Opstandingslicht? Bij kerkmensen? Op onze preekstoelen?

Gedenk dan, vanwaar u gevallen bent, en doet boete, en doet de eerste werken; maar zo niet, dan zal Ik haastig tot u komen, en zal uw kandelaar wegstoten van haar plaats, als u geen boete doet. (Openbaring 2 : 5 – zie a)

De kandelaar weggenomen

Heere God, wat is de ondankbaarheid van de wereld nu zeer groot geworden en zij wordt van dag tot dag groter, dat – als de jongste dag niet tussenbeide zou komen – wij zorgen hebben en toch zonder zorgen zijn, maar wel als zeker moeten voorspellen en verwachten: de vreselijke en verschrikkelijke oordelen en de toorn van U, o God, waardoor U Uw licht weer tot U neemt en de duisternis weer over alles laat vallen.

Dit oordeel begint al duidelijk zichtbaar te worden, omdat bijna alle mensen Gods Woord uit hun hart hebben verloren en rampzalig verachten, maar daarentegen de afgod Mammon ijverig volgen en nalopen, alsof iedereen graag alle goederen van de wereld naar zich toe wilde halen.

Je ziet wel dat het lieve Woord alleen nog een beetje licht op de preekstoel geeft: – door de prediking – hoewel zulke preekstoelen ook weinig zijn. Omdat wij zien en tasten kunnen dat het Goddelijke Woord al buiten de harten gesloten is, dan is er zeker niet veel meer nodig om het ook op de preekstoel te verliezen. (1,2)

O God, ontferm U over ons!

Maarten Luther: Vorrede zu Kaspar Aquila, Sermon vom Almosengeben, 1533, vgl. WA 38,72,1-15]

(a) Volgens Luthers vertaling.
(1) Blijkbaar zag Luther, hier 16 jaar na de klaroenstoot van de Reformatie, de eerste liefde al flink tanen en verkillen… (denk hierbij niet alleen aan streven naar meer welvaart en wereldliefde, maar bijvoorbeeld ook aan de vaak onverzoenlijke houding/woorden van Lutherse en Calvinistische reformatie-broeders jegens elkaar, die in de jonge reformatorische kerken – en ook later en nu nog! – veel kwaad heeft gesticht!)
Lees daarom eens deze ‘broeders zoekende’ brief  van Luther over het Avondmaal.
(2) Wij christenen hebben ons ‘meester gemaakt’ van de evangelie-boodschap en onze predikanten/kerkleiders hebben zich gezet op de ‘kansel van de apostelen’.  (Zie o.a. Matteüs 23 : 3, 8-10). Wij menen toch liefst dat het vooral om het communiceren en niet om het dagelijks daadwerkelijke ‘leven’ van de christelijke boodschap gaat om dan vooral doende de harten van anderen voor Christus te winnen – want dat vinden we helaas in veel opzichten toch echt teveel gevraagd!  Maar dat is een grote én desastreuze vergissing, die niet zonder gevolgen is gebleven. Wij hebben maar één Meester en Zijn Evangelie-boodschap en de waarheid daarvan is al lang geleden volmaakt gecommuniceerd en bewezen door de apostelen, die daarvoor weinig spreektalent nodig hadden en steeds weer de laagste plaats kregen gewezen (Zie o.a. 1 Korintiërs 4 : 9-13, 2 Timoteüs 3 : 10-17).

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Elke dag: IK BEN de Opstanding en het Leven…

Echt de evangelist Johannes: Jezus Christus verkondigen alsIK BEN‘. ‘Ik ben de goede herder’, ‘Ik ben de deur’, ‘Ik ben het brood des levens’, ‘Ik ben de ware wijnstok’, ‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven’.

In hoofdstuk 18 vraagt Jezus aan het leger dat op Hem aandringt: Wie zoeken jullie?‘ Het antwoord luidt: ‘Jezus, de Nazarener‘. En dan zegt de Heiland: ‘IK BEN‘. Ik ben de God van Exodus 3, de Bevrijder van Israël, de God van het Pascha, met het lam en het bloed! Ik ben de Verlosser; ‘Ik zal zijn die Ik zijn zal‘; ‘Ik ben die Ik beloofd heb te zullen zijn’. Allen die Jezus in Gethsemane belegeren, gaan tegen de vlakte. Zij krabbelen overeind en slaan Jezus in de boeien. Ben ik het, Heere? O, mijn ziel, kijk maar ‘es goed in de spiegel. ‘Dood door de overtredingen‘ (Efeziërs 2, Kolossenzen 2).

Ik ben de opstanding…’ Dat zegt Jezus tegen Martha, die haar broer Lazarus moest begraven. De Heiland werd erbij geroepen toen Lazarus erg ziek bleek te zijn. In de waarneming van Martha en haar zus Maria kwam Jezus te laat. Hij treft een trieste sfeer van rouw, verdriet en tranen. Alles ‘dood’ wat de klok slaat, de doodsklok. Niet in het minst door de haat en de vijandschap van de ‘kerkleiders’: de Schriftgeleerden, de overpriesters, de Farizeeën en de ouderlingen!

Er hangt een doodsdreiging in de lucht. Voor Jezus, wel te verstaan. Hij is onderweg naar zijn eigen graf. Geruime tijd voor zijn sterven en begrafenis zegt Hij: ‘Ik ben de opstanding!‘ Ik ben er, Ik zal er zijn in uw, in jouw dood, in alles wat met de dood samenhangt, alles wat door de dood ingepalmd en overwonnen schijnt te zijn, zoals Lazarus. Laat de klok maar luiden! De Paasklok. Let daarbij op de tekenen van de dood – Johannes herhaalt ze in hoofdstuk 20, het Evangelie van Pasen: de steen, het graf, de doeken, afzonderlijk de ‘zweetdoek’, de huilende vrouw(en).,.

Haal de steen weg‘, gebiedt Jezus. Zo gezegd, zo gedaan, na enig gesputter. De Heiland gaat het graf (de spelonk) niet binnen. Ten aanhoren van alle aanwezigen dankt Hij in geloof (!) Zijn Vader, omdat Deze Hem heeft verhoord. Het vervolg wijst uit wat de inhoud van Jezus’ gebed was. De goede Herder roept – verg. Johannes 10: ‘Mijn schapen horen Mijn stem (…) en Ik geef hun het eeuwige leven…’ – ‘Lazarus! Hierheen!’ ‘Kom naar buiten!‘ Let hier op de woordkeus van de evangelist: ‘En de gestorvene kwam naar buiten‘. Gebonden en wel en geblinddoekt. Helemaal ingesnoerd. U mocht soms denken dat Lazarus naar buiten wandelt, op het licht af. Hoe kon dit? ‘God spreekt en het is er‘ (Psalm 33). Voorteken van Jezus’ opstanding en ook van de verrijzenis – op de jongste dag – van allen die hier hebben geleerd: ‘Ik ben met Christus gekruisigd en ik leef…’

Dat is de diepgang vanIk ben gedoopt‘ De toe-eigening daarvan voltrekt de Heilige Geest onder het horen van het Kruis- en Paasevangelie: ‘Christus is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging‘ (Romeinen 4).

In het licht van dit Evangelie belijden wij dat we dikwijls op het leven van hier en nu gericht zijn. Dat Paasfeest vieren niet zelden beperkt blijft tot de liturgie in een kerkdienst. Wat is het vervolg op de Paasviering? Een beetje moraal? Nu moet ik dit of dat? Hangt er niet veelal een lijkgeur? Denk aan de Gemeente, aan huwelijk en gezin, het onderwijs, de politiek, de samenleving. Ontbindings-stank in verslaving, hebzucht, misbruik, liefdeloosheid, ongeloof… Actief-dood.

Jezus verdrijft de doodsgeur. Hij verbreekt de doodsbanden. ‘Ik ben de opstanding en het leven‘. Uw zonden zijn u vergeven. ‘Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij‘ (Jesaja 43). Hoe heet je? Lazarus of zo. Hierheen! Kom naar Mij toe, roept Koning Jezus. Zijn herauten wijzen naar Hem – alweer en opnieuw de God van Exodus 3! – : ‘Zie het Lam Gods…’ ‘Doden horen – nu – de stem van de Zoon van God, en zij die haar hebben gehoord, zullen leven‘ (Johannes 5).

“Kunt u sterven?’, vroeg iemand in een gesprekskring de aanwezige broeders en zusters een voor een af? Wist ik dat maar’, zei een der aanwezigen. ‘O, als ik dat…’, sprak een volgende. ‘Ik hoop het maar’, aldus nummer drie. ‘En jij, Hendrik, kan jij sterven?’ Hendrik schoot in de lach en zei: ‘Ik ben gestorven en het leven is mij Christus‘.

Tenslotte: In een Paaspreek van de reformator Luther – 2017 ‘vijfhonderd jaar Luther’ – trof mij het volgende: ‘(…) wanneer u vandaag of morgen hoort vertellen: Maarten Luther is dood, geloof dat dan niet, want Jezus heeft gezegd:

IK BEN de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft,
zal leven, ook al is hij gestorven’
.

Bron tekst:  Ecclesia (2017),  M. Verduin, Zeist

Bron afbeeldingYouTube

Johannes 5 25 - Verily, verily I say to you - YouTube

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Wie moet dragen?!

Zijn heerschappij ligt op Zijn schouder (Jesaja 9:5, weergave Walch 1743).

Christus’ gelovigen liggen op Zijn schouder (1)

(…) “Wat is dat voor een Heere? Een Heere Die ons draagt op Zijn schouder – als Hij ons niet draagt zijn we verloren! De hele wereld denkt dat het precies andersom moet – [een mens moet immers zijn god dragen, vgl. o.a. Jesaja 46:7, hcvw]. En zo denkt ook de religieuze en werkheilige mens:Zó moet ik voor God leven, zó moet ik voor God vasten, zó moet ik voor God bidden – dit moet ik voor Hem doen en dat moet ik voor Hem doen!’ Dat is nog eens een wonderlijk dragen: als Christus niet jou moet dragen, maar als jij Christus moet dragen – dat zal een zwaar dragen voor je worden!

Stel je voor: dat een verloren en verdwaald schaap tegen zijn herder zegt: ‘Nee, lieve herder u moet mij niet dragen, maar ik wil u dragen, ga maar op mijn rug zitten – ik denk toch: dat zal nog eens een dragen worden! Maar wanneer het schaap echt geholpen wil worden, dan moet het zeggen: ‘Dank u wel, lieve herder, dat u mij wilt zoeken en mij wilt dragen – ik laat me graag en gewillig door u dragen.’

Zó gaat het ook in het genade-rijk van Christus: Christus wil Zijn christenen op Zijn schouder dragen, zoals een herder een arm, ellendig, verdwaald schaap draagt. [Christus zegt:] ‘Je bent in zonden ontvangen en geboren, je hebt God door je vele zonden vertoornd en je bent bovendien reeds tot de dood veroordeeld – maar vrees niet: leg je slechts op Mijn schouder, dan zal Ik je naar God dragen.’

Deze prediking moest men met blijdschap aannemen, en men zou God daarvoor van harte moeten danken. Echter de praktijk leert wel wat anders: dat niet alleen de meeste mensen in de wereld deze prediking niet aannemen, maar die bovendien ook verachten en vervolgen. Nu is het waarlijk geen leugen [wat ik preek], maar de eeuwige Goddelijke Waarheid. Jesaja heeft door de Heilige Geest hierover al lang te voren geprofeteerd: God heeft Zich trouw aan Zijn belofte gehouden en die heerlijk vervuld. Christus is gekomen en heeft ons gedragen, en draagt ons nog – zoals de apostelen en het hele Nieuwe Testament betuigen en bewijzen.”

(1) Het citaat komt uit een preek die door Luther, in de Stadskerk van Wittenberg, tijdens een vroege morgendienst werd gehouden op 26 december 1532. Aan de hand van de daarbij door Georg Rörer (1492-1557) gemaakte aantekeningen is de preek, na Luthers dood in 1546, pas voor het eerst in een Postillen-editie van 1559 verschenen. Deze uitgave is bij Christian Rödingers Erben te Jena gedrukt. Er zijn tenminste nog negen afzonderlijke preken over dezelfde tekst uit Jesaja 9 vers 1 tot 6 bewaard gebleven in diverse andere uitgaven van Luthers werken. Voor de duidelijkheid: het tekstdeel Jesaja 9 vers 5 verklaart Luther altijd in de zin van: Christus draagt Zijn koninkrijk d.w.z. Zijn gelovigen op Zijn schouder (vgl. o.a. Jesaja 46:3; 46:4, hcvw).

Maarten Luther: Vgl: W(1), Dr. Johann Georg Walch, Sämtliche Schriften, Ausgabe 1740-1753, Dreyzehenter Theil (1743), S. 2414 – S. 2416 (verkort)

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.comen van deze website: www.maartenluther.com

Bron afbeelding: Pinterest

Dag aan dag draagt Hij ons - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Werkelijke Paasvreugde…

(…) 3 Geprezen zij de God en Vader van onze ​Heer​ ​Jezus​ ​Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost 4 en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven. 5 Zoals wij volop delen in het lijden van ​Christus, zo delen wij volop in de troost die God ons door ​Christus​ geeft. (Uit 2 Korintiërs 1)

Eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn. (Jesaja 35 :10)

Hoe zullen wij anderen, die alle vreugde verloren hebben en moedeloos geworden zijn, ooit kunnen helpen, wanneer wij niet zelf door moed en vreugde gedragen worden? Geen geforceerde en onnatuurlijke vreugde, maar een vreugde die geschenk is en vrij maakt.

Bij God woont de vreugde, en van Hem daalt zij af en doordringt geest, ziel en lichaam, en waar deze vreugde een mens in zijn greep heeft, daar grijpt zij ook om zich heen, sleept anderen mee, breekt gesloten deuren open. Er is een vreugde, die niets weet van verdriet, nood en angst die in een mensenhart kunnen wonen; deze is niet duurzaam, zij kan slechts voor korte tijd verdoven.

De vreugde van God is door de armoede van de kribbe en de nood van het kruis heen gegaan; daarom is zij onoverwinnelijk, onweerlegbaar. Zij loochent de bestaande nood niet, maar vindt midden in de nood, juist in de nood, God; zij bestrijdt de ernst van de zonde niet, maar vindt juist zo de vergeving; zij ziet de dood onder ogen, maar vindt juist daar het leven.

Om deze vreugde, die overwonnen heeft, gaat het.
Deze alleen is geloofwaardig, deze alleen helpt en geneest.

Velen van ons gaan er zeer onder gebukt, dat zij voor het vele lijden, dat deze oorlogsjaren met zich meebrengen, innerlijk af stompen. Onlangs zei iemand mij: ik bid dagelijks: laat mij niet afstompen. Dat is stellig een goed gebed. En toch, wij moeten er ons voor hoeden, ons zelf met Christus te verwisselen. Christus doorleed al het lijden en alle menselijke schuld zelf en volledig. Ja, zijn Christus-zijn bestond daarin, dat Hij en Hij alleen alles droeg. Maar Christus kon mee lijden, omdat Hij tevens uit het lijden verlossen kon.

Wij zijn niet geroepen, het lijden van de hele wereld op onze schouders te nemen. Het verlangen, uit eigen kracht het lijden van de ander mee te willen dragen, moet onder deze last bezwijken en ten slotte uitlopen op moedeloosheid. Wij zijn slechts geroepen, vol vreugde te zien op Hem, die in werkelijkheid het lijden volstrekt meeleed en de verlosser werd.

Vol vreugde mogen wij geloven,
dat er Eén was en is, aan wie geen menselijk leed en geen menselijke zonde vreemd is en Die met een liefde, welke ons verstand te boven gaat,
onze verlossing volbracht heeft.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Christus ons leven” – “Echte vreugde is geloofwaardig” (1 december) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  Cheryl Cope

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Het Onze Vader uitgelegd voor de eenvoudigen, 1519 (19)

Vestig je hoop op de HEER en blijf op de weg die Hij wijst,
(Uit Psalm 37 : 34)

De derde bede: Uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel

(…) “Let goed op dat het een duidelijk teken van onze eigen natuurlijke wil is dat deze geen tegenstand verdraagt. Ongeduld is de vrucht waarmee we een geveinsde, valse en sluwe goede wil kunnen herkennen.

Een oprecht goede wil zal, wanneer gedwarsboomd, zeggen:O God, ik beschouwde mijn plan als goed. Maar als het niet zo is, ben ik toch tevreden. Moge uw wil geschieden.’
Waar onenigheid en ongeduld heersen, kan er niets goeds zijn, hoe goed het ook lijkt of wil zijn.

Er kan ook een rechtvaardige en goede wil bij ons zijn, die toch niet door ons gedaan mag worden. David had zo’n wil toen hij een tempel voor God wilde bouwen. De Heer prees hem hiervoor maar liet hem toch niet toe om het uit te voeren (2 Samuel 7 : 22-29). Zo was de wil van Christus in de tuin – toen Hij ervan terugschrok om de beker te drinken – Zijn wil, en hoewel goed, kreeg deze wil niet de overhand en de overwinning.

Evenzo, wanneer we de hele wereld denken te moeten bekeren, doden willen opwekken, onszelf en alle anderen naar de hemel brengen, en alle wonderen verrichten, dan zullen we toch niets willen doen dan nadat we eerst Gods wil hebben geraadpleegd en onze wil geheel ondergeschikt gemaakt hebben aan die van Hem, en we zeggen: ‘Onze lieve God, dit of dat lijkt ons goed – als U het goedkeurt, laat het dan gebeuren, maar als U het afkeurt, laat het dan ongedaan blijven.‘ “

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 2, 103, 12-20 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 42, blz. 46/47)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  Bible Verses

Psalm 37 34 - Wait on the Lord - Bible Verses

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Verzegeld…

Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm.
(Hooglied 8 : 6)

Een onuitwisbaar merkteken…

O trouwe Hemelse Vader! Laat toch Uw Woord in ons blijven, dat wij het horen en bewaren in onze harten, zodat het in ons blijft en als het ware een deel van ons wordt. Zoals in het achtste hoofdstuk van het Hooglied van Salomo staat: ‘Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm‘ (Hooglied 8 : 6).

Zo’n zegel of brandmerk wil Hij ook in ons hart geven, dat niet alleen een beetje over het hart zweeft, als schuim op het water, of als speeksel op de tong, wat je uitspuwt, maar het moet in het hart ingedrukt worden als een blijvend merkteken – alsof het er een deel van is – dat niemand kan afwassen of uitwissen.

Zo’n hart heeft Maria ook gehad, in welk hart ze al deze woorden bewaard heeft, alsof ze met een graveerstift daarin geschreven waren (vgl. Lukas 2 : 19).

Allen die het Woord zo aannemen, die hebben het echte merkteken van Christus, dat goede brand- of stempelmerk, en laten zich het Woord niet afnemen al staan er ook geestdrijvers op, of de duivel zelf – zoals zij eenmaal daarvan gehoord en geloofd hebben, zo blijft het bij hen. O Heere God, geef dat wij in dit heilige geloof volharden tot het einde.

Maarten Luther: Von dem Exempel der Junckfrauwen Maria, 1534, vgl. WA 52,59,34 – 60,10

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

Bron afbeeldingEtsy

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Vergeven (III): maken we het ons te makkelijk?

Toen kwam Petrus bij Hem en zei: Here, hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe? (Uit Matteüs 18 : 21-35)

Wij willen ons zelf de vraag stellen, of wij iemand kennen uit onze omgeving, die wij een onrecht, dat hij ons aandeed, niet hebben vergeven, iemand, van wie wij ons boos hebben afgewend, misschien niet openlijk, maar in verzwegen bitterheid met de gedachte: dat kan ik niet meer verdragen, met deze man kan ik geen omgang meer hebben.

Of zouden wij zo onachtzaam zijn, dat wij zeggen: zo iemand ken ik niet?

Laten de andere mensen ons zo onverschillig, dat wij eigenlijk helemaal niet weten, of onze verstandhouding met hen nu wél of niet goed is; dat wij niet weten, of niet eenmaal de een na de ander zal opstaan en ons aanklagen: van mij ben je kwaad weggegaan — met mij heb je de omgang verbroken – ik was je onsympathiek en je wendde je van mij af – ik deed je eens pijn en je liet mij alleen en ik kon je niet terugvinden – ik heb je vaak gezocht en je ging mij uit de weg — wij hebben nooit meer openhartig met elkaar gesproken, en ik vroeg toch niets meer dan dat je mij zou vergeven, en je hebt me nooit kunnen vergeven?

En in dat uur zullen al deze aanklachten zich samenballen tot één luide, dreigende, verschrikkelijke stem, die ons tegenroept: je bent een hardvochtig mens geweest – al je beminnelijkheid helpt je niets, je was hardvochtig en trots en koud als een steen, je gaf niets om ons, je had een hekel aan ons (1), je hebt nooit geweten, wat vergiffenis betekent, wat een weldaad het is voor wie haar geschonken krijgt en welk een bevrijding, voor wie ze schenkt. Jij was steeds weer een hard mens.

Wij maken het ons zo gemakkelijk, wanneer het om de ander gaat. Wij denken dat wij iemand wel vergeven hebben als we geen slechte gedachten over hem koesteren. En wij zien helemaal over het hoofd, dat wij niet het goede met hem voorhebben.

En vergeven kon wel eens betekenen alleen maar
het goede met iemand voorhebben
,

zijn last op onze schouders nemen, waar wij maar kunnen. En dat gaan wij juist uit de weg, wij nemen de lasten van de ander niet op ons, maar blijven naast hem lopen en raken aan het zwijgen gewend.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Over het vergeven” – “Hoe ver gaat onze interesse voor de ander?” (28 september) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1) Opgemerkt AJ: Er staat niet voor niets “ons”, want iemand niet vergeven betreft nooit alleen die éne aan wie vergiffenis geschonken dient te worden, maar zeker ook de mensen die dicht bij die betreffende persoon leven en het raakt uiteindelijk ook heel het samenleven van broeders en zusters in de gemeente(n)  van Jezus Christus. Jezus leerde ons dan ook bidden: vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven hen die ons iets schuldig zijn…
NB. Wij mogen dan ook niet moe worden om elkaar altijd weer te onderwijzen over en stimuleren tot elkaar vergeven en aanvaarden om daarmee de ons vergevende liefde en vrede van God ook weer de ander en daarmee elkaar te schenken!

(…) 3 U die ons ​bidden​ hoort – tot u komt de sterveling.
4 Worden onze(!)zonden​ mij te zwaar, u neemt weg wat wij(!) misdeden.
(Uit Psalm 65)

Bron afbeelding:  Pinterest

Psalm 65 3-4 - When deeds of iniquity - Pinterest

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

‘Alleen in boeken geschreven en op muren geschilderd’…

(…) 2Gestalte of ​glorie​ had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante
dat wij Hem begeerd zouden hebben.

(Uit Jesaja 53)

Of alleen nog in Passiespelen uitgebeeld?

Over het lijden van Christus (3)

(1) (…) “Als u gebukt gaat onder ziekte en pijn, dan moet u denken hoe gering dat maar is, vergeleken met de doornenkroon en de nagelen van Christus.
Als u moet doen of laten wat u niet wilt, denk dan hoe Christus gebonden en gevangen heen en weer werd gesleept.
Wanneer u wordt aangevallen door hoogmoed, zie dan hoe uw Heere bespot en gehoond werd en met de misdadigers werd veracht.

Wordt u verleid tot onkuisheid of vleselijke gedachten, denk er dan aan hoe bitter Christus’ reine vlees werd gegeseld, doorstoken en doorwond.
Vecht haat of nijd u aan, of wil u zich wreken, denk dan hoe Christus met veel tranen en roepen voor u en voor al Zijn vijanden heeft gebeden.
Wanneer u door droefheid of tegenspoed, lichamelijk of geestelijk terneergeslagen bent, versterk dan uw hart en zeg: ‘Wel, waarom zou ik dan ook niet een beetje bedroefd zijn, terwijl mijn Heere in de hof van grote angst en droefheid bloed heeft gezweet.’

Dat zijn dan ook échte christenen, die Christus’ leven in hun eigen leven trekken, zoals Paulus zegt: ‘Die van Christus zijn, hebben hun vlees met al zijn begeerlijkheden met Christus’ gekruisigd (vgl. Galaten 5 : 24). Want Christus’ lijden moet niet in woorden en schijn, maar in leven en in waarheid worden beoefend.
Op die manier vermaant Paulus ons ook: ‘Denk aan Hem, Die zulk een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat u gesterkt en niet vermoeid wordt in uw gemoed’ (vgl. Hebreeën 12 : 3).
En Petrus: ‘Omdat Christus in Zijn lichaam geleden heeft, daarom zult u uzelf ook met deze gedachte wapenen en sterken’ (1 Petrus 4 : 1).

Maar deze beoefening of overdenking [van het lijden van Christus] is nu buiten gebruik geraakt en zeldzaam geworden, terwijl toch de brieven van Paulus en Petrus daar vol van staan.

Wij hebben het wezen in een schijn veranderd en het lijden van Christus alleen in boeken geschreven en op muren geschilderd.”

Maarten Luther: Ein Sermon von der Betrachtung des heiligen Leidens Christi (1519). Vgl. WA 2, S. 141-142 (verkort)

(1) Voorafgaande aan bovenstaand citaat uit ‘Ein Sermon von der Betrachtung des heiligen Leidens Christi’ zegt Luther in het kort: ‘Nadat u geloofd hebt en u in Christus wedergeboren bent, zal voortaan gedurende uw hele verdere leven, het lijden van Christus voor u ook een voorbeeld mogen zijn, zodat u nog op een andere manier dan in het sacrament daaraan denkt.’

(…) 3 Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ​ziekte,
en als iemand voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.
4 Voorwaar, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wij hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
(Uit Jesaja 53)

Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website:www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Wij allen moeten openbaar worden…(III)

Want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten
dan ​Jezus​ ​Christus, en Die gekruisigd.
(1 Korintiërs 2 : 2)

Waarover een gemeente/kerk schuld te belijden heeft…

De kerk belijdt, schuldig te zijn aan de overtreding van alle tien geboden, en daarin belijdt zij haar afvalligheid van Christus. Zij heeft niet zó – met leer én leven – getuigd van Gods waarheid, dat alle zoeken naar waarheid, alle wetenschap in deze waarheid haar oorsprong leerde erkennen; zij heeft de gerechtigheid Gods niet zó verkondigd, dat alle werkelijke recht daarin de bron van zijn eigen wezen moest zien; zij heeft Gods liefderijke zorgen voor ons stoffelijk welzijn niet zó overtuigend weten duidelijk te maken, dat alle economische activiteit zich daardoor liet inspireren en leiden.

Door zelf in zwijgen te vervallen is de kerk schuldig geworden aan het verloren gaan van het verantwoordelijk handelen, namelijk van de moed om voor de ander op te komen en de bereidheid om te lijden voor wat men als recht heeft onderkend. Zij is er schuldig aan, dat de overheid van Christus is afgevallen.

Is dat te veel gezegd? Staan er nu enkele strikt rechtvaardige mensen op die willen bewijzen, dat niet de kerk, maar juist de anderen schuld treft? Willen soms enkele voormannen van de kerk dit alles als een grove aantijging van de hand wijzen en, zichzelf aanmatigend tot rechter over de wereld te zijn aangesteld, de schuld van beiden afwegen?

Was de kerk dan niet aan alle kanten gehinderd en gebonden? Vond zij niet de hele wereldlijke macht tegenover zich? Mocht de kerk dan het laatste dat haar overbleef, haar eredienst, haar gemeenteleven in gevaar brengen door de strijd op te nemen tegen de antichristelijke machten?

Zo spreekt het ongeloof, dat in het zelf belijden van schuld niet het herwinnen van de gestalte van Christus, die de zonde der wereld droeg kan zien,
maar alleen een kerk-gevaarlijke morele degradatie.

Door zelf schuld te belijden, ontslaat de kerk de mensen niet van hun eigen schuldbelijdenis, maar roept hen op schuld te belijden in gemeenschap met de Kerk. Alleen als door Christus geoordeeld kan de mensheid voor Christus bestaan. Onder dit oordeel roept de kerk allen, die zij bereikt.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Wij moeten allen openbaar worden” – “Zonder een zijdelingse blik op medeschuldigen” (25 november) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Zie ook:
Wij moeten allen openbaar worden…(I)
Wij moeten allen openbaar worden…(II)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

(…) 4 En ik weende erg, omdat niemand waardig was gebleken de ​boekrol​ te openen of die in te zien. 5 En een uit de oudsten zei tegen mij: Ween niet; zie, de leeuw uit de ​stam Juda, de wortel ​Davids, heeft overwonnen om de ​boekrol​ en haar zeven ​zegels​ te openen.
(Uit Openbaring 5)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Vergeven (II): wegdoen wat God’s vergeving in de weg staat…

Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht
(Uit Mattheüs 5 : 21-26)

Onwaarachtige gezamenlijke godsdienstoefening

De wet waarnaar Jezus zijn volgelingen allereerst verwijst, verbiedt hun de moord en beveelt hun de broeder aan. Het leven van de broeder is door God gesteld en in Gods hand, alleen God heeft macht over leven en dood.

Voor de moordenaar is geen plaats in de gemeente van God. Hij vervalt aan het gericht, dat hij zelf uitoefent. Dat de broeder die zo onder de bescherming van het goddelijke gebod gesteld wordt, niet alleen de broeder in de gemeente is, volgt ongetwijfeld daaruit, dat de volgeling van Jezus zich in zijn handelen niet daardoor kan laten bepalen, wie de andere is, maar alleen door Hem die hij in gehoorzaamheid volgt.

Het leven van de broeder is de volgeling van Jezus tot grens gesteld, die niet doorbroken mag worden. Een dergelijke doorbreking geschiedt echter reeds door de toorn, meer nog door een boos woord dat ons ontvalt (Raka), en ten slotte door de opzettelijke smaad van de ander (dwaas).

Elke boosheid richt zich tegen het leven van de ander, het (samen)leven wordt hem niet gegund, men zoekt naar de vernietiging ervan. Het woord dat ons te snel ontvalt, dat wij zo licht tellen, openbaart, dat wij de ander niet eren, ons boven hem verheffen en zo ons leven waardevoller vinden dan dat van ‘die ander‘.

Dit woord is een slag naar de broeder of zuster, een stoot naar zijn of haar hart. Het moet treffen, wonden, vernietigen. Het opzettelijke scheldwoord ontrooft de naaste ook in het openbaar zijn eer, wil hem ook voor en in het oog van anderen verachtelijk maken, heeft het in zijn haat gemunt op de vernietiging van zijn innerlijk en uiterlijk bestaan. Ik voltrek het gericht aan hem. Dat is moord. De moordenaar vervalt aan het gericht.

Verachting van de broeder (hoe geraffineerd we dat ook aanpakken en verbergen voor anderen) maakt gezamenlijke godsdienstoefening onwaarachtig (1) en ontneemt daaraan elke goddelijke belofte. Zo moet de gemeente van Jezus heden ten dage zich zelf onderzoeken, of niet op het ogenblik waarop zij voor gebed en godsdienstoefening voor God treedt, veel stemmen met een aanklacht tussen haar en God treden en haar gebed verhinderen.

Zo moet de gemeente van Jezus zich zelf onderzoeken of ze gesmaden en onteerden werkelijk een teken heeft gegeven van de liefde van Jezus, die leven wil bewaren, dragen en beschermen. Anders zou de meest correcte godsdienstoefening, het vroomste gebed, de moedigste belijdenis haar niet helpen, maar tegen haar getuigen.

God wil niet gescheiden worden van onze broeder.
Hij wil niet geëerd worden, wanneer een broeder onteerd wordt.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Maar ik zeg u” – “God wil niet gescheiden worden van de broeder” (15 juni) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1) (…) 22 Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk, 23 en juist die delen van het lichaam, welke wij minder in ere houden, bekleden wij meer eervol, en onze minder edele leden worden met groter eer behandeld, 24 maar onze edele leden hebben dat niet nodig. God heeft evenwel het lichaam zó samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was, 25 opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkaar zouden zorgen. (Uit 1 Korintiërs 12)

Bron afbeelding:  SlideShare

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie