Niemand zal ze uit Mijn hand roven…

De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.*
(Psalm 23 : 1)

Van dr. Maarten Luther (1536)
Op een avond na gebed aan de eettafel uiteengezet.

Psalm 23 (9)

Geciteerd:Mij ontbreekt niets‘ – Maar als je de stem van de Herder negeert en je laat leiden door wat je ogen zien en de oude Adam zich laat voelen, dan verlies je het geloof en het vertrouwen dat je als schaap van Zijn kudde toch altijd weer dient te hebben in Hem als uw Herder. Dan komt deze en dan weer die gedachte in je op, zodat je er niet gerust op kunt zijn, zodat je met en over jezelf aan het argumenteren en lamenteren bent en zegt: ‘Als de Heer mijn Herder is, waarom legt Hij mij dit dan op, dat de wereld mij zo wreed kwelt en vervolgt en dat toch buiten mijn schuld? Ik verkeer te midden van wolven, ik ben zelfs niet zeker van mijn leven; terwijl ik geen herder zie die me beschermt. En ook: “Waarom staat Hij toe dat de duivel mij zo pijnigt met angst en twijfel? Bovendien vind ik mezelf nogal ongeschikt, zwak, ongeduldig, nog steeds beladen met vele zonden. Ik voel geen zekerheid maar alleen twijfel, geen troost maar alleen angst en beven vanwege Gods toorn. Wanneer dan zal Hij (eindelijk) eens beginnen met mij te laten blijken dat Hij (ook) mijn Herder is? “

Zulke gedachtenspinsels en vele andere zullen je overvallen en plagen wanneer je geen acht slaat op Zijn stem en Woord (en Sacrament, zie slotregels – AJ). Maar als je je eraan vasthoudt, zal je niet in de verleiding komen door het kwaad van de duivel, de ongenade en woede van de wereld, noch door je eigen zwakheid en onwaardigheid. Je zult niet van de wijs raken maar vrijuit (durven) zeggen: “Laat de duivel, de wereld of mijn eigen geweten mij zo gewelddadig mogelijk weerstaan – Ik zal mezelf daarom en daardoor niet ten dode toe laten bedroeven. Het moet en het zal nu eenmaal zo zijn, dat wie een schaap van de Heer is, ook zeker zal worden aangevallen door de wolven.

Of ze mij nu opjagen en naar de strot vliegen, het zal mijn troost zijn dat mijn Herder Zijn leven voor mij heeft gegeven. Bovendien heeft Hij een lieve, vriendelijke stem, waarmee Hij mij troost en zegt dat ik nooit zal omkomen, noch zal iemand mij uit Zijn hand roven; Ik bezit reeds het eeuwige leven (Johannes 10 : 28*). En Hij zal deze belofte houden, wat er ook met mij gebeurt.
* Zie ook Johannes 5 : 24-24, 6 : 32-40, 47-51, 58-59)

Als er bij mij vanwege mijn zwakheid een zonde of ander gebrek nog weer wordt aangetroffen en valt aan te wijzen, zal Hij mij daarom niet afwijzen. Want Hij is een vriendelijke Herder, die waakt over de zwakke schapen, hun wonden verbindt en ze geneest. En om mij des te zekerder te doen zijn en opdat ik niet zal twijfelen, schonk en schenkt Hij mij als teken (en zegel) Zijn heilige Sacramenten.’

Maarten Luther: Dr.Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 51, S. 271 ff (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 12, p. 147 ev)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Zie ook:  ‘Een trouw Herder…

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  DailyVerses-net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

De duizend vrouwen van Salomo…

Onder duizend mensen heb ik één mens ontdekt, maar het was geen vrouw.
(Prediker 7 : 28)

Geciteerd 1: Een voorbeeld hiervan is Prediker 7 : 28: „onder duizend heb ik één mens ontdekt, maar een vrouw heb ik onder deze allen niet ontdekt” (NBG-51).
Hier staat nogal wat! Volgens Prediker moet je dus met een kaarsje zoeken naar wie echt mens is in de volle zin van het woord. Echte mensen zijn schaars, onder wel duizend vind je er maar één van, en dat is dan altijd een man (SV, HSV) en nooit een vrouw. Het laat zich raden welke reacties een dergelijke tekst oproept bij de Bijbellezer anno 2020.

Uw liefde was mij wonderlijker dan die van vrouwen.
(2 Samuel 1 : 26)

Zichzelf wegcijferende liefde

Geciteerd 2: Wat bedoelt David dan wanneer hij in zijn rouwklacht over Jonatan zegt: ‘Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen’? Die liefde van Jonatan voor David moet dus wel heel bijzonder zijn geweest, dat voelen we wel aan, anders zeg je zoiets niet. In de vorige vertaling stond in vers 26: ‘Uw liefde was mij wonderlijker dan die van vrouwen.
Waar David zich over verwonderde bij Jonatan was zijn zelfopoffering! Jonatan geeft zijn eigen leven op voor David. Niet letterlijk, maar Jonatan geeft zijn leven als troonopvolger op. Wat hij had kunnen krijgen, mag David hebben. En hij hoeft daar niets voor terug, en hij krijgt daar ook niets voor terug. Jonatan geeft. In zichzelf wegcijferende liefde.

Opgemerkt 1: Koning Salomo zal met zijn woorden in Prediker 7 : 27-29 niet bedoeld hebben dat hij als man van de statistiek geturfd heeft onder hoeveel mensen hij nu een keer een (echt) mens aantrof. Met die duizend zal wel een bepaalde volheid of volledigheid bedoeld zijn. De manier waarop Salomo vrouwen om zich heen verzamelde zal ook niet bijgedragen hebben aan het succes van zijn pogingen om ook onder vrouwen een mens te ontmoeten.
Bij de ontmoeting met koningin van Scheba lag ook al het eigen belang en eigen roem en eer er te dik bovenop om het tot een werkelijk gezamenlijke menselijke ontmoeting voor het aangezicht van Israëls levende God te laten komen.
Misschien ook wijst Salomo’s verlangen om een echt mens te ontmoeten ook uit boven ons mensen naar Die éne ware Mens.

Opgemerkt 2: Salomo’s aardse vader, koning David, heeft m.i. toch een wat andere/diepere relatie met een aantal van z’n vrouwen gehad dan dat we dat van koning Salomo kunnen lezen/vermoeden. Heel bijzonder is ook dat hij Batseba kon troosten (spreken tot haar hart) na alles wat er was voorgevallen en na de dood van haar eerste kindje. Want het was bijzondere genade van God voor David dat Batseba hem vergeven kon en zijn troostwoorden aanvaarden wilde als van een haar door God geschonken echtgenoot.
Maar misschien is David toch zijn leven lang het meest verwonderd geweest over de bijzondere vriendschap met en liefde van Jonathan, de zoon van koning Saul, bij wie hij het diepst soort (mede)menselijkheid had aangetroffen: ‘Niemand heeft groter liefde dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden.‘ (Johannes 15 : 13)

Jonathan als een voorbeeldige kroonprins

Opgemerkt 3: Jonathan heeft in David de door Israëls God gekozen en gezalfde nieuwe koning herkend en erkend en daarom als geboren troonopvolger vrijwillig afstand gedaan van zijn recht op het koningschap. En daarmee gaf (en geeft) hij ons allen een voorbeeld. Ook wij mensen hebben allen afstand te doen van het ons gegeven beheer en koningschap over deze aarde zoals daarover geschreven wordt in Psalm 8. We zijn het niet waard gebleken. In Psalm 2 wordt ons duidelijk voorgehouden dat wij mensen de van God gegeven en door God aangewezen en gezalfde Zoon zullen erkennen door ons aan Hem te onderwerpen. En dat behoort iedereen – geen volk uitgezonderd en ook de grootste machthebbers niet – zonder uitstel te doen.

Opgemerkt 4: De Zoon is ons in alles zo gelijk geworden dat zelfs ook Hij het Hem gegeven koningschap en de heerschappij over deze aarde niet voor Zichzelf wil en zal houden en daaraan vasthouden, want Paulus schrijft in 1 Korintiërs 15 vers 28: En wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn.

Bron citaat 1: RD Opinie – ‘Theologenblog: Is de Bijbel vrouwonvriendelijk?’ – door Eric Peels
Bron citaat 2:  rutgerheij-nl/preken – ‘Wat vriendschap is‘ – door Rutger Heij

Bron afbeelding:  BibleVerseImages-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Het nieuwe leven en de werken… (slot)

Omdat nu Christus voor ons heeft geleden in het vlees, wapen u dan ook met diezelfde gezindheid; want wie in het vlees lijdt houdt op met de zonde‘… (1 Petrus 4 : 1)

Niet de Heilige Geest, maar de zonde uitblussen!

Geciteerd: In de Schrift betekent het woordje vlees niet alleen het uitwendige lichaam (vlees en bloed, botten en huid), maar alles wat van Adam komt. Zo zegt God in Genesis 6 vers 3: ‘De mensen willen zich door Mijn Geest niet meer laten bestraffen, want zij zijn vlees.‘ En in Jesaja 40 vers 5 lezen we dat alle vlees de heerlijkheid des Heeren zal zien.

Dat wil zeggen: deze heerlijkheid zal aan alle mensen worden geopenbaard. Zo belijden we ook in de Geloofsbelijdenis: ‘Ik geloof in de opstanding van het vlees‘. Dat wil zeggen dat alle mensen weer zullen opstaan. Vlees betekent dus de hele mens door en door, zoals hij hier in dit leven leeft.

Nu worden de werken van het vlees één voor één door Paulus opgesomd in Galaten 5 : 19 tot 21, niet alleen de grove zonden, die iedereen wel kent, zoals echtbreuk, hoererij en onkuisheid, maar ook geestelijke zonden, zoals afgoderij en dwaling, die niet alleen in het vlees zitten, maar ook in het verstand en in het hart.

Men moet daarom begrijpen dat de mens, samen met zijn rede en wil, vanbinnen en vanbuiten, met lichaam en ziel, vlees wordt genoemd. Met al zijn krachten, uitwendig en inwendig, ziet en bedoelt hij immers alleen wat vleselijk is en nuttig voor het vlees.

Zodoende voegt Petrus hier nu toe dat Christus in het vlees heeft geleden. Nu is het zeker dat Zijn lijden verder reikte dan alleen in het vlees. Zijn ziel onderging immers de grootste beproeving, zoals de profeet Jesaja zegt (53 : 11). Op deze manier moet je ook begrijpen wat hier volgt: ‘Wie in het vlees lijdt, houdt op met de zonde.

Ook hier gaat het niet alleen om afhakken van iemands hoofd en het verlies van een arm of een been, maar om alles wat een mens kan kwetsen, om welke ellende en nood hij ook lijdt. Veel mensen hebben een gezond lichaam en toch voelen ze inwendig veel verdriet en ellende.

Als dit om Christus’ wil gebeurt, is het nuttig en goed. Want ‘wie in het vlees lijdt, houdt op met de zonde.‘ Daarom heeft God ons het heilige kruis opgelegd, zodat je daarmee je zonde uitblust. Wanneer het je op deze manier aanvalt, verdwijnen je zinnelijkheid, afgunst, haat, woede en je andere zonden.

‘én elkaar (daarbij) een helpende hand bieden’

Het heilige kruis zal je aansporen en aanzetten om tot Christus te vluchten, genade en hulp bij Hem te zoeken én elkaar een helpende hand te bieden.

(Laatste citaat uit overdenking 46!)

Zie ook:Het nieuwe leven en de werken… (I)‘, (II).

Maarten Luther: Epistel S. Petri gepredigt und ausgelegt, vgl. W(2)9, 1248 ff(1539)

Bron citaat 2: Maarten Luther Als goud door vuur beproefd – Korte verklaring van de eerste brief van de apostel Petrus in 60 overdenkingen – Overdenking 46 – Samengesteld, ingeleid door H.C. van Woerden – © 2020 Den Hertog B.V., Houten.

Bron afbeelding:  Knowing-Jesus-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Het Woord dat u verkondigd werd en wordt…

Ik heb Jezus toch open en duidelijk als de gekruisigde bekend gemaakt?
(Galaten 3 : 1b)

Geciteerd 1: Luther zelf vatte zijn boodschap zo samen: „Alleen het kruis is onze theologie!” De grondstructuur van Luthers denken ligt niet allereerst in de rechtvaardiging, maar in wat hij noemde: de theologie van het kruis. Daarmee gaf hij een van de belangrijkste bijdragen ooit aan de christelijke leer.*

Geciteerd 2: Veel gelovigen zijn nog niet zover gevorderd dat zij de angst voor de dood hebben overwonnen, erkent Luther. Christus heeft echter die angst op zich genomen, en daardoor „is onze angst voor de dood niet zo verwerpelijk dat wij erom worden verdoemd. Want anders zou het zuiver zonde zijn om niet te willen sterven en om bang voor de dood te zijn.”

Geciteerd 3: Mijn oproep is dat het kerkelijke jeugdwerk zich niet slechts richt op bijkomende zaken – op dogmatiek, op argumenten tegen het atheïsme, op schepping en evolutie, op de tien geboden of op de kerk als sociale club. Maar maak het kruis van Christus tot de kern. Dan aanvaard je dat veel jongeren dit dwaasheid en ergernis vinden (1 Korinthe 1 : 27). Zij hebben geen zin in lijden, kruis en dood; geen zin om de weg van Christus te gaan. Luther zegt dan: „Wie niet lijden wil, moet maar weggaan.” Maar andere jongeren zullen door de Heilige Geest worden gebracht tot geloof in de gekruisigde Christus.

* Opgemerkt AJ: Luther bevestigde daarmee alleen maar weer wat Gods Woord ons ‘van den beginne’ (vanaf Mozes en de profeten) al onderwijst. Luther moest zich door eeuwen theologenwerk en kerkelijke ‘dictaten’ terugworstelen naar de eenvoudige boodschap van Gods Woord. Onze Heer Jezus Christus sprak tot de Emmaüsgangers: ‘Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben. Moest de Messias niet al dat lijden ondergaan om Zijn glorie binnen te gaan.‘  (Lukas 24 : 25-26)

Bron citaten: RD Opinie – ‘Luthers theologie van het kruis brengt jongere bij kern van Evangelie‘ – door dr. G.A. van den Brink
De auteur is vertaler bij de Luther Heritage Foundation. Het artikel is een samenvatting van een lezing voor de jongerenorganisaties LJC, HJW en Evangeliestek.

Zie ook: Het nieuwe leven en de werken… (I), (II)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Het nieuwe leven en de werken… (II)

Omdat nu Christus voor ons heeft geleden in het vlees, wapen u dan ook met diezelfde gezindheid; want wie in het vlees lijdt houdt op met de zonde‘… (1 Petrus 4 : 1)

Maak een vast besluit!

Geciteerd: Het is net zoals Christus zegt over de mens die viel onder de rovers, die hem de kleren van het lijf scheurden en hem sloegen (Lukas 10 : 33 vv). Ze gingen er tenslotte vandoor en lieten hem halfdood liggen. Toen kwam de Samaritaan. De mens was niet meteen genezen, zijn wonden waren wel verzorgd en verbonden en hij was bij de Samaritaan in goede handen. Hij zou tenslotte volkomen genezen, maar het ging nog een tijdje duren.

Zo is het hier ook. Wanneer we geloven wordt de wond die we van Adam hebben meegebracht (onze zonde) verbonden en begint die te genezen. Bij de één geneest de wond beter en gemakkelijker dan bij de ander, naarmate ons geloof sterk of zwak is. Daarom, wanneer wij tot geloof zijn gekomen, zal het ons werk zijn dat wij ons van de zonden gaan reinigen én de naaste gaan dienen door de liefde’

Met vreugde door alles heen komen

Daarom zegt Petrus:Wapen u dan ook met diezelfde gezindheid.‘ Dat wil zeggen: maak een vast besluit en en versterk je hart met de gezindheid die je van Christus ontvangt. Want wie een christen is moet zeggen: Mijn Heere Christus heeft voor mij geleden en Zijn bloed voor mij vergoten. Hij stierf voor mij de smadelijke dood aan het kruis. Waarom zou ik dan ook niet lijden, wanneer het Zijn wil is? Treedt de Heere in de strijd aan de spits, hoeveel temeer moeten Zijn dienaren Hem dan vrolijk volgen.

Op deze manier krijgen we moed, zodat we ons wapenen en overwinnen, en wij met vreugde door alles heen komen.

(Wordt vervolgd!)

Zie ook:Het nieuwe leven en de werken… (I)

Maarten Luther: Epistel S. Petri gepredigt und ausgelegt, vgl. W(2)9, 1248 ff(1539)

Bron citaat 2: Maarten Luther Als goud door vuur beproefd – Korte verklaring van de eerste brief van de apostel Petrus in 60 overdenkingen – Overdenking 46 – Samengesteld, ingeleid door H.C. van Woerden – © 2020 Den Hertog B.V., Houten.

Bron afbeelding:  King James Bible

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Het nieuwe leven en de werken… (I)

Omdat nu Christus voor ons heeft geleden in het vlees, wapen u dan ook met diezelfde gezindheid; want wie in het vlees lijdt houdt op met de zonde‘… (1 Petrus 4 : 1)

Geciteerd: Petrus gaat nog steeds verder in hetzelfde spoor. Tot hiertoe heeft hij ons allen vermaand dat we moeten lijden, als het Gods wil is. Ook heeft hij eerder al het voorbeeld van Christus aan ons voorgesteld. Hier bevestigt en herhaalt hij het.

Omdat onze Vorst en Hoofd Christus in het vlees heeft geleden, ons allen daarin een voorbeeld heeft gegeven en bovendien ons verlost heeft door Zijn lijden, moeten wij Hem navolgen en ons ook met dezelfde gezindheid wapenen. Want in de Schrift, vooral in Zijn lijden en sterven, wordt ons het leven van de Heere Christus op twee manieren voorgehouden.

1. Als geschenk, zoals Petrus in de vorige hoofdstukken al heeft laten zien. Eerst benadrukt hij vooral het geloof en leert dat we verlost zijn door het bloed van Christus, dat onze zonden zijn weggenomen en dat Hij ons daartoe is gegeven en geschonken. Dit kun je niet anders ontvangen dan door het geloof. De apostel spreekt hierover als hij zegt dat ‘Christus eenmaal voor onze zonden heeft geleden’ (3 : 18). Dit is het hoofdartikel en het beste deel van het Evangelie.

2. Als voorbeeld, om dat na te volgen. Want als we Christus door het geloof hebben ontvangen als een geschenk, zullen we verdergaan en ook zelf voor anderen doen wat Hij voor ons doet. We zullen Hem in Zijn hele leven en lijden navolgen. Zó stelt Petrus het hier aan ons voor. Maar Petrus spreekt niet in de eerste plaats over de werken der liefde, waarmee we onze naaste dienen en goeddoen, wat in de eigenlijke zin de goede werken zijn. Want daarover heeft hij al genoeg gezegd.

Maar hij spreekt nu over de werken die betrekking hebben op ons eigen lichaam en die in feite een dienst zijn aan onszelf. Namelijk de werken waardoor het geloof wordt versterkt, zodat wij de zonde in ons vlees afsterven en daardoor ook onze naaste beter kunnen dienen. Want als ik mijn lichaam in toom houd, zodat het niet zinnelijk wordt, kan ik ook de vrouw en het kind van mijn naaste met rust laten. En als ik de haat en de afgunst in mij bedwing, wordt ik des te meer geschikt om behulpzaam en vriendelijk te zijn voor mijn naaste.

Nu hebben wij vaker gezegd dat – ook al zijn we rechtvaardig geworden door het geloof zonder verdiensten of werken, en is de Heere Christus ons als eigendom gegeven – de werken niet worden nagelaten, maar vast en zeker op het geloof zullen volgen. Want het geloof neemt geen vrijaf, maar het dient de naaste door de liefde, en het strijdt tot aan de dood tegen de overgebleven zonden en begeerten van het vlees.

We worden immers nooit volkomen rein. Zolang we nog op deze aarde leven, vindt iedereen in eigen lichaam nog steeds zonden en verkeerde begeerten. Zeker, het geloof begint Christus aan te grijpen en de zonden te doden. Maar het geloof is niet zo sterk en volkomen als het wel behoorde te zijn.

(Wordt vervolgd!)

Maarten Luther: Epistel S. Petri gepredigt und ausgelegt, vgl. W(2)9, 1248 ff(1539)

Zie ook:Het nieuwe leven en de werken… (II)

Bron citaat 2: Maarten Luther Als goud door vuur beproefd – Korte verklaring van de eerste brief van de apostel Petrus in 60 overdenkingen – Overdenking 46 – Samengesteld, ingeleid door H.C. van Woerden – © 2020 Den Hertog B.V., Houten.

Bron afbeelding:  DailyVerses-net

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

‘Voor een korte tijd’…

Voor een korte tijd zult u Mij niet zien, en opnieuw voor een korte tijd zult u Mij zien; want Ik ga tot de Vader.‘ (Johannes 16 : 16  – weergave DB 1545)

Geciteerd 1: Precies zó gaat het ook als God een beproeving over óns laat komen, dan is altijd onze eerste gedachte: we moeten zelf het heft in handen houden – zo gaat het trouwens altijd.

Door geen zeggen of zingen, willen we geloven dat het slechts om een korte tijd gaat, en dat God Zich spoedig met Zijn genade en hulp weer zal laten zien. Daarom worden we zo kleinmoedig en kunnen we niet anders dan huilen en klagen.

Dit alles, terwijl, zoals Paulus zegt, wij ons in de aanvechtingen moeten verblijden en beroemen: niet alleen vanwege de toekomstige hulp, die niet kan uitblijven als we ons alleen aan het Woord houden – maar vooral ook, omdat wij door kruis en lijden, als door een onbedrieglijke toetssteen, kunnen weten dat we Gods kinderen zijn (zie o.a. Romeinen 8 : 17).

Op deze manier nu is dit woord van Christus een prachtige troostpreek, niet alleen voor de discipelen, maar voor alle christenen in de hele wereld. We mogen de woorden ‘het is maar om een korte tijd te doen’ wel uit ons hoofd leren, en bij alle aanvechtingen en beproevingen tot onze lijfspreuk maken. Zodat wij ons in alle beproevingen met deze woorden kunnen troosten: ‘Het is maar om een korte tijd te doen.’ Dan zal daarna de droefheid verdwijnen, en alle troost en blijdschap ondervonden worden.

Maarten Luther: Über das Evangelium Joh. 16, 16-23, weergave EA(2) 2, 227 ff

Waarin u zich verblijdt, u, die nu een korte tijd, wanneer het nodig is, bedroefd bent door velerlei aanvechtingen.‘  (1 Petrus 1 : 6)

Geciteerd 2: De wereld (juist ook zoals die te vinden is in de kerken, dus onder de kerkmensen zelf – AJ) wil en kan niet verdragen dat je haar goede bedoelingen, vroomheid, nederigheid, heiligheid, voortreffelijke werken, enzovoort bestraft en veroordeelt alsof die voor God geen waarde zouden hebben. Dan komt de(ze) wereld er spoedig aan en vervolgt en vermoordt degenen die dit zeggen, als de ergste godslasteraars en oproerkraaiers, en dankt daarbij dat ze God een dienst bewijst.

Daarom is het geloof niet een slaperige gedachte in het hart, maar wie geloof heeft belijdt openlijk wat hij/zij daarvan in het hart weet en voelt. Daar komt dan de ellende van, zoals de profeet in Psalm 116 vers 10 klaagt: ‘Ik geloof daarom spreek ik. Ik wordt echter zeer geplaagd.

Vandaar dat Petrus zegt:Jullie zijn nu voor een korte tijd bedroefd.‘ Zo vat hij, zoals eerder gezegd, het geloof, de hoop en het heilige kruis tezamen, want het ene volgt op het ander. Petrus laat het echter hier niet bij. Hij vertroost hen ook. Hij zegt dat het maar een korte tijd hier op aarde zal duren, en dat op deze droefheid en beproeving de eeuwige zaligheid zal volgen, waarin zij zich eeuwig zullen verheugen en verblijden.

Dat is juist getroost, zoals de apostelen gewoon zijn te troosten. Ze preken niet over tijdelijke vrede, rust en gunst van de wereld, maar daarentegen dat we zullen overwegen dat we het niet beter zullen hebben dan alle heiligen die er ooit geweest zijn, en zoals de Heere, het Hoofd van alle heiligen het Zelf heeft ervaren.

Maarten Luther: Epistel S. Petri gepredigt und ausgelegt, vgl. WA 12, 271 ff(1523) en W(2)9, 1129 ff (1539).

Bron citaat 1:  www.maartenluther.com

Bron citaat 2: Maarten Luther Als goud door vuur beproefd – Korte verklaring van de eerste brief van de apostel Petrus in 60 overdenkingen – Samengesteld, ingeleid door H.C. van Woerden – © 2020 Den Hertog B.V., Houten.

Bron afbeelding:  SlideServe

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Dankdag en ‘de vuisten van Job’…

Zie van den hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in. Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israel kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. HEERE! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? (Uit Jesaja 63)

Geciteerd a1: Het is heel begrijpelijk dat op een dag als deze op de bodem van het hart niet alleen verwarring, onrust, pijn en rouw te vinden zijn, maar ook een gevoel van opstand. De vuisten worden dan niet letterlijk gebald, maar het handenvouwen gaat toch niet van harte. Nogmaals, geen wonder. De Bijbel spreekt over een man die oprecht was, vroom, godvrezend en die het kwaad ontweek – en toch de vuisten ophief* naar God: Job.

Leestip:   Job 19.* (klik op deze tekstverwijzing)

Geciteerd b1:  Maar die naam (Job) is ook dan nog steeds veelzeggend: ‘Waar, of: wie is de vader?’ Ook in menselijk opzicht: ‘Waar is de vader? Wie is de vader?’ Jobs vader wordt namelijk helemaal niet genoemd. Dat is hoogst ongebruikelijk in de Bijbel, met name in het Oude Testament. Altijd wordt daar gezegd wie iemands vader is*. Maar hier niet. Het verhaal van Job begint eigenlijk plompverloren. Er wordt ook geen tijdsbepaling genoemd. Leefde Job ten tijde van de aartsvaders of juist later? Het kan eigenlijk op ieder moment spelen, zo wordt het verteld. Alsof Job meer een gelijkenis is dan een geschiedenis. Alsof hij symbool staat voor wat mensen overkomen kan en hoe je daarmee dealt, zeker ook naar God toe.
* Bij Melchizedek (zie Genesis 14 : 17-20, Psalm 110 : 4 en Hebreeën 5 : 5-10) horen we daar ook niet van!

Geciteerd b2: Kijk, ik hoor mensen nog weleens over het Oude Testament oordelen als een bekrompen en nationalistisch boek, dat alleen gaat over Israël en waarvan God toch niet meer is dan een soort stammengod?! Maar dat klopt van geen kant. Hier zie je daar ook al een bewijs voor: in Edom, het volk waar Israël zo onder geleden heeft, woont een man die zo rechtvaardig en godvrezend is. Nee, we kunnen Gods heil echt niet opsluiten, beperken tot een bepaalde groep, tot onze eigen groep. Het is veel ruimer. En vooral veel verrassender. Kijk maar naar Job…

Geciteerd b3: In het gezin van Job is dat anders. Dat heeft te maken met de houding van de kinderen naar elkaar toe. Maar het heeft ook te maken met de manier waarop Job met z’n kinderen omgaat. Hij geeft ze ruimte. Hij geeft ze een stuk vrijheid om het leven te vieren, om te genieten. Maar tegelijk is het geen onverschilligheid: ‘Laat ze maar! Ze doen maar…’

Geciteerd b4: Noem het gezinstijd. Zo belangrijk in de geloofsopvoeding. En dan denken we misschien gelijk aan een gesprek over God, de Bijbel. Maar het begint met aandacht sowieso voor je kind, voor z’n leefwereld: wie is hij of zij? Wat houdt ‘m bezig? Waar geniet ze van en waar loopt ze tegenop? Zulke gedeelde tijd geldt niet alleen voor ouders, maar ook voor grootouders.(…) Maar ook als oom of tante kun je met een neefje of nichtje zulke gedeelde tijd beleven.
En juist in dat gewone alledaagse leven mag het geloof geleefd worden. Veel mensen denken dat geloofsopvoeding en geloofsoverdracht bestaan uit het leren van godsdienstige gewoonten zoals bidden, Bijbellezen en kerkgang, maar die gewoonten functioneren pas goed als ze ingebed zijn in de totale geloofsopvoeding, als dat alles doorwerkt naar het alledaagse leven…

Lees de hele preek:  Job 1 : 1-5

*  Zijn Job’s klachten toch niet meer/eerder vergelijkbaar met die van de dichter van Psalm 43?!

Bron citaat a1: RD Commentaar – ‘Danken voor een overheid die je dwars zit‘ – door Hoofdredactie
Bron citaten b1-b4: Preek over Job 1:1-5 op zondagavond 28 augustus 2016 gehouden in Pauluskerk te Gouda.

Bron afbeelding: Knowing-Jesus-com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Sola Fide?

Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter (!), dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.‘ (Matteüs 18 : 6)

(Kinderlijk) Geloofsvertrouwen ondermijnende prediking

Geciteerd:  ‘Thuis elke dag uit de Bijbel horen en je Psalmversjes leren en zingen op school, dan kan het toch zo zijn dat jij de Here God nog niet persoonlijk kent. Want kennis in je hoofd is nog geen kennis in je hart. Het wil nog niet zeggen dat je echt een persoonlijke band met God hebt en dat je moet erkennen dat Hij eigenlijk toch een vreemde voor je is. Je Bijbelkennis kan heel wat zijn, maar de persoonlijke Godskennis is dan nul. Heb je Zijn stém nog niet gehoord. Bidt er dan om. Here kom ook mijn mijn leven. Laat uw boodschap (net als aan Samuël ook) aan mij horen. Zonder de heilige Geest gaat de Here aan jou voorbij. Nu moeten we gaan bidden. Kom heilige Geest en doe het nu.’

Opgemerkt: Helaas gaat deze predikant (op leeftijd!) nog altijd weer helemaal voorbij aan de persoonlijke band en het wederbarende werk van de Geest zoals dat ons en onze kinderen bij Doop en bij het Bijbellezen en bidden en danken en lofzingen thuis en op school en in de gemeente van onze Heer Jezus Christus vast en zeker werd en wordt en is toegezegd.
En ook gaat hij voorbij aan het feit dat onze Heer naar Zijn belofte ook altijd met Zijn Geest aanwezig en aan het werk is waar twee of meer in Zijn Naam vergaderd zijn. En ook de eenzame bidders laat God niet alleen staan, maar ook hen wil Hij graag horen en verhoren – zie het advies van onze Heer Jezus Christus om de binnenkamer op te zoeken als plaats voor het persoonlijk bidden tot Zijn en onze Vader in de hemel. (zie Matteüs 6 : 6 en 14 : 23)

Vanwege zijn (onBijbelse) opvattingen is het (natuurlijk) niet vreemd (onverwacht) dat de betreffende predikant van de bijzondere roeping van Samuel – bijzonder vanwege het reformatie-werk dat God onder Zijn volk wilde beginnen – in zijn preek een verhaal(tje) over de persoonlijke wedergeboorte van Samuël maakt (1), waar wij een voorbeeld aan kunnen/moeten nemen. (2) Dat zijn biddende moeder (Hanna met en door wie God het reformatie-werk liet aanvangen*) nooit zo direct tot haar gericht de stem van God in haar leven gehoord heeft (maar van het onderwijs aan en door de priesters) en dat ze van de priester Eli moest horen dat haar gebed door God gehoord en verhoord was, dat wordt (gemakshalve maar) hier buiten (de) beschouwing gelaten. (3)

En dan blijft ook nog buiten beschouwing dat wij nu leven in een tijd dat de Geest Zijn volle uitstorting heeft gekregen op alle vlees; en dan geldt natuurlijk dat ‘op alle vlees’  de leden van het Godsvolk, nu dus heel Zijn gemeente hier op aarde: voor jong en oud geldt dat dus! Er ligt in deze voorstelling van zaken (zoals gegeven door de predikant) ook een ontkenning van ons  ‘natuurlijke’ verzet* tegen het werk van de heilige Geest dat ons – jong en oud – altijd weer ons leven lang – de preek is er zelfs een voorbeeld van  – ons parten speelt.

Al dat werk dat de heilige Geest in de oren en harten van jong en oud doet in de gezinnen en op school en zondags in de kerk, doordat daar eerbiedig geluisterd wordt naar Gods Woord, krijgt van deze dienaar van het Woord niet die erkenning en waardering die het behoort te krijgen. Volgens hem kan alleen aan kinderen waaraan al vroeg wat (extra) vrooms en bijzonders valt op te merken (door deze predikant of anderen of door de kinderen zelf) een ‘persoonlijke Godskennis’ en ‘band met God’ worden toegeschreven.

De kinderen – en ouderen (4) – in de gemeente worden dus helemaal overgegeven aan het oordeel van anderen en ook aan dat van henzelf. En dat terwijl die kinderen behoren te weten dat het opnieuw geboren worden en hun afsterven aan de oude mens een vanaf hun Doop ingezet werk is van de heilige Geest waaraan ze zelf niets kunnen toevoegen. Dat God het is die zowel het willen als het werken in hun leven werkt, en het enige waartoe ze worden opgeroepen door Gods Woord dat is om de van God gegeven middelen steeds weer trouw te blijven gebruiken. En die middelen trouw gebruiken dat doen kinderen eerst samen met hun ouders in het midden van de gemeente.

En bij het opgroeien gaan ze ook begrijpen waarom Gods Woord ons altijd weer zo ernstig aanspoort om ons te blijven inzetten voor ons behoud en voor ons ingaan door de enge poort en waarom Paulus schrijft dat hij niet meent dat hij het reeds gegrepen heeft (vanwege wedergeboorte) maar dat hij zich altijd weer tot het uiterste inspant om dat te grijpen waartoe hij door Zijn Heer Jezus Christus – bij zijn roeping en door handoplegging en doop (Handelingen 9) – gegrepen is…

* Zie deze prekenserie van ds. J.W. Verheij  (1911-2008)

(1) Niet het/ons geloof schenken aan Gods Woord en daarnaar handelen, maar wat we kunnen zeggen en vertellen over (onze) wedergeboorte komt centraal te staan in prediking en kerkelijk leven. En dat is zeer verdrietig want zeer onBijbels! (=niet naar Gods Wil en Woord!)

(2) Een predikant behoort een Bijbelgedeelte eerst te plaatsen en uit te leggen binnen de context van de tijd en de toestand van Gods volk waarin zo’n Bijbelse geschiedenis speelt en daarom is ‘doorgaande Bijbelboekprediking’ van zo’n groot belang (zie/neem als voorbeeld de prekenserie over Samuel van ds. J.W. Verheij!)

(3) Het gaat hier om een Levitisch gezin.

(4) De predikant geeft daar zelf een voorbeeld van, hoe verlammend die prediking en dat jezelf en elkaar beoordelen werkt. Een man die tachtig jaar niet iets van zichzelf durfde geloven en daarom al die jaren niet aan het Avondmaal ging en daarom dit middel tot versterking van z’n geloof al die tijd liet liggen…

Bron citaat:  20-09-2020 – Ochtenddienst – Goede Herderkerk | verkondiging van ds. P. Molenaar – te vinden en beluisteren op YouTube:  ‘Hervormd Barneveld’.
(NB. Eerder (voor 2016) beluisterden wij – mijn echtgenote en ik – verschillende keren goede Woordverkondiging van deze predikant. Wij waren toen beiden actief betrokken bij het kerkelijk leven in Barneveld, niet alleen bij dat van onze eigen NGK-gemeente)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Voor Wie wij rekenschap hebben af te leggen…

En geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.‘ (Hebreeën 4 : 13)

Wanneer jullie worden weggevoerd om te worden uitgeleverd, maak je dan vooraf geen zorgen over wat je zult gaan zeggen; zeg wat jullie op dat tijdstip wordt ingegeven, want jullie zijn het niet die dan spreken, maar het is de heilige Geest.‘ (Markus 13 : 11)

In 1520 (dus geruime tijd voor de Rijksdag in 1521) vroeg Georg Spalatin aan Luther wat hij zou doen als hij voor de keizer rekenschap van zijn geloof zou moeten afleggen. Luther schrijft dan aan Spalatin, de kapelaan en secretaris van keurvorst Frederik de Wijze (én de speciale vertrouwenspersoon tussen de keurvorst en Luther!) het volgende:

Zonder schade voor het Evangelie

Zaligheid! Ik heb uw schrijven, waarop u mijn antwoord vraagt, vandaag ontvangen. U vraagt mij wat ik zal doen, als ik voor keizer Karel [de vijfde] zou moeten verschijnen, en dat zonder schade voor het Evangelie en voor het algemene welzijn, temeer omdat u ziet dat de tegenstanders alles willen doen om mijn komst [naar Worms] te bevorderen.

Dan zeg ik: Wanneer ik geroepen zou worden, dan wil ik mij, zo veel in mij is, ook als ik ziek zou zijn, mij graag vóór hem laten brengen, als ik gezond niet zou kunnen komen. Want er is geen twijfel aan, dat God mij roept, als de keizer mij zou roepen. Wanneer zij echter geweld willen gebruiken, zoals waarschijnlijk zal gebeuren (want ze laten mij niet roepen omdat ze graag iets van mij willen leren), dan is het goed om alles in Gods hand te leggen. Want Hij, Die de drie jongelingen uit de oven van de koning van Babel heeft gered, leeft en regeert nog.

Wil Hij mij echter niet redden, dan is het verlies van mijn hoofd maar een geringe zaak. Want vergeleken met Christus, Die onder grote smaad, allerlei ergernis en veel smarten de dood heeft moeten lijden, is mijn dood maar een onbeduidend ding. Want in deze zaak moet men niet naar gevaar of welstand vragen.

Veelmeer moeten wij bezorgd zijn, dat het Evangelie dat we eenmaal begonnen zijn, tot spot van de goddelozen zal worden gesteld, óf dat wij de tegenstanders aanleiding zullen geven tegen ons te roemen. Verder, dat zij zouden zeggen: dat wij niet het hart hebben om te belijden wat wij onderwezen hebben, of ons bloed daarvoor willen vergieten. Deze lafheid en blaam moge de barmhartige Jezus verhoeden! Amen.

Daarom, als het evenwel moet gebeuren, dat de koningen der aarde en de vorsten tezamen komen en met de heidenen en de volken woeden tegen de HEERE en Zijn Christus – dan leert de Heilige Geest in de tweede Psalm: dat zíj zalig zijn die op Hem vertrouwen. En niet alleen dit, maar dat God hen die Hem weerstaan, zal uitlachen en bespotten.

Ik weet dus niet of het Evangelie door mijn leven of dood meer of minder in gevaar zal komen. God regeert! Ik weet dat de Waarheid van God een Rots der ergernis is, gezet tot een val en opstanding van velen in Israël (zie Lukas 2 vers 34).

We moeten echter wel zorgdragen dat het keizerschap van Karel [de vijfde] niet met mijn of iemand anders bloed zal worden ingewijd. Om deze goddeloosheid te voorkomen, wilde ik (zoals ik al vaker heb gezegd) liever alleen in de handen van de roomse geestelijkheid omkomen, zodat de keizer en de zijnen in deze zaak niet verwikkeld zouden worden. Ik weet wat voor ellende het huis van keizer Sigismund na de moord op Johannes Huss is overkomen. (…)

Hier heeft u nu mijn gedachten. U kunt alles eerder van mij verwachten, dan vluchten of herroepen. Vluchten kan ik niet, herroepen nog veel minder – zo zeker als mijn Heere Jezus mij kracht geeft! Want ik kan geen van beide doen zonder gevaar voor de godzaligheid en het zielenheil van velen. Zo helpe mij God!

Broeder Mart. Luther, Augustiner zu Wittenberg.“ (1)

Maarten Luther: Briefe Lutheri, welche aus dem Latinischen übersetz worden, vom Jahre 1520. Weergave W(1) 21, S. 735 ff

(1) Geschreven [aan Georg Spalatin] waarschijnlijk op de dag van S. Thomas de martelaar in het jaar 1520 [= 3 juli 1520]

De natuur van het geloof is, dat het onbekommerd doorgaat tussen leven en dood, tussen eer en schande, tussen rijkdom en armoede.  (Maarten Luther –  WA 24, 250, 29-31)

Bron citaat:  Aanmelden voor het wekelijks ontvangen van Luther-citaten via de homepage  maartenluther.com of via een email naar  info@maartenluther-citaten.nl.

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie