Angst: zo ziet Gods schepsel er niet uit… (III)

WIJ ZULLEN ONS NOG MOETEN SCHAMEN

Maar nu geldt ook dit andere: Waar Christus aan boord is, daar begint het altijd te stormen, daar valt de wereld met alle kwade machten Hem aan, zij wil Hem en zijn discipelen vernietigen, zij komt tegen Hem in opstand, zij haat Hem. Daarvan moet de christen zich wel bewust zijn. Geen mens moet door zovele angsten heen als de christen. Maar daarover mag hij zich niet verwonderen, want Christus is de gekruisigde en ongekruisigd komt geen christen tot het leven. Daarom zal zo iemand het met Christus samen doorlijden en doorleven, en daarbij altijd blijven zien op Hem, die mee aan boord is en ieder moment kan opstaan en de zee bestraffen, zodat het stil wordt.

Maar de waarheid van nu lijkt een andere: zulke wonderen doet Christus vandaag niet meer. Hij is zó verborgen, dat wij vaak denken, dat Hij er helemaal niet meer is. Vrienden, broeders, wat weten wij ervan, wat Christus nog vandaag aan ons doen kan en wil. – Als ons roepen maar echt is, wanneer wij roepen: Heer, help ons, wij komen om? Dat was angst, natuurlijk, maar in die angst was geloof, het geloof dat weet, waar alleen de hulp te verwachten is. Wonderen bestaan niet meer, zeggen wij! Maar wat weten u en ik daarvan? Wij zullen ons nog moeten schamen, wanneer God ons eens zijn wegen toont.

‘En zij verwonderden zich en zeiden…’ Het valt ons niet moeilijk deze verwondering te begrijpen: Wat voor een mens is dat, voor wie de angst wijkt, die de angst zijn macht ontneemt? Maar nog vragend buigen wij de knieën en aanbidden Hem, de man vol wonderen en zeggen: dat is God!

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Contra de angst” (15 januari) – “Wij zullen ons nog moeten schamen” (1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978)

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Angst: zo ziet Gods schepsel er niet uit… (II)

IS CHRISTUS NIET AAN BOORD?!

Maar nu is midden in deze wereld van de angst een plaats aangewezen, die de merkwaardige, voor die wereld onbegrijpelijke opgaaf heeft, de mensen – steeds nieuw en steeds hetzelfde – dit ene toe te roepen: de angst is overwonnen, vreest niet; in de wereld hebt gij angst, maar weest getroost, Ik heb de wereld overwonnen! Gij, kleingelovigen, waarom zijn jullie bevreesd? Christus is aan boord! Wij moeten in deze woorden heel de teleurstelling en ook heel de liefde van Christus voor zijn discipelen horen. Weet jullie dan nog niet, dat jullie in Gods hand zijn, dat waar Ik ben, God is? Waarom zijn jullie zo bevreesd? Weest moedig, standvastig, manhaftig, vastberaden; beeft niet, laat het hoofd niet hangen, klaagt niet: Ik ben aan boord. Luistert dan toch naar Hem, gelooft Hem!

En nu zien wij dat er in ons leven iets anders moet worden. Wij bemerken, hoe kleingeestig, hoe armzalig, hoe kortzichtig ons leven op het moment is. Wij zien onze eigen zorgen en moeilijkheden en niet de duizend keer grotere van de ander. Onze aangelegenheden lijken ons zo reusachtig en oneindig belangrijk toe, en wij zijn afgestompt voor alles, wat daarbuiten ligt. En dat is het werk van de angst. Nu bemerken wij, dat wij dit enge, benarde leven niet langer kunnen verdragen, wij stikken erin, en zo vragend en vermoedend horen wij de roep: een ding ontbreekt u; het geloof, dat God de almachtige onze Vader en Heer is; dat voor Hem onze grootste zorgen zijn als voor ouders de zorgen van hun kleine kinderen; dat Hij in een oogwenk alles kan beschikken en in een handomdraai alles omver kan werpen; dat alles licht voor Hem is en niet zwaar; dat voor Hem duizend jaar zijn als één dag; dat zijn gedachten hoger vlucht kennen dan onze gedachten; dat Hij ondanks alles bij ons is.

Roepen wij elkaar daarom toe: Gij kleingelovigen, waarom zijn jullie bevreesd? Midden in de storm is Christus aan boord! Wijk angst! Kom Heer Jezus, sterke helper, Heiland!

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Contra de angst” (14 januari) – “Christus is aan boord” (1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978)

Allen die uw hoop vestigt op de HEER: wees sterk en houd moed. (Uit Psalm 31)
Lees Psalm 31 in z’n geheel.

Bron afbeelding:  MCW Memes

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Angst: zo ziet Gods schepsel er niet uit… (I)

(…) En toen Hij in het schip ging, volgden zijn discipelen Hem. En zie, er kwam een grote onstuimigheid op de zee, zodat de golven over het schip sloegen; maar Hij sliep. En zij kwamen en maakten Hem wakker en zeiden: Here, help ons, wij vergaan! En Hij zei tot hen: Waarom zijn jullie bevreesd, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en het werd volkomen stil. En zij verwonderden zich en zeiden: Wat voor iemand is deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn? (Matthéüs 8 : 23-27)

De Bijbel, het Evangelie, Christus, de Kerk, het Geloof – zij zijn een oorlogsverklaring aan de angst. De angst – dat is de oervijand. De angst zit de mens in het bloed, zij holt hem uit, tot hij plotseling weerloos en machteloos ineenstort. Zij knaagt in het verborgene aan de banden die de mens met God en zijn medemens verbinden, en wanneer de mens er zich in zijn nood aan wil vastklampen, dan breken zij en hulpeloos zinkt hij onder het geschater van de hel in zich zelf terug. En nu grijnst de angst hem onverholen aan en zegt: Nu zijn wij alleen, jij en ik, nu toon ik je mijn ware gezicht.

Wie geconfronteerd is geweest met de naakte angst, in een huiveringwekkende eenzaamheid daaraan overgeleverd – aan de angst voor een grote beslissing, de angst voor een moeilijk lot, een ziekte, de angst voor een zonde waartegen hij zich niet langer kan verzetten, die hem knecht, de angst voor schande, de angst voor een ander mens, de angst voor het sterven — weet dat de angst alleen maar een masker is van het kwaad, dat in de angst de wereld van het anti-goddelijke dreigt.

Niets maakt de mensen de realiteit van de anti-goddelijke machten zo tastbaar als deze eenzaamheid, deze hulpeloosheid, deze mist die zich uitbreidt over alles. Hebt u wel eens een mens gezien in de greep van de angst? Afgrijselijk bij het kind, afgrijselijker nog bij de volwassen mens: dat beven als een angstig dier, die smekende afweer. Zo ziet het schepsel Gods er niet uit, zo ziet de geknechte, onttakelde, zieke creatuur eruit.

Maar de mens hoeft geen angst te hebben! Dat is het verschil tussen de mens en alle andere creatuur, dat de mens te midden van uitzichtloosheid, chaos en schuld hopen kan. En wanneer gevraagd wordt, hoe hij dat kan, dan noemen wij de naam van Hem, voor wie het kwaad ineenkrimpt, die de angst zelf angst inboezemt, de naam van Hem, die geheel alleen de angst overwon en in triomf in gevangenschap voerde en aan het kruis sloeg en prijsgaf aan de vernietiging, de naam van Hem, die de overwinningskreet van de van angst verloste mensheid isJezus Christus, de gekruisigde en levende.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Contra de angst” (11 januari) – “Zo ziet Gods schepsel er niet uit” (1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978)

(…) 1 Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet. (Uit Hebreeën 11)
(…) 12 Heft dan de slappe handen op en strekt de knikkende knieën, 13 en maakt een recht spoor met uw voeten, opdat hetgeen kreupel is niet nog meer uit het lid raakt, maar veeleer genezen zal.  (Uit Hebreeën 12)

Bron afbeelding:  DialyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

De Doop als waarachtig zegel en waarmerk…

Wie gelooft en gedoopt wordt, die zal zalig worden, maar die niet gelooft, zal
verdoemd worden’  (Markus 16:16, weergave DB 1545).

(…) “Bovendien is ons het teken [van de doop] ook daarom gegeven dat God ons Zelf wil helpen en wij zeker zullen zijn van Zijn genade, en een ieder zou kunnen zeggen: ‘God heeft mij een waarteken gegeven, zodat ik zeker ben dat ik zalig word, hetwelk Hij mij beloofd heeft door het Evangelie.

Want Hij heeft ons de woorden gegeven, dat is de brief, en naast de woorden, de doop, dat is het zegel, dat ieder die gelooft, die het Woord aangrijpt, door het teken en het zegel in het geloof versterkt wordt.

De doop is echter geen werk van ons, want de doop is niet mijn, maar Gods werk. Want wie mij doopt, staat daar in Gods plaats en doet geen mensenwerk, maar het is Gods hand en Gods werk, zodat eigenlijk God Zelf het doet, daarom mag ik en moet ook zo spreken: ‘God, mijn Heere, heeft mij Zelf gedoopt door de hand van een mens.

Daarop kan ik mij beroemen en daarop moet ik mij verlaten en zeggen: ‘God heeft mij dat teken gegeven (zie  ook ‘Opgemerkt AJ’ hieronder), Hij Die niet wil of kan liegen, zodat ik toch zeker ben, dat Hij mij genadig is en mij wil zaligmaken en mij door Zijn Zoon alles heeft geschonken wat Hij heeft.’

Op die manier is aan onze kant niets dan het geloof alleen, en aan Zijn kant alleen Woord en teken. Daarvan hebben wij dikwijls genoeg gesproken dat het nu niet nodig is meer daarvan te spreken.” (1)

Maarten Luther:  Predigten des Jahres 1523, vgl. WA 12, 561, 5 – 23

(1) Eventueel te vergelijken met Zondag 26 van de Heidelbergse Catechismus

Bron citaat: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com

Opgemerkt AJ: Wat hebben Joden in de eerste gemeente te Jeruzalem en m.n. later de heidenen geprofiteerd van de vroege Doop die hen op en bij het verkondigde Woord geschonken werd.  En die Joden in de eerste gemeente(n) waren kenners van Gods Woord (OT) en wat hebben de apostelen te beginnen in Jeruzalem zich (desondanks) niet een moeite getroost om al deze gedoopte leden ‘te leren (te onderwijzen) ‘al wat Ik u bevolen heb‘. En wat zullen de door de vervolging gevluchte en daardoor over de toenmalige wereld verspreide leden van de eerste gemeente vanuit het buitenland mogelijk ook de apostelen gestimuleerd hebben (mede ook vanwege hun uitdrukkelijke verzoeken daartoe?!) om dit onderwijs ook nog op schrift te stellen. En die vroege Doop hielp allen en m.n. ook de heidenen om die Doop te zien – niet als hun keus vanwege het bij zichzelf gevonden geloof – maar als een zegel van God zelf, in opdracht van Hem door de apostelen aan het aan het door hen verkondigde Woord (Evangelie!) toegevoegd. Dit genade Woord dat eeuwen voor hen verborgen en afgesloten gebleven was, en waarmee zij – zonder hun toedoen maar door het gehoorzame werk van de apostelen – ‘overrompelend’ werden en waren geconfronteerd geworden (zie bijv. heel duidelijk gemaakt in Efeziërs 2, 3 en 4 en 1 Petrus 1 en 2).  Zo kon de Doop voor hen later functioneren als een betrouwbaar ‘zegel en waarmerk’, hen niet gegund en geschonken op (bijzonder) verhaal van en over zichzelf of op zorgvuldige waarneming en controle van ‘bevoegde anderen’ (de apostelen bijv.), en dus niet gebaseerd op iets van of in of door de mens zelf, maar als een van Godswege hen opgedrukt waarmerk. En zo mogen ook jong gedoopte kinderen bij het opgroeien hun Doop leren begrijpen en aannemen.

(…) 19 Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon en van de ​Heiligen​ Geest; en lerende hen te onderhouden alles, wat Ik u bevolen heb. (Uit Matteüs 28)

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

 

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Verlangen om naar Gods wil en roeping te leven?

Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij.
(Psalm 119 : 19)

(…) Er bestaat voor degene die naar de wil en roeping van God een vreemdeling op aarde geworden is, in waarheid slechts één gedachte die hem met diepe angst kan vervullen, namelijk eenmaal Gods wil niet meer te erkennen, en niet meer te weten wat God van hem eist. Weliswaar is God in ons persoonlijk leven of in zijn handelen voor ons vaak verborgen; maar dat is niet beangstigend. Maar dat het gebod van God voor ons onzichtbaar is geworden, zodat het Woord van God ons niet meer duidelijk maakt wat wij moeten doen, dát is een zware aanvechting. (…)

(…) Juist daarom zou het vals zijn dit verlangen te verwarren met religieuze gevoelens. Integendeel, er is juist sprake van de ervaring van de verplettering onder de last van dit verlangen. Het arrogante recht van mensen zien triomferen en desondanks op Gods recht hopen en erop vertrouwen; in den vreemde leven en toch het land van herkomst niet kunnen vergeten; in ellende, nood en schuld van God niet meer los kunnen komen; Hem moeten zoeken waar verstand en ervaring Hem verwerpen; tot Hem moeten roepen als alle krachten in de dood verzinken; Gods Woord als een macht over ons leven ervaren die ons geen ogenblik meer loslaat, daaruit bestaat dit verlangen eerder dan uit een gelukzaligheid van religieuze overvloed. En zo moet dat ‘eeuwig verlangen’ niet als overdrijving worden gezien, maar als een werkelijkheid.

Lees het betreffende Bonhoeffer-citaat in z’n geheel: “Gods wil in tijden van nood

Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen,  u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is. (Efeze 5 : 15-17)

Bron afbeelding:  Photobucket

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Onmogelijke weg voor u?

Want geen woord, dat van God komt, zal krachteloos wezen. (Lukas 1 : 37)

Ik ben de Weg

(…) “Voor ons gevoel en verstand schijnt er niets onmogelijker te zijn, dan dat dit de weg is om tot de Vader en in de hemel te komen – en wel, waar je door enkel kruis en dood moet gaan, en nergens een pad of brug ziet. Namelijk als je radeloos en hulpeloos bent wat je ziel betreft, en je beangst en bevreesd bent voor de overtocht, en je niet meer weet wat je moet beginnen als je een brede gracht of een diep water vóór je hebt, waar je overheen moet en je toch nergens hulp en uitkomst ziet. (1)

Net als eenmaal de kinderen van Israël aan de Rode Zee voor de wijde en wilde vloed terugschrokken, toen zij hoorden dat zij verder nergens konden oversteken en – óf er doorheen moesten, óf in de handen van de vijanden blijven. Zodat zij werkelijk wel konden zeggen: ‘Moet dit de weg zijn uit de dood en de gevangenis: waar we van alle kanten ingesloten zijn, achter ons de vijand en zowel links als rechts hoge bergen en vóór ons enkel golven en water?’

Evenwel móét daar een weg komen, omwille van het Woord van God, en de zee móét zich delen om hen droogvoets doorgang te verlenen. Op dezelfde manier gaat het ook met de mens die onmogelijk kan zien of begrijpen dat dát de weg en de ingang tot het eeuwige leven moet zijn, waar hij niets voelt dan doodsangst en verschrikking.

Maar daar staat Christus met Zijn Woord tegenover, want Hij zegt: ‘Ik ben de Weg’, en Hij maakt daarmee uit een doodlopende weg, ja, uit de ondergang, een weg en brug, waarop de mens moedig en vol vertrouwen gaat en daarop ook zal doorkomen – juist zoals de anderen eertijds op Gods Woord lichamelijk droogvoets en onverhinderd door de zee gingen.”

Maarten Luther: Das XIV. Und XV. Kapitel S. Johannis 1538 (1537), vgl. WA 45, 502, 11-33

(1) In het jaar 1537 preekte Luther te Wittenberg o.a. ook over de hoofstukken 14 en 15 van het Evangelie van Johannes. Luthers vriend en collega dr. Casper Creutziger (1504-1548) heeft de eerste druk daarvan voorbereid (1538). Luther had deze prekenbundel vaak bij zich als hij naar de kerk ging om daar te mediteren. Tijdens de gemeenschappelijke maaltijd in het Zwarte Klooster heeft Luther ooit gezegd: ‘Dit is het beste boek dat ik heb gemaakt, na de Heilige Bijbel is dit voor mij het kostbaarste en liefste boek.’ Binnen de context van de verklaring van het tekstdeel Johannes 14 vers 6: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven’, maakt Luther duidelijk dat wij ónze weg, ónze waarheid en óns leven moeten verliezen. Het gaat in bovenstaand citaat dus over de hoogste aanvechtingen in leven en sterven.

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres: info@maartenluther.com

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

‘Onderwijs over de goede werken’ – 1519 (IX)

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. (Uit Exodus 20)

Het werk van het eerste gebod (III)

Uit het citaat van vorige week: “Verder noemen we dit aanbidden van en bidden tot God wanneer we allemaal devoot gekleed gaan en buigen, knielen, de rozenkrans en het psalter bidden, en dit alles doen we dan natuurlijk niet voor een afgod, maar voor het heilige kruis van God of een afbeelding van zijn heiligen. We denken dat dit in overeenstemming is met het eerste gebod om geen andere goden te hebben, hoewel zelfs woekeraars, overspelers en allerlei zondaars in staat zijn om dit te doen en dat zelfs ook nog elke dag. Naar alle schijn wordt God vereerd, maar in werkelijkheid functioneert het eigen ik nu als een afgod. Dat is de reden dat ik zo vaak heb gesproken tegen het vertoon, de verhevenheid en de veelheid van dergelijke werken en ze heb afgewezen.’

Nu volgt het citaat van deze week: (…) “Ga voor jezelf na wat voor verschil er is tussen de vervulling van het eerste gebod door uiterlijke werken en het innerlijk vervuld zijn van een hartelijk vertrouwen. Want het is het laatste dat ware, levende kinderen van God maakt – het eerste is oorzaak van ellendige afgoderij en de meest schadelijke hypocrieten op aarde, die met hun grote vertoon van gerechtigheid talloze mensen in hun gevolg brengen, terwijl ze hen toch niet tot geloof bewegen.

Zodoende worden deze mensen op een jammerlijke manier op een dwaalspoor gebracht en komen om in wat niet meer is dan uiterlijk vertoon. Christus waarschuwde voor dit soort mensen toen hij zei: ‘Pas dan op als iemand tot u zegt, zie, hier is de Christus of daar is hij!‘ (Matteüs 24 : 23). Of nogmaals: ‘Ik zeg u: de tijd zal komen dat u God niet op deze berg of in Jeruzalem zult aanbidden, want de Vader zoekt geestelijke aanbidders‘ (Johannes 4: 21-23).

Deze en soortgelijke passages hebben mij geraakt (en behoren ieder te raken) en me ertoe bewogen om het opzichtige vertoon van decreten en zegels, vlaggen en aflaten etc., waarmee de arme mensen verleid worden om kerken te bouwen, te geven en offeren en om te bidden. Maar het geloof wordt daarbij helemaal niet genoemd en dat wordt bewust vermeden of zelfs tegen gewerkt en onderdrukt, want geloof maakt geen onderscheid tussen werken, en waar geloof aanwezig is, kan het uitbazuinen en het aanbevelen van het ene soort werk boven het andere niet bestaan.

Geloof is nu eenmaal de enig aangewezen manier om God te dienen, en het zal geen enkel werk toestaan deze naam te dragen, behalve die waaraan zij zelf dit overdraagt, zoals dat (alleen) gebeurd wanneer het werk in en door geloof wordt gedaan.

Welnu, waar blijven ze dan die die ons vragen welke werken goed zijn, welke ze doen moeten en hoe deze goed zullen zijn? Ja, en waar zijn ook degenen die zeggen dat wanneer wij prediken over geloof, we geen werken onderwijzen of zeggen dat ze niet behoren te worden gedaan?

Geeft dit ene eerste gebod ons niet meer werk dan ooit een mens zal kunnen doen? Als één enkel mens wel duizend mensen was, als hij alle mensen in één was, als hij alle schepselen omvatte, dan wordt er nog steeds genoeg van deze ene mens gevraagd – en zelfs meer dan genoeg – omdat hij de opdracht kreeg te allen tijde te leven en wandelen in geloof en vertrouwen op God, om dat geloof aan niemand anders te schenken en om zodoende geen andere God te hebben, dan alleen de enig ware God.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 6, S. 211/212 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 44, blz. 33)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) En al wat uit het geloof niet is, dat is ​zonde.
(Uit Romeinen 14)

(…) 25 Werd niet ook Rachab, de ​hoer, ​rechtvaardig​ verklaard om wat ze deed, toen ze de verkenners ontving en langs een andere weg liet vertrekken? 26 Zoals het lichaam dood is zonder de geest, zo is ook geloof zonder daden dood. (Uit Jakobus 2)

Bron afbeelding:  Bible Verses

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

Hij maakt van rivieren woestijn…

(…) 33 Hij maakt van rivieren woestijn,
van ​waterbronnen​ dorstig land,
34 van vruchtbaar land een ​zoutzee
vanwege het kwaad van de bewoners.
(Uit Psalm 107)

Het jaar 1540 staat ook wel bekend als het grote zonnejaar. Het midden en westen van Europa hadden in 1540 een Mediterraan klimaat. In Bazel regende het in 10 maanden slechts 10 dagen.

Karel V arriveert op vrijdag 13 augustus 1540 in de Nederlanden en wordt met veel égards en onder het lossen van kanonschoten ingehaald. Hij wordt vergezeld door zijn zuster, landvoogdes Maria van Hongarije, en een groot gevolg. Karel logeert in Het Wapen van Embden, aan de westelijke dijk langs het Damrak. Nu is dat de Nieuwendijk. Bij oostenwind is dat alleen wat geur betreft niet zo’n goede keuze. Na het bezoek wordt de herberg omgedoopt in Keizershof.

De zomer van 1540 begint feitelijk al in februari. Het zonnige, meestal warme weer, houdt negen maanden aan. De rivieren vallen nagenoeg droog. Daardoor werken de watermolens niet meer, zodat graan niet gemalen en brood niet gebakken kan worden. Af en toe brengt ‘quaat weder’ enige verfrissing, maar ook fatale branden. Rivieren droogden uit en in Keulen stond ook de Rijn droog. In Parijs liepen mensen over de bedding van de Seine zonder natte voeten te krijgen. Bos- en heidebranden waren aan de orde van de dag, maar ook dorpskernen en zelfs enkele steden raakten in brand.

Het was uitzonderlijk droog en heet: tussen maart en augustus viel nauwelijks regen en vooral van april tot en met juli was het extreem warm. In juli viel op verschillende plaatsen geen druppel. Op vele plaatsen beginnen mensen druiven voor wijn aan te planten. Maar dat wordt geen succes, want na deze warme zomer volgen er drie slechte achter elkaar. Ook na de zomer hield het zonnige, warme en droge weer aan. Zelfs in oktober 1540 keerden zon en warmte terug waarna het afgezien van enkele korte regenbuien tot de jaarwisseling droog en zonnig bleef. Hierna begon de kleine ijstijd.

Bron tekst:  Hugo van Woerden (www.maartenluther.com)

(…) 43 De wijze neemt dit ter harte
en kent de trouw van de HEER.
(Uit Psalm 107)

Bron afbeelding: Bible Verses

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Natuur | Plaats een reactie

‘Onderwijs over de goede werken’ – 1519 (VIII)

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. (Uit Exodus 20)

Het werk van het eerste gebod (II)

(…) “Dit is wat Paulus bedoelt op de vele plaatsen waar hij zoveel aan het geloof toeschrijft. Hij zegt: ‘De rechtvaardige leeft uit zijn geloof, en geloof is datgene waardoor hij rechtvaardig voor God wordt gerekend‘ (zie Romeinen 1 : 17). Als gerechtigheid uit geloof bestaat, is het duidelijk dat geloof alle geboden vervult en alle werken rechtvaardig maakt, omdat niemand gerechtvaardigd is tenzij hij alle geboden van God doet.

Of nogmaals, werken kunnen geen mens voor God rechtvaardigen zonder geloof. Zo ronduit en volkomen verwerpt de heilige apostel de werken en looft het geloof dat sommigen aan zijn woorden aanstoot namen en zeiden: “Welnu, dan zullen we geen goede werken meer doen.” Paulus veroordeelt zulke mensen als dwalend en dwaas.

En toch leven die opvattingen ook nu nog. Als we de grote, pretentieuze werken van onze tijd afwijzen, helemaal zonder enig geloof verricht, dan zeggen ze dat we (zeker, blijkbaar) alleen maar moeten geloven en niets goeds doen. Want nu zeggen ze dat de werken van het eerste gebod zijn: zingen, [vroom] lezen, het orgel bespelen, de mis lezen, liturgieën, vespers en matijnen houden en meedoen aan allerlei andere [gewijde kerkelijke] rituelen, kerken, altaren en kloosters stichten en decoreren, verzamelen van klokken, juwelen, kledingstukken, relikwieën en andere schatten, en bedevaarten naar Rome of andere heilige oorden maken.

Verder noemen we dit aanbidden van en bidden tot God wanneer we allemaal devoot gekleed gaan en buigen, knielen, de rozenkrans en het psalter bidden, en dit alles doen we dan natuurlijk niet voor een afgod, maar voor het heilige kruis van God of een afbeelding van zijn heiligen. We denken dat dit in overeenstemming is met het eerste gebod om geen andere goden te hebben, hoewel zelfs woekeraars, overspelers en allerlei zondaars in staat zijn om dit te doen en dat zelfs ook nog elke dag.

Naar alle schijn wordt God vereerd, maar in werkelijkheid functioneert het eigen ik nu als een afgod. Dat is de reden dat ik zo vaak heb gesproken tegen het vertoon, de verhevenheid en de veelheid van dergelijke werken en ze heb afgewezen.’

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 6, S. 211 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 44, blz. 31/32)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) 5 Leg je leven in de handen van de HEER,
vertrouw op Hem, Hij zal dit voor je doen:
6 het recht zal dagen als het morgenlicht,
de ​gerechtigheid​ stralen als de middagzon.
(Uit Psalm 37)

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Het geloof van Maria…(IIa)

En als er wijn ontbrak, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.
(Johannes 2 : 3)

Zie eens hoe schijnbaar onvriendelijk Christus de nederige woorden van Zijn moeder afwijst, die zo vol vertrouwen over de ontbrekende wijn spreekt.

Jezus​ zei tegen haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? (Johannes 2 : 4)

Let op deze geloofsbeproeving! Wat is Hij nu van plan? Voor Maria is er alleen duisternis, zij voelt de nood en ziet nergens hulp. God wordt voor haar nu ook vreemd en onbegrijpelijk en zij kent Hem niet meer, zodat alles verloren schijnt te zijn.

Dat gebeurt ook in ons geweten, als wij alleen zonde en geen gerechtigheid meer zien, of in doodsnoden, als wij moeten sterven, of in helle-angst onder duivelse verzoekingen, als wij menen dat wij de eeuwige zaligheid verliezen moeten…

Dan is er nog wel een ootmoedig verlangen en aankloppen, bidden en zoeken of wij de zonde, dood en angst mogen kwijtraken, maar Hij houdt Zich als een vreemde, alsof het met de zonde eerst goed moet komen, dat de dood moet blijven en dat de hel niet mag ophouden.

Op die manier spreekt Hij hier ook tot Zijn moeder, want door Zijn afwijzen is het gebrek nog groter en zwaarder om te dragen dan voordat zij daar met Hem over gesproken had. Want nu lijkt het erop dat alles verloren en haar enige hoop vervlogen is.

Maarten Luther: Fastenpostille 1525, vgl. WA 17.2,65, 24-38

Zie vervolg:  Het geloof van Maria…(III)

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” (26 juni – “Geloofsbeproeving“)  samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

(…) 17 Gelukkig de mens die door God wordt getuchtigd,
wijs daarom de straf van de Ontzagwekkende niet af!
18 Want Hij verwondt en hij verbindt,
Hij slaat en Zijn handen genezen.
19 Zesmaal zal Hij je redden in gevaar,
ook de zevende maal zal je niets overkomen.
(Uit Job 5)

Bron afbeelding:  Daily Bible Verses

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie