Het heerlijk Evangelie… (Slot)

Wel Hem, die Gij verkiest en tot U toelaat, opdat hij in Uw hoven wone.
Die heeft de rijke troost van Uw huis, de heilige tempel.
(Psalm 65 : 5)

(…) Bij ons echter ontbreekt het eraan, zoals ik al heb gezegd, dat we het Woord dat we horen en verkondigen, niet als zodanig beschouwen en aanvaarden dat het niet het woord van een mens, maar het Woord van God is. Het komt immers niet van de mens, maar het komt op Gods bevel.

Als het dus door de mond van een predikant of door de mond van iemand anders wordt gesproken – al liet God het door een ezel zeggen – dan heeft Gód het gesproken. Daarom is de kracht daarin gelegen, dat we niet naar het masker moeten kijken, dat wil zeggen naar de mond en de neus van een mens, maar eerbiedig moeten zijn en bedenken waar het vandaan komt en op wiens bevel het is en waarom het Gods Woord heet.

Dan kan eenieder wel bedenken dat het niet uit of door de mens komt, niet door een mens is uitgedacht. Als het van de mens was, dan hadden de anderen, zoals Turken en de heidenen, het net zo goed als wij. Maar ons is het Woord gegeven, opdat we het zullen bezitten en begrijpen. (1) Het wordt ons in de mond gelegd om het te verkondigen.

God onderwijst en verkondigt het ons dus, en wij zijn niet meer dan Zijn mond en Zijn tong. Daarom moeten we het Woord net zo eren en ernaar luisteren als naar God Zelf.

Maarten Luther:Loflied op Gods goedheid – Psalm 65” – Uit het Duits vertaald door N.A. Eikelboom – Den Hertog Uitgeverij.

(1) (…) 18 Wie het raadsbesluit van de HEER kreeg toevertrouwd, moet Zijn woorden in zich opnemen en gehoorzamen. Wie goed naar Zijn woorden geluisterd heeft, heeft ze ook begrepen. (Uit Jeremia 23)

(…) 22 Hadden ze* Mijn raadsbesluit vernomen,
dan hadden ze Mijn volk Mijn woorden laten horen,
het opgeroepen zijn verdorven levenswandel op te geven,
te breken met zijn kwalijke praktijken.
23 Ben Ik alleen een God van dichtbij,
ben Ik niet ook een God van ver? – ​spreekt de HEER.
24 Als iemand zich verbergt,
zou Ik hem dan niet zien? – ​spreekt de HEER.
Ben Ik niet overal,
in de hemel en op aarde? – ​spreekt de HEER.

(Uit Jeremia 23)
* De ‘populaire profeten’ in de tijd van Jeremia.

Bron afbeelding:  Pinterest

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

‘Onderwijs over de goede werken’ – 1519 (XIV)

(…) 17 Ontsluit mijn lippen, Heer,
en mijn mond zal uw lof verkondigen.
(Uit Psalm 51)

Het werk van het tweede gebod (II)

(…) “Het eerste gebod verbiedt ons om andere goden te hebben, dit betekent dat we in één God moeten geloven, de ware God, met een vast geloof en vast vertrouwen, met vrijmoedigheid, hoop en liefde. Dit zijn de enige werken waardoor een mens de enige God kan (lief)hebben, eren en houden.

Een mens kan God vinden door geen ander werk dan geloven en vertrouwen; een mens kan God verliezen door geen ander werk dan door ongeloof en twijfel (Gods Woord wantrouwen!). Geen enkel ander werk kan een mens tot God brengen.

Het is om deze reden dat het tweede gebod ons verbiedt Gods naam ijdel (te onpas) te gebruiken. Maar dit zal niet genoeg zijn. We hebben ook de opdracht om zijn naam te eren, aan te roepen, te prijzen, te prediken en te verheerlijken.

En inderdaad, het is onmogelijk dat Gods naam niet wordt onteerd waar deze niet (op de juiste wijze) wordt geëerd. Want hoewel Zijn naam al geëerd wordt met de lippen, het buigen van de knieën, het kussen en meer van dergelijke handelingen, als dit niet met een gelovig hart wordt gedaan, met een vast overtuigd zijn van en met vast vertrouwen op Gods genade, dan is het niets meer dan een hypocriete vertoning en valse schijn.

Begrijp nu hoeveel soorten werken een mens overal en te allen tijde onder dit gebod kan doen! Men hoeft nooit – wanneer men dat maar wil! – zonder de goede werken van dit gebod te zijn. Het is dus helemaal niet nodig om daarvoor een ​​verre pelgrimstocht te maken of om heilige plaatsen te bezoeken.

Want zeg me, is er ook maar enig moment in ons bestaan waarin we niet onophoudelijk Gods zegeningen ontvangen, of juist tegenspoed ondervinden? Maar wat zijn Gods zegeningen en tegenspoed anders dan een voortdurend aandringen en opwekken (onderwijzing!) om God te prijzen, te eren en te zegenen, en om Hem en Zijn naam aan te roepen?

Stel dat u niets anders te doen zou hebben, zou u dan niet uw handen al vol hebben aan dit gebod, gewoon door Gods naam te zegenen, te zingen, te prijzen en te eren zonder ophouden? En voor welk ander doel zijn tong, stem, taal en mond gecreëerd? Zoals Psalm 51 zegt: ‘Ontsluit mijn lippen, Heer, en mijn mond zal uw lof verkondigen.‘ [vs. 17]. En nogmaals: ‘bevrijd (red) mij, God, van de dreigende dood, en ik zal juichen om uw ​gerechtigheid.‘ [vers 16]

Maarten Luther:  Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 6, S. 217/218 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 44, blz. 39/40)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) 28 Van uw ​gerechtigheid​ zal mijn tong spreken,
van uw roem wil ik zingen, dag aan dag.
(Uit Psalm 35)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Het heerlijk Evangelie… (IV)

Wel Hem, die Gij verkiest en tot U toelaat, opdat hij in Uw hoven wone.
Die heeft de rijke troost van Uw huis, de heilige tempel.
(Psalm 65 : 5)

(…) Nu hebben wij de genade dat we elke dag en zonder onderbreking tot God kunnen gaan, en daar kunnen zijn waar Hij is. Maar waar is Hij? Nergens anders dan waar Zijn Woord en Zijn sacrament zijn. Maar waar zijn die? Nergens anders dan overal in de wereld. Daarom kunnen we Hem overal vinden en tot Hem gaan. Het ontbreekt er echter alleen aan dat wij niet kunnen zeggen, zoals de dichter dat wel kan, dat God daar woont, en dat dít het komen tot Hem betekent.

Wij hebben net zulke ogen als een koe wanneer ze naar een nieuw hek staat te kijken. Zo kijken wij ook als de voorganger doopt of het Avondmaal bedient. Maar wij zijn niet zo verstandig dat we kunnen zeggen: Dan ga ik tot God! Dát is het ware komen tot God. Want wie is het die de Doop en het Avondmaal heeft ingesteld?

Geen mens of een ander schepsel. God Zelf heeft ze ingesteld en er bevel van gegeven. En dus, als ik me daarheen begeef, ga ik heel zeker naar God Zelf toe, Die daar doopt. Maar omdat de mensen niet méér zien dan water en de hand van een mens, gaan we af op wat we zien en denken niet verder.

Deze heilige profeet doet dat echter niet, ook al zag hij niets. De tabernakel was immers met dierenhuiden bedekt en door het gordijn en de schotten van ceder- en sparrenhout omgeven. Dus hij had ook kunnen zeggen: Zeg wat is dat? Dat heb ik toch wel vaker gezien. Nee, hij zegt: Daar zie ik het huis van God, de tempel. Hier kom ik tot U.

Hij ziet Gods Woord en voorschriften met ware geestelijk ogen, zoals Hij dat heeft bepaald. Als David dan ook de priesters en levieten hoorde, heeft hij niet naar hun mond of hun neus gekeken, zoals wij dat doen. Evenmin heeft hij gedacht dat het iets menselijks was, maar wel heeft hij naar het Woord van God geluisterd dat door hen werd onderwezen.

Hij beschouwde het zo, dat waar Mozes of het Woord van God werd gelezen of verkondigd, het niet het woord van Mozes of Aäron was, maar het Woord van God. Dat noemt hij ook het ‘komen tot God Zelf’, en dat hij het van God heeft gehoord.

(wordt vervolgd)

Maarten Luther:Loflied op Gods goedheid – Psalm 65” – Uit het Duits vertaald door N.A. Eikelboom – Den Hertog Uitgeverij.

(…) 17 God, U onderwees mij van jongs af aan,
en steeds nog vertel ik uw wonderen.
18 Nu ik oud en grijs ben,
verlaat mij niet, o God,
zodat ik het nageslacht, elk nieuw ​kind,
kan verhalen van de macht van uw arm.
(Uit Psalm 71)

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Het heerlijk Evangelie… (III)

Wel Hem, die Gij verkiest en tot U toelaat, opdat hij in Uw hoven wone.
Die heeft de rijke troost van Uw huis, de heilige tempel.
(Psalm 65 : 5)

(…) Welnu, dat heeft de dichter hogelijk geprezen, hoewel het toch nog niet zo overvloedig was als het later in Christus is geworden. Wij evenwel behoorden dit vers veel vrolijker te zingen en er aldoor grote dingen over te zeggen als we ook een hart zouden hebben dat het kon begrijpen, en ogen en oren die het konden zien en horen.

Maar de duivel zorgt er door zijn boosheid voor dat wij deze vreugde en onze schat niet zien die we op een veel heerlijker manier bezitten dan de mensen van toen. Het gaat er immers nu niet meer om dat we naar Jeruzalem of naar een andere plaats moeten gaan, zoals die voor hen was bepaald en hun was bevolen.

God heeft nu een andere tempel gebouwd, een kerk, waarvan de muur om de hele wereld heen loopt, zoals Paulus het zegt in Kolossenzen 1: dat het Evangelie onder alle creatuur die onder de hemel is, verkondigd wordt. In Psalm 19 staat: Hun richtsnoer gaat uit in alle landen, en ze zeggen: O, hadden wij die eer en die genade mogen ontvangen die aan u bewezen is! Wat zouden we blij gezongen en gesprongen hebben, vanwege de blijdschap zoals we die in onze psalmen kunnen bespeuren!

Maar, wat hebt u gedaan, u die deze eer en genade in alle kerken, in alle huizen en aan alle plaatsen hebt gehad? Dan zullen de mensen rood aanlopen en er heel beschaamd bij staan. Dan moeten zij die dit alles zo schandelijk hebben veracht, zich veroordelen. Met hen zal het, zoals Christus zegt, zo gaan, dat het Sodom en Gomorra veel verdraaglijker zal zijn dan de steden en de mensen die Zijn Woord wel hebben gehoord, maar het toch hebben veracht.

De wereld laat zich echter niet gezeggen en niet raden. Zij gaat voort en veracht alles waarmee men haar dreigt als het over Gods toorn gaat. Maar God schrikt niet van hun woede. Hij laat het hun rustig toe dat ze onbekommerd het Woord verachten en ermee spotten. In het einde evenwel zal Hij zonder erbarmen straffen, opdat ze te weten zullen komen wat ze hebben veracht.

(wordt vervolgd)

Maarten Luther:Loflied op Gods goedheid – Psalm 65” – Uit het Duits vertaald door N.A. Eikelboom – Den Hertog Uitgeverij.

(…) 21 ‘Geloof me,’ zei ​Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22 Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten dat wel; de redding komt immers van de ​Joden. 23 Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt in ​geest​ en in waarheid. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden, 24 want God is ​Geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in ​geest​ en in waarheid.’ 25 De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de ​messias​ zal komen’ (dat betekent ‘gezalfde’), ‘wanneer Hij komt zal Hij ons alles vertellen.’ 26 Jezus​ zei tegen haar: ‘Dat ben Ik, degene die met u spreekt.’ (Uit Johannes 4)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Het heerlijk Evangelie… (II)

Wel Hem, die Gij verkiest en tot U toelaat, opdat hij in Uw hoven wone.
Die heeft de rijke troost van Uw huis, de heilige tempel.
(Psalm 65 : 5)

(…) Kijk, daarom roemt en looft de profeet met zoveel blijdschap: God moge er lof en dank voor ontvangen dat we nog een plaats hebben waar God Zelf woont. Het is de plaats waar Zijn Woord Zijn wil predikt en verkondigt, waar Hij ons gebed verhoort en ons uit alle nood redt. Wat willen we nu nog meer? Wat kunnen we nog aan betere dingen begeren?

Immers, als we dát bezitten, hebben we een grotere schat dan alle koningen en vorsten. Dan zullen we ons er niet erg om bekommeren als iedereen kwaad is en als alle duivels niet lachen. Daarom kan ik terecht juichen en zeggen: O, wél hem! Wat is diegene een gelukzalig mens, die deze genade ontvangt en zo gelukkig is, dat hij tot U mag komen, daar waar U woont. Dat is, dat hij U of Uw Woord kan horen.

Andere volken hebben deze roem en dít vertrouwen niet, evenmin als koningen en machtige lieden op aarde, om te kunnen zeggen: God woont bij ons. Hier is Zijn tempel waar Hij spreekt en Zich doet horen.

David zegt van zijn volk: Maar wij alleen zijn ertoe geroepen en verkoren dat we het volk van God heten, dat we een God hebben Die bij en onder ons woont. Dat is de heerlijkheid, waarmee niets op aarde te vergelijken valt. Het is niet uit te spreken hoe groot het is om een plaats te hebben waar God woont en spreekt, en ons zegt wat wij van Hem mogen verwachten als wij tot Hem bidden en Hem aanroepen.

(wordt vervolgd)

Maarten Luther:Loflied op Gods goedheid – Psalm 65” – Uit het Duits vertaald door N.A. Eikelboom – Den Hertog Uitgeverij.

(…) 19 Hij maakt zijn woorden aan ​Jakob​ bekend,
zijn wetten en voorschriften aan Israël.
20 Met geen ander volk heeft hij zich zo verbonden,
met zijn wetten zijn zij niet vertrouwd.
(Psalm 147 : 19-20)

Hij gaf aan Jacob Zijne wetten,
Deed Isrel op Zijn woorden letten;
Hij leerde z’ in Zijn wegen wand’len,
Zo wou Hij met geen volken hand’len;
Die moesten Zijn getuigenissen
En Zijn verbondsgeheimen missen.
Laat dan Gods lof ten hemel rijzen;
Laat al wat adem heeft Hem prijzen!
(Psalm 147 vers 10, OB)

Bron afbeelding:  daily holy bible reading

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Het heerlijk Evangelie…(I)

Wel Hem, die Gij verkiest en tot U toelaat, opdat hij in Uw hoven wone.
Die heeft de rijke troost van Uw huis, de heilige tempel.
(Psalm 65 : 5)

(…) Waarom prijst David de eenvoudige tabernakel van Mozes zo hogelijk, boven alle kastelen en koninklijke gebouwen, ja, boven al het goed en alle schatten van de wereld?
Het antwoord luidt: hij was een man Gods en vol van de Geest. Hij wist heel goed dat God deze plaats in het bijzonder had bepaald, opdat Hij daar zou spreken en aanwezig zijn. Wie daar kwam, wilde God Zelf horen. Hij wilde daar bidden; en wat hem daar werd gezegd, dat moest gebeuren en daaraan had hij zich te houden.

Zeker, als ik zo’n plaats of huis wist, zou ik er ook naartoe gaan, al was dat huis van enkel bladeren en spinnenwebben gemaakt. Daar zou ik graag, als van God Zelf, willen horen wat tot mijn zaligheid nodig is. Daar zou ik alles willen ontvangen waar ik om zou vragen, en er niet op letten hoe gering dat huis ook was.

Denkt u niet dat er heel veel mensen zijn geweest, en dat er nog heel veel mensen zijn die overal vandaan zijn gekomen en graag hun hele bezit eraan hebben besteed om een plaats te mogen vinden waar ze tot hun troost zouden horen dat God hun genadig is en hun gebeden wil verhoren? Maar het vergaat hun, zoals we wel zeggen: Ze brengen uien mee en gaan met knoflook terug. In hun onzekere waan gaan ze, en daarin komen ze net zo terug…

Als we echter met zekerheid een plaats zouden weten waar God vanuit de hemel met ons wilde spreken en ons gebed wilde verhoren, wie zou daar dan niet heengaan, ja, tot aan het einde van de wereld, en in plaats daarvan een schat op aarde accepteren?

Nu was daar de tabernakel, en daarna de tempel van Salomo. Zo had God het immers door Mozes bevolen, toen Hij in Exodus zo sprak: Aan alle plaats waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen en zal u zegenen. Daar werd hun zoveel gezegd als: Waar deze tabernakel wordt opgericht, hoe gering die ook te achten is, noch ook waar hij staat, daar zal Ik ook zijn. Het wil zeggen dat Ik er in genade zal zijn, opdat Ik u zal zegenen en u goed zal doen. Wat u daar hoort, is datgene wat God spreekt, en naar hetgeen waarom u vraagt, zal Ik luisteren. Ik zal het u schenken.

Zo’n huis was het wel waard dat het hoog en heilig werd geacht, als een kostbaar huis van God, een kasteel van God, een tempel van God, al was het maar een hut van stro. De Beheerder die daar woont – hoe gering het huis ook is – vergoed immers alles.

(wordt vervolgd)

Maarten Luther:Loflied op Gods goedheid – Psalm 65” – Uit het Duits vertaald door N.A. Eikelboom – Den Hertog Uitgeverij.

Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond. (letterlijk: ‘getabernakeld’)
(Uit Johannes 1 : 14)

Bron afbeelding:  Wallpaper4God

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Louter rijke troost… (Slot)

Wij zullen verzadigd worden met het goede van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.
(Psalm 65 : 5b)

(…) Wij moeten dus ook leren zeggen dat waar we Gods Woord of de prediking horen, dit Gods huis wordt genoemd en het heel duidelijk is dat Hijzelf daar woont en spreekt; ook, dat waar de Doop wordt bediend, Hij daar Zelf doopt. God is immers, zoals gezegd, geen vakman die wel een huis bouwt, daarna weggaat en het laat staan. Nee, Hij doet alles opdat Hij daar Zelf zal zijn, er bezig zal zijn en dat huis zal beheren.

Daarom noemt Hij het niet alleen Zijn huis, maar ook Zijn tempel; dat wil zeggen: Zijn kasteel of Zijn koninklijke woning, zoals koning Salomo later een tempel heeft gebouwd, als een prachtig koninklijk paleis. Dat huis heet een heilige tempel, waarin God Zijn geestelijke heerschappij uitoefent en louter heilige dingen doet.

Zo heeft God ook bij ons Zijn koninklijk kasteel en paleis: waar de preekstoel staat en de Doop wordt bediend. Daar moeten we er met de profeet ook voor danken dat God zo dicht bij ons komt, dat we Hem elke dag horen en bij Hem zijn in Zijn tempel en paleis, waar we alleen maar rijke troost vernemen.

Dat men echter tegenwoordig aparte huizen en kerken bouwt, is weliswaar niet geboden, maar toch is het goed voor de eenvoudigen, die onderwezen moeten worden, opdat ze naar een plaats zullen gaan waar ze Gods Woord zullen horen, het zich eigen zullen maken en met de sacramenten vertrouwd raken. Zo moeten we ook afzonderlijke ambten en personen hebben die met die dingen bezig zullen zijn, hoewel elke christen dat zelf ook kan en dat in zich heeft.

Zie ook:  Louter rijke troost… (I) en (II)

Maarten Luther:Loflied op Gods goedheid – Psalm 65” – Uit het Duits vertaald door N.A. Eikelboom – Den Hertog Uitgeverij.

(…) 9 Over de onderlinge ​liefde​ hoeven wij u niets te schrijven, want u hebt zelf van God geleerd hoe u in ​liefde​ met elkaar moet omgaan. (Uit 1 Tessalonicenzen 4)

Bron afbeelding:  Pinterest

(…) 23 Laten we zonder te wankelen datgene blijven belijden waarop we hopen, want Hij die de belofte heeft gedaan is trouw. 24 Laten we opmerkzaam blijven en elkaar ertoe aansporen lief te hebben en goed te doen, 25 en in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat des te meer naarmate u de dag van zijn komst ziet naderen. (Uit Hebreeën 10)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Louter rijke troost… (II)

Wij zullen verzadigd worden met het goede van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.
(Psalm 65 : 5b)

(…) De dichter zegt opnieuw dat hij dit heeft van Gods huis, de heilige tempel. Kijk eens wat een nut de profeet van dit ene stukje kan hebben. Hij herhaalt het telkens: van Uw huis en van de heilige tempel. Het heeft allemaal betrekking op het Woord, waardoor God Zich aan ons bekendmaakt en Zich aan ons openbaart. Het betekent niet dáárom Gods huis, dat Hij het daar laat staan zoals het staat en Hij hoog in de hemel blijft, waar wij niet tot Hem kunnen komen. Nee, het heet daarom en daartoe Gods huis, omdat Hij daarin woont en Zich daar wil laten vinden.

Het staat dan ook niet in Gods Woord dat Hij daarboven in de hemel spreekt, maar dat het Woord in ons hart en in onze mond is. Want Hij is en woont bij ons, Hij spreekt en werkt door ons, helpt ons te geloven en te bidden. Hij helpt ons in alles. Hij bouwt Zijn huis dus niet als een timmerman die een huis bouwt en weer weggaat. Nee, Hij wil er Zelf wonen en verblijven, ook al was er geen hout of steen en al was alles open.
In het Hebreeuws betekent ‘huis’ niet alleen ‘dak’ en ‘muren’, maar het geeft ook de plaats aan waar een huisvader is die het huis regeert, die vrouw, kinderen en personeel heeft. Als dat er niet is, is er voor hen ook geen huis. Zo is het hier ook: waar God is en spreekt, daar is heel zeker Zijn huis.

Dat laat de Schrift duidelijk zien bij de aartsvader Jakob, in Genesis 28. Hij lag ’s nachts in het open veld, en in een droom zag hij een ladder die van de aarde tot in de hemel reikte, en boven aan die ladder was God, Die met hem sprak. Toen hij wakker werd, sprak hij: Wat moet ik zeggen? Dit is immers een huis Gods. Dan moet het ook een heilige plaats zijn, want het is zeker dat God hier woont. Dit is de poort van de hemel. Hoezo? Het was immers niets anders dan een open veld? Het had geen wanden en muren. Maar omdat God daar met hem sprak, heeft hij terecht gezegd: Hier woont God.

Zie ook:  Louter rijke troost… (I) en (Slot)

Maarten Luther:Loflied op Gods goedheid – Psalm 65” – Uit het Duits vertaald door N.A. Eikelboom – Den Hertog Uitgeverij.

(…) 2 Hoe lieflijk zijn Uw woningen,
HEERE van de legermachten.
3 Mijn ziel verlangt, ja,
bezwijkt zelfs van verlangen
naar de voorhoven van de HEERE;
mijn ​hart​ en mijn lichaam
roepen het uit tot de levende God.
(Uit Psalm 84)

Bron afbeelding:  zie afbeelding

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Louter rijke troost… (I)

Wij zullen verzadigd worden met het goede van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.
(Psalm 65 : 5b)

(…) O, zalig en nog eens zalig, en méér dan zalig en nooit genoeg te prijzen is de mens die deze schat bezit. Hij heeft immers geen schat van goud of zilver, maar een ander, hoger goed. Hij is rijk en vol van louter grote goederen. Want hij hoort dat God met hem spreekt, de Koning en de Heere van alle heren, ja, van alle engelen – en dat is louter rijke troost.

God spreekt immers van enkel eeuwige goederen, namelijk: Ik ben uw God. Ik heb u geschapen, Ik geef u alles en zal u er nog veel meer bij geven. Ik zend u ook Mijn Zoon, Die Zijn bloed voor u stort en u daarmee wast. Bovendien sterk en troost Ik u met Mijn Woord en Geest. Ik zal u in de nood niet verlaten, maar Mijn hand uitstrekken, u helpen en beschermen.

Moeten we het geen rijkdom en geen volheid van alle troost noemen als we horen dat God dit tot ons spreekt, en doet wat ons hart maar kan wensen? Daarom immers spreekt Hijzelf met ons. Anders kon God wel anderen laten spreken, zoals Hij door Mozes heeft gesproken, en zoals Hij nu nog door vorsten, door vader en moeder spreekt, omdat Hij wetten geeft en ons beveelt wat wij moeten doen…

Dan is er echter in nood en verdriet geen troost, geen bevrijding van de zonden, van de vrees voor dood en hel, als het niet zover komt dat wij Hem Zelf horen, als Hij zegt: Zie, Ik zal u bewaren en redden en u alles schenken, ook Mijzelf, en u zult Mijn lieve kind zijn. Wie hoort en erover nadenkt welk groot goed het is dat ons aangebracht wordt, die moet maar blij lachen, zingen en springen. Hij hoeft voor niets bang te zijn, want hij heeft louter rijke troost van God.

Zie vervolg:  Louter rijke troost… (II) en (Slot)

Maarten Luther:Loflied op Gods goedheid – Psalm 65” – Uit het Duits vertaald door N.A. Eikelboom – Den Hertog Uitgeverij.

(…) 44 Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die iemand vond en verborg; en van blijdschap daarover gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft, en koopt die akker. (Uit Matteüs 13)

Bron afbeelding:  Logos Bible Fellowship

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

De plaats van de theologie in de gemeente…

(…) 7 Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van hun wandel en volgt hun geloof na. 8 Jezus​ ​Christus​ is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. 9 Laat u niet medeslepen door allerlei vreemde leringen; want het is goed, dat het ​hart​ zijn vastheid vindt in ​genade​ en niet in spijzen: wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevonden. (Uit Hebreeën 13)

[Begin citaat]

Wat is de plaats van de theologie in een opleiding van voorgangers (dienaren van het Woord) in de gemeente? Wat zeg je vooraf?

Professor Bavinck bijvoorbeeld, wilde de theologie als wetenschap niet onderschatten. Dat willen wij ook niet. Er werd in de afgelopen jaren meermalen gesuggereerd, dat wij aan het Nederlands Gereformeerd Seminarie niets van wetenschap moesten hebben, maar dat is niet waar. De wetenschappelijke theologie behoort echter op haar plaats te blijven, mag niet over de Schrift heersen!

Gezien de dikwijls negatieve houding tegenover ons streven, is dit blijkbaar niet begrepen, misverstaan, niet gevat. Het was ‘moeilijk’ vond men veelal – terwijl we, nota bene, in het synodalistisch drijven in de jaren veertig levensgroot hadden meegemaakt, hoe het synodale verbondssysteem totaal over de Schrift heerste. Wie de Schrift wilde naspreken over het verbond met Abraham en met ons en onze kinderen, werd monddood gemaakt. Men moest buigen voor het synodaal-theologisch systeem. Het is toch niets nieuws als we aan het Seminarie zeggen: ‘De wetenschap mag niet zó over de Schrift heersen’? We hebben dat als kerken in de jaren veertig meegemaakt. Jammer, dat er ten aanzien van ons werk een zekere onwil was om dat te verstaan.

Wat betreft het verschil tussen de theologie en de normale geloofskennis van Gods volk, dit loopt parallel met het verschil tussen het gewone naïeve weten en het wetenschappelijk kennen. Ja, als de man van wetenschap leidsman wordt in de kerk, dán gaat ook de ontwikkeling van het wetenschappelijk denken daar de toon aangeven. En dan komt het zover, dat de gangbare ‘mening’ van theologen de dienst uitmaakt in de kerk. Geleerd door deze ervaringen zochten we een andere weg.

We letten bij deze prolegomena (‘dingen die vooraf gezegd moeten worden’) met name op het verschil in karakter van theologisch wetenschappelijke kennis en het praktisch verstaan van de Schrift. Theologisch is het laatste aan de theologische faculteiten niet in tel. Het wordt nauwelijks in zijn waarde onderkend. Het ging er ons dus van meetaf aan om bij ons plan van opleiding van dienaren van het Woord Gods Woord de plaats te geven die het toekomt.
(…) Dat geldt ook hier: Niet de theologen moeten bepalen welke geloofsuitspraken belangrijk zijn en welke niet. De wetenschap moet een bescheiden plaats innemen in de werkelijkheid, ze moet in de kerk niet doen alsof zij het voor het zeggen heeft.

(…) De taal van de Schrift staat midden in de tijd. Zij spreekt ‘praktisch’ tot de gemeenten, vertroostend, bemoedigend, bestraffend, midden in de werkelijkheid van het leven. Vergelijk ‘wat de Geest tot de gemeenten zegt’ (Openbaring 2, 29, e.a.p.). Dat is wat anders dan een wetenschappelijke verhandeling.

Nu, bij de Prolegomena, de dingen, die éérst gezegd moeten worden, hebben we dat gezegd. We zeggen het nog steeds. De wetenschappelijke theologie is begrensd, is andersoortig dan het praktische spreken van de Schrift. De aanstaande dienaren van het Woord moeten leren, onder meer, hoe de Here de Christenheid ziet. Dat is een vraag van belang en een vraag waar alles om draait, wat onze toekomst betreft. Het is een vraag die door de wetenschap niet onder ogen gezien wordt. Ze kan die vraag niet áán. En ze is daardoor ook niet bij machte de gemeenten te leiden! Ze kan niet aandringen om de HERE te vrezen!

(…) De dogmatiek staat, om zo te zeggen, buiten de tijd. Die kennis heeft geen betrekking op een bepaalde situatie, ze heeft ook geen macht om op te roepen tot bekering. Dogmatiek tróóst ook niet.

We hechten eraan om dit onderscheid in het oog te houden, opdat, onder meer, de aanstaande predikanten die we opleiden, ‘geen stenen voor brood’ zullen geven, in dorre opsommingen of constructies, en geen valse profetie zullen verkondigen vanuit een of andere moderne theologie. Ze moeten de staf van de Herder hanteren, de levende verkondiging van het Woord!

[Einde citaat]

Bron citaat: “Om het profetische Woord” uitgave ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Nederlands Gereformeerd Seminarie.

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie