die vermag niet op dezelfde wijze de hele omvang van de ontvangen gave te beschrijven. Die is betrokken op de eenmaal geschiede doop en rechtvaardiging.

Weliswaar is het zich herinneren van dit gebeuren iets wat dagelijks herhaald moet worden. Weliswaar blijven de heiligen de gerechtvaardigde zondaren. Maar met de gave van doop en rechtvaardiging eens en voor al, de dagelijkse herinnering eraan is ons tegelijkertijd in de dood van Christus de gave der bewaring van het leven van de rechtvaardigen tot aan de jongste dag gewaarborgd.

Het leven in deze bewaring is echter de heiliging. Beide gaven berusten op hetzelfde, nl. op Jezus Christus, de Gekruisigde (1 Korintiërs 1 : 2 en 6 : 11). Beide gaven hebben een en dezelfde inhoud, namelijk de gemeenschap met Christus. Beide gaven behoren onlosmakelijk tezamen. Maar zij zijn juist daarom ook niet een en hetzelfde.

Terwijl de rechtvaardiging aan de christen de door God geschiede daad toekent, belooft de heiliging hem Gods tegenwoordig en toekomstig handelen.
Terwijl de gelovige in de rechtvaardiging door de dood voor eens en voor al gesteld wordt in de gemeenschap met Jezus Christus, bewaart de heiliging hem in de ruimte waarin hij gesteld werd, in Christus, in de gemeente.
Terwijl bij de rechtvaardiging de verhouding van de mens tot de wet op de voorgrond staat, is bij de heiliging de afzondering van de wereld tot op de toekomst van Christus beslissend.
Terwijl de rechtvaardiging de enkeling in de gemeente plaatst, bewaart de heiliging de gemeente met alle enkelingen. De rechtvaardiging ontrukt de gelovige aan zijn zondig verleden, de heiliging doet hem bij Christus blijven, in zijn geloof staan, in de liefde groeien.

Het zal geoorloofd zijn zich rechtvaardiging en heiliging in de verhouding van schepping en bewaring te denken. Rechtvaardiging is de nieuwe schepping van de nieuwe mens, heiliging is zijn behouden en bewaard blijven tot op de dag van Jezus Christus.

(wordt vervolgd)

(1) Aan het Avondmaal ‘verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt‘.

Zie ook:   Christelijke zielszorg… (I) en (II)

Bron tekst:  Dietrich Bonhoeffer – ‘Navolging‘ – Vijfde druk  – Uitgeverij Ten Have

(…) 26 Want zo dikwijls gij dit brood eet en de ​beker​ drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt. (Uit 1 Korintiërs 11)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Christelijke zielszorg… (II)

(…) 20 De jongeling zei tot Hem: Dat alles heb ik in acht genomen; waarin schiet ik nog te kort? 21 Jezus​ zei tot hem: Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij. 22 Toen de jongeling [dit] woord hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen. (Uit Matteüs 19)

Alleen de gelovige is gehoorzaam,
alleen de gehoorzame gelooft.

(…) De zielzorger meent dus reeds hier voor het laatste raadsel te staan, dat God aan de ene het geloof schenkt, dat Hij aan de ander onthoudt. Met deze stelregel wordt dan gecapituleerd. De verstokte mens blijft alleen en klaagt berustend verder over zijn nood. Maar juist hier ligt het keerpunt van het gesprek.

Dit keerpunt is iets totaals. Er wordt niet meer geargumenteerd; de vragen en de noden van de ander worden ten slotte niet meer ernstig genomen, maar daarvoor des te meer de ander persoonlijk, die zich daarachter verschuilen wil. Nu vindt de inval plaats in de vesting, die deze voor zichzelf had opgetrokken met de uitspraak: alleen de gehoorzame gelooft.

Het gesprek wordt dus afgebroken en de volgende uitspraak van de zielzorger luidt: ‘Je bent ongehoorzaam, je weigert Christus te gehoorzamen, je wilt een stuk heerschappij over jezelf voor jezelf bewaren. Je kunt Christus niet horen, omdat je ongehoorzaam bent, je kunt de genade niet geloven, omdat je niet wilt gehoorzamen. Je verhardt je in een of andere plaats van je hart tegen de roepstem van Christus. Jouw nood is jouw zonde.’ (1)

Nu is Christus zelf weer erbij betrokken, nu grijpt Hij de duivel in de ander aan, die zich tot nu toe verborgen hield achter de goedkope genade. Nu zal het er geheel op aankomen, dat de zielzorger beide uitspraken paraat heeft: alleen de gehoorzame gelooft en alleen de gelovige gehoorzaamt. Hij moet in de naam van Jezus oproepen tot gehoorzaamheid, tot de daad, tot de eerste stap.

Verlaat wat u gebonden houdt en volg Hem na! Op dit ogenblik hangt alles af van deze stap. De stelling die de ongehoorzame betrokken had, moet doorbroken worden; want daarin kon Christus niet meer gehoorzaamd worden. De vluchteling moet, uit zijn schuilhoek die hij of zij zich gebouwd had, te voorschijn komen. Pas daarbuiten kan hij weer vrij zien, horen, geloven.

Weliswaar is er voor Christus niets mee gewonnen, dat het werk gedaan is, dat blijft op zichzelf een dood werk. Maar toch moet Petrus op het golvende meer, opdat hij kan geloven. De feitelijke toestand is dus kort gezegd als volgt: de mens heeft zich door de uitspraak, dat alleen wie gelooft gehoorzaam is, vergiftigd met de goedkope genade. Hij blijft bij zijn ongehoorzaamheid en troost zich met een vergeving die hij zichzelf toekent en sluit zich zo af voor het woord van God.

De inval in de vesting mislukt, zolang slechts de uitspraak voor hem wordt herhaald, waarachter hij zich schuilhield. De ommekeer moet intreden, de ander moet tot gehoorzaamheid opgeroepen worden: alleen de gehoorzame gelooft!

Wordt de mens daarmee op de dwaalweg van de eigen werken gebracht? Nee, veeleer wordt hij erop gewezen, dat zijn geloof geen geloof is, hij wordt uit de verstrikking in zichzelf bevrijd. Hij moet in de frisse lucht van de beslissing. Zo wordt hem de oproep van Jezus tot geloof en tot navolging opnieuw hoorbaar gemaakt. Daarmee staan we reeds midden in het verhaal van de rijke jongeling

(wordt vervolgd!)

(1) We moeten deze ongehoorzaamheid niet verwarren met de ‘ongeloofsnood’ van (een deel van de) mensen uit de ‘zware kringen’. Die zijn zo bepreekt en/of door hun omgeving beïnvloedt dat ze niet meer durven te geloven dat ze (waarlijk) geloven. Deze mensen behoren we op een andere manier te benaderen en te helpen. Maar er zijn daar ook genoeg mensen te vinden die het wel best vinden dat ze (van anderen) nog niet kunnen of mogen geloven dat ze (vanaf hun doop) daadwerkelijk geroepen kinderen van God zijn en dat ze daar dan ook naar zouden behoren te leven door te geloven én te gehoorzamen. De arglistigheid van ons (!) hart is ongekend groot! Alleen het levende Woord van God brengt dat aan het licht! Dat blijkt ook uit de antwoorden die onze Heer Jezus Christus de rijke jongeling (mee)geeft.

Zie ook:   Christelijke zielszorg… (I) en (III)

Bron tekst:  Dietrich Bonhoeffer – ‘Navolging‘ – Vijfde druk  – Uitgeverij Ten Have

(…) Daarop vroeg Petrus: Wij hebben alles achter gelaten en zijn U gevolgd.
Waar kunnen wij naar uitzien?
(Matteüs 19 : 27)

Bron afbeelding:  YouTube KJV-Bible

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie