Goed voor mij…

(…) 65 U bent goed geweest voor uw dienaar, HEER, zoals U hebt beloofd.
(Uit Psalm 119)

Vernederd

Opvallend in dit gedeelte is het woordje ‘goed‘. Het komt in dit kleine stukje (vers 65-72) zes keer voor. Daar dienen we aandacht aan te geven.

Bij tegenslag of verdriet hebben we allemaal weleens te horen gekregen dat het ‘vast wel ergens goed voor is’. Dat is nog maar zeer de vraag. Natuurlijk kan verdriet ons dichter bij God brengen, maar vaak gaat het ook anders…

Mensen keren zich voorgoed van God af, omdat ze zich in de steek gelaten voelen. De Psalmist heeft een andere ervaring: toen hij zich onrechtmatig behandeld en vernederd voelde, maakte hij kennis met de harteloosheid van de mensen. Sommige mensen gaan over lijken…

Tegen de achtergrond van deze slechtheid licht de goedheid van God opeens op. Wat is er kostbaarder in het leven dan de trouw en de goedheid van God. Ze is verre te verkiezen boven de rijkdommen van deze wereld.

Bron tekst: Meditatie van donderdag 20 juni – Bijbels dagboek “Dag in dag uit 2019” – Leger des Heils | Ark Media

Zie ook: Goddelijke omhelzing…

(…) 66 Leer mij goed oordelen en onderscheiden,
ik heb vertrouwen in Uw geboden.
67 Voor ik vernederd werd, tastte ik mis,
nu houd ik mij aan Uw woord.
68 U bent goed geweest en hebt goed gedaan,
onderwijs mij in Uw wetten.
69 Hoogmoedigen beschuldigen mij vals,
maar ik volg Uw regels, met heel mijn ​hart,
70 gevoelloos als vet is hun ​hart,
maar ik verheug mij in Uw wet.
71 Het was goed voor mij dat ik vernederd werd,
zo leerde ik Uw wetten kennen.
72 Goed voor mij is de wet uit Uw mond,
beter dan een schat aan goud en zilver.
(Uit Psalm 119)

Bron afbeelding: Versaday 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Goddelijke omhelzing…

Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent
(Genesis 32:26, weergave DB 1545).

(…) Wanneer je denkt dat onze Heere God iemand heeft verworpen, dan moet je denken dat onze God hem in Zijn armen houdt en hem aan Zijn hart drukt. Wanneer je veronderstelt dat God iemand heeft verlaten, dan moet je denken dat hij bij God aan de borst ligt.

Op deze zelfde manier voelt en denkt Jakob niets anders dan dat hij verloren is en onder zal gaan. Maar wanneer hij het goed zou bezien, dan wordt hij vastgehouden in de omhelzing van de Zoon van God (vgl. Genesis 32 : 24-32). Het voorbeeld van Job in zijn vernedering en zijn aanvechtingen onderwijst ons hetzelfde.

Want op deze wonderlijke manier handelt God met Zijn gunstgenoten (Psalm 4 : 4). Namelijk wanneer wij denken dat het met ons gebeurd is, dan omhelst en kust Hij ons als Zijn liefste kinderen. Dit is wat Paulus bedoelt als hij zegt: ‘Wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk. Wanneer ik sterf, dan leef ik’ (vgl. 2 Korintiërs 12 : 10; 2 Timoteüs 2 : 11).

Maar wij kunnen dit nooit begrijpen. De reden daarvan is, dat ons vlees in de weg ligt. De mens kan de doding van zijn vlees niet verdragen en dat staat de Geest in de weg, zodat hij onmogelijk de onbegrensde liefde en genade van God tot ons kan bevatten – totdat eindelijk bij zijn laatste zucht deze strijd voorbij is en God de struikelsteen van het vlees uit de weg ruimt.”

Maarten Luther: Vorlesungen über 1. Mose von 1535-1545, vgl. WA 44, 111, 32 – 112, 4

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van ons e-mailadres: info@maartenluther-citaten.nl

(…) De Heer hoort de kreten van de rechtvaardigen
Hij bevrijdt hen uit de nood,
Gebroken mensen is de Heer nabij
Hij redt wie zwaar wordt getroffen.
(Psalm 34 : 18-19)

Bron afbeelding: Wikipedia – Schilderij Rembrandt

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Door mensen bewerkte eenheid…

(…) 4 Want wanneer de een zegt: Ik ben van ​Paulus; en de ander: Ik van Apollos; zijt gij dan niet (onveranderde) mensen? 5 Wat is dan Apollos? Of wat is ​Paulus? ​Dienaren, door wie gij tot geloof gekomen zijt, en wel zoals de Here dit aan een ieder geschonken heeft. 6 Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de wasdom. 7 Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft. 8 Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk. (Uit 1 Korintiërs 3)

(…) in onze eigen taal spreken over Gods grote daden… (Uit Handelingen 2 : 11)

Verwarring en verwondering lopen bij Pinksteren door elkaar. De verwarring doet denken aan de toren van Babel. Daar bouwden de mensen een middelpunt dat eenheid moest garanderen. Babel is overal waar mensen torenhoge concentratie opbouwen van macht en zekerheid en vrome zelfhandhaving.

Maar, als iedereen naar de stad trekt, wie zorgt dan voor het land? Daarom verstoort God de mensen en verstrooit Hij hen. Einde verhaal?

Nee, God gaat verder en maakt een nieuw begin, met Abram. Hij weet zich geroepen en gaat op weg naar een andere stad, naar een Jeruzalem waar gerechtigheid geleerd wordt. Het zal een stad zijn waar vrede van uitgaat, waar mensen eropuit gaan. Ze worden eropuit gestuurd om de aarde bewoonbaar te houden. Dat komt verrassend op gang op dat ene Pinksterfeest.

Bron tekst: Meditatie van dinsdag 11 juni – Bijbels dagboek “Dag in dag uit 2019” – Leger des Heils | Ark Media

(…) 6 Dit, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos overgebracht om uwentwil, opdat gij uit ons (voorbeeld) zoudt leren niet te gaan boven hetgeen geschreven staat, opdat niet iemand uwer zich vóór de een en tegen de ander opblaze.  7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? En indien gij het dan ontvangen hebt, wat beroemt gij u, alsof gij het niet ontvangen hadt?

8 Reeds zijt gij verzadigd, reeds zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij u ​koning​ gemaakt. Ja, was het maar zo, dat gij ​koning​ geworden waart; dan waren ook wij met u ​koning​ geworden. 9 Want het schijnt mij toe, dat God ons, ​apostelen, de laatste plaats heeft aangewezen als ten dode gedoemden, want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor ​engelen​ en mensen.

10 Wij zijn dwaas om ​Christus’ wil, maar gij zijt verstandig in ​Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere. (Uit 1 Korintiërs 4)

Opgemerkt AJ: Hoe is het toch mogelijk geweest dat al kort na de start van de reformatie (en de begonnen sloop van de ‘torenhoge macht’ van Rome) de ‘protestantse christenen’ verdeeld werden in Calvinisten (‘Apollianen’) en Lutheranen (‘Paulinianen’) en dat er later nog weer ‘zuiverder’ groeperingen/afsplitsingen zich vormden (Puriteinen, ‘Nadere reformatie, etc.). Zonder gêne noemde men zich calvinisten en later zelfs nog weer ‘neo-calvinsten’. Blijkbaar moeten wij mensen zelf ook altijd nog iemand of iets hebben waar we mee ‘voor de dag’ kunnen en durven komen en waarmee we kunnen laten zien wie we (eigenlijk) zijn. Blijkbaar is laten zien en horen (in die volgorde!) dat je werkelijk een (eenvoudige) discipel van Jezus Christus bent zo lastig, dat we liever een (of meer) ‘kort -door-de-bocht’/’sjibbolet’ oplossing(en) gebruiken om ons als christenen – en onderling nog weer als soorten christenen – te onderscheiden van anderen.
Wanneer de jonge en vroege gemeenten niet naar het onderwijs van Paulus in de brieven aan de Korintiërs hadden geluisterd, dan hadden ook in die kerken zich al voorname en macht uitoefenende groeperingen gevormd en was de kans groot geweest dat bij canon-vorming van onze Bijbel (1) die verschillende groeperingen – mee door het wijzen naar de namen en de woorden en werken (geschriften) van ‘hun voormannen’ – een ernstige belemmering hadden gevormd om tot een – door de heilige Geest geleid! – gezamenlijk en algemeen aanvaard besluit over de canon te komen.

(1) Zie over de canon-vorming o.a. het boek “Het kompas van het christendom” van dr. Jakob van Bruggen.

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Verzekerd door de Trooster!

Ik zal u geen wezen laten; Ik kom tot u. Het is nog maar even, dan zal de wereld Mij niet meer zien. U echter zult Mij zien’ (Johannes 14 : 18, weergave DB 1545).

Weeskinderen

Wezen’ – zowel volgens de gedachte van de wereld, alsook volgens onze eigen gedachte, schijnt het kleine groepje arme verlaten christenen ‘wezen’ te moeten zijn. Zij zijn immers door God en door Christus vergeten. Dat blijkt wel als Hij het toelaat dat ze door de wereld gelasterd en gescholden, veroordeeld, vervolgd en vermoord worden. Ze zijn nu ieders voetveeg geworden! En dat niet alleen: ze worden ook door de duivel in hun harten zonder ophouden verschrikt, bedroefd en geplaagd, zodat zij in de volle zin van het woord ‘wezen’ mogen heten.

Christus zegt echter: ‘Ik wil u toch niet zó verlaten, zoals u nu denk en voelt – maar Ik zal u de Trooster geven, Die u in uw harten zal verzekeren, dat u Mijn ware christenen en gelovigen bent.

Bovendien zal Ik Zelf zeker bij u zijn en blijven met Mijn bescherming en heerschappij. Dit, ondanks dat Ik lichamelijk en zichtbaar van u heenga, zodat u nu alléén achterblijft – overgeleverd aan de duivel en de kwaadwilligheid en macht van de wereld.

Maar zo machtig zal de wereld of de duivel met al zijn aanhang niet zijn, dat zij samen met alle geleerden en wijzen tóch Mijn doop en de prediking van het Evangelie geheel en al zullen kunnen wegnemen. Bovendien zal Mijn Heilige Geest in u regeren en werken: ondanks dat u zonder ophouden wordt aangevochten, en u ook zelf zeer zwak schijnt te zijn.’

Zelfs dán in hun grootste zwakheid zullen zij zich de troost niet laten ontnemen, of zich tot vertwijfeling laten brengen – maar dwars tegen alles wat zij zien en voelen ín, zich aan de belofte houden, zoals Hij hier belooft en zegt: ‘Ik zal weer bij u terugkomen, en hoewel Ik nu voor een kleine tijd lichamelijk van u moet heengaan, dan zal Ik toch niet lang wegblijven, maar spoedig weer tot u komen, en eeuwig bij u blijven, zodat u tegen duivel, zonde en dood beschermd zult zijn, en met Mij zult leven en overwinnen.

Maarten Luther: Das XIV. Und XV. Kapitel S. Johannis, 1537, vgl. WA 45, 580, 1-20; 581, 11-18 (Dr.)

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van ons e-mailadres: info@maartenluther-citaten.nl

(…) 16 En Ik zal de Vader ​bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u zal blijven in eeuwigheid; 17 Namelijk de ​Geest​ der waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij u, en zal in u zijn. (Uit Johannes 14)

(…) 3 Geprezen zij de God en Vader van onze ​Heer​ ​Jezus​ ​Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost 4 en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven. 5 Zoals wij volop delen in het lijden van ​Christus, zo delen wij volop in de troost die God ons door ​Christus​ geeft. 6 Ondervinden we tegenspoed, dan is het opdat u bemoedigd en gered wordt. Worden we bemoedigd, dan is het opdat u de moed krijgt te volharden in hetzelfde lijden als wij ondergaan. 7 De hoop die wij voor u hebben is gegrond: we weten dat zoals u deelt in ons lijden, u ook deelt in de troost die ons gegeven wordt. (Uit 2 Korintiërs 1)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Magnalia Dei – begin van de herschepping… (slot)

(…) 2 Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, 3 als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden. 4 Want wij, die nog in een ​tent​ wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden. 5 God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en Die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.  (Uit 2 Korintiërs 5)

Een zeker pand…

(…) Die herschepping zet in met de wedergeboorte, de levensvernieuwing van de gelovige discipel van Jezus Christus. En dan gaat het de verhouding van de volken raken. En straks doordringt die vernieuwende kracht van de Geest de hele schepping.

(…) Zolang de grote dag van de voltooiing van de herschepping er nog niet is – zolang werkt de Geest in de Gemeente. En daar wordt ieder die gelooft vernieuwd (1) en getroost en geleid in de waarheid door de Geest.

Als wij niet vervuld zijn met de Geest, als wij niet in vuur en vlam staan door de Geest, als wij niet ervaren het heiligende en troostende werk van de heilige Geest, dan ligt dat niet aan de Geest. Dan ligt dat aan ons. (2)

Dan moeten wij niet roepen en bidden om een herhaling van Pinksteren!
Dan moeten wij niet zeggen: laat ons om een réveil bidden!
Maar dan moeten we ons bekeren!
Dan moeten we terug naar de Heere en Zijn Woord!
Dan moeten we breken met de zonde van ongeloof en bijgeloof en van onverschilligheid en eigenwilligheid!

De Geestesgave is geen vrucht van massasuggestie, massapsychose, van massale bijeenkomsten. Daar spreekt de Schrift niet over! U leest daar in de brieven van de apostelen geen woord over! En zie Openbaring 2-3!

Wij moeten ook niet jagen naar de tekenen van de Geest. In de laatste dagen zal de satan door de valse profetie tekenen en wonderen doen en velen verleiden. Als het ook mogelijk was zelfs de uitverkorenen.

En als wij bij de Schriften leven zullen wij de geesten beproeven of zij uit God zijn! En dat doen wij dan niet door in de Pinksterstroom te komen, maar omdat we er in staan en leven mogen.

Wij belijden: ik geloof in de Heilige Geest.
In de gave en in de gemeenschap met de Geest van Christus.
En wij vieren Pinksterfeest zoals we Paasfeest vieren.
Christus’ opstanding is het zeker pand van onze zalige opstanding en de Heilige Geest is het zeker pand van de voltooiing van Christus’ werk in de herschepping van alle dingen.

Pasen wijst vooruit naar de dag van de wederopstanding uit de doden. Pinksteren wijst vooruit naar de dag dat het nieuwe Jeruzalem neerdaalt uit de hemel op de nieuwe aarde.

De herinnering aan de Pinksterdag is vol troost en maakt ons brandend van verlangen naar de voltooiing van Christus’ werk als Psalm 87 zijn rijkste vervulling zal vinden: ‘dan zullen daar de blijde zangers staan; de speellien op de harp en cimbel slaan!‘ (3)
Amen.

Bron tekst: Preek van ds. J.W. Verheij (1911-2008) gehouden in een dienst 2 juni 1974 te Loosduinen.

(1) ‘Wordt vernieuwd in uw denken‘ dat is iets wat wij ons leven lang hebben laten te bewerken door de Geest die in ons werken wil en werkt door Woord en Sacrament.
(2) Openbaring 2 : 2-5.
(3) Psalm 87 vers 4 (berijmd, OB)

(…) 6 Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn 7 – want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen – 8 maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen. (Uit 2 Korintiërs 5)

Zie ook: Magnalia Dei – begin van de herschepping… (I)

(…) 4 Rahab​ en ​Babel​ vermeld Ik als degenen die Mij kennen;
zie, Filistea en Tyrus met Ethiopië:
deze is daar geboren.
5 Ja, van ​Sion​ wordt gezegd:
Ieder van hen is in haar geboren,
Hij, de Allerhoogste, bevestigt haar.
6 De Here telt bij het opschrijven der volken:
deze is daar geboren. sela
7 En zij zingen bij reidans:
Al mijn bronnen zijn in U!
(Uit Psalm 87)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Magnalia Dei – begin van de herschepping…

(…) 5 In ​Jeruzalem​ woonden destijds vrome ​Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. 6 Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de ​apostelen​ en de andere ​leerlingen​ in zijn eigen taal hoorde spreken. 7 Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? 8 Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? (Uit Handelingen 2)

Herstelwerk van de Geest

(…) Het feestelijke is dat dat zij allen gingen spreken zoals de Geest het hen gaf uit te spreken. Gaf te zeggen! Twee woorden!

Spreken en zeggen is niet hetzelfde. Je kunt spreken zonder iets te zeggen.

‘Die man heeft iets te zeggen’ wordt soms gezegd van iemand die helemaal niet welbespraakt is. Die mogelijk zelfs stottert en hapert en herhaaldelijk uh zegt.

De discipelen mochten iets zéggen: De magnalia Dei! De grote werken Gods!

Ze mochten dat zo doen dat de mensen uit vreemde landen het in hun eigen taal hoorden. Het was hier dus niet zoiets als tongentaal, de taal der extase, waarover in 1 Korintiërs 12 en 14 wordt gesproken. Daar moest immers een tolk aan te pas komen. Dat was niet nodig op deze Pinksterdag in Jeruzalem.

Wat hier gemanifesteerd wordt, is, dat de Geest het is door Wie de verhoogde Christus de verstoorde gemeenschap onder de mensen en onder de volken gaat herstellen. Door de zonde van hoogmoed, van het aan God gelijk willen zijn, is er de spraakverwarring onder de mensen. Door Christus Geest komt er weer communicatie – gemeenschap.

Dat is het begin van de herschepping!

Die herschepping zet in met de wedergeboorte*, de levensvernieuwing van de gelovige discipel van Jezus Christus. En dan gaat het de verhouding van de volken raken. En straks doordringt die vernieuwende kracht van de Geest de hele schepping.

Zolang de grote dag van de voltooiing van van de herschepping er nog niet is – zolang werkt de Geest in en door de Gemeente. En daar wordt ieder die gelooft vernieuwd en getroost en geleid in de waarheid door de Geest.

(Wordt vervolgd)

*  Zie Titus 3 : 5

Bron tekst: Preek van ds. J.W. Verheij (1911-2008) gehouden in een dienst 2 juni 1974 te Loosduinen.

Boven alle steden van Jakob
heeft de HEER de poorten van Sion lief,
zijn vesting op de heilige bergen.
Van u wordt met lof gesproken,
stad van God. sela
(Uit Psalm 87 – Wordt vervolgd)

Bron afbeelding: BibleWordings.com

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Weet u niet…?

(…) 16 Weet u niet dat u een ​tempel​ van God bent en dat de ​Geest van God​ in uw midden woont? 17 Indien iemand Gods ​tempel​ vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods ​tempel​ is ​heilig​ – en die ​tempel​ bent u zelf. (Uit 1 Korintiërs 3)

Woning maken…

Jezus antwoordde en sprak tot hem: Wie Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren – en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken’ (Johannes 14 : 23, weergave DB 1545).

(…) “Dat zal een echte, heerlijke, nieuwe Pinksterdag worden, en een bijzondere betoning en kracht van de Heilige Geest, als de harten door de Heilige Geest worden verlicht en verwarmd met liefde tot Christus – en wederkerig Christus’ liefde en de liefde van de Vader in onze harten schijnt en licht. Waardoor God en mens zo vriendelijk worden verbonden, dat de Heilige Geest het hart van de mens Zelf toebereidt en geschikt maakt tot een huis en woning, een tempel en heiligdom van God – zodat de mens deze heerlijke, edele, lieve en waardige Gast en Inwoner of Huisgenoot krijgt, Die ‘God de Vader en de Zoon’ heet. [Luther spreekt hier in het enkelvoud, hcvwsr]. (1)

Dat moet een grote heerlijkheid en genade zijn voor de mensen, die waardig zullen worden geacht om zo’n heerlijke woning, paleis en troonzaal, ja een paradijs en hemelrijk te zijn, waarin God op aarde woont – in hen, die toch zelf zulke arme, bedroefde, schuchtere zielen en gewetens hebben, die niets anders voelen dan zonde en dood, en voor Gods toorn beven en sidderen.

Zij denken dat God Zich ver van hen houdt en dat de duivel heel dichtbij is. Maar zíj zijn het aan wie dit is beloofd, en die zich daar vrolijk in kunnen verblijden, dat zij het ware Godshuis en de kerk zijn, waarin God Zelf wil wonen.

Maarten Luther:  Evangelium am Pfingsttage, Joh. 14: 23-31, vgl. WA 21, 457, 11-28

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres: info@maartenluther-citaten.nl

(…) 8 Mij (Paulus), de allerminste van alle heiligen, is de genade geschonken om de heidenen de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus te verkondigen, 9 en voor allen in het licht te stellen hoe het mysterie dat in alle eeuwen verborgen was in God, de schepper van het al, werkelijkheid wordt.

10 Zo zal nu door de kerk (*) de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen, 11 naar het eeuwenoude plan dat hij heeft verwezenlijkt in Christus Jezus, onze Heer, 12 in wie wij vrijelijk toegang hebben tot God, vol vertrouwen door ons geloof in Hem.

13 Ik vraag u dan ook de moed niet te verliezen wanneer ik lijd omwille van u, want daaraan kunt u eer ontlenen. 14 Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader, 15 die de Vader is van elke gemeenschap (1) in de hemelsferen en op aarde. 16 Moge hij vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn Geest, 17 zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde.

18 Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, 19 ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God. 20 Aan hem die door de kracht die in ons werkt bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken, 21 aan Hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus (*) , tot in alle generaties, tot in alle eeuwigheid. Amen.

(*) Zie 1 Timoteüs 3 : 15

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Vuur ben ik komen werpen… (III)

(…) 56 Huichelaars! De aanblik van de aarde en de hemel kunnen jullie duiden, hoe kan het dan dat jullie deze tijd niet kunnen duiden?
(Uit Lucas 12)

Willen en durven we de strijd aan?

(…) En dan verwijt Christus de mensen dat ze de tekenen der tijden niet verstaan, dat ze in de genezingen en in het uitwerpen van duivelen en anderzijds de haat tegen dit werk, niet zagen, dat het Koninkrijk der Hemelen was nabij gekomen.

Als een boer de wolken zag opkomen, rekende hij ermee en bij Zuidenwind zocht hij dekking. Het ging hun allemaal aan. En we verstaan de tekenen der tijden niet, als deze dingen ons niet persoonlijk aangaan, als het Koninkrijk van God ook niet tot ons gekomen is, en hierin tot ons komt.

Waar gebeurt het, waar gebeuren deze dingen die we duiden moeten? In Rusland? In China? In Afrika? Daar ergens ver? Nee hier! En in uw hart! Het is in u en in uw kinderen. Het Koninkrijk van God is één. Rusland is hier. En hier is Rusland. En als we onze houding bepalen tegenover Rusland, bepalen we tegelijk onze houding tegenover het leven hier. Willen we het vuur?

Dit zeggen we: het vuur mag niet doven. Daar is iets in dat ons behagen moet. We bidden niet dat de worsteling en strijd zullen ophouden. We bidden om de overwinning van de Kerk van Jezus Christus. Dat het rijk van de satan zal worden verstoord. Hoe? In martelaars-vuur? Of zo, dat de ‘rode-haat’ wordt verslagen?

Dit is geen preek* van vrede maar van strijd.

De Heer zal opstaan tot de strijd;
Hij zal Zijn haters wijd en zijd
verjaagd, verstrooid doen zuchten.
(Uit Psalm 68 vers 1, berijmd)

Wij bidden niet dat het vuur gedoofd zal worden. Dat zou zijn: bidden dat de liefde en de gerechtigheid van God niet verder geopenbaard wordt. Want die wekt de strijd (de antithese). Maar nu moeten we bidden met de gelovigen in gemeenschap met die opgejaagde gelovigen, die uit hun woonplaatsen verdreven zijn.

Kunnen we dat? Willen wij het vuur? Als we hier bang zijn voor het vuur, dan zijn we de zaak van onze gesmade en vervolgde broeders en zusters ontrouw.

Nu is er een prairiebrand in de wereld en we hebben kuilen en grachten gegraven. Alsjeblieft geen vuur. Daar is ons leven te mooi voor. Laat ons met rust. Geen vuur!
Dan kunnen we niet bidden. Hebben we behagen aan het vuur? En hoe willen we anders ingaan in de gemeenschap met hen? Anders zijn die mensen in hun zielenklacht ons vreemd. En wij doen ons best om ons leven in veiligheid te brengen.

Wij moeten branden, ook in ons gebed.

We zullen die strijd niet buiten ons hart sluiten. Durf ik de worsteling aan voor mijn kinderen en kleinkinderen? Durf ik de liefde en de gerechtigheid van God openbaren, die dit verwekte? Wil ik het vuur of trap ik het dood? Hebben we met God geworsteld en gerechtigheid in het bloed van het kruis gevonden?

Veel te lang hebben we God buiten de deur gehouden. We moeten nog met God gaan spreken en verzoening vinden. En als we zo het vuur gevonden hebben, dan hebben we behagen aan het vuur. Durven we de strijd aan. En ons bidden voor al wat lijdt en wat ten hemel schreiend is, is dit de onder- en boventoon:

Dat toch Uw Koninkrijk kome, de volheid en de heerlijkheid van Uw Rijk,
waarin Gij alles zult zijn in allen‘.

Amen!

* Preek uit 1930, 10 jaar voor uitbreken WO II.

Zie ook:  Vuur ben ik komen werpen… (I) en Vuur… (II)

Bron tekst:  Preek gehouden door ds. S. G. de Graaf (1889-1955) tijdens een bidstond op zondag 23 februari 1930 in Funekerk.

Bron afbeelding:  Today’s Bible Verse

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Vuur ben ik komen werpen… (II)

Menen jullie, dat Ik gekomen ben om ​vrede​ op aarde te brengen? Neen, zeg Ik jullie, veeleer verdeeldheid.  (Uit Lucas 12 : 51)

Door de Heilige Geest, Die ons gegeven is…

(…) Jezus zegt dat de komst van het vuur ingaat tegen onze verwachtingen: ‘Meent gij, dat Ik gekomen ben om ​vrede​ op aarde te brengen? Neen, zeg Ik u, veeleer verdeeldheid.‘ Wie Christus ziet en Zijn komst inziet, die verwacht het vuur. Maar wij verlangen de rust en wensen het vuur niet.

Vanzelf gaan we dan vragen wat het vuur is, dat Jezus op de aarde geworpen heeft. Dat kan ik u zomaar niet zeggen. Als we naar Rusland kijken (preek werd gehouden in 1930) weten we het. Daar laait het vuur. Het is de heilige Geest niet en de liefde niet en ook de haat niet, maar die beiden, liefde en haat, de opstand, de strijd. En daar kreunt de aarde van, die het niet dragen kan. Onze wereld is in ontzetting, dat dat in deze eeuw nog kan, niettegenstaande humanisme en beschaving.

We hebben er geen kijk op. Zoals we de kracht van de aarde niet kennen, zo kennen we de kracht niet, die in de mensenwereld huist. We leven op een vulkaan. Wat er aan ongerechtigheid en vuilheid in de mensen – dat is in ons! – woont, dat weet geen ziel. Als de elementen maar ontketend worden! Maar dat komt als tegenstelling tot het werk van Christus. Wat Christus in de mensen tot openbaring brengen kan!

Onze Heer Jezus Christus heeft het gezien en gewenst.Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen“. Het vuur waardoor de harten bewogen worden. Heel die geestelijke worsteling heeft Hij gewild. En wat er op dit moment de wereld beweegt, is ook Zijn werk. Hij heeft ’t vuur geworpen en Hij heeft er behagen (welgevallen) aan, aan de prairiebrand.

Hij heeft aan het martelaarschap geen behagen, maar aan de trouw, aan de verheerlijking van de Naam van Zijn Vader. Aan de openbaring van de trouw. Daartoe moeten de elementen ontketend worden.

Er is (namelijk) iets wonderlijk moois in: de openbaring van de trouw, dat is de openbaring van de Naam des Heeren in de Zijnen. Dan staan wij erachter, wanneer we dat kunnen zien. Maar zoals het goud in het vuur beproefd wordt, zo moet het leven van ons mensen door deze oordelen heen.

Dáárom moet satan volkomen ontketend worden. De glans van het koninkrijk der hemelen wordt ontdekt, als de diepten van satan gezien zijn. Daarom heeft Jezus begeerd het vuur.

Natuurlijk, wij bidden ook dit lijden af. Wij zullen straks (in deze dienst) bidden om verademing. Maar het is ermee als met de bede: ‘Leidt ons niet in verzoeking‘, die haar doel vindt in het tweede deel: ‘maar als U ons toch in verzoeking leidt, verlos ons dan van de Boze‘. Daarom is het ook waar: ‘Acht het voor enkel vreugde wanneer jullie in velerlei verzoekingen vallen.‘ (Jacobus 1 : 2-4)

We zeggen dat niet in onbewogenheid met onze broeders en zusters. Dit is toch het meeste dat we biddend verlangen kunnen, dat de Here ze daarin vreugde geven mag en dat ze – net als onze Heer – een behagen mogen hebben aan het vuur. En dat we ook van en over hen mogen horen dat daar gevonden wordt een ‘roemen in de verdrukkingen‘.

Zie ook:  Vuur ben ik komen werpen… (I) en Vuur… (III)

Bron tekst:  Preek gehouden door ds. S. G. de Graaf (1889-1955) tijdens een bidstond op zondag 23 februari 1930 in Funekerk.

(…) 3 En dit niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt, 4 en de volharding ondervinding en de ondervinding hoop. 5 En de hoop beschaamt niet, omdat de ​liefde​ van God in onze ​harten​ uitgestort is door de ​Heilige​ Geest, Die ons gegeven is. (Uit Romeinen 5)

Bron afbeelding:  Bible Verse Images

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Vuur ben Ik komen werpen… (I)

Stel nu zelf, in naam van de ​koning, een verordening op schrift die volgens u in het belang van de ​Joden​ is, en verzegel die met de koninklijke ​zegelring. Want wat geschreven is in naam van de ​koning​ en ​verzegeld​ met de ​zegelring​ van de ​koning​ kan niet worden herroepen.‘ (Uit Ester 8 de vers 8)

Dit is Mijn ​verbond​ dat u moet houden tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wie mannelijk is bij u moet ​besneden​ worden. U moet het vlees van uw voorhuid laten ​besnijden​ en dat zal een teken zijn van het ​verbond​ tussen Mij en u.‘ (Uit Genesis 17 vers 10)

Toen ​Jezus​ hoorde dat aan de ​farizeeën​ verteld werd dat Hij meer ​leerlingen​ maakte en er ook meer ​doopte​ dan Johannes 2 – ​Jezus​ ​doopte​ overigens niet zelf, zijn ​leerlingen​ deden dat –, verliet Hij Judea en ging weer naar Galilea.‘ (Uit Johannes 4 de verzen 2-3)

(a) (…) Daarbij komt nog dat de doop die de discipelen van Jezus toepassen heel veel lijkt op die van Johannes (de doop der bekering tot vergeving der zonden). De doop zoals die later zal worden bediend, nadat Jezus is opgestaan en het doopbevel uitvaardigt, is van een ander karakter. Dan zullen discipelen van Jezus gedoopt worden in de naam van Jezus of in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Johannes zelf zegt van Jezus: “Die zal met de Heilige Geest en met vuur dopen.

(…) Jezus vraagt aan Zijn leerlingen of ze die doop ook kunnen ontvangen. Het antwoord is ‘ja Heer’. ‘Kunnen jullie de beker drinken die Ik moet drinken?’ ‘Ja, Heer’.  Kinderen van God komen ook in de doop met vuur, ze hoeven alleen niet de doop in de dood ondergaan, zoals Jezus die wél moest. Dat hoeft niet want ze zijn met Hem gedoopt, met Hem gekruisigd en met Hem begraven. (Romeinen 6: 1-7)

Dus Johannes weet, dat zijn doop anders is, dan die van Jezus. De doop, zoals deze bediend zal worden na Jezus’ opstanding heeft alles te maken met het heil, dat Christus voor de Zijnen verworven heeft: reiniging van zonden en vernieuwing van het leven. De doop zoals wij die kennen in de NT-ische gemeenten ziet op het heil, dat in Christus gevonden wordt en dat verzegeld wordt door God aan het hart. Die doop wordt bediend in de gemeenschap van de christelijke kerk. (2)

(…) Ik ben gekomen om vuur te werpen op de aarde en wat wil Ik nog meer, nu het al ontstoken is!’  Maar Ik moet met een ​doop​ ​gedoopt​ worden, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is. (…) ‘Huichelaars, de aanblik van de aarde en van de hemel weet u te duiden. Hoe kan het dan dat u deze tijd niet weet te duiden?’ ‘ (Lucas 12 : 49-50,56).

(b) (…) Jezus is geheel anders. Hij zegt dat het Zijn wil is om vuur te komen werpen en dat Hij wil dat dat vuur gaat branden. Dat is het eeuwig evangelie: een evangelie van strijd waardoor je midden in het oordeel van God terechtkomt (Openbaring 14 : 6). Paulus zegt later ook dat niemand het koninkrijk van God kan binnengaan dan door verdrukking (= vuur, strijd, zie Handelingen 14 : 22). Gedoopte (! 1) christenen hebben dus dagelijks te maken met strijd, beproevingen en conflictsituaties. Voor hen is het dus belangrijk te weten wat Jezus over de strijd gezegd heeft, zodat zij sterk (versterkt) kunnen worden in deze strijd.

(…) Jezus vraagt aan Zijn leerlingen of zij die doop ook – kunnen ontvangen. Het antwoord is ‘Ja, Heer‘. ‘Kunnen jullie de beker drinken, die Ik drinken moet?‘ ‘Ja, Heer‘. Kinderen van God komen ook in de doop met vuur, ze hoeven alleen niet de dood in de doop ondergaan, die Jezus wél onderging.   Dat hoeft niet want ze zijn met Hem gedoopt, gekruisigd en begraven. Maar dat wil niet zeggen dat ze niet te strijden en te overwinnen hebben. Er staat ‘wie overwint, zoals Ik overwonnen heb.’

Er is dus geen plaats voor gerieflijke, wereldvreemde samenkomsten; elke keer als men samenkomt in de gemeente zal men dat weer moeten leren beseffen en zich wapenen moeten in de strijd die wacht. Want elke keer wordt men weer geconfronteerd met de demonen van de duisternis. Jezus zegt: ‘Het is Mijn wil dat dit gebeurt. Als jullie Mij willen navolgen en met Mij later op de troon willen zitten, dan zal je net als Ik moeten strijden. Met als doel dat je – in Mijn kracht hier op aarde – zult overwinnen, zoals Ik overwonnen heb’.

(1) Hier stond/staat in de oorspronkelijke tekst van het citaat: opnieuw geboren. (Zie hierbij Titus 3 : 5 en zie ook Handelingen 14 : 22)

(2) ‘Dit schrijf ik jullie, hoewel ik vrij spoedig tot jullie hoop te komen. Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid.‘ (Uit 1 Timoteüs 3 : 14-15)

> Leestip:  Lucas 12  (geheel).

> Zie ook vervolg:  Vuur ben ik komen werpen… (II) en (III)

Bron citaten:  (a) Refoweb – Waarom Jezus niet Zelf doopte en (b) Het enige Bijbelse Fundament – Vuur ben ik komen werpen

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie