Niet heersen, maar dienen… (I)

De ​liefde​ is lankmoedig, de ​liefde​ is goedertieren, zij is niet afgunstig, de ​liefde​ praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe.
Zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid. Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij. De ​liefde​ vergaat nimmermeer;
(Uit 1 Korintiërs 13)

De vrijheid van een christen

Om nu voor de ongeletterde mensen een eenvoudiger weg te openen, laat ik deze twee stellingen over de geestelijke vrijheid en gebondenheid voorafgaan:

  • Een christen is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan
  • Een christen is een dienstbare knecht van alle dingen en ieders onderdaan.

Hoewel deze stellingen tegenstrijdig lijken, zullen zij toch voor ons doel zeer geschikt zijn, wanneer eenmaal ontdekt is dat zij met elkaar overeenstemmen. Want ze zijn beide van Paulus, die in 1 Korinthe 9 zegt: „Hoewel ik vrij ben, heb ik mij ieders knecht gemaakt.” En in Romeinen 13: „Zijt niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben.

Geboden en beloften

(…) Ondertussen verdient het onze aandacht dat de gehele Schrift van God uit twee delen bestaat: geboden en beloften. De geboden tonen aan wat wij behoren te doen, maar geven niet de kracht om het te doen. Zij zijn er veeleer toe bestemd om de mens zichzelf te laten zien, opdat hij daardoor zijn onvermogen tot het goede zal inzien en aan zijn eigen krachten zal vertwijfelen.

Zonder enige verdienste

Zo moet een christen, evenals zijn Hoofd Christus, vol en verzadigd door zijn geloof, tevreden zijn met deze gestalte Gods, die hij door het geloof verkregen heeft. En daarbij moet hij zo denken: „Kijk, aan mij, waardeloos en veroordeeld mensje, heeft God in Christus, zonder enige verdienste en uit louter genadige barmhartigheid, alle rijkdommen van gerechtigheid en heil gegeven, zodat ik helemaal niets anders meer nodig heb dan alleen het geloof, dat er vast op vertrouwt dat dit zo is.

Onschatbare rijkdommen

Waarom zou ik dan niet voor zo’n Vader, Die mij met deze onschatbare rijkdommen heeft overstelpt, vrijwillig, blijmoedig, met heel mijn hart en spontane ijver alle dingen doen waarvan ik weet dat ze Hem welgevallig en aangenaam zijn? Daarom zal ik mij als een zekere Christus aan mijn naaste geven, evenals Christus Zichzelf voor mij overgegeven heeft; ik zal in dit leven niets doen dan alleen wat ik zie dat voor mijn naaste noodzakelijk, aangenaam en heilzaam is, aangezien ik door het geloof al die goede dingen overvloedig bezit in Christus.”

Dienaren van onze naasten

Je ziet dus dat, als wij die grote en kostbare dingen die ons gegeven zijn erkennen, naar het woord van Paulus de liefde door de Geest weldra in onze harten wordt uitgestort (Romeinen 5 : 5). En door deze liefde zijn wij vrije, blijmoedige, almachtige werkers en overwinnaars over alle noden, dienaren van onze naasten maar niettemin toch heren over alles. Zoals de hemelse Vader ons in Christus genadig te hulp gekomen is, zo moeten ook wij genadig, door het lichaam en zijn werken, onze naaste te hulp komen en eenieder als het ware voor een ander een Christus worden, zodat wij wederkerig Christussen zijn en Christus in allen dezelfde is .**  En dat is waarachtig christen zijn.  

Bron tekst: RD Kerk & religie – ‘Oudejaarspreek: De vrijheid van een christen (Maarten Luther)*’ – van de hoofdredactie (1)

Lees deze ‘Oudejaarspreek‘ in z’n geheel!

* Luther begint zijn boek ‘De vrijheid van een christen‘ met twee stellingen te poneren, die met elkaar in strijd lijken te zijn. De sleutel tot het verstaan ervan ligt in de Persoon van Christus en in het werk dat Hij volbracht. Christus is als het ware het scharnier waarop beide draaien. In de gemeenschap met Hem ligt de christelijke vrijheid besloten. Alleen de verbondenheid met Christus geeft bevrijding van de wet en smeedt uiterlijke dwang om tot liefdedienst.

** Zowel in de hulpbehoevendheid van de ander of wijzelf als ook in de hulpvaardigheid van de ander of wijzelf zien/ervaren/tonen wij Christus tegenwoordig.

(1Ieder jaar selecteert de RD-hoofdredactie een preek of boek om af te drukken in een van de laatste edities van het jaar. Dit jaar een verkorte weergave van ”De vrijheid van een christen” van Maarten Luther uit ”Luther verzameld”, deel I, Herman J. Selderhuis (red.); uitg. Kok, Utrecht, 2016; vertaling Christa Boerke.

Bron afbeelding:  DailyVerses-net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Dienst der verzoening…

Zo Gij in ’t recht wilt treden,
O HEER, en gadeslaan
Onz’ ongerechtigheden,
Ach, wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, HEER, met beving,
Recht kinderlijk gevreesd.
(Psalm 130 vers 2, OB 1977)

Met mond én hart!

Halleluja! Ik zal de HEERE loven van ganser harte.‘  (Psalm 111 : 1)
(Lees bij onderstaande meditatie heel deze Psalm)

Daarom voegt de dichter in deze Psalm de woorden van ganser harte toe, omdat het een hartelijke, diepe en ware dank is, die hij niet alleen met de mond uitspreekt, zoals iemand zegt: Deo gratias, God zij dank, terwijl dan gelijk zijn hart zegt: Non est Deus, Er is geen God.

Deo Gratias

Het is een kunst! De kunst van de Heilige Geest om van harte te danken of Deo gratias te zeggen. Wie dat met zijn hart kan zeggen, over die hoef je geen zorgen te hebben dat hij trots, hardnekkig, dwars en eigenzinnig zal zijn, of de ontvangen gaven tegen God zal gebruiken.

Doet hij dat toch, dan weet je dat hij liegt als hij God dankt en Deo gratias zegt. Dit is een dubbele ondankbaarheid! Hij spot, net als die leenknecht die tot zijn leenheer zegt: ‘Ik dank u heer, ik weet dat u mij al dit bezit geleend en gegeven hebt,’ terwijl hij ondertussen de geleende goederen tegen zijn leenheer zou aanwenden, als hij maar kon.

Is dat niet een mooie dank en belijdenis? Met zijn mond zegt hij dat zijn heer alles gegeven heeft, maar met de daad laat hij zien dat hij denkt, dat hijzelf leenheer (1) is en dat alles van hem is. Zoals rovers en dieven ook degenen wel zouden kunnen bedanken van wie zij gestolen en geroofd hebben!

Maarten Luther: Der 111. Psalm ausgelegt, 1530, vgl. WA 31.1, 405, 36 – 406, 15

Bron tekst: checkluther.com – ‘Uit de diepten roep ik tot U.  Dagboek bij de Bijbel’ (uitg. Den Hertog, Houten)

Een eeuwige gerechtigheid

(…) 21 Daarop kwam ​Petrus​ bij hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan ​vergeving​ schenken? Tot zevenmaal toe?’ 22 Jezus​ antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.

(…)  Bij ‘zeventig maal zevenmaal’ denken we ook aan Daniël 9. Hier worden we bij een veel slechtere situatie bepaald dan die van Kaïn of van Lamech. De Heer grijpt daar in en vertelt de angstige profeet dat zijn gebeden overvloedig zullen worden verhoord. Daniël had om vergeving voor zijn volk gebeden

(vs. 19). Als antwoord wordt de man Gabriël gestuurd om de toekomst van zijn volk aan hem te onthullen: “Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven” (vs. 24).

Zeventig weken is een tijdsduur die de lankmoedigheid van de Heer en het geduld met zijn opstandige volk aangeven. Als er ooit een volk zou zijn, waarvan verwacht mocht worden dat het vergevingsgezind was, dan zou dat toch wel Israël moeten zijn. Was juist hen niet zeer veel geduld getoond door een lankmoedig God?

(1) De Heere Jezus brengt dit eigenlijk ook naar voren in het ‘Onze Vader’: “En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven” (Matteüs 6 : 12). Dit heeft direct betrekking op de gelijkenis van de slaaf wie al zijn schulden vergeven worden, maar die op zijn beurt zijn mede-slaaf met veel minder schulden niet wilde vergeven. Bijzonder is dat niet op het heiligen van de Naam, noch op het komende koninkrijk dieper wordt ingegaan, maar wel op het punt van de vergeving: “Want als u de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader u ook vergeven. Maar als u de mensen hun overtredingen niet vergeeft, zal uw Vader uw overtredingen ook niet vergeven” (Matteüs 6 : 14-15).

(1) Deze woorden worden herhaald in het slotvers van Mattheüs 18. Het gebrek aan vergevingsgezindheid van de slaaf in deze gelijkenis illustreert mede de mislukking van Israël. Zij waren niet in staat om te vergeven en daarom ontvingen zij geen vergeving. Hun maat van ongerechtigheid werd vervuld toen zij in hun onverzoenlijke vijandigheid tegenover Gods genade, het de apostel Paulus verboden om tegen de heidenen te spreken opdat zij verlost zouden worden. En zo kwam de toorn over hen tot het einde (zie 1 Thessalonicenzen 2 : 16).

Dit gedeelte uit 1 Thessalonicenzen zou gelezen moeten worden samen met deze gelijkenis uit Mattheüs 18, waar de ‘toorn tot het einde’ te vergelijken is met de woorden van vers 34: “En zijn heer, boos als hij was, gaf hem aan de pijnigers over, totdat hij alles wat hij hem schuldig was, betaald zou hebben”.

De laatste zinsnede brengt ons ook bij een ander gedeelte uit de Bergrede, waar duidelijk wordt dat het Israël niet zal lukken om gerechtigheid door de wet te verkrijgen. In Mattheüs 5 : 22 zegt de Heer: “Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank“. Vervolgens zegt de Heer: “Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave. Stel u zo snel mogelijk welwillend op tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem onderweg bent (…) en u in de gevangenis geworpen wordt. Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste kwadrant (in andere vertalingen ook wel: penning): betaald hebt” (vs. 23-26).

(…) We hebben de wijdere context van de gelijkenis bekeken, en kunnen de uitleg ervan nu verstaan, mits we maar het verband zien met Israël en het koninkrijk. Wanneer we de andere gelijkenissen in dit gedeelte van Mattheüs bekijken, zullen andere factoren naar voren komen die aan de verwerping van Israël hebben bijgedragen. Zelfs toen de Heere Jezus zo smadelijk en wreed gekruisigd werd, zei Hij: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lukas 23 : 34).

Vergeving vanal die schuld’ werd in Handelingen verkondigd aan dezelfde mensen die schuldig waren aan het bloed van Christus, maar Israël kreeg vanwege ongeloof geen toegang tot die zegening. De sleutels die de deuren van het koninkrijk hadden geopend, sloten ze ook weer; het ontbinden werd gevolgd door het binden. En het verstrooide Israël werd overgeleverd aan folteraars totdat de Heer de tijd rijp acht.

God zij dank!

Gode zij dank dat de vergeving die wordt geschonken in de huidige bedeling van de genade van God niet kan worden ingetrokken; wij ontvangen niet pas vergeving, nadat we anderen hebben vergeven. Het is juist omgekeerd! Wij vergeven anderen omdat God ons – of we de ander nu vergeven of niet – in Christus vergeven heeft (Efeziërs 4 : 32). En dat niet één keer, of twee… maar ‘zeventig maal zevenmaal’, waarin, zoals gezegd, de geweldige lankmoedigheid en genade van onze genadevolle God wordt benadrukt!

Bron citaat: Amen Bijbelmagazine – artikel ‘zeventig maal zeven maal

Gij al Gods bondgenoten, / ziet naar zijn toekomst uit !
De HEER is vast besloten / tot goedertierenheid !
Hoort aan de goede tijding: / Hij geeft in zijn geduld
aan Israël bevrijding / van onrecht en van schuld.
(Psalm 130 vers 4, NB 1973)

Bron afbeelding:  Mission Venture Ministries

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

(Onder)kent u de huidige tijd?

(…) 11 U kent de huidige tijd: het moment is gekomen waarop u uit de slaap moet ontwaken, want de redding is ons meer nabij dan toen we tot geloof kwamen. 12 De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht. 13 Laten we daarom zo eerzaam leven als past bij de dag en ons onthouden van bras- en slemppartijen, ontucht en losbandigheid, tweespalt en jaloezie. 14 Omkleed u met de ​Heer​ ​Jezus​ ​Christus​ en geef niet toe aan uw eigen wil, die begeerten in u opwekt.  (Uit Romeinen 13)

Blijven bij het tot ons gesproken Woord…

Goedheid en barmhartigheid zullen mij volgen mijn leven lang, en ik zal voor altijd in het huis des HEEREN blijven’ (Psalm 23 : 6, weergave DB 1545).

Omdat de duivel nooit ophoudt de gelovigen te plagen, inwendig met verschrikking, uitwendig met de listen van de valse leraars en het geweld van de verdrukkers, bidt hij hier aan het einde van de psalm met ernst, dat God, Die hem deze schat heeft gegeven, hem ook daarbij tot het einde wil bewaren.

Hij zegt dan:Ach, dat de lieve God mij toch genade geeft, zodat goedheid en barmhartigheid mij zullen volgen mijn leven lang.’ Daarna laat hij spoedig zien, wat hij goedheid en barmhartigheid noemt. Namelijk: dat hij voor altijd in het huis des HEEREN zou mogen blijven.

Het is alsof hij wilde zeggen: ‘HEERE, U bent ermee begonnen, U hebt mij Uw heilig Woord gegeven en mij aangenomen onder hen die Uw volk zijn, die U kennen, loven en prijzen. Geef nu verder ook genade, dat ik altijd bij het Woord blijf en nooit van Uw heilige christenheid zal mogen scheiden.’

Een ding bid ik…

Op deze manier bidt hij ook in Psalm 27:

Eén ding bid ik van de HEERE, dat zou ik graag hebben, dat ik mijn leven lang in het huis des Heeren zou mogen blijven, om de lieflijke godsdienst des HEEREN te aanschouwen en Zijn tempel te bezoeken’ (vgl. vers 4).

Zo leert en vermaant hier de profeet door zijn voorbeeld alle gelovigen, dat zij niet zelfverzekerd, hoogmoedig of vermetel worden, maar bevreesd zijn en bidden, dat zij deze schat niet verliezen. (1)

Deze ernstige aansporing moet ons inderdaad opwekken en aanmoedigen om vlijtig te bidden. Want als David, die een profeet was, met veel Goddelijke wijsheid en kennis verlicht, en met veel grote en heerlijke gaven door God begenadigd, zo dikwijls met grote ernst heeft gebeden, dat hij bij deze goedheid zou mogen blijven – dan zal dat eerder ons passen, temeer, omdat wij met hem vergeleken, geheel ‘niets’ zijn.

Dichtbij het einde van de wereld…

Bovendien leven wij nu dichtbij het einde van deze wereld, waarover Christus en de apostelen zeggen, dat het een gruwelijke en gevaarlijke tijd zal zijn. Dat we dan waken en met alle ernst en vlijt bidden: om ons leven lang in het huis des Heeren te mogen blijven. Dat is: Gods Woord te horen, veel nut en vrucht daardoor te ontvangen, en daarin tot aan het einde te volharden.

Dát moge Christus, onze enige Herder en Heiland, ons geven. Amen.

Maarten Luther: Der 23. Psalm über Tisch ausgelegt, 1536, vgl. WA 51, 294, 32 – 295, 24

(1) Dát is onze nood

Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij.’ (Psalm 119 : 19)

De dingen zijn veel eenvoudiger dan ons lief is. Niet dat wij Gods geboden niet kennen, maar dat wij ze niet dóen – en als gevolg van die ongehoorzaamheid de geboden langzaam maar zeker ook niet meer correct kunnen interpreteren – dát is onze nood. Niet dát God zijn geboden verbergt voor ons wordt hier gezegd, maar: God wordt om genade aangeroepen zijn geboden voor ons niet te verbergen. Het is aan Gods vrijheid en wijsheid de genade van zijn geboden van ons weg te nemen, maar dan mogen wij niet berusten, maar veeleer dringend en aanhoudend bidden: verberg uw geboden niet voor mij

Dietrich Bonhoeffer: ‘Meditatie 1939/40 – Psalm 119‘ in ‘Mijn ziel keert zich stil tot God’.

Bron tekst:  Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther-citaten.nl en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Bron afbeelding:  Bible SMS – Free Daily Bible Texts

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Deel in het lijden…

Hij heeft ons gered en ons geroepen tot een ​heilige​ taak‘… (2 Timoteüs 1 : 9)

Schaam je niet

(…) 7 God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, ​liefde​ en bezonnenheid. 8 Schaam je er dus niet voor om van onze ​Heer​ te getuigen; schaam je ook niet voor mij, die omwille van Hem gevangen zit, maar deel in het lijden voor het ​evangelie, met de kracht die God je geeft. 9 Hij heeft ons gered en ons geroepen tot een ​heilige​ taak, niet op grond van onze daden, maar omdat Hij daartoe uit ​genade​ besloten had.

Deze ​genade​ was ons al vóór alle tijden gegeven in ​Christus​ ​Jezus, 10 maar nu is ze bekend geworden doordat onze Redder ​Christus​ ​Jezus​ is verschenen, Die de dood heeft vernietigd en onvergankelijk leven heeft doen oplichten door het ​evangelie.

11 Van dit ​evangelie​ ben ik verkondiger, ​apostel​ en leraar; 12 daarom moet ik dit alles ondergaan. Maar ik schaam mij niet, want ik weet in Wie ik mijn vertrouwen heb gesteld en ben ervan overtuigd dat Hij bij machte is om wat mij is toevertrouwd te bewaren, tot de grote dag aanbreekt. 13 Neem als richtsnoer de heilzame woorden die je van mij hebt gehoord, houd vast aan het geloof en aan de ​liefde​ die in ​Christus​ ​Jezus​ zijn. 14 Bewaar door de ​heilige​ Geest, Die in ons woont, het goede dat je is toevertrouwd.

15 Zoals je weet heeft iedereen in Asia zich van mij afgekeerd, ook Fygelus en Hermogenes. 16 Moge de ​Heer​ zich ontfermen over de huisgenoten van Onesiforus, want hij heeft mij vaak opgemonterd en zich niet voor mijn gevangenschap geschaamd. 17 Toen hij in Rome kwam, is hij meteen naar me op zoek gegaan, en hij heeft me ook gevonden. 18 Moge de ​Heer​ zich op de grote dag over hem ontfermen. En welke diensten hij in Efeze verleend heeft, weet je zelf het beste.

21 Mijn ​kind, wees sterk door de ​genade​ van ​Christus​ ​Jezus. 2 Geef wat je in aanwezigheid van velen van mij hebt gehoord, door aan betrouwbare mensen die geschikt zijn om anderen te onderwijzen. 3 Deel in het lijden als een goed ​soldaat​ van ​Christus​ ​Jezus.

Bron Bijbeltekst: 2 Timoteüs 1 (NBV, Nederlands Bijbelgenootschap)

Bron afbeeldingSteemit

Afbeelding kan het volgende bevatten: berg, tekst en buiten
Geplaatst in Bijbel, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Genade, barmhartigheid en vrede…

(…) 1 Paulus, door de wil van God een ​apostel​ van ​Jezus​ ​Christus​ met het oog op de belofte van het leven dat in ​Christus​ ​Jezus​ is, 2 aan Timoteüs, mijn geliefd kind: ​genade, ​barmhartigheid​ en ​vrede​ zij u van God de Vader en van ​Christus​ ​Jezus, onze Heere. (Uit 2 Timoteüs 1)

Van geslacht op geslacht!

Barmhartig is Hij, van geslacht op geslacht, voor al wie Hem vereert.
(Lucas 1 : 50)

(…) 3 Ik dank God, Die ik van mijn voorouders aan dien met een ​rein​ geweten, terwijl ik zonder ophouden aan u denk in mijn ​gebeden, nacht en dag. 4 Wanneer ik aan uw tranen denk, verlang ik er vurig naar u te zien, om met blijdschap vervuld te worden. 5 Daarbij herinner ik mij het ongeveinsde geloof dat in u is en dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs en in uw moeder Eunike. En ik ben ervan overtuigd dat het ook in u woont. (Uit 2 Timoteüs 1)

Kribbe en kruis!

Dit zal voor jullie het teken zijn…(Uit Lukas 2 : 12)

Als je dit leest denk je: nu komt het! De hemelbode heeft het echter over een voederbak. Best teleurstellend. Drie keer kom je die kribbe tegen in dit gedeelte. Het kan geen vergissing zijn. De persoon en het werk van deze Redder staan in het teken van vernedering. Hij is omwille van ons arm geworden.

(…) Het pasgeboren Kind, in een doek gewikkeld, in een voederbak. Daar gaat het om. Wat zouden wij blij zijn met een engelenverschijning of een stem uit de hemel. Kribbe en kruis houden ons echter een spiegel voor. God wijst onze diepste nood aan en komt ons juist daarin tegemoet.

Zijn goedheid en genade blijven verwachten!

En als er wijn ontbrak, zei de moeder van Jezus tot Hem: zij hebben geen wijn.
(Johannes 2 : 3)

Hier kan je de echte strijd van het geloof zien! Kijk goed wat Zijn moeder doet en leer ervan. Hoe hard zullen Zijn woorden – Vrouw, wat heb Ik met u te doen? – voor haar geklonken hebben? Hoe onvriendelijk houdt Hij Zich …, toch betekent dit voor haar niet dat Hij toornig is of dat dit in strijd is met Zijn goedheid. Zij houdt het erbij dat Hij goed en genadig is, en laat zich niet in verwarring brengen door deze schijnbare vernedering.

In haar hart verdenkt zij hem helemaal niet van onrecht! Dat doen alleen zij die geen geloof hebben, die na de eerste klap weglopen en niet meer goed van God geloven dan dat zij bij zichzelf gewaar worden. Zij worden vergeleken met paarden en muilezels die geen verstand hebben (vgl. Psalm 32 : 9).

Want als Zijn moeder zich door deze harde woorden had laten afschrikken dan zou ze stil en boos zijn weggegaan. Maar omdat ze juist nu de knechten bevel geeft dat ze alles moeten doen wat Hij hun zegt, laat ze duidelijk zien dat ze ondanks Zijn afwijzen niet anders dan enkel goedheid en genade van Hem verwacht.

~~~

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op den HEER, godvruchte schaar, houd moed:
Hij is getrouw, de bron van alle goed;
Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den HEER.
(Psalm 27 vers 7, OB)

Bron 1:   Dag in Dag uit 2019 – Bijbels Dagboek – Leger des Heils |Ark Media – Meditatie van 26 december 2019
Bron 2:  TijdmetJezus.nl – Meditatie van 26 december 2019
Bron 3:  checkluther.com – Meditatie van 26 december 2019

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Geloof dat God deugt… (II)

Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil van mijn Vader, Die in de hemelen is.‘ (Matteüs 7 : 21)

Citaat 1: Op basis van recente en oudere wetenschappelijke studies concludeert hij dat mensen niet per se van nature goed zijn, maar dat de meesten wel deugen. Dát is realistisch, richt dáár je scholen op in, je zorginstellingen, je gevangenissen, je verzorgingsstaat. Niet op wantrouwen, maar op vertrouwen. (1)

Wees niet bevreesd, geloof alleen.

Citaat 2:

  • (…) 27 Tot jullie die naar Mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, 28 zegen wie jullie vervloeken, bid voor wie jullie slecht behandelen. 29 Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt, ook je onderkleed niet. 30 Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt.
  • 31 Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. 32 Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. 33 En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. 34 En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen.
  • 35 Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook Hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is.
  • 36 Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. 37 Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. 38 Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’

Bron citaat 1: Trouw/deVerdieping (via Blendle) – ‘Ongelovigen moeten hard werken’ door Maaike van Houten

Bron citaat 2: Lukas 6 (NBV, Nederlands Bijbelgenootschap)

(1) Schrijver en activist Rutger Bregman heeft een topjaar gehad. Zeker vijftig miljoen mensen zagen hoe hij in Davos de rijken onder de neus wreef dat ze belasting moeten betalen en zijn nieuwste boek, ‘De meeste mensen deugen’, is een groot succes. Zijn geloof in de hemel is hij kwijt. ‘En dan word je activistischer.’

Bron afbeelding:  SlideShare

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Geloof dat God deugt…

Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig
(Uit Psalm 116 vers 3, berijming van 1773)

Het antwoord op de beweringen/leefregels (in het boek)
van Rutger Bregman (1)…

Gelóóf dat God goed is (dat God deugt!) en dat Hij in alles – ook in de grootste moeite en tegenslag en tegenwerking – je hemelse Vader is en blijft, Die altijd het goede met Zijn kinderen voor heeft! Leer het ‘van Job’, nee beter, leer het van Jezus:

  • (…) 8 Hoewel Hij Zijn Zoon was, heeft Hij moeten lijden, en zo heeft Hij gehoorzaamheid geleerd. 9 En toen Hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was, werd Hij voor allen die Hem gehoorzamen een Bron van eeuwige redding, 10 omdat God Hem heeft uitgeroepen tot ​Hogepriester​ zoals ​Melchisedek​ dat was.
  • 11 Hierover valt nog veel te zeggen, maar het is moeilijk aan u uit te leggen, omdat u traag van begrip bent geworden. 12 Werkelijk, u had toch inmiddels allemaal leraar moeten zijn! In plaats daarvan hebt u er zelf een nodig om u opnieuw de grondslagen van het woord van God bij te brengen; het is met u zover gekomen dat u weer aangewezen bent op melk* in plaats van op vast voedsel. 13 Wie melk drinkt is nog een klein ​kind​ en heeft geen weet van de draagwijdte van de verkondigde ​gerechtigheid. 14 Vast voedsel is voor volwassenen; hun zintuigen zijn door ervaring geoefend en zij zijn in staat onderscheid te maken tussen goed en kwaad.
  • (…) 3 Laat tot u doordringen hoe Hij standhield toen de zondaars zich zo tegen hem verzetten, opdat u niet de moed verliest en het opgeeft. 4 U hebt in uw strijd tegen de ​zonde​ uw leven nog niet op het spel gezet. 5 Kennelijk bent u de bemoediging vergeten die tot u als tot ​kinderen​ wordt gericht: ‘Mijn zoon, je mag een vermaning van de ​Heer​ nooit terzijde schuiven en nooit opgeven als je door Hem terechtgewezen wordt, 6 want de ​Heer​ berispt wie Hij liefheeft, straft elke zoon van wie Hij houdt.’ 7 Houd vol, het betreft hier immers een leerschool, God behandelt u als Zijn ​kinderen…

* Namelijk: weer het fundament leggen en spreken over het zich afkeren van daden die tot de dood leiden, over het geloof in God, de leer over het dopen en de handoplegging, en over de opstanding van de doden en het laatste oordeel. (Uit Hebreeën 6 : 1-2)

Bron citaten: Hebreeën 5, 6 en 12 (NBV, Nederlands Bijbelgenootschap)

(1) Begin september verscheen mijn nieuwe boek, getiteld De meeste mensen deugen. In de afgelopen maanden ben ik overdonderd door de respons! Het was heel bijzonder om talloze berichten te krijgen van lezers. Veel van jullie schreven me dat jullie de ideeën (waar ik in mijn boek over vertel) in de praktijk zouden willen brengen.
Inmiddels is het december: de maand van vrienden en familie, van terugblikken en vooruitkijken, en misschien ook wel van een beetje bezinning**. Zoals jullie misschien weten, gaat het laatste deel van mijn boek, de epiloog, over de implicaties van een positiever mensbeeld voor je eigen leven. Tijdens het schrijven heb ik voor mijzelf tien leefregels opgesteld waar ik me – met vallen en opstaan – aan probeer te houden.
(Bron: De Correspondent – ‘Bij twijfel, ga uit van het goede (en nog 9 leefregels waar ik me aan probeer te houden)’ – door Rutger Bregman)

** Bezinningstip AJ: Lees voor dat ‘beetje bezinning’ in de decembermaand de brief aan de Hebreeën in z’n geheel!

Bron afbeelding:  Bible Verse

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

‘Dáárom zal ik U prijzen’…

(…) 41 Toen ​Elisabet​ de groet van ​Maria​ hoorde, sprong het ​kind​ op in haar schoot; ze werd vervuld van de ​heilige​ Geest 42 en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! (Uit Lukas 1)

De lofzang van Maria

En Maria zei: Mijn ziel maakt groot den Heere, en mijn geest verheugt zich
in God mijn Zaligmaker. (Lukas 1 : 46-47)

Dit woord ontspringt uit brandende liefde en overstelpende vreugde, waarin zich heel Maria’s gemoed en wezen vanuit het binnenste van haar ziel in de Geest verheft. Daarom zegt zij níet: ík verhef God. maar míjn ziel verheft God! Alsof ze wilde zeggen: ‘Mijn hele wezen en bestaan is met ziel en zinnen opgenomen in de liefde van God, in blijde lofzang en in grote vreugde. Daarom kan ik mijzelf niet meer bedwingen en word méér vervuld van Gods lof dan ik ooit zou kunnen uitspreken of uitzingen.

Dit hebben allen ondervonden die met de Goddelijke zoetheid en de Goddelijke Geest als overgoten werden, zodat ze daarvan meer voelden dan ze konden uitspreken. Want dit is geen werk van mensen – God in vreugde te loven! – het is eerder een vreugdevol werkeloos ondergáán en alleen een werk van God, dat met geen woorden geleerd kan worden, maar dat zich echter alleen door de eigen ondervinding laat kennen.

Zoals David in de psalm zegt:Smaak en zie hoe zoet God de Heere is, zalig de mens die op Hem vertrouwt (vgl. Psalm 34  : 9). Eerst spreekt hij over het proeven en smaken, dán over het zien en voelen, omdat je het niet kunt leren kennen zonder het zelf eerst ondervonden en gevoeld te hebben. Maar hiertoe komt niemand, wanneer hij niet in de diepste nood, met heel zijn hart op God vertrouwt. (1)

Maarten Luther: WA 7, 550, 2-18

(1) Opgemerkt AJ:  David en Maria waren beiden jong en onervaren toen God hen riep, maar ze schonken geloof aan het Woord van God en bewaarden dat in hun hart en zij bleven God aanroepen in allerlei omstandigheden en ook in de diepste nood van hun leven vonden zij (daarom) in God een barmhartig Helper en Redder.

Schenk ons Uw trouw Heer,  op U is al onze hoop gevestigd.
(Psalm 33 : 22)

(…) 78 Dankzij de liefdevolle ​barmhartigheid​ van onze God
zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan
79 en verschijnen aan allen die leven in duisternis
en verkeren in de schaduw van de dood,
zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de ​vrede.
(Uit Lukas 1)

Lezen: Lukas 1 : 46-56, 2 : 29-32 en Psalm 34

(…) 7 Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals ​Christus​ u heeft aanvaard. 8 Ik bedoel dit: ​Christus​ is een dienaar van de ​Joden​ geworden om hun te tonen dat God trouw is en om de beloften aan de aartsvaders te vervullen, 9 maar Hij is ook gekomen om de heidenen in staat te stellen God te loven om Zijn ​barmhartigheid, zoals geschreven staat: ‘Daarom zal ik U prijzen onder de heidenen, psalmzingen ter ere van Uw Naam.’ 10 En verder staat er: ‘Verheug u, heidenen, samen met zijn volk.’ 11 En er staat ook: ‘Loof de ​Heer, alle heidenen; prijs Hem, alle volken.’ 12 En verder zegt ​Jesaja: ‘Isaï​ zal een telg voortbrengen: Hij die komt om over de heidenen te heersen; op Hem zullen zij hun hoop vestigen.’ 13 Moge God, die ons hoop geeft, u in het geloof geheel en al vervullen met vreugde en ​vrede, zodat uw hoop overvloedig zal zijn door de kracht van de ​heilige​ Geest. (Uit Romeinen 15)

Bron citaat: U kunt het dagboek ‘Vrees niet, geloof alleen (ISBN 978 90 331 3019 9) kopen of bestellen bij uw favoriete christelijk boekhandel of via Uitgeverij Den Hertog-Houten

Wilt u Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther-citaten.nl en van deze website: http://www.maartenluther.com (contact op de homepage).

Bron afbeelding:  Daily-Bible-Verse-net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Wat ons met de Doop geschonken wordt…

Ware gemeenschap, navolging en lijden!

(…) 14 Ik ben dankbaar, dat ik niemand van jullie ​gedoopt​ heb dan Crispus en Gajus; 15 zodat niemand kan zeggen, dat jullie in mijn naam ​gedoopt​ zijn. *
(Uit 1 Korintiërs 1)

Citaten 1:

  • (…) Het fundament van de kerk*, zegt Bonhoeffer, is het plaatsbekledend handelen van Christus. De plaatsbekleding van Christus heeft voor de kerk drieërlei betekenis: „Hij deed wat niemand doen kon. In zoverre is hij de Heer. Hij deed het zo dat de hele nieuwe mensheid mee handelt en mee lijdt. In zover is Hij haar broeder. Ten slotte is hij de eenheid van de nieuwe mensheid, Christus als gemeente existerend. Daarmee zijn de drie fundamentele structuren van de kerk gegeven. De gemeente is gekarakteriseerd door het onderdaan-zijn, door het naast-elkaar-staan en het innigste in-elkaar-zijn.”
    *Eén lichaam is het, en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt tot één hoop uwer roeping; één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen” (Efeziërs 4 : 4 – 6).
  • (…) Een kerk die zichzelf begrijpt als het lichaam van Christus moet een kerk zijn die leeft in navolging van Christus. Navolging, zo stelt hij vast, is meer dan geloof alleen, het gaat om geloof en gehoorzaamheid. Daar ergens, zo veronderstelt Bonhoeffer is het mis gegaan met de Lutherse kerk, ze hebben dat ”door het geloof alleen” van Luther verkeerd begrepen. Alsof het alleen maar gaat om wat – en/of dat (AJ) – je gelooft (van Christus en van jezelf – AJ) en wat je doet, dat doet er niet toe. „Goedkope genade”, noemt Bonhoeffer dat. Daartegenover staat de dure genade, de genade die van ons vraagt om Christus na te volgen.
  • (…) Ik geef een klein voorbeeld van niet-religieuze interpretatie. In Bonhoeffers theologie tot aan de ethiek neemt het al eerder aangehaalde begrip ”plaatsbekleding” een belangrijke plaats in. Het betekent, dat Christus tegenover God onze plaats in heeft willen nemen en dat wij daarom ook plaatsbekledend in zouden moeten staan voor onze medemens. In de ethiek is Bonhoeffer tot de conclusie gekomen, dat dit begrip zozeer theologisch jargon is, dat niemand buiten de kerk daar iets van begrijpt. Daarom kiest hij voor de term ”verantwoordelijkheid”.
  • De disciplina arcana (bijeenkomsten van kleine selecte gezelschappen) is er nu juist om gelovige mensen er blijvend bij te bepalen, dat wat wij in ons dagelijkse leven als verantwoordelijkheid voor onze medemensen en de wereld om ons heen beschouwen ten diepste voortkomt uit wat wij begrijpen als de plaatsbekleding van Christus. Want, zoals wij op de Witte Donderdag lezen: „Want Ik heb u een toonbeeld gegeven, opdat ook gij zult doen zoals Ik voor u heb gedaan.” (Johannes 13 : 15).

Citaten 2:

  • (…) Terug naar de vreemdheid van de kerk in de wereld. Dat is wat ds. H. de Jong, Nederlands gereformeerd emeritus predikant te Zeist, wil. “En eigenlijk wil ik nog verder terug: naar de vreemdheid van God en Zijn Woord in de wereld.” Daarom, schrijft hij in de brochure “De zondagse preek: spitsuur van de Heilige Geest”, (2005) “haal ik de prediking van de straat en plaats haar terug in de gemeente.”
  • (…) Over de kindernevendienst: “Wordt daarin voorbereid op het luisteren naar de onversneden prediking van Gods Woord?” Volgens ds. De Jong is het zijn onder de preek voor kinderen “uitermate vormend” – al sluit dat de kindernevendienst voor hem niet uit.
  • (…) Kritisch staat de predikant ook tegenover de Nieuwe Bijbelvertaling. “Wij gebruiken in de kerk een Bijbelvertaling die niet de Bijbel bij de mensen maar de mensen bij de Bijbel brengt. () We behoeven de moeilijkheidsgraad van de Bijbel niet te verdoezelen door vertalingen die de suggestie voeren dat de Bijbel een hedendaags taalproduct is. De bijbel is een boek uit lang vervlogen tijden en ver gelegen streken. Dat mag aan een vertaling te merken zijn.” Laat, raadt hij aan, “in ieder geval de tekstlezing voor de preek in de gebruikelijke NBG-vertaling van 1951 gedaan worden.
  • (…) “De zondagse preek is ook hantering van de sleutelmacht, zo luidt stelling 5. Dat besef is binnen de NGK goeddeels verdwenen, constateert ds. De Jong. “Gebruik – misbruik – onbruik, onthoud die trits maar! Veel goede dingen verdwijnen op die manier.”
  • (…) Ik ervaar onze tijd anders, zo merkt ds. De Jong op. “Het maakt op mij de indruk dat God in onze dagen bezig is de kandelaar van Zijn Woord bij ons weg te nemen. Om die op andere plaatsen weer neer te zetten, dat wel. Maar wat ons betreft heb ik het toekomstvisioen van een schuilkerk. Echter, ook die schuilkerk zal uit het Woord gevoed moeten worden.”

Bron citaten 1: RD Opinie – ‘Bonhoeffer brengt kerk weer bij haar opdracht’ dr. Wilkemn Veen (1)
Bron citaten 2: Digibron.nl – ‘Ds. Henk de Jong – Woord blijft belangrijkste wapen van de Geest’ (2)

(1) De auteur is predikant van het Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie van de Protestantse Kerk in Amsterdam. Dit artikel is een samenvatting van een lezing die de auteur hield voor de studentenvereniging van de Theologische Universiteit in Apeldoorn.

(2) De Jongs invloed en verdiensten voor de Bijbelwetenschappen worden breed erkend, alsook zijn originele bijdragen aan het publieke debat. In Kampen is sinds 2018 de Henk de Jong-leerstoel gevestigd, welke meekwam toen de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding van TU Apeldoorn naar TU Kampen verhuisde. Met een eredoctoraat (6 december 2019) eerde de TU de naamgever van deze leerstoel en daarmee haar eigen alumnus.

Bron afbeelding:  PagadianDiocese-org

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

God danken…

en de gemeente in gebreke stellen
(of toch liever andersom?)

(…) 4 Ik dank mijn God altijd voor u, omdat hij u in Christus Jezus zijn genade heeft geschonken. 5 Door Hem bent u in elk opzicht rijk geworden. Alles wat u zegt en al uw kennis 6 bewijst dat het getuigenis over Christus bij u verankerd is, 7 en hierdoor ontbreekt het u terwijl u op de komst van onze Heer Jezus Christus wacht, aan geen enkele gave van de Geest. 8 Hij is het ook Die u tot het einde toe de zekerheid geeft dat u geen blaam zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus. 9 God, door wie u geroepen bent om één te zijn met zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer, is trouw. (Amen) (Uit 1 Korintiërs 1)

Verdeeldheid in de gemeente

10 Broeders en zusters, in de naam van onze Heer Jezus Christus roep ik u op om allen eensgezind te zijn, om scheuringen te vermijden, om in uw denken en uw overtuiging volkomen één te zijn. 11 Door Chloë’s huisgenoten is mij namelijk verteld, broeders en zusters, dat er verdeeldheid onder u heerst...  (Uit 1 Korintiërs 1)

(…) 1 Maar, broeders en zusters, ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen (zuigelingen) in het geloof in Christus. 2 Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u niet aan toe. En ook nu nog niet, 3 want u bent nog gebonden aan de wereld… (Uit 1 Korintiërs 3)

Opgemerkt:

Zou het niet een goede gewoonte kunnen zijn/worden om de woorden van de verzen 4 t/m 9 uit de eerste brief aan de gemeente te Korinthe iedere zondagochtend in de samenkomsten van de gemeente(n) te laten klinken aan het begin kort na de begroeting van de gemeente(n) in Naam van onze Drie-enige God en dat (dus) nog voor het lezen van de wet en/of het uitspreken van woorden van verootmoediging en het gebed om bijstand van de heilige Geest?

Deze woorden aan de gemeente van Korinthe bepalen ons namelijk uitdrukkelijk bij Gods genade en trouw en bij de rijkdom en volkomenheid van Zijn gaven aan de gemeente. En die woorden confronteren ons tegelijkertijd toch ook altijd weer bij ons tekortschieten in het goed omgaan met die rijkdom aan gaven om die te gebruiken tot Gods eer en wel op zo’n manier dat we in de gemeente en in de wereld daarmee elkaar tot zegen zijn.

Zijn deze Bijbelwoorden aan het begin van een samenkomst – waarin de dank aan God voorop gaat – niet (veel) rijker en meer geschikt dan veel van onze eigen woorden waarmee we zingend en biddend verwachtingsvol smeken om de bijstand – en soms zelfs een nieuwe uitstorting – van de heilige Geest, zoals we dat wel voorafgaand aan of na de ‘verootmoediging’ en/of de verkondiging van Gods Woord biddend of zingend kunnen horen in een samenkomst?!

Natuurlijk zullen/kunnen we daarna ook nog (voor)lezen uit bijvoorbeeld de tien geboden of een ander Bijbelgedeelte dat ons bepaald bij hoe wij als geroepen heiligen zullen leven voor Gods aangezicht en dan kunnen we beslist ook nog wel ootmoedig biddend en zingend erom vragen dat Gods Geest ons zal blijven bijstaan – zoals bijvoorbeeld berijmd verwoord in Psalm 25 vers  2 en in heel wat verzen van Psalm 119, en zoals we dat ook wel verwoord vinden in diverse gezangen, zoals die zijn opgenomen in het Liedboek van de kerken (1973).

Dit bidden om de bijstand van de heilige Geest (zoals te vinden in genoemde Psalmen en bedoelde gezangen) is toch wat anders dan vragen om een nieuwe uitstorting van de heilige Geest in ons hart, in ons land of (elders) in deze wereld! We zullen eerder bidden dat we de heilige Geest niet zullen bedroeven en uitblussen, zoals we dat bijvoorbeeld kunnen doen met het lezen of zingen van Psalm 51 (: 13, onberijmd) ‘Neem uw Heilige Geest niet van mij‘, dan dat we nog weer zullen vragen om een (nieuwe) uitstorting van de heilige Geest. We lezen in de brieven van de apostelen en ook in het Bijbelboek Openbaring niet dat onze Heer Jezus Christus de gemeenten daarom nog wil laten bidden!

Zie (daarom) verder ook (nog weer):

Bron Bijbelcitaten:  NBV (Nederlands Bijbelgenootschap)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie