Afscheid (leren) nemen van onze (waan)ideeën*…

Leg daarom de leugen af en spreek waarheid onder elkaar, want wij zijn elkaars ledematen.’ (Uit Efeziërs 4 vers 25)

Geciteerd 1: We lezen over de openbaar aanklager die een onschuldige man twintig jaar opsloot voor verkrachting, hoewel diens DNA geen match was. Over Amerikanen die zweren ontvoerd te zijn door aliens. Of over de dochter die haar hele volwassen leven dacht verlaten te zijn door haar vader, maar die daar, toen ze op een dag ging zitten voor haar memoires, geen enkel bewijs voor vinden kon. Hij was haar ontbijt blijven maken, haar overal blijven ophalen…

Geciteerd 2: Rouw, of het vermijden dan wel verwerken ervan, is níét waarom het loslaten van foutieve ideeën zo lang duurt of vaak überhaupt niet gebeurt, volgens Tavris (1). ‘Deze mensen hadden simpelweg de zeer menselijke moeite, om de zelfrechtvaardiging los te laten die een geloof in stand houdt.’

Geciteerd 3: ‘Zelfrechtvaardiging’ is het denkwerk dat we stoppen in de onderbouwing van de eigen daden en beslissingen. En de motor achter veel zelfrechtvaardiging – júíst als we het fout hebben – is ‘cognitieve dissonantie’.
Cognitieve dissonantie is de onplezierige ervaring dat je twee overtuigingen hebt, die niet met elkaar stroken. Of dat je een overtuiging hebt, die wordt tegengesproken door je gedrag.

Geciteerd 4: We willen een leven leiden dat consistent is, schrijft Tavris. Cognitieve dissonantie maakt rusteloos. Soms blijft dat bij lichte irritatie, soms groeit het uit tot diepe angst en depressie. Met name als nieuwe informatie inhakt op diepgewortelde ideeën over jezelf – het zelfbeeld – is cognitieve dissonantie op z’n pijnlijkst en draait de zelfrechtvaardiging overuren.

Geciteerd slot: Hierin ziet Tavris een chronisch onderschat probleem: het zijn niet alleen slechte mensen die slechte dingen doen en dat proberen te verkopen aan de buitenwereld. Juist niet. Veel problematischer is: goede mensen die de slechte dingen die ze doen rechtvaardigen, om het idee in stand te houden dat ze goede mensen zijn.

* Het loslaten van een geliefd idee is lastig. Of het nou een hypothese is, een zelfbeeld, een moreel oordeel of een ‘oplossing voor alles’. Hoe kan dat? En hoe kan het anders?

(1) Amerikaanse sociaal psycholoog Carol Tavris. Decennialang bestudeerde Tavris de fascinerende bochten waar een mens zich mentaal in wringen kan om een gekoesterd idee hoog te houden. Ze verzamelde er vele in de bestseller Mistakes Were Made (But Not by Me) (2007).

Zie ook: https://www.alleenjezus.nl/een-man-met-gods-hart/

Bron citaten: De Correspondent – ‘De psychologie van het ongelijk:…’ – door Tamar Stelling (Correspondent Niet menselijk leven)

Bron afbeelding: SlideServe

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wij zijn pelgrims, dat is waar…*

Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting.‘ (1 Kronieken 29 vers 15)

Geciteerd 1: „Je bent op reis. Dit leven is een herberg. Maak van je geld en goed gebruik, zoals een reiziger in zijn logement. Tafel, beker en kruik gebruikt hij, om die bij vertrek weer achter te laten.” (…) Een christenmens, het eigendom van Christus, zwalkt maar niet wat rond op aarde, maar pelgrimeert naar zijn bestemming. Koersvast onderweg en doelbewust. Hij heeft nog wat tegoed.

Geciteerd 2: Vooral de apostolische brieven zijn er vol van. Daarin wenkt Gods Geest ons keer op keer indringend naar de heerlijkheid die komt. Hoewel de Maranatha-roep er naar de letter slechts sporadisch opklinkt, is heel het Evangelie van die roep doorademd.

Geciteerd 3 (bewerkt!): Nu heeft het gebrek aan eeuwigheidsbesef de kerk vanaf de vroegste tijden al parten gespeeld. Men hoeft Augustinus’ Confessiones er maar op te slaan, om dit euvel bevestigd te zien. (…) Zoveel is zeker, dat het vrijgeesten waren die louter op aards vermaak gebrand waren. Secularisatie in vroege gedaante! Gespitst op wat voorhanden is, blind voor wat ophanden is. En dát komt ons bekend voor: je laten fascineren en dicteren door de agenda van de wereld, net als de rest verknocht aan carrière, comfort, vertier en klinkende munt. Werelds, seculier. Alsof God en hemel slechts verzinsels waren. (1)

Geciteerd 4: Hoe reageert Paulus daar nu op? Huilend. Maar ook vermanend. In bewogen ernst. Onder tranen klaagt hij die dwaallichten aan. Maar juist die tranen wijzen uit dat hij hen niet afschrijft, maar terecht wil brengen. Hij heeft een dringende boodschap: „Laat de wereld je toch geen rad voor de ogen draaien. Dan staan verderf en onheil je te wachten! Houd de blik veeleer gericht op het perspectief dat God ons biedt. Dan staat je heil te wachten.” Paulus zet de zaak op scherp. Eeuwig wel of eeuwig wee. Hij weet wat hij zegt. Hij kent zowel de schrik des Heeren als de drang van Christus’ liefde. Al de gemeenten, hetzij in Kolosse, hetzij in Filippi, bezweert hij de dingen te zoeken die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

Geciteerd 5: Het schrikbewind van dood en ondergang is op Goede Vrijdag en Paasmorgen eens voorgoed tenietgedaan. Een oude Puttense broeder was daar diep van overtuigd. Toen men hem vroeg of hij bang was om te sterven, zei hij: „Nee, want de dood ligt achter mij. Ik ben met Christus mee gestorven, begraven en verrezen.” Dat is het geheim.

Geciteerd 6: Alsof de Apocalyps tot doemdenken aan zou zetten! Het boek Openbaring vestigt ons oog veeleer op de majesteit van de Almachtige, Die ten spijt van vijandelijke tegenstand, alle doem en demonie soeverein teniet zal doen. Het geeft ons grond om, ondanks de schijn van het tegendeel, te geloven en te belijden: „Van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid.” Amen.

* Naar Luthers uitspraak: Wij zijn bedelaars, dat is waar.
(1) Zie o.a. Romeinen 3 de verzen 9-19, Efeziërs 2 de verzen 1-5 en Titus 2 de verzen 11-15.

Nee, ze keken reikhalzend uit naar een beter Vaderland: het hemelse. Daarom schaamt God Zich er niet voor hun God genoemd te worden en Hij heeft voor hen een stad gereed gemaakt.‘ (Uit Hebreeën 11 vers 16)

Bron citaten: RD Kerk & religie – ‘Verlangen naar het Vaderhuis’ – door prof. dr. A. de Reuver

Bron afbeelding: YouTube (Scripture Pictures-Xyz)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Lof uit kindermonden… (III, Slot)

Zie kinderen zijn een erfdeel van de Heer’, de vrucht van de moederschoot
een beloning van God‘ (Uit Psalm 127 vers 3)

De Heere rekent de kleine kinderen ook tot Zijn Kerk.
De hele kleintjes in de wieg zijn onze broedertjes en zustertjes in de Heere.
De grotere kinderen moeten hun ouders gehoorzaam zijn ‘in de Heere’.

Wij moeten alles doen voor onze kinderen wat we om Christus’ wil ook aan onze oudere broeders en zusters moeten doen. Als ze hulpeloos zijn in de wieg moeten we ze om Christus’ wil als onze kleine broeders en zusters liefhebben en verzorgen.

En niet die moeder neemt het nauw met de religie (lees: liefde tot God!), die haar pas gedoopte kindje thuis in de wieg leggend gaat speculeren over de Raad Gods, of het nu logisch eeuwig zeker is ja of nee – maar die andere moeder, die het kleintje de zusterkus ‘in de Heere’ op het wangetje drukt en die dan voelt of het kruikje nog warm is – en die het extra, extra verzorgt, omdat de Here Jezus deze kindertjes heeft omvangen met Zijn armen en heeft gezegd: van zodanigen is het Koninkrijk der hemelen, en omdat Gods belofte is: Voor u en uw kinderen… ‘Hij zal zegenen de kleinen met de groten‘. Zo pas is aan dit kindje persoonlijk, onder het noemen van zijn of haar naam, de belofte van God aan Abraham en zijn zaad, betekent en verzegeld.

Zij die uit de godsdienst (religie) leven, begrijpen het niet.
Zij, die het alles van de levende God van het Verbond, van de HEERE*, verwachten, begrijpen dat wel, als zij maar vast gefundeerd blijven in Zijn Woord. Want dat Woord leert ons, dat alles van de kinderen van God met de Heere te maken heeft. Hun brood en kleding komen hun toe uit Zijn Vaderhand. Hun goud en zilver is het Zijne. De stenen van de kerkgebouwen en de plaatsen op de banken zijn Zijn eigendom en Hij gebruikt het alles tot Zijn eeuwig Koninkrijk.
Zouden onze kinderen daarbuiten vallen?
Zij zijn een ‘Erfdeel des HEEREN’.
* De God van Abraham, de God van Jakob en de God van Izak – zie Matteüs 22 de verzen 30-33.

Zie ook: ‘Lof uit kindermonden…(I)‘ en (II)

Bron citaat: Gereformeerd Schoolblad nr 66, december 1995, 12e jaargang nr. 4 – ‘V. Lof uit kindermonden tegenover wraakgierigen’ door A. Janse – Pro Ecclesia, 14 januari 1939.

Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.
(Uit Psalmen 115 vers 13)’

Bron afbeelding: KJV Bible Verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Er kan nooit genoeg gebeden worden’…

Wees altijd verheugd, bid onophoudelijk, dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat Hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt.‘ (Uit 1 Tessalonicenzen 5 vers 16-18)

Geciteerd: Maar laten we vooral zo veel mogelijk gebedsmomenten organiseren. Het zijn namelijk geen concurrenten van elkaar. Er kan nooit genoeg gebeden worden.

Opgemerkt 1: Er kan nooit genoeg hartelijk gedankt worden! Is dat niet vooral ons/het probleem; het ontbreken van dankbare harten en het iedere dag God weer hartelijk danken, ook op Zondag. Wat hoor ik daar ook (te) weinig dankbaarheid in de zondagse gebeden voor wat God ons elke dag weer vast en zeker geeft: Zijn Woord en Zijn Bijstand door de heilige Geest en genadige vergeving van onze schulden… We staan er niet alleen voor! We hoeven niet eerst en altijd maar weer te smeken om ‘aangeraakt te mogen worden’. God is ons zeer nabij! Immanuel!

Wij zijn zijn tempels van de heilige Geest* en de gemeente is Zijn Bouwwerk. Zo’n losse steen en al die losse stenen lijken op zich niets waard, maar we hebben ze met geloofsogen elk afzonderlijk opgenomen te zien in het geheel van Gods groeiende Bouwwerk. Dan is er altijd reden voor danken: voor onze aanwezigheid in dat geheel en voor het doorgaande Bouwwerk zelf. En die lof en dank kunnen we iedere Zondag ook in de gebeden (allereerst) uitzeggen. Daar hoeven we toch geen gebeds- of dankdagen voor uit te schrijven. In het Nieuwe Testament lezen we ook niet over zulke gemeente overstijgende gebedsoproepen. We belijden toch iedere Zondag met de twaalf artikelen dat we opgenomen zijn in het grote geheel van Gods (dankende en biddende) Kerk hier op aarde.

Opgemerkt 2: In het christelijk huwelijk zijn de echtgenoten ‘samengegroeid’ als tempel en niemand mag die tempel schenden! Dat gaat zelfs zover dat Paulus zegt dat zelfs een ongelovige man of vrouw ‘geheiligd’ is in de gelovige man of vrouw (1 Korintiërs 7 vers 14). Daarom is onder christenen een beroep op die OT echtscheidingsregels nu ‘uit den boze’! En echtscheiding binnen een christelijk huwelijk, waar beiden gelovig zijn, is iets wat David niet durfde, namelijk: Een gezalfde van de Heer uit zijn ambt stoten!* En later mochten Absalom, Achitofel en zelfs Batséba (van wie de echtgenoot vermoord was) dat ook niet doen.

* Wat heb ik predikanten zich niet ‘horen uitsloven’ om te laten blijken dat ze dat heel goed begrepen hadden. Zodat je denken ging: wanneer zij in die tijd geleefd hadden zouden ze natuurlijk de kant van David gekozen hebben en niet die van Absalom en Achitofel. Maar Jezus verwijst naar zulk soort zelfoverschatting (o.a.) in Matteüs 23 de verzen 30-32.

Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing voor God met heel uw hart psalmen, hymnen en liederen die de Geest u vol genade ingeeft.‘ (Uit Kolossenzen 3 vers 16)

Bron citaat: RD Kerk & religie – „Als je over corona zo verdeeld bent, kun je dan toch herkenning vinden in God?” – door Klaas van der Zwaag

Bron afbeelding: Prayers and Petitions

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Lof uit kindermonden…(II)

U bent mijn enige hoop, HEER, mijn God, van jongs af vertrouw ik op U. Al vanaf mijn geboorte steun ik op U, al in de moederschoot was U het die mij droeg, U wil ik altijd loven (Uit Psalm 71 vers 5-6)

Geciteerd: De Dopersen zeiden in de tijd van de Reformatie, dat men evengoed een hondje kon brengen in de kerk, als zo’n zuigeling die gedoopt werd. Wat had zo’n onnozel kind daar van doen.
Maar onze vaderen stelden het heerlijke Doopsformulier op; een krachtig Schriftgetuigenis tegen godsdienstige hoogmoed.

Maar ook later in de tijd van afvalligheid in de kerken van de reformatie hebben de Libertijnen kinderen ‘niet rijp’ geacht voor het godsdienstige en de jongens maar ‘échte’ jongensvermaken en jeugdboeken gegeven (1) – religie kwam later te pas, als je wat ouder wordt en begint om over de eeuwigheid na te denken.

En daarnaast hebben degenen, die het in ‘het zware’ zochten, de piëtisten en geestdrijvers en mysticisten, laag neergezien op die nog voluit ‘natuurlijke wezens’, die men kinderen en jongvolk noemt. Ze moesten wel de ‘woorden der zaak’ leren – dat memoriseren was geschikt voor hen – maar de ‘zaak der woorden’ kwam in de regel eerst veel later, met de ‘bekering’. Enkele uitzonderingen, dat kleine kinderen al konden vertellen, dat de echte waarachtige bevinding aan hen gebeurd was, bevestigden de regel.

En ook in onze dagen menen ‘Religions-psychologen’, dat het echte religieuze besef eerst komt als de mens rijp is om te peinzen over religieuze dingen: ‘God’, ‘deugd’ en ‘onsterfelijkheid’. Men staat dan voor het probleem op welke leeftijd een kinderziel echt met God van doen kan hebben.

Iemand die wel eens examen afnam in deze nieuwsgierige vraag, vertelde mij dat hij zich niet kon herinneren voor zijn 16e levensjaar enig liefdegevoel voor God gehad te hebben. Daarom voelde hij er veel voor om de leeftijd voor het ontluikende godsdienstige leven te stellen in het begin van de pubertijdsperiode.

Ik heb hem toen gevraagd of hij zich ook herinnerde op welke leeftijd het liefdegevoel voor zijn moeder begonnen was. Hij zocht natuurlijk wat vroeger dan eerder genoemde puberleeftijd. Maar toen heb ik hem gezegd: toen u nog maar enkele weken oud was, heeft u met grote ogen uw moeder toegelachen, zodat zij de glans opving in haar moederweelde (2), dat haar kindje haar herkende. Hij kon zich dat eerste moment natuurlijk niet meer herinneren. Welnu, hoe zou een kind als Johannes de Doper, die reeds van vreugde in de Here opsprong vóór zijn geboorte, samen met zijn moeder lovende de Zaligmaker (3) – hoe zou deze Johannes dat eerste hebben kunnen rapporteren aan nieuwsgierige godsdienstpsychologen.

(Wordt vervolgd!)

(1) Over de meisjes werd blijkbaar niet gesproken?
(2) En van die weelde – van herkenning en (terug)reageren/lachen van onze eigen pasgeboren kinderen – heb ik als vader ook steeds weer volop genoten! Dat vroege contact leggen is een wonderlijk gebeuren!
(3) Zie Lukas 1 de verzen 41-45.

Zie ook:Lof uit kindermonden…(I)‘ en (III, slot)

Bron citaat: Gereformeerd Schoolblad nr 66, december 1995, 12e jaargang nr. 4 – ‘V. Lof uit kindermonden tegenover wraakgierigen’ door A. Janse – Pro Ecclesia 14, januari 1939.

‘Kleinkinderen zijn voor grootouders de kroon op hun leven, kinderen zijn trots op hun voorouders.‘ (Uit Spreuken 17 vers 6)

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on Quotes)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Lof uit kindermonden… (I)

Toen hij naar de tempel was gegaan en daar onderricht gaf, kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe. Ze vroegen Hem: “Op grond van welke bevoegdheid doet u deze dingen?” En wie heeft u die bevoegdheid gegeven?”‘ (Uit Matteüs 21 vers 23)

Om vijand en wraakgierige te doen verstommen
(Uit Psalm 8 vers 3, NBG51)

Op zondag voor Pasen deed de Here Jezus Zijn intocht in de stad Jeruzalem. Daar heersten de afvallige kinderen van God, die uit de Wet leefden. “De Wet” (hún Bijbel) was hún glorie, daar lééfden ze uit. Hun dienst aan God was hun ere, hun onberispelijkheid naar de Wet was hun eerste zorg. Hun gerechtigheid was door henzelf verworven in een voortdurende oefening van streng Joods ritueel en nauwgezette opvolging van de ‘inzettingen der Ouden’.

Deze mannen-van-de-godsdienst, de vrome Farizeeën en de knappe Schriftgeleerden en ‘hoge leidende figuren’ uit de priesterstand – en allen die deze herders graag volgden, zagen uit de hoogte neer op de Man van Nazareth, Wiens wegbereider bekering had gepredikt. Onlangs hadden ze met grote stenen in de handen klaargestaan om Hem te stenigen. En toen was Hij stil weggegaan. (1)

Hij zou voorlopig wel niet terugkomen meenden zij. En mocht Hij terugkomen, dan zou Hij wel binnensluipen als een dief – als een boosdoener, die hier niet thuishoorde onder het volk van heiligen. De Overpriesters hadden dan ook bevel gegeven, wanneer iemand wist waar hij zich schuil hield, dat men Hem dan moest aangeven bij de tempelpolitie. In de kerk waren de mannen van de godsdienst de baas. En Jeruzalem was de stad van God. – Een godslasteraar die daar stond te beweren dat Hij de Zoon van God was, die moest geweerd worden. (2)

Maar ziet, het kwam anders uit. Als een koning, als dé Koning, die kwam in de Naam van de HEER, reed onze Heere de poort van Jeruzalem in, omstuwd van een grote menigte Galileeërs (3), die Hosanna riepen.

Niet de man van de dienst aan God, maar Christus had hier de macht over deze stad over deze poort, over die brede stenen muur, over de huizen en de straten, en ook over de prachtige tempel. ’t was Zijn tempel. Geen deurpost, geen dorpel, geen tempelkamer of ’t was van Hem. En al de heilige mannen, in ’t wit gekleed, waren zijn knechten. ’t Verbond met Abraham was in hun vlees getekend en verzegeld. En hier was de grote Engel van het Verbond, komende tot Zijn Tempel. Dat zagen Zijn discipelen met grote vreugde. En zij riepen: Hossana! Gezegend is Hij die hier komt

Maar ’t waren meest maar eenvoudige lieden (3) en toen zij de tempel naderden, het machtsgebied van de groten in de Wet, toen hield de een na de ander op met hosanna-roepen. De nijdige, stekende ogen van fanatieke godsdiensthaat waren voldoende om hun de mond te snoeren. De wraakzucht van de tempelbewaarders moest hen eens treffen…
Maar er waren ook jongens bij van 12-16 jaar. En kinderen van die leeftijd zijn meestal nog niet zo behoedzaam voor de gevoeligheden van belangrijke mensen en persoonlijkheden. Die jongens bleven roepen – zelfs ook nog in de voorhof.

Wie doet zulke jongens wat? Mannen van de wet nemen kwajongens nog niet zo ernstig. ’t is toch niet zo kwaad bedoeld. Maar de heren van de Tempel waren woedend. Zij begrepen niet hoe de Rabbi zich niet schaamde voor die jongens. En ze kwamen verontwaardig naar Jezus en snauwden Hem toe: Hoort U niet, wat dezen roepen? Zeg toch, dat ze hun mond houden!

In dat hooghartige woordje ‘dezen’ ligt de verachting van mensen die uit de godsdienst leven, voor de jeugd. Wat moesten die knapen hier roepen en met palmtakken ere brengen aan deze rabbi, die niet eens meegeteld kon worden onder de herders van het volk.

Welke man van godsdienstig aanzien zou zich die lof van kwajongens laten welgevallen? Wat was deze rabbi op laag peil gezonken: lof uit de monden van kinderen van 12 jaar, die nu juist permissie hadden om eens te komen kijken bij het grote Pascha. Zij namen het Hem hoogst kwalijk, dat Hij ze niet de mond snoerde in hún heiligdom.
Maar de Here Jezus zag de situatie enigszins anders. Hij herinnerde Zich de Psalm van David: Uit de mond van kinderen en zuigelingen het U sterkte gegrondvest, om vijand en wraakgierige te doen verstommen.

Hier stond de vijand – de mens van de godsdienst in optima forma. Hier stond de Jood, die “uit de Wet” leefde. Hij droeg de naam van ‘kind van het Verbond’ – maar zijn aangezicht was als dat van Kaïn, de wraakgierige, gereed om te doden. En deze wraakgierige stond hier beschaamd. Uit kindermond werd de lof (4) gebracht aan de Koning van deze stenen gebouwen, aan de Heer van de Tempel en van deze stad.
Wanneer ook die kindermonden zouden zwijgen, dan zouden de stenen het roepen: niet de mannen van de godsdienst, maar de Engel van het Verbond, die nu tot Zijn Tempel komt tot een oordeel over al die kinderen van het Verbond, die uit de Wet leven, komt toe alle lof en alle eer.

Dit verhaal is typerend voor alle tijden! David wist al van die situatie in zijn dagen en ook in de kerkgeschiedenis herhaalt zich het telkens weer, dat degenen die uit de godsdienst menen te kunnen leven, grote minachting hebben voor kinderen en jongeren van 12-16 jaar en voor eenvoudige mensen (3) onder het godsvolk voor wat het godsdienstige betreft.

(1) Zie Johannes 8 vers 59 en 10 de verzen 31 en 39.
(2) Zie Johannes 8 vers 58 en 10 vers 30.
(3) Eenvoudige mensen uit het volk: discipelen van Jezus uit Galilea en andere Jeruzalem-gangers, zie ook Matteüs 21 vers 14.
(4) God blij en dankbaar loven ‘uit het hart’ stijgt zelfs uit boven geloven (alleen).

(Wordt vervolgd!)

Leestip: Matteüs 21 (geheel).

Zie ook: ‘Lof uit kindermonden…(II)‘ en (III, slot)

Bron citaat: Gereformeerd Schoolblad nr 66, december 1995, 12e jaargang nr. 4 – ‘V. Lof uit kindermonden tegenover wraakgierigen’ door A. Janse – Pro Ecclesia, 14 januari 1939.

Jezus gaf hun ten antwoord: “Ik zal u ook een vraag stellen, en als u mij daarop antwoord geeft, zal Ik u zeggen op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe. In wiens opdracht doopte Johannes? Kwam die opdracht van de hemel of van mensen?” (Uit Matteüs 21 uit de verzen 24-25)

Bron afbeelding: Bible Verses – Facebook

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Ik zal u hoeder(s) van schapen maken…

Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, te midden waarvan de Heilige Geest u tot opzieners aangesteld heeft om de gemeente van God te weiden, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.‘ (Uit Handelingen 20 vers 28)

Geciteerd: Poelenije is 35 jaar en sinds vijf jaar schaapsherder in Ruinen. Hij begon in de ICT, switchte naar milieukunde en vond zijn bestemming bij de schapen.

Over het leven van een schaapsherder anno 2021

‘Dit is een gewone werkdag, ik ga met de kudde op pad. De kudde gaat zeven dagen in de week de hei op, ik loop er vier dagen mee. We zijn altijd op pad. Het afgelopen jaar zijn we een keer niet geweest, toen in februari met de stuifsneeuw. Er lagen sneeuwruggen van een meter hoog. Dat was geen doen. Anders moeten we op pad, weer of geen weer. Ze moeten een volle buik hebben.

Twee derde staat te eten en daar gaat het om. Het is geen marathon die we lopen, het tempo ligt laag, ik zie graag de koppen aan de grond. Zo kan ik ook zien of de kudde fit is. Als er een paar schapen een uur staan te kijken, dan weet ik dat er iets aan de hand is.

We hebben een oude schaapskooi, die is gerenoveerd, en daarachter hebben we een nieuwe gebouwd, die heeft een ander ontwerp dan de gemiddelde schaapskooi. We hebben er een paar jaar geleden prijzen mee gewonnen. En het werkt ook praktisch.

Schapen gaan altijd dood op zondagmiddag, als je er echt niet op zit te wachten. Dan moet je erheen. Een ziek dier moet je behandelen. Daar moet je van houden. Ik vind het leuk, maar het betekent wel dat je er altijd mee bezig bent. En ik woon er ook nog naast.

Het zijn er 485. Dat weet ik precies omdat ik ze vorige week geteld heb met een scanapparaat

* ‘Ik ben ooit met een hond begonnen. Je gaat schapen drijven, dat wordt steeds meer. Je schaft er zelf een paar aan. Op een gegeven moment geeft het een apart gevoel dat je met zo’n hond schapen kan besturen. Paardrijden is ook gaaf, dan stuur je als ruiter het paard. Ik stuur met mijn hond andere wezens aan. Die controle is leuk, zeker als je twee of drie honden hebt die het kunnen.’

Bron citaten: De Correspondent – ‘Schaapsherder. Lex Bohlmeijer in gesprek met Michiel Poelenije’ – LB (Correspondent Goede gesprekken)

God is de God van vrede. Hij heeft de Heer Jezus, de grote Herder van de schapen, uit de dood teruggeroepen. Hij deed dat vanwege het bloed waarmee Hij een eeuwig verbond sloot. Ik bid dat deze God jullie geschikt zal maken om alles te doen wat Hij van jullie vraagt. Hij zal door middel van Jezus Christus in jullie werken. Alle eer is voor Hem, voor eeuwig. Amen! Zo is het!‘ (Uit Hebreeën 13 de verzen 20-21)

Bron afbeelding: KJV BibleDairy-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het abc van bekering en goede werken…(Slot)

Jullie hebben tegen elkaar harde woorden over Mij gesproken – zegt de HEER -, en jullie vragen: “Wat hebben we dan over U gezegd?” Jullie hebben gezegd: “Wat heeft het voor nut om God te dienen, wat hebben we eraan dat we Zijn voorschriften in acht nemen en ons in een boetekleed hullen voor de HEER van de hemelse legermachten? We moeten de hoogmoedigen wel gelukkig prijzen, want wie zich goddeloos gedraagt gaat het voor de wind, en wie God beproeft komt er goed vanaf!” ‘ (Uit Maleachi 3 de verzen 13-15)

Citaten uiPreek n.a.v. Zondag 33 (HC) gehouden zondag 1 november 1942.

Geciteerd: Gedurige toetsing en binding aan Gods wet dat geldt ook van alle goede werken: ‘alleen die, welke tot Gods eer* worden gedaan.’ (1) We hebben vaak heel iets anders op het oog. Daar zit in ons werken vaak een stuk eigenbelang. Angst voor eigen hachje, terugdeinzen voor de consequenties en wat niet al. Dan gaan we berekenen en/of schipperen: we moeten (naar ons zeggen) van ‘twee kwaden’ het beste kiezen (2); we zeggen, dat we ook aan de eventuele gevolgen moeten denken. Och, en dan lukt het ons altijd wel ons te verdedigen. Om de schijn nog te redden.

Wat Christus van ons vraagt is radicaal. Het is het volstrekte offer. (3) Het betekent dat we onszelf wegcijferen, omdat Zijn eer* in het leven de doorslag geeft. En daarom is dagelijkse bekering, de dagelijkse strijd, het elke dag weer opnieuw beginnen tegen onszelf te vechten, opdat we Gód zullen liefhebben* en Hij Zijn glorie zal ontvangen.

Nu eindig ik, waar ik begon.Eens bekeerd is altijd bekeerd‘ Dat is waar, want God volhardt, daarom moeten wij volharden. De eenmalige bekering (4) wordt slechts gehandhaafd in de dagelijks bekering. God heeft mij eens bewogen tot het geloof, en toen heb ik gezegd: ik geloof, Heer, kom mijn ongelovigheid te hulp. Nu, God volhardt, Hij blijft mij tot geloof bewegen in Woord en Sacrament. Maar daarom moet mijn wil, die door Hem tot tot het geloof bewogen werd, nu ook zelf zich bewegen, en na elke twijfel, na elke daad van ongeloof – na elke zonde dus -, opnieuw tot het geloof zich opmaken – en niet (wanhopig) in de zonde blijven liggen.

God heeft (eens) mij bekeerd, want Hij bond me aan Zijn Woord (5): toen heb ik gezegd: Ik heb vermaak in Uw Woord. Maar Hij blijft doorgaan Mij te binden aan Zijn Woord. Daarom is dagelijkse bekering dit: Hoe lief heb ik Uw Woord; de hele dag en ook bij nacht overdenk ik Uw Woord. (Psalm 119!)

God heeft mij (eens) bekeerd: Hij riep me en trok me om te roemen in Hem. Toen ben ik gaan zeggen: U bent mijn God, U zal ik loven. Maar God volhardt; Hij blijft trekken en roepen; daarom moet ik elke dag zeggen: U zij de heerlijkheid en de kracht tot in eeuwigheid.

Want daar is de volharding van de heiligen, als genadegaven van God. Maar dit brengt spanning in mijn leven, want dit betekent de volharding ook als roeping van mij. O God U hebt mij geroepen en bekeerd; U bekeert me vandaag nog. Daarom heb ik mij bekeert, en zal ik mij bekeren tot het geloof, tot uw Woord, tot Uw eer, elke dag. U verlaat niet wat Uw hand begon. (b) En Uw hand heeft in het begin mijn hand gevat (3), zodat ook die (hand van U) begon (met mij).

U houdt mijn beide handen met kracht omvat.
Daarom verlaat ik niet, wat mijn hand begon.
O Levensbron, wil bijstand zenden. (a, *)
Amen.

* Zou zelf toch de dankbaarheid hier als eerste en voornaamste willen noemen. Lees en overdenk hierbij Psalm 38 t/m 40 en ook Psalm 50.
(a) Psalm 138, vierde vers, berijmd, OB. (Lees dit vers hier)
(1) En de ere Gods is dat we Zijn weldaden aannemen (Luther) en Hem liefhebben met heel ons hart en ziel en met heel ons verstand en al onze krachten en onze naaste liefhebben als onszelf.
(2) Juist waar mensen heel nauw met elkaar samenleven, zoals in huwelijk, gezin en familie, maar ook in de gemeente van Jezus Christus openbaart zich de arglistigheid van ons hart waar de boze graag gebruik van maakt. Daarvoor zullen Christenen zich steeds weer de ogen hebben te laten openen en dat niet in en uit eigen kracht! We hebben hier niets van onszelf en van eigen wijsheid te verwachten!
(3) Hij vraagt ons volle vertrouwen en daarom zullen we niet ‘berekenend’ te werk gaan en Hij zegt ook dat, wanneer we Zijn discipelen willen zijn, we dagelijks ons kruis zullen opnemen.
(4) Net zoals de discipelen mochten zien op hun roeping en Doop, ook eenmaal van onze Heer de vraag voorgelegd kregen of ze ‘niet ook wilden weggaan’, zo mogen ook wij zien op onze roeping zoals die tot ons kwam in en door onze Doop en ook van ons wordt gevraagd om bewust belijdenis af te leggen van ons geloof – en denk daarbij dan aan de belijdenis van Petrus: ‘U hebt woorden van eeuwig leven!’.
(5) In de oorspronkelijke tekst staat: (de) wet; maar ik heb hier steeds gekozen voor (het) Woord omdat we dan direct ook denken aan heel het onderwijs van Gods Woord dat levend en krachtig is en aan het levende Woord Zelf: Onze Heer Jezus Christus, Die heel Gods wet voor ons vervulde.

Zie ook: ‘Het abc van bekering en goede werken…’ (I) en (II)

Bron citaten: Boek ‘De dingen die ons van God geschonken zijn – catechismuspreken’ – Derde deel, Zondag 31-39 – van ds. B. Holwerda (1909-1952), bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

Zo spraken de mensen die ontzag voor de HEER hadden tot elkaar, en de HEER hoorde het en luisterde aandachtig. In Zijn bijzijn werden in een boek de namen van de mensen opgetekend die ontzag voor de HEER hadden, die Zijn Naam hoogachtten. Op die dag die ik voorbereid – zegt de HEER van de hemelse legermachten – zullen zij Mijn eigendom zijn. Ik zal hen sparen zoals je een kind spaart dat je gehoorzaam is. Dan zullen jullie het verschil weer zien tussen rechtvaardigen en wettelozen, tussen mensen die God gehoorzamen en wie dat niet doen.‘ (Uit Maleachi 3 de verzen 16-18)

Bron afbeelding: Jesus Christ – The World’s Savior and Redeemer – Tumblr

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het abc van bekering en goede werken… (II)

Omdat God ons in Zijn barmhartigheid deze taak gegeven heeft, verzaken wij onze plicht niet. Integendeel we hebben ons afgewend van heimelijke lafheid: we gaan niet sluw te werk, vervalsen het Woord van God niet, maar maken de waarheid openlijk bekend. Zo bevelen we ons ten overstaan van God aan bij ieders geweten.‘ (Uit 2 Korintiërs 4 de verzen 1-2)

Citaten uit Preek n.a.v. Zondag 33 (HC) gehouden zondag 1 november 1942.

Geciteerd: Bekering is dan verder ook: bekering van eigenwilligheid tot de wet van God. (1) Dat staat hier zo prachtig in de HC, en we zijn het er roerend mee eens vermoedelijk; maar we moeten het ons toch (weer) eens gezegd laten zijn. Want wat hebben we niet een andere machten, die onze levenshouding bepalen. Die ook onze (kerkelijke) samenleving beheersen.

Ik denk bijvoorbeeld aan de macht van de traditie. Natuurlijk ontken ik niet de waarde van de christelijke zede. (2) Maar soms is de traditie een macht, die onze bekering tegenhoudt. Dan wordt er zonder meer gezegd: dat zijn we hier niet zo gewoon, en het bestaande gebruik wordt ontzien, maar de wet van God wordt vergeten.
Dan is daar ook de kracht van de conventie. (3) Dan durven de mensen niets doen, als ze bang zijn dat anderen er om zullen lachen. En dan hebben we verder de eisen van de tactiek: je moet bepaalde gevoeligheden ontzien. En ook de eisen van beleefdheid: Je moet bepaalde dingen niet hardop en ongezouten zeggen. En dan schipperen we en plooien we, en we zorgen dat we geen ruzie krijgen; maar ondertussen komt de wet van God niet tot heerschappij.
Wat is hierdoor in veel kerken niet al veel bedorven door de zitplaatsenregeling bijvoorbeeld. Je moet rekening houden met de bestaande gebruiken, en met veel gevoeligheden van bepaalde personen, en weet ik met hoeveel dingen meer.

Maar dat is geen bekering. Bekering is dat ik me dagelijks conformeer aan de wet van God. Dat kan wel eens betekenen dat ik in conflict kom met de tactiek, of liever wat ‘men’ tactisch noemt. Want de ware tactiek is, dat ik het leven van mezelf en de naaste weer stel onder de wet. En waarachtige beleefdheid is niet een buiging, en wat keurige woorden; maar het is desnoods scherp de waarheid zeggen, opdat de wet van God weer de heerschappij zal krijgen.

Amos die ‘de koeien van Basan’ striemt en Paulus die de Galaten uitzinnig noemt, ze waren niet bepaald beleefd en tactisch, althans wat men in de regel daaronder verstaat. Maar ze hebben het Godsvolk onder de wet gesteld. En wie dat doet, heeft ook in de kerk heel vaak de wind tegen (4), omdat daar ook de oude mens zich nog gelden laat. Die moet soms zijn hele (verdere) leven eenzaam tegen de stroom oproeien; en ze zullen hem misschien betitelen als ruziemaker en vechtjas of erger.

Maar bekering is mogelijk! Daarom is het niet erg als er eens wat deining komt. Hoe kan het anders, als de oude mens gekruisigd wordt? Wat is het dat onrust brengt in de kerk? Niet het klare, eerlijke zuivere woord van iemand die vecht voor de heerschappij van de wet (1); maar wel de diplomatie, het bepaalde mensen ontzien, het mensenbehagen. Dát vergiftigt de kerk. En ik meen, dat we op dat punt heel scherp zullen moeten letten; dat ook in onze kerkelijke samenleving we al heel ver afgezakt zijn.

Eerste bekering is dat God ons leven bindt aan Zijn wet; maar God volhardt daarin en houdt ons daaraan. Daarom is dagelijkse bekering de voortdurende toetsing en binding aan Zijn wet. En dát pas is: de volharding der heiligen.

(Word vervolgd!)

(1) Versta hieronder het zich houden aan de tien geboden zoals die aan ons door onze Heer Jezus Christus en de apostelen zijn onderwezen
(2) Gebruiken en normen die een bepaalde groep als juist en wenselijk ervaart.
(3) Gangbare of verwachte manier van handelen binnen een groep of gemeenschap.
(4) Denk hierbij bijvoorbeeld aan het algemeen geaccepteerde ‘gaan voor je eigen geluk’, wat bij echtscheiding tegenwoordig als een algemeen aanvaard ‘principe’ wordt beschouwd, ook binnen christelijke kring..

Zie ook:Het abc van bekering en goede werken… (I)‘ en (Slot)

Bron citaten: Boek ‘De dingen die ons van God geschonken zijn – catechismuspreken’ – Derde deel, Zondag 31-39 – van ds. B. Holwerda (1909-1952), bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

Wij zeggen u alles ronduit, Korintiërs, want wij hebben u in ons hart gesloten. Niet wij schieten in genegenheid tekort, maar u in genegenheid voor ons. Nu dan, ik vraag u alsof u mijn eigen kinderen bent; sluit op uw beurt ons in uw hart.‘ (Uit 2 Korintiërs 6 de verzen 11-13)

Bron afbeelding: SlidePlayer (Vessels of Blessing – 2 Corinthians 1-10)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het abc van bekering en goede werken…(I)

Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.‘ (Filippenzen 4 de verzen 6-7)

Citaten uit Preek n.a.v. Zondag 33 (HC) gehouden zondag 1 november 1942.

Geciteerd: Waarom zijn er zo weinig goede werken? Omdat we zo slecht geloven. Dan tobt de één met z’n drift, de ander met z’n geldgierigheid, een derde met z’n onkuisheid; en ze willen er tegen vechten, en ze doen het ook; maar ze houden het niet vol, en bezwijken telkens weer. Ja. Natuurlijk lukt het zo niet, als ze niet in geloof gaan strijden.

Als ik een driftkop ben, dan moet ik niet zeggen: ik moet me beter beheersen. Maar ik moet geloven de vergeving van mijn zonden in Christus, en in dat geloof overwin ik de wereld. Ook de drift. En als jongelui tobben met de donkere hartstochten van hun vlees, dan is het eerste niet een poging om voortaan reiner te denken, maar het begin is weer, dat ik me geborgen weet in Christus Jezus, en na elke tuimel weer rusten ga in Christus, gelovende dat om Zijnentwil de zonde over mij niet heersen zal.

Begin van alle bekering is geloof. En dagelijkse bekering is dus elke dag strijden tegen de zwakheid van het geloof. Dagelijkse bekering betekent: elke zondag naar de kerk, om te groeien in het geloof. Het is leven bij het Woord en bij het Sacrament. We bekeren ons in heel het leven, maar het begint altijd weer in de kerk, waar God het geloof werkt en versterkt en zo de grondslag legt voor onze vernieuwing elke dag.

Daarom is vechten voor twee keer naar de kerk gaan niet een preken voor eigen parochie; en het is ook niet de suggestie dat we na die twee diensten wel klaar zijn, en het in de week wel wat kan lijden weer; maar het is vechten hiervoor, dat de bronnen van de bekering niet verstopt raken; want de bekering van maandag tot en met zaterdag is afhankelijk van de geloofssterking op zondag.

We zullen dus niet zeggen: het zit ‘m niet in twee keer kerkgaan, het komt op het leven aan. Inderdaad, het komt op het leven aan; maar dat kan niet bloeien zonder de kerkgang; want er is geen bekering zonder geloof. De wereld doet schamper en zegt van ons: dat gaat naar de kerk, maar dat leeft zo slap in de week.

God zegt het anders: dat leeft zo slap in de week, want het is op zondag daar in de kerk zo’n slappe beweging; ze zijn er zo traag in het geloven, daarom zijn ze zo traag in goede werken. Want het peil van ons leven in de week wordt beheerst door het peil van onze zondag; en wie vandaag zijn plaats hier openliet, die is morgen niet bekwaam tot goede werken.

(Wordt vervolgd!)

Zie ook: ‘Het abc van bekering en goede werken…(II)‘ en (Slot)

Bron citaten: Boek ‘De dingen die ons van God geschonken zijn – catechismuspreken’ – Derde deel, Zondag 31-39 – van ds. B. Holwerda (1909-1952), bij leven hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen.

Geliefde broeders en zusters, u bent altijd gehoorzaam geweest toen ik bij u was. Wees het des te meer nu ik niet bij u ben. Blijf u inspannen voor uw redding, en doe dat met diep ontzag voor God, want het is God die zowel het willen als het handelen bij u teweeg brengt, omdat het Hem behaagt.‘ (Uit Filippenzen 2 de verzen 12-13)

Bron afbeelding: JeffRandleman-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie