Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (IV)


Laat Uw werk aan Uw dienaren gezien worden, Uw ​glorie​ over hun ​kinderen.
(Psalm 90 : 16)

(…) Mozes bidt om een werk in de toekomst, namelijk dat hij en zijn nakomelingen de liefde van God mogen ervaren. En bestaat die niet in de komst van de Messias en Zijn betaling voor onze zonden? Het voldoen van onze schuld door de Messias is de bron van de zaligheid die de mensen vóór en na Mozes hebben ontvangen.

Bron van eeuwig heil

Luister eens naar de godzalige dichter van Psalm 130: ‘Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen. Israël hope op de HEERE, want bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing’ (vers 5-7). Dit is een gebed voor Israël in de tijd dat Mozes al lang overleden is, een gebed om lichamelijk, geestelijk en eeuwig heil. Wordt Israël niet opgeroepen om te letten op de bron van haar zaligheid?

Mozes had Israël geleid, de dienst van de tabernakel was ingesteld, en zijn levenseinde kon verwacht worden. Wat was het dan gepast dat hij zijn geloof in de komende Messias ook in een geschrift naliet! Al de woorden van de tekst krijgen dan de volle nadruk. De menswording van de Messias en de daarmee samenhangende verlossing vormen immers ook één werk. Christus spreekt over Zijn werk: ‘Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen’ (Johannes 17:4).

Het is een uitnemend werk dat in de vorige eeuwen niet is verkondigd aan de heidenen. Het is een goddelijk werk dat alleen door een goddelijke Persoon verricht kan worden. ‘En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij naderen; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE ’ (Jeremia 30:21).

Dit werk werd in het paradijs al beloofd en Mozes wist er ook van. Deze gezaghebbende profeet heeft ervan gesproken en de door hem afgekondigde wetten waren de afbeeldingen ervan.

Het moet u niet vreemd voorkomen dat hij ook in dit gebed als profeet optreedt (vers 1). Het is Uw werk, o Messias, dat U in de eeuwigheid op U genomen hebt en het beloofd hebt aan de voorvaderen, en wij mogen het weten uit Uw beloften. Het werk van U staat tegenover het werk van de satan, die altijd bezig is ons te verleiden om goddeloze werken te doen. Het is een machtig werk dat de almachtige God Zelf heeft uitgevoerd door Zichzelf op te offeren.

Hierdoor zijn Gods heerlįjke eigenschappen aan het licht gebracht, zoals Zijn oneindige kracht, Zijn ondoorgrondelijke wijsheid, Zijn vlekkeloze wijsheid, Zijn weergaloze barmhartigheid en Zijn onkreukbare rechtvaardigheid. Dit werk zal ook de meest heerlijke gevolgen hebben.

Nadat Christus in Zijn vernedering de verzoening tot stand gebracht heeft, is Hij met eer en heerlijkheid gekroond. Zijn rust zal heerlijk zijn en Hij zal de Geest van Zijn heerlijkheid op alle vlees uitstorten. Alle mensen voor wie dit werk is gedaan, zullen Hem hiervoor alle eer en lof toebrengen.

Het wordt al in Psalm 72 gezegd:Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen’ (vers 17).

Het is daarom alleen Zijn Naam, die zij de lof zullen toebrengen. ‘Maar in de HEERE zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israël’ (Jesaja 45 : 25). Dit werk zal erop uitlopen dat zij die verlost zijn, niet in de zonde zullen blijven, maar tot eer van God zullen leven. De Heere zal hun God zijn, en Hij zal Zijn heerlijkheid op hen leggen.

(Wordt vervolgd!)

Lees Psalm 90 (NBV)

Zie ook ‘Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (I)‘,  (II) en (III)

Bron tekst:Bid om Gods lieflijkheid over ons‘ preek van Jacobus de Groot (1696-1750) – Reveil-serie No. 560, december 2019 (www.reveilserie.nl)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Ze zijn met niets anders geholpen…

Blinden worden ziende en kreupelen kunnen lopen; melaatsen worden gereinigd en doven kunnen horen; doden worden opgewekt en aan armen wordt het ​Evangelie​ verkondigd; (Matteüs 5 : 11)

Blinde ziende maken, en doden opwekken zijn maar heel geringe werken vergeleken bij het Evangelie aan de armen verkondigen. Daarom noemt Christus dit het laatst, als het allergrootste werk onder al Zijn werken.

Het is echter wel opmerkelijk dat Christus zegt dat het Evangelie alleen gepredikt wordt aan de armen. Waarmee Hij dan zonder twijfel bedoelt dat het een prediking is die alleen voor de armen bestémd is. En toch heeft Hij ook gezegd dat het in heel de wereld gepredikt moet worden. Zoals je dat bij Markus kunt lezen: ‘Ga heen in de wereld en predik het Evangelie aan alle creaturen/schepselen’ (vgl. Markus 16 : 15).

Uit dit alles blijkt wel dat iedereen het moet horen, maar… dat er tóch een zeker onderscheid wordt gemaakt. Wat wil Hij dan? De armen die Christus hier bedoelt, zijn zeker niet de bedelaars en arme gebrekkige mensen: de lichamelijk armen. Maar Hij wil dat de geestelijk armen het horen.

Dat zijn mensen die geen tijdelijke goederen meer begeren of liefhebben. Ja, veel meer nog: het zijn de verslagen, verbroken arme zielen [ =mensen] die door de kwaal van hun eigen geweten naar hulp en troost zozeer verlangen en uitzien, dat ze helemaal geen tijdelijk goed of eer meer op het oog hebben. (1)

Zij zijn met niets geholpen, dan alleen wanneer zij maar konden weten dat ze een genadig God hebben.

Maarten Luther: WA 10.1.2, 159, 35-160,7]

(1) Maarten Luther zelf was ook zo iemand. Hij kon niet door de kerkelijke leer en de woorden van ‘collega-theologen’ getroost en tot rust gebracht worden, maar moest het Evangelie uit Gods Woord horen. Hij heeft zichzelf geen rust gegund voordat hij het zelf uit Gods Woord vernomen had. Deze weg heeft God Luther ‘opgelegd’ om zó Gods ‘instrument’ te kunnen zijn bij (de start) van de Reformatie zoals die zich in Europa voltrokken heeft. Die Reformatie was een werk dat ver boven de kracht van een man als Maarten Luther zelf uitging.

Bron tekst:Vrees niet, geloof alleen‘ – Dagboek over het geloof23 januari – Den Hertog, Houten

Bron afbeelding:  Bible Verses on Twitter

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wanneer de Geest ons leven leidt…

(…) 25 Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst. 26 Laten we elkaar niet uit eigenwaan de voet dwars zetten
en elkaar geen kwaad ​hart​ toedragen.
(Uit Galaten 5)

De letter doodt… (I en II)

Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
(2 Korintiërs 3 : 6)

(…) Deze woorden verwerpen op ruwe manier de hoogmoed van de wetsprediking en roemen heel glorieus in de verkondiging van het Evangelie. De apostel heeft beslist ‘hoge moed’ wanneer hij het waagt de Wet aan te vallen en zegt: dat het niet alleen een lege brief is, maar dat daar een prediking van uitgaat die niets anders doet dan doden! Het wordt geen goede en nuttige prediking genoemd, maar verderfelijke (schadelijke) prediking…

Wie zou zó (durven) spreken – wilde hij niet voor een ketter doorgaan die door de hele wereld wordt vervloekt en als een godslasteraar zou worden geëxecuteerd – als de apostel Paulus dit zelf niet had gedaan?

Maar, Paulus zelf moet de Wet of het gebod van God ook prijzen en zeggen dat deze goed en kostbaar is [1 Timoteüs 1: 8] en dat deze niet mag niet worden veracht of verwaarloosd, maar dat ze moet worden bevestigd en vervuld , zodat er geen jota of tittel van vergaan zal. (zoals Christus ook zegt [Matteüs 5 : 18])

Hoe komt het dan dat hij de wet in een kwaad daglicht stelt en zich zo laatdunkend (beledigend) daarover uitlaat en deze in wezen niets anders noemt dan dood en verderf? Welnu, dat is een ‘hoge leer’ die het (natuurlijke) verstand (de rede) niet begrijpt en die de wereld, vooral degenen die daarin heilig en rechtvaardig willen zijn, helemaal niet kan verdragen. Er wordt niets anders gezegd dan dat al onze werken, hoe kostbaar ze ook zijn, niets anders zijn dan dood en verderf.

Wat we zien en beseffen moeten dat is dat de apostel Paulus heel krachtdadig een einde wil maken aan het roemen van de valse leraren en huichelaars en wijzen op wat hun prediking – zelfs op zijn best – is en doet omdat zij alleen de Wet hebben en Christus niet wordt gepredikt of gekend.

Ze zeggen en pochen: ‘Als je op deze manier leeft en je toewijdt aan het onderhouden van de geboden en veel goede werken doet, zul je gered worden.’ Maar dit zijn niets anders dan vruchteloze woorden, zelfs een verderfelijke leer. Als mensen niets anders dan deze leer horen en erop vertrouwen, zullen ze achteraf ontdekken dat er geen troost en leven gezaaid is*, maar alleen twijfel en angst, ja, zelfs dood en vernietiging.

* Zie Galaten 5 : 25 en 6 : 8 en Galaten 5 en 6!

(…) Wanneer een persoon inziet dat hij Gods geboden niet heeft onderhouden, terwijl de wet hem voortdurend voor ogen staat, van hem vraagt zijn schuld te voldoen en hem confronteert met niets anders dan Gods vreselijke toorn en eeuwige verdoemenis, dan moet hij wegzinken in wanhoop over zijn zonden. Dit is onvermijdelijk wanneer mensen niets anders dan de Wet onderwijzen en menen dat ze via die weg naar de hemel zullen gaan.

Een voorbeeld daarvan vinden we in ‘Het leven der Vaderen’ waar het gaat over een beroemde kluizenaar, die meer dan zeventig jaar zeer nauwgezet leefde en die veel discipelen maakte die hem vervolgens imiteerden. Toen hij op zijn sterfbed lag en zijn einde naderde begon hij hevig te beven en verkeerde hij drie volle dagen in grote angst. Zijn discipelen troostten hem en vroegen waarom hij niet kon sterven, hij had toch zo’n heilig leven geleid. Hij antwoordde: “Mijn hele leven heb ik Christus gediend en nauwgezet geleefd, maar Gods tribunaal en gericht is geheel anders dan die van de mens.” [Hier verwijst Luther naar het verslag van Arsenius de Grote (350-ca. 450)]

Deze voortreffelijke man, die zo’n heilig leven geleid had, kende geen ander artikel dan dat ene over het oordeel van God volgens Zijn wet; en daarom had hij niet de troost van het Evangelie van Jezus Christus. Integendeel, wanneer hij lange tijd nauwgezet naar Gods geboden heeft geleefd en meende daardoor gered te worden, dan is daar (op het einde van zijn leven) de wet die hem doodt vanwege zijn eigen werken, zodat hij wel zeggen moet: “Wie weet wat God hierover zal zeggen? Want wie kan voor zijn rechterstoel bestaan?”, etc. Dit berooft hem van de hemel. Wat hij heeft gedaan en hoe hij heeft geleefd, dat alles helpt hem niet, maar dompelt hem alleen maar dieper de dood in, omdat hij de troost van het Evangelie mist.

Terwijl anderen, zoals de moordenaar aan het kruis of de tollenaar [Lukas 23 : 42; 18 : 13], die hun leven in klaarblijkelijke zonden doorbrachten, de troost van het Evangelie – dat wil zeggen de vergeving van zonden in Christus – ontvangen en zij overwinnen daarmee hun zonden en het oordeel van de wet daarover, zodat zij in vrede sterven en door de dood heen het eeuwige leven beërven.*

* Zie ook Matteüs 19 : 16 en Lukas 18 : 18: Meester, wat moet ik doen

Maarten Luther:  Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 22, S 226/227 (vertaling gebruikt: Luthers Works, American Edition, deel 79, p.32/33)

NB. Deze Luther-quotes zijn een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (III)

Laat Uw werk aan uw knechten openbaar worden,
en Uw heerlijkheid over hun ​kinderen;

(Psalm 90 : 16)

(…)
b. Het is mijn bedoeling uw aandacht vooral te vragen voor het werk dat Mozes noemt aan het einde van zijn gebed; daarin liggen alle verlangens van zijn hart opgesloten.

Wat het niet is

Ik wil beginnen met het aangeven wat het werk niét is.

  • Het gaat niet over het machtige werk van de schepping, omdat dat werk al heeft plaatsgevonden. Het zijn ook niet de werken van Gods regering over alle dingen, de werken van Gods voorzienigheid. Deze werken zijn ook ontzagwekkend en majestueus, en we moeten ze met eerbied beschouwen en God daarin verheerlijken. Deze werken worden echter zowel door de heidenen als door de Israëlieten gezien.
  • Het gaat hier ook niet over het werk van de bescherming van de Kerk tegen aanvallen en bedreigingen en de verlossing daaruit. Het is waar, dat is Gods eigenlijke werk, terwijl daarentegen Zijn oordelen in vergelijking met Zijn goedheid en barmhartigheid een ‘vreemd werk’ genoemd worden.

Wat we tot nu toe genoemd hebben, werkt God in alle tijden. We moeten hier echter denken aan een werk dat aan het nageslacht van de Israëlieten zal geopenbaard worden.

Oprichting van de tabernakel?

Heeft Gods dienaar gebeden om de oprichting en de voltooiing van de tabernakel, en om een gelukkige voortzetting van de dienst die de Levieten verrichten? Er zijn rabbijnen die veronderstellen dat Mozes de tabernakel gezegend heeft nadat ze werd opgericht, en dat hij toen dezelfde woorden gebruikt heeft. Maar ik denk niet dat het werk van de tabernakel bedoeld wordt. De rabbijnen hebben onvoldoende gelet op de kracht van de woorden die hier worden gebruikt. Ik lees hier niet van iets dat mensenhanden gemaakt hebben zoals de tabernakel, maar van Uw werk.

Twee gedachten

Er blijven daarom twee gedachten over.

  • We zullen ons moeten beperken tot de tijd van Mozes of niet lang daarna, de tijd dus dat het volk van Israël in de woestijn ronddwaalde. Het grote werk dat zij tegemoet konden zien, was het brengen van het volk in het land van de belofte. Dit was zeer zeker een werk dat macht en majesteit uitstraalde. Psalm 44 zingt ervan: ‘O God! Wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewerkt in hun dagen, in de dagen van ouds. Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar hen geplant; Gij hebt de volken geplaagd, hen daarentegen doen voortspruiten. Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht van Uw aangezicht, omdat Gij een welbehagen in hen had’ (vers 2-4). Dit zou in de tijd ná Mozes gezien worden door de nakomelingen; de vaders smaakten dit voorrecht niet.

Maar ik ben er niet zeker van dat we nu de volledige betekenis van de tekst hebben verklaard. In vers 17 vinden we de gevolgen van wat in vers 16 wordt gebeden. Mozes bidt om de zoete en aangename bevestiging voor zichzelf en voor de zijnen over het werk van hun handen. Welke gevolgen zijn dat, die Mozes en de Israëlieten van die tijd voor zichzelf mochten verwachten?

Voorkeur

  • Wij denken bij de verklaring van dit werk bij voorkeur aan de komst van de Messias in de wereld. De Borg heeft voor de verlossing van de uitverkoren zondaar* gezorgd door het losgeld te betalen, en dat in plaats van de zondaar zelf. Deze mening vinden we ook bij Luther en veel van zijn belangrijke navolgers. Bij roomse uitleggers, zoals Cajetanus, en ook bij velen van onze latere uitleggers komen we deze mening tegen. Maar hoewel zij ons onderwijs kunnen geven, hun standpunten zijn voor ons geen bewijzen. We zullen moeten letten op de gedachten die achter hun standpunten schuilgaan…
    * Zie 1 Johannes 2 : 2

(Wordt vervolgd!)

Lees Psalm 90 (NBV)

Zie ook ‘Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (I)‘ en (II)

Bron tekst:Bid om Gods lieflijkheid over ons‘ preek van Jacobus de Groot (1696-1750) – Reveil-serie No. 560, december 2019 (www.reveilserie.nl)

Bron afbeelding:  Pinterest endtimeprophecy-net

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (II)

Laat Uw werk aan uw knechten openbaar worden,
en Uw heerlijkheid over hun ​kinderen;

(Psalm 90 : 16)

(…) Het is geen werk dat al voorbij is, maar het zal plaatsvinden in de tijd die nog komen moet. ‘Laat Uw werk gezien worden’.

Profetie

Deze woorden staan in de toekomende tijd, en daarom kunnen we dit gebed van Mozes ook opvatten als een profetie. Als dienaar van God spreekt hij over dingen die nog moeten gebeuren. Omdat hij ze uitspreekt in een gebed, mogen we ze opvatten als een wens, maar ook als een aankondiging dat het werk zichtbaar zal worden.

En voor wie vraagt Mozes dat ze dit mogen zien? Mozes spreekt over: Uw knechten en hun kinderen. Hiermee bedoelt hij de Israëlieten van alle tijden; het volk dat God uit Egypte verloste en in Zijn dienst had aangenomen, zoals we ook lezen in vers 13. We zouden kunnen denken dat hier de mensen bedoeld worden die in de tijd van Mozes leefden, en met hun kinderen degenen die later in Kanaän zouden wonen. Mozes lijkt hier namelijk een onderscheid te maken met het woordje ons (vers 17).

De kinderen/geslachten ná ons

Bovendien bidt hij om dingen die deze knechten niet meer zouden zien, maar wél hun nakomelingen. De betekenis zal dan zijn: Laat Uw werk aan Uw knechten – dus: hun kinderen – in het beloofde land gezien worden. En dat in een tijd dat alleen zij nog als Gods volk worden beschouwd, en er nog onderscheid is met de heidenen.

Volgens Calvijn geeft Mozes ons hier een voorbeeld dat wij in onze gebeden moeten denken aan de kinderen die ná ons geboren zullen worden. Dit klonk ook door in het verbond met Abraham: ‘En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u’ (Genesis 17 : 7).

Niet uit mensen

En – wij willen niets overslaan – hij gebruikt de woorden over hen. Dit betekent dat het van boven komt. Hij vraagt dus of dit werk op hen mag komen van bovenaf, vanuit de hemel. Als we letten op de kracht van deze woorden en ze alle in hun verband lezen, zullen we op zijn minst moeten vaststellen dat het hier gaat over een uitnemend en heerlijk werk dat in de toekomst zichtbaar zal worden.

Dit werk zal lang ná Mozes’ tijd onder het volk Israël gestalte krijgen, dus vóór hun verwerping, in een tijd dat zij nog van de heidenen onderscheiden zijn en ‘Gods knechten’ genoemd worden. Dit werk komt niet voort uit mensen, maar het is

Een werk uit de hemel verwachten

b. Het is mijn bedoeling uw aandacht vooral te vragen voor het werk dat Mozes noemt aan het einde van zijn gebed; daarin liggen alle verlangens van zijn hart opgesloten…

(Wordt vervolgd!)

Lees Psalm 90 (NBV)

Zie ook ‘Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (I)

Bron tekst:Bid om Gods lieflijkheid over ons‘ preek van Jacobus de Groot (1696-1750) – Reveil-serie No. 560, december 2019 (www.reveilserie.nl)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Psalm 90 – Het ‘onze Vader’ van Mozes… (I)

(…) De hele inhoud van deze psalm, zegt Luther, smaakt naar Mozes. Hij was een dienaar van het Oude Testament, de bediening van de dood. Hij sprak heel veel over dood en toorn, maar hij schetste ook met flauwe penseelstreken het werk van de verlossing door Christus. Zijn gebed was net zo krachtig als zijn verkondiging van de wet.

Fundament van aanbidding

In dit gebed legt hij in vers 1 en 2 eerst het fundament, waarop hij met het volk God aanbad. Vervolgens belijdt hij de zware oordelen die nu in de woestijn op het volk van God liggen en hij keurt de rechtvaardigheid van God goed, vers 3-11. Dan volgt het gebed zelf dat door sommigen het ‘onze Vader’ van Mozes genoemd wordt.

Het gebed bestaat uit zes smeekbedes.

  • In de eerste bede (vers 12) vraagt Mozes om goddelijk onderwijs om de dagen op een goede manier te tellen en daarmee een wijs hart te ontvangen.
  • In de tweede bede (vers 13) vraagt hij aan de Heere of Hij de oordelen wil wegnemen.
  • In de derde bede (vers 14) vraagt hij of de Heere hun Zijn grote goedheid wil tonen door hen vanuit de woestijn in het beloofde land te brengen.
  • In vers 15 (de vierde bede) vraagt Mozes om blijdschap voor hun hart, waardoor zij zich in God en in Zijn zegeningen mogen verheugen.
  • Maar in vers 16 (de vijfde bede) wendt hij zich tot de Amen, de trouwe en waarachtige God. Alle zegeningen waarmee Mozes zichzelf en Israël zegende, of beter gezegd, waarvoor hij bad, moeten van deze God komen als de Bron van al het licht en geestelijk geluk.
  • In de zesde bede, vers 17, vraagt hij om de zegenrijke gevolgen en de liefelijke tekenen van de goddelijke gunst over al het werk van hem en van het volk.

We letten er nu op:

1. tot Wie Mozes zich richt in dit gebed; en vervolgens
2. op de inhoud van dit gebed.

1. Mozes richt zich in zijn gebed tot de Heere, de drie-enige God, en in het bijzonder tot de Zoon van God, Die hem bij het braambos ontmoette als de Engel des Heeren. Mozes bidt Hem of Hij Zijn heerlijke werk wil laten zien aan Zijn knechten en aan hun kinderen.

a. We zullen eerst de letterlijke betekenis en de kracht daarvan nagaan.
b. Vervolgens zullen we zien hoe dit geestelijk kan worden toegepast.

a. Wat de letterlijke betekenis betreft: het gaat hier over Uw werk en Uw heerlijkheid. Er is een oneindig onderscheid tussen het werk van de Heere en ons werk. De werken van God zijn groot en talrijk.

Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen (schepsels)’ (Psalm 104 : 24)

Het gaat hier echter niet over al de werken van God, maar over een buitengewoon, een uit-nemend en een heerlijk werk. In de grondtaal wordt een woord gebruikt dat het werk van Gods genade aangeeft.

Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gericht. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij’ (Deuteronomium 32:4).

Het is ook een werk dat in het bijzonder in Gods Kerk plaatsvindt.

HEERE! Toen ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; gedenk in de toorn aan het ontfermen’ (Habakuk 3 : 2).

De tekst noemt naast het werk ook de heerlijkheid van God. Als er twee zelfstandige naamwoorden worden samengevoegd, heeft het laatste dikwijls de functie van een bijvoeglijk naamwoord. Dit zien we bijvoorbeeld in de uitdrukking: beeld en gelijkenis; het is een beeld dat erop lijkt. Zo ook hier: werk en heerlijkheid betekenen samen:

Een heerlijk werk

  • Mozes wil dat het gezien wordt. Er worden hier twee werkwoorden samengevoegd die aangeven dat er een zichtbare verschijning is. Iedereen kan die duidelijk zien en dat veroorzaakt in hun hart een diepe ontroering.
  • Mozes verlangt ernaar dat God dit heerlijke werk op zo’n manier uitvoert dat de hele wereld het ziet en het met de grootste eerbied een plaats geeft in hun hart.
  • Mozes bidt dat zijn volk een verlicht verstand mag ontvangen, zodat zij daarin tot hun blijdschap en troost de hand van God bemerken.

Lees Psalm 90 (NBV)

(Wordt vervolgd!)

Zie ook:  Psalm 90 – Het ‘Onze Vader’ van Mozes… (II)

Bron tekst:Bid om Gods lieflijkheid over ons‘ preek van Jacobus de Groot (1696-1750) – Reveil-serie No. 560, december 2019 (www.reveilserie.nl)

Bron afbeelding:  Heartlight

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Wel met elkaar luisteren en leven naar Gods wet…

…maar niet elkaar (ver)oordelen naar Gods wet!

(…) 1 Jezus​ ging naar de ​Olijfberg, 2 en vroeg in de morgen was hij weer in de ​tempel. Het hele volk kwam naar hem toe, hij ging zitten en gaf hun onderricht. 3 Toen brachten de ​Schriftgeleerden​ en de ​Farizeeën​ een vrouw bij hem die op ​overspel​ betrapt was. Ze zetten haar in het midden en 4 zeiden tegen ​Jezus: ‘Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt toen ze ​overspel​ pleegde. 5 Mozes​ draagt ons in de wet op zulke vrouwen te ​stenigen. Wat vindt u daarvan?’ 6 Dit zeiden ze om Hem op de proef te stellen, om te zien of ze Hem konden aanklagen. ​Jezus​ bukte zich en schreef met zijn vinger op de grond. 7 Toen ze bleven aandringen, richtte Hij zich op en zei: ‘Wie van jullie zonder ​zonde​ is, laat die als eerste een ​steen​ naar haar werpen.’ 8 Hij bukte zich weer en schreef op de grond. 9 Toen ze dat hoorden gingen ze weg, een voor een, de oudsten het eerst, en ze lieten Hem alleen, met de vrouw die in het midden stond. 10 Jezus​ richtte zich op en vroeg haar: ‘Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?’ 11‘Niemand, ​Heer,’ zei ze. ‘Ik veroordeel u ook niet,’ zei ​Jezus. ‘Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer.’ (Uit Johannes 8, NBV)

Opgemerkt AJ:

  • Stel dat diezelfde vrouw een maand later toch weer betrapt zou zijn en wanneer anderen haar dan opnieuw bij Jezus zouden brengen… Zou het dan ‘over en uit’ zijn voor deze vrouw? Of zal Jezus dan toch de ‘zeventig maal zevenmaal regel’ van de (liefdevolle/vertrouwen-gevende) vergeving toepassen. Misschien dat Hij haar die tweede keer (dat opnieuw bij haar overspel was vastgesteld) gevraagd zou hebben om uitdrukkelijk haar berouw over die zonde uit te spreken, maar Hij zal dan toch niet gezegd hebben: De vorige keer was natuurlijk gelijk ook Mijn laatste waarschuwing aan jou geweest en nu zal Ik, Die zonder zonde ben, de eerste steen gooien en de anderen aanmoedigen Mijn voorbeeld te volgen?  Tenslotte kan Ik, kunnen wij de wet niet (maar blijven) uitspelen tegen de vergevende liefde. Wie niet horen wil, die moet maar voelen…
  • En denkt u zich nog eens in hoe moeilijk Achitofel het gehad moet hebben met de misdaden van koning David en met wat Gods wet voorschreef over het straffen van overspelers en moordenaars. Wat moest er van het koningschap en het handhaven en uitvoeren van Gods wet terechtkomen wanneer een koning zelf zo aan het recht van Gods wet ontkomen kon. De profeet Nathan kon wel menen en verkondigen dat God David zó genadig en vergevingsgezind wilde zijn, maar was dat niet ook maar een opvatting en kon Gods wet daarmee opzij gezet worden? En misschien was het zelfs niet meer dan een gemeen politiek spel van deze profeet en de koning! Hoe kon men bij deze misdaden genade boven recht laten gelden? Dat zou zó toch alleen maar oorzaak worden van blijvende ondermijning van het van God gegeven koninklijk gezag in Israël? Je moest wel van heel veel goed vertrouwen (geloof!) zijn om profeet en koning ‘het voordeel van de twijfel’ te geven. Wat voor ‘Salomonsoordeel’ werd hier van deze wijze man met grote reputatie en verantwoordelijkheid binnen Gods volk en haar leiders gevraagd…

Bron afbeelding:  Wikipedia

 

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Niet heersen, maar dienen… (II)

‘Uw God mijn God’ (Uit Ruth 1)

Onze (eeuwige) verbondenheid

Hieronder volgt de letterlijke tekst van de preek door de hervormde emeritus-predikant Carel ter Linden bij het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima:

Ik weet niet of u het verhaal kent van Peer Gynt, die na vele omzwervingen door de wereld, grijs geworden, terugkeert naar zijn geboortegrond en zich afvraagt waartoe zijn leven heeft gediend. Hij heeft in het veld een wilde ui gevonden. Peinzend zit hij hem te ontpellen, en bij iedere laag die hij er afhaalt komt hem een stadium van zijn leven voor de geest. En de ene laag volgt op de andere, als de ene fase op de andere. Maar waar is de kern van alles, waar draaide ’t nu om? Verbijsterd merkt hij dat bij het ontpellen van zijn leven het hart van de vrucht maar niet tevoorschijn wil komen. De laatste kern blijkt weer het omhulsel te zijn van een volgende kern, en ook die is niet de laatste.

Ja, lief bruidspaar, waar draait het nu in ons leven om? Die vraag stelt ieder mens zich van tijd tot tijd, maar zeker stelt een mens zich die, als hij op het moment staat om zijn leven met het leven van een ander te verbinden en medeverantwoordelijkheid op zich te nemen voor het levensgeluk van die ander.

De richting waarin wij mensen een antwoord op die vraag kunnen zoeken vinden wij misschien in wat Dr Braun voor ons gelezen heeft, dat prachtige verhaal van Naomi en Ruth. Het is een vertelling uit oude tijden. Of is het – de Bijbel is immers een spiegel van het menselijk leven – ook een verhaal van nu?

Het is de levensgeschiedenis van een vrouw, Naomi geheten, die met haar man en twee zoons woonde in Israel, in de landstreek Juda, in het stadje Bethlehem. Een zware hongersnood dwong hen uit te wijken naar het land Moab. Nauwelijks zijn zij daar aangekomen, of de man van Naomi sterft. Naomi blijft er wonen, samen met haar zoons die daar zelfs elk een eigen vrouw vinden: twee meisjes uit Moab, Orpa en Ruth. Tien jaar wonen zij daar tezamen. Dan sterven ook die twee zoons. En als Naomi dan hoort dat de hongersnood in Juda voorbij is, besluit zij terug te gaan naar haar geboortegrond. Wat heeft zij nog in Moab te zoeken? Haar beide schoondochters trekken met haar mee. Maar dan, aangekomen bij de grens, bedenkt Naomi zich. ‘Keer terug’, zegt zij tegen haar schoondochters, ‘keer nu terug, ieder naar het huis van je moeder. Moge de Heer jullie dezelfde liefde bewijzen als jullie mij bewezen hebt. Mogen jullie spoedig een man vinden van je eigen volk.’ En Naomi kust hen ten afscheid.

Naomi wist dat er voor haar schoondochters geen toekomst lag in Juda. Een diepe kloof scheidde de beide volkeren. Maar de beide vrouwen wilden daarvan niet weten en waren in tranen. ‘Nee, wij keren met u terug naar uw volk‘. Maar Naomi hield vol: ‘Keer toch terug, mijn dochters.

Waar een mens thuishoort

Tien keer klinkt dat woord ‘terugkeren’. Je kunt dus op je tien vingers natellen dat het daar om gaat in dit verhaal: om de vraag waar een mens thuishoort. Waarheen in zijn leven hij zich kéren moet. Wat is onze oorsprong, wat onze bestemming? Ja, waar kiezen wij voor in het leven, waar ligt die grond, waarop wij kunnen wonen en ademen?  Keer toch terug, mijn dochters.

Dan geeft Orpa zich gewonnen. Naomi heeft gelijk en tegelijk maakt haar dat zielsbedroefd want ze zullen elkaar dus nooit meer zien. Orpa omhelst haar schoonmoeder, rukt zich los en gaat. En Ruth, waarop wacht zij nog? ‘Zie‘, zegt Naomi, ‘je schoonzuster is teruggekeerd naar haar volk en haar goden. Keer terug, je schoonzuster achterna.‘ Dan antwoordt Ruth:

Dring erbij mij niet op aan
dat ik u in de steek zou laten
door van u terug te keren.
Want waar gij zult gaan,
daar zal ik gaan,
waar gij vernacht,
zal ik vernachten.
Uw volk is mijn volk en uw God mijn God;
waar gij sterft wil ik sterven
en daar wil ik begraven worden;
wat de Heer mij ook moge aandoen,
alleen de dood zal scheiding maken tussen mij en u.’

Aangrijpender kan het niet. Want wat weet Ruth helemaal van dit volk en van de God van dit volk, om zich daar met heel haar wezen aan te durven toevertrouwen?

Misschien dat jullie beiden begrijpt waarom dit verhaal vandaag centraal staat. Want – met alle verschil tussen die oude vertelling en de geschiedenis van jullie leven – je zult toch, lieve Máxima, momenten hebben gekend dat je dacht: moet ik dit wel doen; met hem meegaan naar een land ver van het mijne, naar een vreemd land en een vreemd volk, met een andere geschiedenis, een andere identiteit, een andere cultuur? Een keuze die ook pijn zou meebrengen en van velen het nodige heeft gevraagd. Er moeten soms stemmen in je zijn opgegaan, die zeiden: ‘Keer terug, mijn dochter. Keer terug naar je volk.

In gedachten komt weer dat verhaal van Naomi en Ruth, dat vertelt hoe het hen verging toen zij Bethlehem binnenkwamen. Er staat dat de hele stad in opschudding raakte. Ja, gaat het nu over toen of nu? De mensen zeiden tegen mekaar: ‘Is dat Naomi?’ (Je ziet de vrouwen op het land hun arbeid onderbreken, ze zetten hun hark even neer om haar na te kijken). ‘Nee zeg, dat is toch niet.’ Je hoort de mensen fluisteren: ‘Heb je ’t al gehoord?’. Iedereen praat over haar, maar niemand mét haar. En het kan niet anders of ook Ruth moet daar iets van hebben gevoeld.

Bijna onmenselijk offer

Niet alleen Máxima, moet hebben geaarzeld, Willem-Alexander ook. ‘Want’ – zo schrijft hij in zijn brief (voorafgaande aan onze gesprekken gaven zij beiden eerst ieder in een brief aan, wat het voor hen betekende om voortaan hun leven samen te delen en zich voor Gods aangezicht met elkaar te verbinden, en ik mocht vanmorgen daar ook iets van weergeven) – ‘want’ – zo schrijft hij- ‘kan en mag ik Máxima vragen het grootste deel van haar vrije en zelfstandige leven waaraan zij zoveel waarde hecht en waaraan zij zo hard gewerkt heeft, op te geven? Vanaf mijn vroegste herinneringen weet ik hoeveel het koningschap vraagt. Ja, dat het een offer is, een bijna onmenselijk offer, dat ik mijn toekomstige vrouw vraag te brengen. Zij trouwt niet alleen met mij, maar met een heel land.’

Maar tegelijk klinkt in je brief het besef door, dat als er iemand is, die je echt tot steun zou kunnen zijn dan is zij het wel: deze vrouw met haar vrolijke karakter en haar talenten, haar -zoals je zegt – brede visie en haar vermogen de dingen een beetje te relativeren. Zoals jijzelf overigens op jouw beurt haar tot een grote steun bent, omdat je zo zichtbaar in haar gelooft en haar, zoals zij zelf zegt, met alle aandacht en zorg omringt, waardoor zij zich veilig bij je voelt en zichzelf kan zijn. Zichzelf zijn: voor jou betekent dat: met alle spontaneïteit en levensplezier die haar eigen zijn, en waarvan je zo intens hoopt dat zij die in haar nieuwe leven zal behouden.

Jullie zijn er samen uitgekomen. Je hebt, lieve bruid, nu al heel veel mensen ontmoet. Velen heb je geraakt door je warmte en je aandacht. Eigenlijk al vanaf die eerste woorden die eindelijk in het openbaar konden worden gesproken, woorden die klonken als een echo van de woorden waarmee Ruth zich met Naomi verbond: ‘Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God.

Wat we delen

Uw volk is mijn volk.‘ Je hebt je onze taal spoedig eigen gemaakt. Op een keer – wij spraken toen nog Engels – kon ik een bepaald woord niet vinden, en zei toen tegen iemand naast ons: ‘Ik zoek naar het woord ‘gevolgen’. Maar voor die ander had kunnen antwoorden zei Máxima: ‘Consequences’! En ach, wat een ‘consequences’ heeft jullie liefde voor elkaar al niet! Zo heb je je ook willen verdiepen in het protestantisme, in de kerk waarin Willem-Alexander is grootgebracht. Maar het geloof zelf, dat jullie vandaag naar deze kerk brengt, het geloof in God, de God van Abraham en Mozes en Jezus, dat deelden jullie al samen.

En dat is dan het tweede vanmorgen: de ontdekking die jullie deden hoezeer jullie beiden, met al je heilzame verschillen, door dezelfde normen en waarden, zoals Willem-Alexander zei, bent gevormd. Waarden en normen die voor jou, Alexander, verbonden zijn met het geloof waarin je bent opgegroeid. Je zou ook, zei je, niet meer zonder dat geloof kunnen léven: ‘Het geeft mij’, zei je, ‘houvast in moeilijke tijden en bij moeilijke beslissingen. Het geeft me ook iets waaraan ik uiteindelijk verantwoording kan en mag, ja moet afleggen. Dat is voor mij de manier om zelfrespect en eigenwaarde hoog te houden, en soms tegen de stroom in te blijven gaan, omdat je zeker weet dat je op het juiste spoor zit.’ Dit zijn de woorden van een mens die al met zijn geboorte ertoe bestemd is een zware taak op de schouders te nemen; die iets zichtbaar moet maken wat bijna niet zichtbaar te maken is: een lotsverbondenheid van Nederlanders de eeuwen door, niet enkel tegen het water, maar tegen iedere vloed van onrecht en geweld die ons land heeft bedreigd en ook soms overspoeld. Een verbondenheid ook daarin, dat dit volk in de loop der eeuwen anderen, bedreigd door onderdrukking en vervolging, heeft mogen herbergen. Al weten wij tevens – deze stad draagt er de diepe sporen van – hoezeer daarin soms werd gefaald.

Nooit helemaal alleen

Niemand, Willem-Alexander, Prins van Oranje, weet beter dan uzelf hoe zwaar het is een levenstaak te aanvaarden waarvoor niet zelf kan worden gekozen. Of is het mogelijk zich een taak als deze zó eigen te maken, dat zij alsnog tot een bewuste keuze kan worden? Zo is het wellicht gegaan. Een moeilijke weg en misschien ook soms een eenzaam gevecht. Maar ook een weg die in alle eenzaamheid nooit helemaal alleen werd afgelegd, omdat Hij er was in wie, zoals uw brief het zegt, in moeilijke tijden en bij moeilijke beslissingen een houvast kon worden gevonden. En toen, op een gegeven moment kon de eigen keuze voor aanvaarding van die levenstaak heel bewust worden gemaakt.

Vanuit die uiteindelijke aanvaarding van deze bijzondere roeping in ons midden hebt u een grote en brede belangstelling ontwikkeld voor wat er in onze samenleving en in de wereld gaande is, en daarnaast ook het vermogen om mensen, in heel verschillende levenssituaties, nabij te zijn.

Zo zien wij hier nu een man die bij alles wat op hem afkwam, steeds staande is gebleven en en er sterker door is geworden, en die tenslotte in zijn leven een vrouw vond die bereid is op deze bijzondere weg mee te gaan en daaraan samen inhoud en gestalte te geven.

Uw God is mijn God‘, zei Ruth, en vandaag zegt de bruid datzelfde tegen haar bruidegom. Wel heeft zij daarbij vele vrágen. Maar wie heeft die niet? Zoals de vraag hoe deze wereld van Gód vandaan kan komen. Deze wereld, met, zo staat het in haar brief, al haar schoonheid en menselijke goedheid, maar ook met haar pijn, haar zonde, haar kwaad. Maar bij alle vragen is er toch, zeg je, één ding: ‘dat er een klein hoekje is in mijzelf, dat maakt dat ik af en toe bid en mijn ogen naar hem ophef en in hem geloof, en erop vertrouw dat hij er altijd is. Voor mij is God liéfde. Die liefde die mensen tot elkaar brengt, een liefde die je kracht geeft, en waardoor mensen elkaar met respect behandelen.’

Daarom wilden jullie samen dit huwelijk in de kerk beginnen, omdat het, in jullie eigen woorden, ‘immers alles met liefde te maken heeft, als twee mensen beloven om elkaar nabij te zijn voor de rest van hun leven en elkaar gelukkig en sterker te maken, en samen te werken aan een betere wereld.’

‘En waar kunnen wij‘, zei Máxima, ‘dat beter doen, als God liefde is, dan onder zijn zegen in Zijn huis van liefde?

Uw God is mijn God.‘ Misschien dat de beide tradities waarin jullie zijn opgegroeid – de roomskatholieke en de protestantse, elk met een eigen rijkdom in geloofsbeleving, misschien dat die beide tradities jullie leven mogen verrijken en verdiepen.

Ons ontbreekt de tijd om het verhaal van Ruth verder te vertellen, maar alleen nog dit: Naomi zal aan Ruth hebben verteld – het was oogsttijd in Israel – dat er in haar land een wet bestaat die de armen van het volk het recht gaf om bij het maaien achter de schovenbindsters aan te gaan en de korenaren die bleven liggen te rapen en voor jezelf te houden. En Ruth gáát. En als de landheer zijn land betreedt, dan ziet hij daar die vreemde vrouw en vraagt aan een knecht bij wie zij hoort.

De dienende

Misschien voelt u nu al hoe het verhaal verder zal gaan, want deze landheer is familie van Naomi, en dat was ook een regel in Israël, dat een kinderloze weduwe erop mocht rekenen dat een mannelijk familielid haar trouwde om haar van nageslacht en daarmee van een toekomst te verzekeren. En zo zou deze landheer, Boaz is zijn naam, zijn familieplicht nakomen, ook al ging het hier dan om een vreemdelinge, een Moabitische. Meer nog, er ontluikt een liéfde tussen hen daar op dat boerenland, een liefde met een gezegend gevolg: er wordt hun een zoon geboren. En zij noemden hem: ‘Obed’, en dat betekent de dienende. Alsof zij beiden in die naam hebben willen uitdrukken waarom het in het leven gaat. En deze Obed, zegt het verhaal, zou later de vader worden van Isaï, die weer de vader zou worden van David, die koning zou worden over Israël. Alsof het verhaal wil zeggen: het koningschap wortelt in het diénen. En daarom bidt een goede koning ook tot God: ‘dat ik toch vroom mag blijven úw dienaar te aller stond.’

Tenslotte: als eeuwen later Mattheüs het geboorteverhaal van Jezus schrijft, die verre zoon van David, dan noemt hij Ruth, de Moabitische, onder zijn voormoeders. Alsof hij zeggen wil: denk eraan, de liefde van God, die in Jezus van Nazareth op zo bijzondere manier is belichaamd, die strekt zich uit tot álle volken. God schrijft met en door alle volken zijn geschiedenis. En als de kerk later in haar liederen Maria, de moeder van Jezus eert – zoals in het lied dat straks klinkt en waaraan de bruid zo gehecht is geraakt – dan moet u vandaag achter Maria in gedachten ook die andere voormoeders van Jezus zien, dan moet u ook even denken aan Ruth, de Moabitische. Ave Maria, wees gegroet Maria, wees gegroet Ruth van Bethlehem.

Zijn wij, denkend aan het verhaal van Peer Gynt, van die man die maar bezig is de ui te ontpellen die hij gevonden heeft – zijn wij de kern, het geheim van ons leven nu een beetje genaderd.?

Wees, lieve twee, in jullie huwelijk, in jullie leven, door God gezegend.
En mogen jullie velen tot een zegen zijn.

Amen.

Huwelijk Willem Alexander & Maxima 2/2/2002 (YouTube)

Zie ook:  Niet heersen maar dienen… (I)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie

Gebedsverhoring…

Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld hem geeft, geef Ik hem u.
Uw hart worde niet ontroerd en weest niet bevreesd.
‘ (Johannes 14 : 27)

In Christus vrede hebben!

Uw wil geschiede op de aarde als in de hemel! God geeft ons in deze wereld veel noden en zorgen en daarbij geen andere troost dan alleen Zijn Woord, zoals Christus ons beloofd heeft in het heilig Evangelie van Johannes: Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.

Daarom, wie zich aan Hem wil overgeven en erin berusten dat Gods Rijk in hem komt – dus, dat Gods wil geschiedt – die moet maar niet proberen de verdrukkingen te ontgaan of te ontlopen, want het zal zeker gebeuren dat Gods wil wel geschiedt en jouw wil niet geschiedt.

Dat betekent hoe meer verdrukkingen je in deze wereld hebt, hoe meer Gods wil geschiedt! En dat zeker bij het einde van je leven en als je sterven moet. Dit alles is zo bij God besloten en niemand kan veranderen, dat wij in de wereld verdrukkingen lijden en alleen in Christus vrede zullen hebben.

Maarten Luther: Auslegung des Vaterunsers für die einfältigen Laien, 1519, vgl. WA 2, 106, 20-30

Lezen: Johannes 16 : 29-33, tekstvers voor meditatie: vers 33

Toen antwoordde Eli en zei: Ga heen in vrede, en de God Israëls zal uw bede geven,
die u van Hem gebeden hebt.
‘ (1 Samuël 1 : 17)

Niets onmogelijk!

Elia was een mens met gebreken – zoals wij – en toch als hij bidt regent het niet in drie jaren en zes maanden, en als hij weer bidt regent het. Let goed op, want hier kan je een enkel mens zien bidden…, en hij heerst met dat gebed over wolken en winden, hemel en aarde. O God, dat U ons toch laat zien welk een macht en geweld een waar gebed bij U heeft, en dat niets onmogelijk is bij U.

Nu moet ieder zijn of haar eigen hart eens onderzoeken, om te zien hoe vaak je in je leven al gebeden hebt en verhoord bent, want zomaar Psalmen zingen of opzeggen en het Onze Vader of een ander gebed uitspreken is nog geen bidden*, dat is voor kinderen en eenvoudige mensen* ingesteld, zodat zij de Schrift goed uit hun hoofd leren en zo kunnen onthouden.*

Je eigen gebed echter ziet en voelt niemand anders…, en je zal het werkelijk zelf ook in je eigen hart gevoeld en geweten moeten hebben toen God het verhoord heeft. *

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1525, vgl. WA 17.1, 251, 17-27

Lezen: 1 Samuël 1 : 9-19, tekstvers voor meditatie: vers 18

* Opgemerkt AJ: Wanneer we op grond van Gods Woord beseffen en belijden dat ons bidden verhoord wordt op het ons geschonken! geloof, dan zullen we nog beter begrijpen waarom onze Here Jezus Christus in Zijn onderwijs ons wijst op het geloof (en bidden) van in alles nog afhankelijke kinderen en (daarom eerder ook al) op het geloof en bidden van een heidense Kananese vrouw en een Romeins Centurion. (Zie resp. Matteüs 18 : 1-14, 15 : 21-28, 8 : 5-13)
* Ons geloof en bidden zal niet God bewegen (tot iets) maar God beweegt ons geloof en bidden (tot iets)!

Luthercitaten:  ‘Uit de diepten roep ik tot U. Dagboek bij de Bijbel’ (uitg. Den Hertog, Houten) zoals gepubliceerd via checkluther-com

Bron afbeelding:  Pinterest (Pin on Bible Verses)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Niet de zichtbare dingen…

Ons burgerschap (of: manier van leven) is in de hemel; vandaar wachten we ook op de Heiland, Jezus Christus de Heer, die ons armzalige (vernederde, waardeloze) lichaam zal verheerlijken, zodat het gelijkvormig (gelijk aan, vergelijkbaar met) wordt aan Zijn verheerlijkte lichaam.  (Filippenzen 3 : 20-21)

Ons burgerschap is in de hemel

Wij’, zegt hij (Paulus), ‘die in Christus zijn gedoopt en in Hem geloven, baseren onze manier van leven en troost niet op de gerechtigheid van het tijdelijke of wereldse leven hier op aarde. We hebben namelijk door het geloof een gerechtigheid in Christus (1), een gerechtigheid die alleen in en bij Hem gevonden wordt’ – anders zou het niet kunnen bestaan voor God.

Het enige waar we naar streven dat is om voor altijd in Christus te zijn, die door Zijn komst in het nieuwe leven dat ons nog te wachten staat ook een einde maakt aan dit aardse bestaan en dit lichaam van ons veranderen zal in een lichaam dat volledig nieuw, zuiver, heilig en vergelijkbaar met het leven en lichaam van Christus zal zijn.

Daarom worden we niet langer wereldburgers genoemd; we moeten handelen en wandelen als degenen die daar (in de hemel) thuishoren en daar thuis zijn, en die troost vinden nu God ons aldus aanvaard heeft en ons daarheen zal brengen. Intussen wachten we op de Heiland die ons vanuit de hemel eeuwige gerechtigheid, leven, eer en glorie zal brengen.

We werden gedoopt en werden christen, maar niet opdat we daarmee grote eer, een reputatie van gerechtigheid, of heerschappij, macht en bezit op aarde zouden verwerven en bezitten. Zelfs als we deze dingen hebben in dit tijdelijke leven, zullen we ze beschouwen als vuil waarmee we ons ellendige bestaan zo goed als we kunnen ‘opsieren’ voor degenen die nog uit ons of na ons moeten worden geboren.

Maar wat onszelf betreft, wij hebben alleen maar te wachten en uit te zien naar het moment waarop de Heiland zal weerkomen. Hij moet komen en zal komen, niet tot schade of beschaming van ons (zoals wel voor anderen), maar omwille van ons waardeloze en miserabele lichaam, dat in dit leven een arm, ellendig lichaam is, en dat geldt zelfs meer nog wanneer het dood in de grond ligt en daar aan volledige vertering is prijsgegeven.

Het maakt echter niet uit hoe ellendig en beschamend ons bestaan hier op aarde is zowel tijdens het leven als in de dood, door Zijn komst zal Hij het zo mooi, puur, stralend, helder en vol eer maken dat het vergelijkbaar zal zijn met Zijn eigen onsterfelijke, glorieuze lichaam – niet zoals Hij aan het kruis hing of in het graf werd gelegd, bloederig en bleek als de dood, in schaamte en oneer, maar zoals Hij nu wordt verheerlijkt aan de rechterhand van de Vader.

Daarom zullen we er niet bang voor zijn dat we dit lichaam moeten afleggen, dat het beroofd wordt van eer en gerechtigheid, en dat het wordt geruïneerd en verslonden door dood en graf. (Laat de vijanden van Christus daar verontrust over en bang voor zijn!) Wij daarentegen hopen en verwachten vrolijk dat Hij spoedig zal komen en ons verlossen van deze arme, stinkende vuiligheid.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 22, S 371/372 (vertaling gebruikt: Luthers Works, American Edition, vol. 79, p.275 / 276)

(1) Zie Romeinen 3 : 21-31.

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Uit 2 Korintiërs 4: (…) 10 We dragen in ons bestaan altijd het sterven van ​Jezus​ met ons mee, opdat ook het leven van ​Jezus​ in ons bestaan zichtbaar wordt. 11 Wij levenden worden altijd omwille van ​Jezus​ aan de dood prijsgegeven, opdat in ons sterfelijke bestaan ook het leven van ​Jezus​ zichtbaar wordt. 12 Zo is in ons de dood werkzaam, en in u het leven. 13 Er staat geschreven: ‘Ik bleef vertrouwen, daardoor kon ik spreken.’ In datzelfde vertrouwen spreken ook wij, omdat we geloven 14 en weten dat Hij die de ​Heer​ ​Jezus​ heeft opgewekt ook ons, net als ​Jezus, zal opwekken en ons samen met u naar Zich toe zal voeren. 15 Dit alles gebeurt omwille van u, zodat Gods ​goedheid, die zich door steeds meer mensen verbreidt, ook tot steeds meer dankzegging leidt, tot eer van God. 16 Daarom verzaken wij onze plicht niet. Ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd. 17 De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. 18 Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig.

Bron afbeelding:  DailyVerses-net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie