Dienst in een christelijke gemeenschap…(III)

(…) 16 Laat ​Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen, zodat gij in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, aan God dank brengt in uw ​harten. (Uit Kolossenzen 3)

In liefde (een ander) de waarheid kunnen zeggen…

Wie mag met zijn woord het leven van de ander binnendringen? Wie mag zich het recht aanmatigen, de ander rekenschap te vragen, hem terecht te wijzen? Het zou geen teken zijn van een diep christelijk inzicht, als men hier zou zeggen dat iedereen dit recht heeft en zelfs deze plicht. De geest van verkrachting zou hier op de meest gemene manier weer binnen kunnen sluipen…

De ander heeft inderdaad zijn eigen recht, zijn eigen verantwoordelijkheid en ook zijn eigen plicht, zich tegen onbevoegd ingrijpen te verzetten. De ander heeft zijn eigen geheim, dat zonder grote schade niet kan worden aangetast en dat hij niet prijs mag geven zonder zichzelf zeer ernstig te schaden.

En toch ligt dit op zich zelf juiste inzicht gevaarlijk dicht bij het dodelijke woord van Kaïn: ‘Ben ik mijns broeders hoeder?‘ (Genesis 4 : 9). Waar christenen samenleven moet het op een gegeven ogenblik en op een of andere manier zover komen, dat de een persoonlijk tegenover de ander spreekt over het Woord en de wil van God.

Wil het woord niet over onze lippen komen, dan moeten wij ons zelf afvragen, of wij onze broeder niet alleen zien in zijn menselijke waardigheid die wij niet durven aantasten, en daardoor niet het belangrijkste vergeten, namelijk, dat ook hij, hoe oud hij ook moge zijn, hoe hoog zijn positie ook is en hoe belangrijk hij ook is, toch een mens is net als wij, die als zondaar om de genade van God roept, die zijn grote noden heeft evenals wij en die hulp, troost en vergeving nodig heeft net als wij zelf.

De basis, waarop christenen met elkaar kunnen spreken is, dat de een weet, dat ook de ander een zondaar is, die in al zijn menselijke grootheid verlaten en verloren is, als hij niet wordt geholpen. Dit inzicht geeft het broederlijk woord de nodige vrijheid en openheid. Wij spreken elkander aan vanuit de hulp, die wij beide nodig hebben. Wij vermanen elkaar om de weg te gaan, die Christus ons wijst te gaan. Wij waarschuwen elkaar voor de ongehoorzaamheid die ons verderf is.

Hoe meer wij onszelf leren het Woord door de ander te laten zeggen en ook scherpe verwijten en vermaningen ootmoedig en dankbaar te aanvaarden, des te vrijer en zakelijker komen wij te staan tegenover ons eigen woord. De lichtgeraakte wordt altijd een vleier, en daarmede al gauw een verachter, een kwaadspreker van zijn broeder. Maar de ootmoedige houdt zich bij de waarheid en bij de liefde. Hij blijft bij het Woord van God en laat zich daardoor tot de broeder brengen. Omdat hij niets voor zichzelf zoekt en vreest, kan hij door het Woord de ander helpen.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Dient elkaar” – “Alleen de ootmoedige kan in liefde de waarheid zeggen” – (29 oktober) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 10 Laat u ook geen leiders noemen, want één is uw Leidsman, de ​Christus. 11 Maar wie de belangrijkste onder jullie is, zal jullie dienaar zijn. (Uit Matteüs 23)

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Het Onze Vader uitgelegd voor de eenvoudigen, 1519 (16)

Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u. (Uit Lukas 17 : 21)

De tweede bede: Uw koninkrijk kome

(…) “Daarom bidden wij niet:” Lieve Vader, laat ons in uw koninkrijk komen “, alsof wij er naartoe zouden reizen of kunnen reizen. Maar we vragen: ‘Moge Uw koninkrijk tot ons komen.‘ Wanneer we het werkelijk willen ontvangen, moeten Gods genade en Zijn koninkrijk, samen met alle deugden, naar ons toekomen. We zullen nooit in staat zijn om onszelf toegang tot dit koninkrijk te verschaffen. Daarom kwam Christus vanuit de hemel naar de aarde – en niet wij mensen moesten of moeten van de aarde naar de hemel opstijgen om Hem te ontmoeten!

De andere fout die velen maken bij het bidden van deze bede is dat ze daarbij aan niets anders denken dan aan hun eeuwige gelukzaligheid. Ze veronderstellen dat het koninkrijk van God bestaat uit pure vreugde en geluk in de hemel. Geïnspireerd door aardse verlangens en door hun angst voor de hel, zoeken ze hun eigen heil en voordeel (voor straks) in de hemel.

Deze mensen beseffen niet dat Gods koninkrijk uit niets anders bestaat dan eerbied en ontzag voor God, uit deugdzaamheid, zuiverheid, vriendelijkheid, goedheid en alle andere deugden en genade(-gaven). Ze weten blijkbaar niet dat God in ons wil zijn, in ons woning wil maken en ons regeren. Aan Hem behoren we allereerst en bovenal (biddend!) ruimte te geven in ons hart en in ons bestaan.

Onze redding is hierin gelegen dat God ons regeert en dat wij Zijn koninkrijk zijn. We hoeven niet te zoeken of te verlangen naar of te bidden om vreugde en geluk en alle andere begeerlijke dingen, want zij zullen allemaal van ons zijn wanneer wij deel hebben aan Zijn koninkrijk. Een goede wijn zal natuurlijk en als vanzelf oorzaak zijn van vreugde en blijdschap wanneer deze genuttigd wordt. Zekerder nog, zullen, wanneer genade en deugd (dat is het koninkrijk van God) in ons worden vervolmaakt, deze leiden tot vreugde en vrede en gelukzaligheid, en dat zonder enige inbreng van onze kant. (1)

Om die reden, en om onze ogen af ​​te wenden van verkeerde en zelfzuchtige doelen, beveelt Christus ons om te zoeken en te vragen om Gods koninkrijk zelf en niet om de vruchten van dit koninkrijk. Anders beginnen wij mensen aan het uiteinde en zoeken eerst datgene wat het laatst moet zijn, terwijl we ondertussen het eerste verwaarlozen of het alleen waarderen om de uiteindelijke vrucht. Bijgevolg zouden we helemaal niets ontvangen. Wanneer we niet verlangen naar wat het eerst komt en het eerst moet zijn, dan zal wat volgt ook niet van ons kunnen zijn.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 2, 98, 23 – 99, 10 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 42, blz. 41/42)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid
(Uit Matteüs 6 : 33)

(1) Maarten Luther geciteerd: Christus is Gods genade, barmhartigheid, gerechtigheid, waarheid, wijsheid, kracht, troost en zaligheid, ons door God gegeven zonder enige verdienste. Christus, zeg ik, niet zoals sommigen met blinde woorden zeggen, causaliter, dat Hij de gerechtigheid zou schenken en er Zelf buiten zou blijven. Want die gerechtigheid is dood, ja, ze is nooit geschonken, tenzij Christus er ook Zelf is. De stralen van de zon en de hitte van het vuur zijn immers ook niet daar waar de zon en het vuur niet zijn.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Psalm 32 leren bidden… (IV)

Ik zal u onderwijzen en u leren van de weg, die gij gaan zult;
Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. (Psalm 32 : 8)

Wijs mij Uw weg

‘Ik wil u verstand geven en u onderwijzen in de weg waarop u gaan moet.‘ Je bid dat Ik je verlos. Laat je dat geen zorg zijn! Leer Mij niet, leer jezelf niet, laat Mij je leren. Ik zal een goede Leermeester voor je zijn. Ik zal je op de weg leiden waarop je naar Mijn welbehagen gaan kunt.

Je meent dat het verkeerd is als het niet gaat zoals jij denkt. Dat denken is jou schadelijk en hindert Mij. Het moet niet naar jouw verstand, maar boven jouw verstand gaan. Buig je in onverstand, dan geef Ik je Mijn verstand. Onverstand is het goede verstand. Niet weten waarheen je gaat, dat betekent: pas goed weten waarheen je gaat. Mijn verstand maakt jou juist onverstandig.

Zo ging Abraham uit zijn vaderland en wist niet waarheen. Hij gaf zich over aan Mijn weten en liet zijn verstand varen, en toen is hij gekomen langs de rechte weg tot het juiste doel. Zie, dat is de weg van het kruis, die kan jij niet vinden, maar Ik zal je leiden als een blinde, daarom, niet jij, niet een of ander mens, niet een schepsel, maar Ik, Ik zal je onderwijzen in de weg waarop je gaan moet.

Niet het werk dat jij kiest, niet het lijden dat jij bedenkt, maar wat jou tegen jouw keuze, tegen jouw denken en tegen jouw begeren in wordt gegeven. Dat is het, volg daar, daar roep Ik je, wees daar een leerling, want dan is het de tijd en uw Meester is daar.

Maarten Luther: Die sieben Bußpsalmen, 1517, vgl. WA 1,171,23 – 172,8

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

(…) 45 Laat mij voortgaan op een ruime weg,
want steeds zoek ik uw regels.
46 Dan kan ik zelfs voor koningen getuigen
van uw richtlijnen, zonder schaamte.
(Uit Psalm 119)

(…) 11 Mocht ik toch schuldig zijn en iets hebben gedaan waarop de ​doodstraf​ staat, dan zal ik me niet aan deze straf onttrekken, maar als de beschuldigingen die deze mensen tegen me inbrengen op niets berusten, kan niemand me aan hen uitleveren. Ik beroep me op de ​keizer!’ (Paulus in Handelingen 25)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Dienst in een christelijke gemeenschap…(II)

(…) ‘De ​Schriftgeleerden​ en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de ​stoel van ​Mozes.  Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden… (Uit Matteüs 23 : 2-3)

God doorkruist onze weg

De tweede dienst, die in een christelijke gemeenschap de een de ander moet bewijzen is de daadwerkelijke bereidheid om te helpen. Daarbij denken we allereerst aan de eenvoudige hulp in kleine en uiterlijke dingen. In elke gemeenschap is veel te doen.

Niemand is te goed voor de geringste dienst. Bezorgdheid om verlies van tijd, verbonden met deze simpele en uiterlijke hulpverlening, betekent meestal, dat men zijn eigen werk te belangrijk vindt. We moeten bereid worden ons eigen werk door God te laten onderbreken. God zal onze plannen en wegen steeds weer, elke dag zelfs, doorkruisen door mensen met hun eisen en vragen op onze weg te plaatsen.

Dan kunnen wij langs hen heen gaan, druk bezig met de belangrijke dingen die wij die dag op ons program hebben, zoals de priester voorbijging aan de man die in handen van rovers gevallen was, misschien wel lezend in de bijbel. Maar dan gaan wij voorbij aan het in ons leven zichtbaar opgerichte teken van het kruis, dat ons wil laten zien dat niet onze weg, maar Gods weg van belang is.

Het is eigenaardig, dat juist christenen en theologen (‘kerkleiders’) hun werk dikwijls zo belangrijk en urgent vinden, dat zij zich daarbij door niets willen laten storen. Ze menen God een dienst te bewijzen en minachten de ‘kromme en toch rechte weg’ van God.

Ze willen niets weten van de doorkruiste menselijke weg.

In de school van de deemoed leren wij echter, onze hand niet te sparen, als ze een dienst kan verrichten, en ook, dat wij zelf geen regisseur moeten spelen over onze tijd, maar die door God moeten laten vullen.

Alleen waar de handen zich niet te goed achten voor de daad van liefde en barmhartigheid in de dagelijkse bereidheid tot hulp kan de mond het woord van Gods liefde en barmhartigheid blijmoedig en geloofwaardig verkondigen.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Dient elkaar” – “Onze weg wordt doorkruist” – (26 oktober) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 10 Laat u ook geen leiders noemen, want één is uw Leidsman, de ​Christus. 11 Maar wie de belangrijkste onder jullie is, zal jullie dienaar zijn. (Uit Matteüs 23)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Psalm 32 leren bidden… (III)

In mijn brullen de ganse dag, want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij.
(Psalm 32 : 3-4)

Dag én nacht

‘Daar ik de hele dag hevig ween.’ (1) Dit wenen komt vanwege de grote angst die de kennis van mijn ‘eigen ik‘ met zich brengt. Dit begint – zoals al gezegd is – als je diep getroffen wordt door de aanblik van Gods gericht. Dit wenen kent geen maat en geen tong die dit kan uitspreken. Alleen zij die weten wat het is, die het uit ervaring kennen. (2)

Het is er alle dagen, evenals David in de vorige boetpsalm (Psalm 6) zegt: ‘Ik zal alle nachten mijn bed met tranen nat maken.’ Maar waarom dan toch? ‘Want dag en nacht drukt Uw hand zwaar op mij.‘ Dat betekent: Uw verschrikkelijke macht is mij te zwaar. Daarom ween en klaag ik dag en nacht. Uw hand gaat mijn kracht te boven.

Uw straf waarmee U mij – door mij er een blik op te geven – bedreigt, kan ik niet verdragen. Ik heb mij geheel tot mijn verdriet gekeerd. Dat wil zeggen: vroeger keerde ik mij juist van mijn verdriet af. Ik had alleen vreugde over mijzelf, maar nu zie ik het anders: ik meende dat ik gelukkig was, nu echter ben ik in waarheid ellendig.

Maarten Luther: Die sieben Bußpsalmen, 1517, vgl. WA 1,169,10 -169,9

(1) Luthers weergave van deze Psalmtekst.
(2) Opgemerkt AJ: Wij moeten deze ervaring niet zoeken, maar God zoeken! En dat door de middelen te gebruiken die Hij ons daarvoor geschonken heeft. Dan zal niet ieder ‘zo diep’ kunnen en hebben te gaan als waarvan David in deze Psalm spreekt, maar we gaan dan wel ‘zien’ en aanvaarden en begrijpen waarom er (meer) kinderen van God zijn (zoals een Maarten Luther bijvoorbeeld), die daar ook ervaring mee en dus ‘weet van’ hebben en daarvan dus ook (meer dan andere kinderen van God) kunnen ‘meespreken’ uit eigen ervaring.

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

(…) want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij,
mijn merg verdroogde als in zomerse hitte.
(Psalm 32 : 4)

Bron afbeelding:  Pinterest

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Dienst in een christelijke gemeenschap… (I)

Beter een wijze jongen die van lage afkomst is, dan een oude dwaze koning
die zijn oren sluit voor goede raad.
(Prediker 4 : 13)

(…) Christenen, en vooral dominees, denken zo vaak, dat ze altijd wanneer ze met andere mensen samen zijn, iets moeten geven. Ze vergeten dat luisteren een groter dienst kan zijn dan praten. Veel mensen zoeken een oor, dat naar hen luistert en vinden het niet onder christenen, omdat deze ook daar praten, waar ze zouden moeten luisteren.

Wie niet meer naar zijn broeder kan luisteren, zal al gauw ook niet meer naar God luisteren; hij zal ook tegenover God altijd alleen maar praten. Daar begint de dood van het geestelijk leven, en ten slotte blijft er niets over dan geestelijk geklets.

Wie niet lang en geduldig kan luisteren, zal altijd langs de anderen heen praten en het ten slotte zelf niet eens meer merken. Wie mocht menen dat zijn tijd te kostbaar is om hem met luisteren te verdoen, zal nooit werkelijk tijd hebben voor God en voor de broeder, maar altijd alleen voor zich zelf, voor zijn eigen woorden en zijn eigen plannen.

Het is geen wonder, dat wij de grootste dienst van het luisteren die God ons opgedragen heeft, namelijk die van het aanhoren van de biecht van de broeder, niet meer kunnen verrichten, als wij in kleinere dingen niet naar de broeder willen luisteren.

De heidense wereld begrijpt tegenwoordig heel goed, dat men een mens vaak alleen kan helpen door serieus naar hem te luisteren. Op dit inzicht heeft zij een eigen geseculariseerde zielzorg opgebouwd.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Dient elkaar” – “Wie niet kan luisteren praat langs de ander heen” – (22 oktober) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 1 En Elihu ging verder:
2 Luister, wijze mannen, naar wat ik zeg.
Jullie vinden jezelf zo verstandig,
maar luister nu naar mij!
3 Net zoals je tong proeft of het eten lekker is,
kunnen jullie oren proeven of mijn woorden wijs zijn of niet.
4 Laten we met elkaar bepalen wat eerlijk is,
samen beslissen wat goed is.
5 Job zegt: “Ik ben onschuldig.
Maar God spreekt niet eerlijk recht over mij.
6 Moet ik soms liegen en zeggen dat ik schuldig ben?
Maar hoewel ik onschuldig ben, word ik zwaar gestraft.”
7 Zou er nog iemand zijn die zó brutaal is als Job?
(Uit Job 34)

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Psalm 32 leren bidden… (II)

Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd. (Psalm 32 : 3)

Verstomd door verzwijgen en stilzwijgen

‘Want ik ben stil geworden.‘ Dat wil zeggen: voor ik met deze dingen bekend was, was ik trots en prees mijzelf in stilte. Ik had goede gedachten over mijn leven en wist niet beter dan dat ik onschuldig en vroom was. Maar dat is nu voorbij, want ik ben stil geworden! Mijn roemen is in klagen overgegaan, want het is gebleken dat al mijn vermeende vroomheid zonde was.

‘Mijn gebeente is verouderd.’ Dat betekent: al mijn krachten, al mijn vermogens, ook mijn vroomheid, waarmee ik mij troostte, zijn zwak, oud en onbruikbaar geworden tot Uw dienst, terwijl zij toch zo fris, jong en sterk waren tot mijn eigen dienst.

Hier wordt het woord ‘verouderd‘ gebruikt. In overeenstemming met de eerste boetpsalm kan dit wel zo worden opgevat: uit grote angst voor Uw gericht ben ik oud en grijs geworden. Want zoals nu al bij een lijdend mens de tijd lang duurt, zo wordt deze – in nog een geheel andere zin – buitengewoon lang als het gebeente, dat betekent dan hier: ‘de kracht van de ziel’, lijdt in de aanschouwing van Gods gericht.

Dit gebeurt als de Heilige Geest een vreselijk licht werpt in een trotse ziel, zodat Hij die vernedert en zij zichzelf leert kennen. Dan begint ze te roepen: Ό wee mijner! O God, hoelang moet dit gezicht mij bijblijven? Mijn gebeente wordt er oud van, zwak en ziek, ik denk dat ik voor eeuwig in het verderf moet zinken.’

Maarten Luther: Die sieben Bußpsalmen, 1517, vgl. WA 1,168,30-169,9

(…) 2 Kastijdt Gij iemand met straffen om zijn ongerechtigheid,
dan doet Gij zijn schoonheid teloorgaan als door een mot;
immers is ieder mens een ademtocht. sela (Uit Psalm 39)

(…) 8 Toen ​Simon​ ​Petrus​ dit zag, viel hij neder aan de knieën van ​Jezus​ en zeide: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here. (Uit Lukas 5)

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

Bron afbeelding:  Knowing Jesus

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Trouwe dienstknechten zijn broeders onder de broeders…

Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn. (Marcus 10 : 43)

Buigers voor het gezag van het Woord

Jezus heeft alle gezag in de gemeente gebonden aan de broederlijke dienst. Iedere persoonsverheerlijking, die zich richt op belangrijke eigenschappen, bijzondere bekwaamheden, krachten en begaafdheden van een ander – al zijn ze ook van zuiver geestelijke aard – is werelds en er is in de christelijke gemeente geen plaats voor.

Het tegenwoordig zo vaak beluisterde verlangen naar ‘bisschoppelijke figuren’, naar ‘priesterlijke mensen’, naar ‘charismatische persoonlijkheden’, komt vaak voort uit de ziekelijke behoefte om mensen te bewonderen, om een zichtbaar menselijk gezag voor zich te zien, omdat het echte gezag van de dienst te onbeduidend lijkt.

Niets staat in zulk een scherpe tegenstelling tot dit verlangen als het Nieuwe Testament zelf in zijn tekening van de ambtsdrager (1 Timoteüs 3 : 1 v.). Daar vinden we niets van de luister van menselijke begaafdheden, van de briljante eigenschappen van een spirituele persoonlijkheid. De bisschop (opziener) is de eenvoudige, in geloof en leven gezonde, trouwe man, die zijn dienst aan de gemeente goed verricht. Zijn gezag ligt in de uitoefening van zijn dienst.

De gemeente heeft geen ‘briljante persoonlijkheden’ nodig, maar trouwe dienstknechten van Jezus en van de broeders. Aan de eersten ontbreekt het haar niet, maar wel aan de laatsten. De gemeente zal haar vertrouwen alleen geven aan de eenvoudige dienaar van het Woord van Christus, omdat zij weet, dat zij dan niet geleid wordt door menselijke woorden en door de inbeelding van een mens, maar door het Woord van de Goede Herder.

De geestelijke vertrouwenskwestie, die zo nauw samenhangt met de vraag van het gezag, wordt beslist door de trouw waarmee iemand in dienst van Jezus Christus staat, maar nooit door de buitengewone gaven, waarover hij beschikt. Pastoraal gezag kan alleen die dienaar van Jezus verkrijgen, die geen eigen gezag zoekt, maar zelf buigt onder het gezag van het Woord en een broeder is onder de broeders.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Dient elkaar” – “Ieder gezag is gebonden aan de dienst” – (22 oktober) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) …maar dient elkander door de ​liefde. (Uit Galaten 5)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie

Psalm 32 leren bidden… (Ia)

Welgelukzalig is de mens, die de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.
(Psalm 32 : 2)

Mij(zelf) de zonde(n) – niet – toerekenen

Zalig de mens, die God de zonde niet toerekent. Dat betekent dus ook: niet zalig, maar rampzalig is hij die zichzelf de zonde niet toerekent en in zichzelf behagen schept.

Rampzalig is hij die meent dat hij vroom is, van geen gewetensnood weet, zich onschuldig denkt te zijn, zich daarmee troost en zich daarop verlaat.

Ja, en dat nog wel terwijl de apostel Paulus zelfs zeggen moet: ‘Want ik ben mijzelf van geen ding bewust, maar ik ben daardoor niet gerechtvaardigd‘ (1 Korintiërs 4 : 4), alsof hij daarmee wilde zeggen: gerechtvaardigd is alleen hij, aan wie God de zonde niet toerekent, en wel zo, dat God van zijn zonde niet weten wil en er ook niet meer aan denkt.

Dat gaat echter over hen die zichzelf voortdurend hun zonden en gebreken wél toerekenen.

Maarten Luther:  Die sieben Bußpsalmen, 1517, vgl. WA 1,167, г 1 -28

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

(…) 2 Daag uw dienaar niet voor het gerecht, voor U is geen sterveling onschuldig.
(Uit Psalm 143)

Doorgrond mijn hart, o God! (Uit Psalm 139)

Zie evt. ook:
– Psalm 32 leren bidden… (I)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Geef mij maar de ‘harde’ (kijk/groei) cijfers…

Toen voer de engel des HEEREN uit en sloeg in het leger van Assyrië
honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten,
zie, die allen waren dode lichamen. (Jesaja 37 : 36)

Honderd vijf en tachtig duizend

Wil je weten waarom vorsten en machtige leiders, maar ook andere mensen, zien dat hun plannen en voornemens verhinderd worden?

Zij bidden tegenwoordig niet (of niet werkelijk) meer.

Als ze ergens mee willen beginnen maken ze liefst een mooi rekensommetje en zeggen: ‘Drie maal drie is negen, dat kan niet missen, en twee maal zeven is veertien, mijn berekeningen kloppen helemaal, daarom moet deze onderneming ons lukken.’

Dan spreekt onze Heere God: ‘Voor wie houden jullie Mij eigenlijk, voor een cijfer, dat geen waarde heeft? Moet Ik hier tevergeefs op Mijn troon zitten?‘

Daarom keert Hij al hun verwachtingen om en maakt dat er niets meer van klopt en alles anders afloopt dan zij ooit hadden kunnen (be)denken.

Maarten Luther: Veith Dietrichs und Nicolaus Mediers Sammlung, vgl. WA Tischreden 1,412,7-14

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

(…) 20 Sta op, Here, laat de sterveling niet zegepralen,
laat de volken voor uw aanschijn gericht worden.
21 Jaag hun schrik aan, Here,
zodat de volken erkennen, dat zij stervelingen zijn.
(Uit Psalm 9)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie