Bescheidenheid siert ons geloof…

‘Koestert geen gedachten, hoger dan u voegen’ (Romeinen 12 : 3).

Wie wil leren dienen, moet eerst leren bescheiden over zich zelf te denken:
‘Zich zelf goed kennen en gering van zich zelf te leren denken, is de hoogste en nuttigste taak. Niets van zich zelf verwachten en daarentegen steeds goed te denken over een ander, is grote wijsheid en volmaaktheid’ (Thomas a Kempis).

Broedermoordenaar(s). Dát is de vrucht van mensenwijsheid

Alleen wie leeft uit de vergeving van zijn schuld in Jezus Christus, zal op de juiste wijze bescheiden over zich zelf denken; hij weet, dat zijn wijsheid doodliep op de vergeving van Christus, hij herinnert zich de wijsheid van de eerste mensen, die wilden weten wat goed en kwaad was, en die in deze wijsheid omkwamen.

De eerste, die op deze aarde geboren werd, was Kaïn, de broedermoordenaar. Dat is de vrucht van mensenwijsheid.

Omdat de christen zich zelf niet meer wijs kan noemen, zal hij ook bescheiden denken over zijn eigen plannen en bedoelingen en zal hij weten, dat het goed is, dat zijn eigen wil gebroken wordt in de ontmoeting met de naaste.

Hij zal bereid zijn de wil van de naaste belangrijker en urgenter te achten dan zijn eigen wil. Wat hindert het trouwens, als het eigen plan doorkruist wordt? Is het niet beter de naaste te dienen dan eigen wil door te zetten?

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “” – “Bescheidenheid” (18 september) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 11 Want dit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt, dat wij elkaar moeten ​liefhebben; 12 niet zoals ​Kaïn: hij was uit de boze en sloeg zijn broer dood. En waarom sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken slecht waren en die van zijn broer ​rechtvaardig. (Uit 1 Johannes 3)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

 

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Tot geloof komen – en dat steeds weer?!

Hoe kunt gij tot geloof komen, gij die de eer van elkaar behoeft, en de eer
die van de enige God komt, niet zoekt?’ (Uit Johannes 5 : 44)

De begeerte naar eigen eer belemmert het geloof. Wie eigen eer zoekt, zoekt al niet meer naar God en de naaste. Wat doet het er toe, of mij onrecht geschiedt? Verdiende ik geen strenger straffen van God, als Hij niet naar zijn barmhartigheid met mij zou handelen?

Wordt mij, ook in het onrecht, niet duizend maal recht gedaan? Zou het voor mijn nederigheid niet nuttig en goed zijn, dat ik zwijgend en geduldig zulke kleine· ongemakken leer verdragen? ‘De lankmoedige is beter dan de hoogmoedige’ (Prediker 7 : 8).

Wie leeft uit de rechtvaardiging uit genade, is bereid ook beledigingen en onaangename bejegingen zonder protest uit de straffende en genadige hand van God te aanvaarden.

Het is geen goed teken als men dit niet meer kan horen en verdragen, zonder er onmiddellijk op te wijzen, dat bij voorbeeld Paulus toch ook een beroep heeft gedaan op zijn recht als Romeins burger, en dat Jezus degene, die Hem sloeg, antwoordde: ‘Waarom slaat gij Mij?‘ (Johannes 18 : 23).

In elk geval zal niemand van ons werkelijk net zo handelen als Jezus en Paulus, als hij niet eerst geleerd heeft om evenals zij onder belediging en smaad te zwijgen. De zonde van lichtgeraaktheid, die in de gemeenschap zo snel naar voren komt, laat altijd weer zien, hoeveel verkeerde eerzucht en dat wil toch zeggen hoeveel ongeloof er nog in de gemeenschap leeft.

(…) 8 Reken ons de ​zonden​ van vroeger niet aan,
toon erbarmen en haast U, want onze ellende is groot,
9 help ons, God, bevrijd ons, tot ​eer​ van Uw roemrijke naam,
red ons en bedek onze ​zonden, omwille van Uw Naam.
(Uit Psalm 79)

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “” – “De eerzuchtige kan niet geloven” (19 september) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Gaan voor succes of vragen om zegen?

Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen,
maar voegt u tot de nederigen
‘ (Romeinen 12 :16).

Sterk of zwak, schrander of dom, begaafd of onbegaafd, vroom of minder vroom, al deze verschillen zullen nu in de gemeenschap geen reden meer zijn om te kletsen, te veroordelen, te verdoemen, geen reden dus tot zelfrechtvaardiging; deze verschillen worden een bron van vreugde en een aansporing om elkaar te dienen.

De zwakken uitschakelen is de dood voor de gemeenschap!

Ook nu krijgt elk lid van de gemeenschap zijn eigen plaats, maar nu de plaats, waar hij zijn dienst het beste kan volbrengen en niet de plaats waar hij zich met het meeste succes kan handhaven of persoonlijk ontplooien. In een christelijke gemeenschap is het uiterst belangrijk, dat iedere enkeling een onmisbare schakel van een ketting wordt. Alleen als alle schakels, ook de kleinste, stevig aan de andere verbonden zijn, kan de ketting niet breken.

Een gemeenschap die tolereert, dat er leden zijn die geen plaats gegund wordt in het functioneren van het geheel van haar gemeenschappelijk bestaan, zal aan deze leden en daarmee aan zichzelf te gronde gaan. Daarom zal het goed zijn als iedereen een bepaalde plaats en taak binnen de gemeenschap gegund wordt en (zo nodig) liefdevol krijgt ‘toegewezen’. In uren van twijfel zal hij dan weten, dat ook hij niet onnuttig en onbruikbaar is.

Elke christelijke gemeenschap moet weten, dat niet alleen de zwakken de sterken nodig hebben, maar dat de sterken ook de zwakken nodig hebben. Uitschakeling van de zwakken betekent de dood voor de gemeenschap. Niet de zelfrechtvaardiging en daarom de onderdrukking van de ander, maar de rechtvaardiging uit genade, en daarom de dienst, moet de christelijke gemeenschap beheersen.

Wie in zijn leven ook maar één keer de barmhartigheid van God heeft ervaren, wil voortaan alleen nog maar dienen. De trotse rechterstoel trekt hem niet meer aan, hij wil een nederiger plaats innemen, namelijk bij geringen en onaanzienlijken, omdat God ons op die plaats gevonden heeft.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “” – “De zwakken uitschakelen is de dood voor de gemeenschap.” (17 september) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 23 En aan de leden van het lichaam die wij als minder eervol beschouwen, verlenen wij groter eer en onze oneerbare leden krijgen een grotere eer. 24 Onze eerbare leden echter hebben dat niet nodig. Maar God heeft het lichaam zo samengesteld, dat Hij aan het lid dat tekort komt, groter eer gaf, 25 opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen. 26 En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee. 27 Samen bent u namelijk het lichaam van ​Christus, en ieder afzonderlijk Zijn leden. (Uit 1 Korintiërs 12)

(…) 1 Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, ​heilig​ en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. 2 En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene. 3 Want krachtens de ​genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld. 4 Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, 5 zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in ​Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander. (Uit Romeinen 12)

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Het geloof van Maria…(III)

En als er wijn ontbrak, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.
(Johannes 2 : 3)

Hier kun je de echte strijd van het geloof zien! Kijk goed wat zijn moeder doet en leer er van. Hoe hard zullen de woorden – vrouw wat heb ik met u te doen? – voor haar geklonken hebben. Hoe onvriendelijk houdt Hij zich.

Zij houdt het erbij dat Hij goed en genadig is

Toch betekent dit niet voor haar dat Hij toornig is of dat dit in strijd is met Zijn goedheid. Zij houdt het erbij dat Hij goed en genadig is, en laat zich niet in verwarring brengen door deze schijnbare vernedering. In haar hart verdenkt ze Hem helemaal niet van onrecht!

Dat verdenken van onrecht doen alleen zij die geen geloof hebben, die na de eerste klap weglopen en niet meer goed van God geloven dan dat zij bij zichzelf gewaar worden. Zij worden vergeleken met paarden en muilezels die geen verstand hebben (Psalm 32 : 9).

Als zijn moeder zich door deze harde woorden had laten afschrikken dan zou ze stil en boos zijn weg gegaan. Maar omdat ze juist nu de bedienden bevel geeft dat ze alles moeten doen wat Hij zegt, laat ze duidelijk zien dat ze ondanks Zijn afwijzen niet anders dan enkel goedheid en genade van Hem verwacht.

Maarten Luther: Fastenpostille 1525, vgl. WA 17.2,66, 1-13

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” (27 juni – “De goede strijd van het geloof“)  samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God,
eens zal ik Hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt.
(Psalm 43 : 5)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Het geloof van Maria… (II)

En als er wijn ontbrak, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.
(Johannes 2 : 3)

Wat denk je? Hoe diep zal dat gaan als een mens in nood, maar wel bijzonder in gewetensnood, deze slag krijgt dat God tot hem of haar zegt: “Wat heb ik met u te doen?

Wat heb ik met u te doen?

Wanhopen en vertwijfelen moet een mens die niet eerst door het geloof  in deze wegen van God geoefend is. Want zo iemand denkt dat alles is zoals hij of zij het voelt, en verwacht niet meer van God dan dat deze woorden hem of haar zeggen. Zo iemand voelt niets anders dan toorn en hoort niets anders dan ongenade.

Daarom houdt zo iemand God voor vijand en toornige rechter. Zoals hij of zij zich God voorstelt zo zullen ze Hem ook eenmaal ontmoeten.  Daarom hebben ze niets goeds van Hem te verwachten.

Dit is echter niet anders dan God met al Zijn goedheid en genade voor leugenaar houden. Daarna gaat het als vanzelf, zo iemand vlucht weg van God en haat Hem.  Hij wilde wel dat er geen God was en lastert God. Dit is tenslotte de vrucht van het ongeloof.

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” (28 juni – “Wat heb ik met u te doen?“)  samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

(…) 13 Toen zei ​Kaïn​ tot de Here: Mijn ​misdaad​ is te groot om de straf te dragen. (a)
(…) 16 Toen ging ​Kaïn​ weg van het aangezicht des Heren, en ging wonen in het land Nod, ten oosten van ​Eden. (Uit Genesis 4)
(a) Toch (m.i.) spreekt Kaïn hier ook de waarheid! (vergelijk dit bijv. met de woorden van hogepriester Kajafas in Johannes 11 : 49-53)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Geen wijn meer…

En als er wijn ontbrak, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.
(Johannes 2 : 3)

(…) 1 En op de derde dag was er een bruiloft te ​Kana​ in Galilea en de moeder van ​Jezus​ was daar; 2 en ook ​Jezus​ en zijn discipelen waren ter bruiloft genodigd. 3 En toen er gebrek aan ​wijn​ kwam, zei de moeder van ​Jezus​ tot Hem: Zij hebben geen ​wijn. 4 En ​Jezus​ zei tegen haar: Vrouw, wat heb Ik met u van node (te doen)? Mijn ure is nog niet gekomen. 5 Zijn moeder zei tegen hen, die bedienden: Wat Hij u ook zegt, doet dat! (1) 6 Nu waren daar zes stenen ​watervaten​ neergezet volgens het reinigingsgebruik van de ​Joden, elk met een inhoud van twee of drie metreten. 7 Jezus​ zei tegen hen: Vult de ​vaten​ met water. En zij vulden ze tot de rand. 8 En Hij zei: Schept nu en brengt het aan de leider van het feest. En zij brachten het. 9 Toen nu de leider van het feest het water proefde, dat ​wijn​ geworden was – en hij wist niet, waar deze vandaan kwam, maar de bedienden, die het water geschept hadden, wisten het – riep de leider van het feest de bruidegom, en hij zei tegen hem: 10 Iedereen zet eerst de goede ​wijn​ op en als er goed gedronken is, de mindere; gij echter hebt de goede ​wijn​ tot dit ogenblik bewaard. (Uit Johannes 2)

Wat Johannes geschreven heeft over ‘de bruiloft te Kana’  is onze moeite van het steeds weer opnieuw lezen en overdenken waard. Ook van dit Bijbelgedeelte is het waar dat het is als met een geslepen diamant, waarvan de verschillende facetten niet allemaal in één oogopslag gezien kunnen worden en wanneer we zo’n ‘diamant’ dan maar steeds weer en opnieuw van verschillende kanten willen bekijken en belichten dan zie we steeds weer andere facetten en kleuren.

Op dit bruiloftsfeest is blijkbaar ‘doopwater’ (reinigingswater) in overvloed beschikbaar en alle gasten konden daar steeds weer gebruik van maken, maar voor het samen (verder) vieren van deze bruiloft met elkaar en voor de echte feestvreugde daarbij, daarvoor schoot de beschikbare hoeveelheid wijn en (eigenlijk ook) de kwaliteit ervan toch schromelijk tekort! En was dat alleen hier die ene keer in Kana het geval? Of is en blijkt dat eigenlijk niet steeds weer zo te zijn bij en na elke bruiloft hier op aarde?!

Mogelijk kunnen we dit tekort te Kana ‘op grond van de feiten’ het betreffende bruiloftspaar en/of de ouders, of de leider van het feest en/of mogelijk zelfs ook de gasten kwalijk nemen. Maar zelfs wanneer de schuldigen hierbij aanwijsbaar zouden zijn geweest: leven we niet allemaal in een wereld vol mensen met gebreken en zonden? Een wereld waarin we met allerlei misrekening en daardoor (schuldig) tekort geconfronteerd worden?! Juist ook bij de voorbereiding op onze huwelijken en het latere vreugdevol verder samenleven daarin als echtpaar maar ook samen met anderen?!

Jezus wilde op dit bruiloftsfeest niet naar de schuldigen zoeken om deze (eerst) te kunnen aanwijzen en terechtwijzen, maar Hij wilde ook toen en ook daar al voorbij zien aan onze zonden en gebreken en aan al ons daarmee samenhangende menselijk ‘lek en gebrek’.  Hij doet dat door daar al het overvloedig beschikbare ‘doopwater’ te veranderen in overvloedig beschikbare wijn van de hoogste kwaliteit en alle gasten kunnen en mogen daarvan drinken. En zo mogen de familie en de gasten daar het met elkaar vreugdevol samenzijn en feestvieren om en vanwege die (aardse) bruiloft voortzetten door dit eerste wonderteken van Hem te Kana.

 Ook voor ons wil onze Heer Jezus Christus al het Doopwater (beschikbaar in kerken en gemeenten) wonderlijk omzetten naar kostbare wijn van hemelse kwaliteit en oorzaak van hemelse vreugde! En dat gebeurd bij het samen schenken en drinken van de wijn aan de Avondmaalstafel. Hij kan en mag dat wonderwerk doen van Zijn hemelse Vader, vanwege Zijn bloedstorting om onze zonden aan het kruis op Golgotha en vanwege Zijn opstanding om onze rechtvaardiging.

Daar op Golgotha en in het graf in de hof van Jozef van Arimathea geschiedde het grote en grootste wonder! Daar werd ons de werkelijke gemeenschap met de Vader en met Hem en de gemeenschap met elkaar en de vreugde die daarbij hoort – die we sinds de zondeval missen moesten – hersteld en weer aan ons mensen teruggegeven. Het is de kwijtschelding van al onze zonden en de vergeving van alle schuld die wij daarom en daardoor elkaar ook steeds weer kunnen en behoren te schenken (1en die ons hier zó al een volle voorsmaak geven van de werkelijke hemelse gemeenschap en feestvreugde die Hij ons bereid heeft en die nog op ons wacht!  Soli Deo Gloria! 

(1) En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, jullie je misdaden vergeven zal. Maar indien jullie niet vergeven, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook jullie misdaden niet vergeven. (Markus 11 : 25-26)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Johannes 2 - Bruiloft te Kana - SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Het Onze Vader uitgelegd voor de eenvoudigen, 1519 (21)

Wat wij uit onszelf najagen is in strijd met de Geest, en wat de Geest verlangt is in strijd met onszelf. Het een gaat in tegen het ander, dus u kunt niet doen wat u maar wilt.
(Uit Galaten 5 : 17)

De derde bede: Uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel

Tegen eigen wil in leren bidden!

(…) Samenvatting: Met het bidden van deze bede zul je merken dat God ons vraagt ​​om tegen onszelf te bidden. Op die manier leert hij ons dat we geen grotere vijand hebben dan wijzelf. Zie je, onze wil is het meest geweldige element in ons, en daartegen moeten we bidden: ‘O Vader, laat me niet zover komen dat mijn wil is gedaan. Breek mijn wil – weersta deze. Wat er ook gebeurt, laat mijn leven niet door mijn wil, maar door de Uwe worden bestuurd.

Omdat in de hemel niemands eigen wil zal overheersen, zal het hier op aarde niet anders zijn. Een dergelijke smeekbede uitspreken en de verhoring en vervulling daarvan is inderdaad zeer pijnlijk voor onze menselijke natuur, want onze eigen wil is het grootste en diepst diepgewortelde kwaad in ons, en niets is ons dierbaarder dan onze eigen wil.

Daarom vragen we in deze smeekbede om niets anders dan het kruis, de smarten, de tegenspoed en elk soort van lijden, omdat deze de vernietiging van onze wil dienen (1). Als eigenzinnige mensen hier echt over nadenken en zouden opmerken dat we hiermee tegen onze eigen wil in bidden, zouden ze zich tegen deze bede keren of er zelfs bang voor zijn.

Laten we nu deze drie smeekbedes met elkaar in verband brengen. De eerste vraagt ​​dat Gods naam geëerd wordt en dat zijn glorie en eer in ons mogen wonen. Maar niemand kan dat bereiken tenzij hij rechtvaardig is en in het koninkrijk van God woont. De doden en de zondaars kunnen God niet prijzen, zoals David verklaart in Psalm 6 [vers 5]. (1)

En niemand is goddelijk tenzij hij vrij is van zonden. Alleen hij is vrij van zonden wiens eigen wil wordt uitgeroeid en vervangen door Gods wil alleen. Want als de wil, die het opperhoofd en het hoofd is van al onze leden, niet langer onze eigen verdorven wil is, dan zijn alle andere leden ook niet langer de onze en niet langer in dienst van het kwaad.

Bijgevolg grijpt deze smeekbede het kwaad ‘bij de kop’ (bij het hoofd), en grijpt niet naar de hand of de voet, maar naar onze wil, die de aanvoerder is van alle kwaad, de werkelijke aartschurk.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 2, 105, 1-27 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 42, blz. 48/49)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) We vreesden ernstig voor ons leven, 9 we waren er zelfs zeker van dat het doodvonnis al over ons was uitgesproken. Maar juist dat liet ons beseffen dat we niet op onszelf moeten vertrouwen, maar alleen op de God die de doden opwekt, 10 Die ons heeft gered en ons opnieuw zal redden uit eenzelfde doodsgevaar. Op hem hebben we onze hoop gevestigd: Hij zal ons altijd redden. 11 En ook u bent ons tot steun door voor ons te ​bidden. Zo klinkt uit talloze monden de dankzegging voor de ​gunst​ die Hij ons bewezen heeft. (Uit 2 Korintiërs 1)

Bron afbeelding:  Prayer Thoughts & Hope – Help – Healing

Galaten 5 17 - flesh contrary to Spirit - PrayerThoughtsHopeHelpHealing

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | 1 reactie

Het geloof van Maria… (I)

En als er wijn ontbrak, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.
(Johannes 2 : 3)

Ook zelfs als het gebrek echt gevoeld wordt, komt Hij er nog niet gelijk aan lopen om te helpen. Christus stelt de verhoring van onze gebeden uit en beproeft – zoals Hij hier ook doet – het geloof en vertrouwen. Ja, wat nog erger is, Hij houdt Zich alsof Hij helemaal niet wil helpen, maar spreekt hard en streng, zoals je zien kunt bij het gesprek met Zijn moeder.

Zij vertelt Hem dat er geen wijn meer is en vraagt op die manier – met nederige en gepaste woorden – om hulp en raad. Maria zegt niet: ‘Lieve Zoon, maak nu wijn voor ons!‘ maar zij zegt: ‘Ze hebben geen wijn meer.

Hiermee doet ze een beroep op Zijn liefde en goedheid, alsof ze ermee wilde zeggen: ‘Hij is zo goed en genadig dat ik helemaal niet hoef te bidden. Ik wil Hem alleen maar aanwijzen waaraan het ontbreekt, want Hij zal uit Zichzelf meer doen dan ik bid.

Zo is het geloof gezind en heeft zulke goede gedachten van God, dat het niet twijfelt of alles zal goed komen, daarom durft zij ook te bidden en haar nood aan Hem voor te leggen.

Maarten Luther: Fastenpostille 1525, vgl. WA 17.2., 65,12-24

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” (25 juni – “Goede gedachten van God“)  samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

(…) 1 Een vrouw, een van de vrouwen van de ​leerling-profeten, riep tot ​Elisa​ om hulp
Bovenstaande tekst uit 2 Koningen 4 : 1-7
(Aanbevolen tekstvers voor meditatie bij dit dagboek-citaat van Luther)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

2 Koningen 4 1-7 - cried out to Elisa - SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Je gekend weten… (IV)

Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten
(Uit Psalm 139 : 23

Fundamentele menselijke eenzaamheid overwonnen!

Aan ons kennen van de HERE gaat vooraf. het gekend worden door Hem. Dat is de orde die aan het spreken van heel de Schrift ten grondslag ligt. Op een zeer verrassende wijze komt dit naar voren in Psalm 139. Het door God gekend worden is daar namelijk voorwerp van gebed!

Want deze Psalm mondt uit in de bede:Doorgrond mij, o God, en kèn mijn hart“.

Tegen de achtergrond van de inhoud van Psalm 139 is een dergelijk slot op zijn minst merkwaardig te noemen. Heel dit lied is te beschouwen als de doorwerking van het thema, aangegeven in de eerste regel: “HERE, Gij doorgrondt en kent mij“. Het is deze belijdenis, die in alle toonaarden wordt herhaald. Eén lofzang op de HERE, die de zijnen ként, die vertrouwd is met hun levensgang vanaf het moment van de conceptie tot aan de dag van hun”dood.

Aan alles is te merken, dat de dichter zich door deze wetenschap overweldigd voelt. Het is daarom ook in de grootste verwondering dat hij deze zekerheid onder woorden brengt: “HERE, Gij ként mij!”

Nu is het echter juist déze, zo voluit belijdende Psalm, die uitloopt op een vráág: ,,0 God, kén mijn hart; kén mijn gedachten”. Is deze bede niet een totaal overbodige bede, aan het slot van een Psalm die zo klaarblijkelijk getuigt van het feit dát de HERE de zijnen kent? Dat is de vraag waar nu alles op aan komt.

Dát God hem kende, David, de dichter van dit lied, heeft het geweten! Denkt U aan zijn zonde met de vrouw van Uria. Toen wist de HERE hem te vinden. Van voren en van achteren werd de koning ingesloten door de woorden van de profeet Natan: “Gij zijt die man!” Het is maar één voorbeeld hoezeer de HERE zijn knecht doorgrondde en vertrouwd was met al zijn wegen.

In Psalm 139 belijdt David nu dat hij in déze werkelijkheid staat: de werkelijkheid van het gekend worden door God, als zondaar èn als erfgenaam van de belofte. En tegelijk zien wij, hoe deze belijdenis bij David uitmondt in een gebed. David wil zich láten kennen. David vráágt er heel bewust om:  “Doorgrond mij, o God, en kén mijn hart“. Niet omdat hij twijfelt aan de reikwijdte van Godskennen. Maar omdat hij weet dat Gods genadige toewending noodzakelijk is, wil een mens in het leven de juiste koers houden. Gods toewending, die altijd toetsing insluit: “Toets mij enken mijn gedachten; zie, of bij mij een heilloze weg is… ” David vráágt er om. Bij Degene die hem volkomen doorziet, weet hij zich ook volstrekt veilig.

Wie de woorden van deze Psalm op zich in laat werken, ontdekt terloops iets van de wortels van de eenzaamheid, die in de tegenwoordige samenleving huis houdt. Eenzaamheid begint daar, waar mensen niet meer leven, of niet meer willen leven vanuit het door God gekend zijn. Eenzaamheid begint daar, waar mensen voorbij gaan aan de relatie, die God als Schepper met zijn schepselen gelegd heeft. En waar niet meer gerekend wordt met Gods genadig omzien naar verlorenen, daar is de mens ten diepste alleen, hoe driftig hij ook sleutelt aan allerhande relaties.

Deze fundamentele eenzaamheid is echter in principe overwonnen, waar de verbondsverhouding, waarin de HERE ons gesteld heeft, geëerbiedigd wordt. Dáár groeit de zekerheid: ik mag dan alleen staan in allerlei opzicht, ik wordt door Hem gekend; ik vind misschien weinig erkenning, ik wordt door Hém gekend. Ik wordt gekend, dáárom ben ik; dáárin ligt de zin van mijn leven, de grond van mijn bestaan.

Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten“.
Wie zó leert bidden, is ten diepste niet eenzaam meer.

Die mag delen in de vertrouwelijke omgang van de HERE met de zijnen. Een omgang die zeer persoonlijk is, maar die wij nooit mogen romantiseren.

David bidt er in Psalm 139 om, doorgrond, getoetst te worden.
Dat heeft hij geweten!
De wijze waarop hij gedurende heel zijn leven door God gekend is,
heeft bij hem diepe sporen, littekens zelfs achtergelaten.
Maar in dit alles is zijn gebed verhoord:
de HERE hééft hem geleid op de eeuwige weg.

Bron tekst: Gekend te worden (II) door A.M. van Leeuwen – Opbouw online – 10 oktober 1980, jaargang 24, nummer 38

Bron afbeeldingPinterest

Psalm 139 23-24 - know and test me - Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Je gekend weten… (III)

Nog andere schapen heb Ik. (Uit Johannes 10 : 16)

Omdat alleen Jezus de zijnen kent, kan alleen Hij zeggen, dat Hij schapen van zijn kudde heeft te midden van de heidenwereld. Niet alleen het uitverkoren volk geldt de liefde en het sterven van de Goede Herder. Jezus, de Goede Herder, heeft de zijnen ook daar, waar wij het het allerminst verwachten, waar tot nu toe niets is dan godloochening en afgoderij.

Jezus behoort niet ons toe en is niet op ons aangewezen. Dat is de kerk gezegd ter waarschuwing tegen zelfverheffing en tot troost. Het behoort tot de opdracht van de Goede Herder, dat Hij ook die andere schapen ‘leidt’; er staat niet ‘leiden naar’, dus naar Israël; Hij moet ze leiden, dat wil zeggen redden uit hun eenzaam ronddolen zonder leidsman. De Goede Herder moet al zijn schapen leiden, opdat zij de goede weg weten en behoed worden voor gevaar en leed.

Het zal de voleinding van de gemeente van Jezus zijn, wanneer zij allen naar zijn stem horen. Geen andere stem zal nog in staat zijn de schapen op dwaalwegen te leiden, en aan niemand zal de stem van de goede herder verborgen blijven, allen zullen zij leven van zijn bevel, zijn leiding en zijn troost. De stem van de Goede Herder zal het enige zijn, dat allen verenigt.

Het Woord van God zal de eenheid van de kerk op aarde zijn. Die eenheid van de kerk zal niet bestaan in organisaties, niet in dogma’s, niet in liturgieën, niet in eigen vroomheid, maar in het Woord van God, in de stem van Jezus Christus, de Goede Herder van zijn schapen.

Zo zal de hoop van alle gelovigen vervuld worden. Aan alle verdeeldheid van de christenheid zal een einde komen, wanneer allen luisteren naar zijn stem en er buiten zijn stem niets meer is dat nog de aandacht vraagt. Zo zullen zij allen één kudde zijn onder één herder. Dan zal het werk van de Goede Herder op aarde voleindigd zijn.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “De Goede Herder” – “De goede herder” (24 april) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 16en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden één kudde en één Herder.
(Uit Johannes 10)

Bron afbeelding:   Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | 1 reactie