Dienst der verzoening…

Zo Gij in ’t recht wilt treden,
O HEER, en gadeslaan
Onz’ ongerechtigheden,
Ach, wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, HEER, met beving,
Recht kinderlijk gevreesd.
(Psalm 130 vers 2, OB 1977)

Met mond én hart!

Halleluja! Ik zal de HEERE loven van ganser harte.‘  (Psalm 111 : 1)
(Lees bij onderstaande meditatie heel deze Psalm)

Daarom voegt de dichter in deze Psalm de woorden van ganser harte toe, omdat het een hartelijke, diepe en ware dank is, die hij niet alleen met de mond uitspreekt, zoals iemand zegt: Deo gratias, God zij dank, terwijl dan gelijk zijn hart zegt: Non est Deus, Er is geen God.

Deo Gratias

Het is een kunst! De kunst van de Heilige Geest om van harte te danken of Deo gratias te zeggen. Wie dat met zijn hart kan zeggen, over die hoef je geen zorgen te hebben dat hij trots, hardnekkig, dwars en eigenzinnig zal zijn, of de ontvangen gaven tegen God zal gebruiken.

Doet hij dat toch, dan weet je dat hij liegt als hij God dankt en Deo gratias zegt. Dit is een dubbele ondankbaarheid! Hij spot, net als die leenknecht die tot zijn leenheer zegt: ‘Ik dank u heer, ik weet dat u mij al dit bezit geleend en gegeven hebt,’ terwijl hij ondertussen de geleende goederen tegen zijn leenheer zou aanwenden, als hij maar kon.

Is dat niet een mooie dank en belijdenis? Met zijn mond zegt hij dat zijn heer alles gegeven heeft, maar met de daad laat hij zien dat hij denkt, dat hijzelf leenheer (1) is en dat alles van hem is. Zoals rovers en dieven ook degenen wel zouden kunnen bedanken van wie zij gestolen en geroofd hebben!

Maarten Luther: Der 111. Psalm ausgelegt, 1530, vgl. WA 31.1, 405, 36 – 406, 15

Bron tekst: checkluther.com – ‘Uit de diepten roep ik tot U.  Dagboek bij de Bijbel’ (uitg. Den Hertog, Houten)

Een eeuwige gerechtigheid

(…) 21 Daarop kwam ​Petrus​ bij hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan ​vergeving​ schenken? Tot zevenmaal toe?’ 22 Jezus​ antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.

(…)  Bij ‘zeventig maal zevenmaal’ denken we ook aan Daniël 9. Hier worden we bij een veel slechtere situatie bepaald dan die van Kaïn of van Lamech. De Heer grijpt daar in en vertelt de angstige profeet dat zijn gebeden overvloedig zullen worden verhoord. Daniël had om vergeving voor zijn volk gebeden

(vs. 19). Als antwoord wordt de man Gabriël gestuurd om de toekomst van zijn volk aan hem te onthullen: “Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven” (vs. 24).

Zeventig weken is een tijdsduur die de lankmoedigheid van de Heer en het geduld met zijn opstandige volk aangeven. Als er ooit een volk zou zijn, waarvan verwacht mocht worden dat het vergevingsgezind was, dan zou dat toch wel Israël moeten zijn. Was juist hen niet zeer veel geduld getoond door een lankmoedig God?

(1) De Heere Jezus brengt dit eigenlijk ook naar voren in het ‘Onze Vader’: “En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven” (Matteüs 6 : 12). Dit heeft direct betrekking op de gelijkenis van de slaaf wie al zijn schulden vergeven worden, maar die op zijn beurt zijn mede-slaaf met veel minder schulden niet wilde vergeven. Bijzonder is dat niet op het heiligen van de Naam, noch op het komende koninkrijk dieper wordt ingegaan, maar wel op het punt van de vergeving: “Want als u de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader u ook vergeven. Maar als u de mensen hun overtredingen niet vergeeft, zal uw Vader uw overtredingen ook niet vergeven” (Matteüs 6 : 14-15).

(1) Deze woorden worden herhaald in het slotvers van Mattheüs 18. Het gebrek aan vergevingsgezindheid van de slaaf in deze gelijkenis illustreert mede de mislukking van Israël. Zij waren niet in staat om te vergeven en daarom ontvingen zij geen vergeving. Hun maat van ongerechtigheid werd vervuld toen zij in hun onverzoenlijke vijandigheid tegenover Gods genade, het de apostel Paulus verboden om tegen de heidenen te spreken opdat zij verlost zouden worden. En zo kwam de toorn over hen tot het einde (zie 1 Thessalonicenzen 2 : 16).

Dit gedeelte uit 1 Thessalonicenzen zou gelezen moeten worden samen met deze gelijkenis uit Mattheüs 18, waar de ‘toorn tot het einde’ te vergelijken is met de woorden van vers 34: “En zijn heer, boos als hij was, gaf hem aan de pijnigers over, totdat hij alles wat hij hem schuldig was, betaald zou hebben”.

De laatste zinsnede brengt ons ook bij een ander gedeelte uit de Bergrede, waar duidelijk wordt dat het Israël niet zal lukken om gerechtigheid door de wet te verkrijgen. In Mattheüs 5 : 22 zegt de Heer: “Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank“. Vervolgens zegt de Heer: “Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave. Stel u zo snel mogelijk welwillend op tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem onderweg bent (…) en u in de gevangenis geworpen wordt. Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste kwadrant (in andere vertalingen ook wel: penning): betaald hebt” (vs. 23-26).

(…) We hebben de wijdere context van de gelijkenis bekeken, en kunnen de uitleg ervan nu verstaan, mits we maar het verband zien met Israël en het koninkrijk. Wanneer we de andere gelijkenissen in dit gedeelte van Mattheüs bekijken, zullen andere factoren naar voren komen die aan de verwerping van Israël hebben bijgedragen. Zelfs toen de Heere Jezus zo smadelijk en wreed gekruisigd werd, zei Hij: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lukas 23 : 34).

Vergeving vanal die schuld’ werd in Handelingen verkondigd aan dezelfde mensen die schuldig waren aan het bloed van Christus, maar Israël kreeg vanwege ongeloof geen toegang tot die zegening. De sleutels die de deuren van het koninkrijk hadden geopend, sloten ze ook weer; het ontbinden werd gevolgd door het binden. En het verstrooide Israël werd overgeleverd aan folteraars totdat de Heer de tijd rijp acht.

God zij dank!

Gode zij dank dat de vergeving die wordt geschonken in de huidige bedeling van de genade van God niet kan worden ingetrokken; wij ontvangen niet pas vergeving, nadat we anderen hebben vergeven. Het is juist omgekeerd! Wij vergeven anderen omdat God ons – of we de ander nu vergeven of niet – in Christus vergeven heeft (Efeziërs 4 : 32). En dat niet één keer, of twee… maar ‘zeventig maal zevenmaal’, waarin, zoals gezegd, de geweldige lankmoedigheid en genade van onze genadevolle God wordt benadrukt!

Bron citaat: Amen Bijbelmagazine – artikel ‘zeventig maal zeven maal

Gij al Gods bondgenoten, / ziet naar zijn toekomst uit !
De HEER is vast besloten / tot goedertierenheid !
Hoort aan de goede tijding: / Hij geeft in zijn geduld
aan Israël bevrijding / van onrecht en van schuld.
(Psalm 130 vers 4, NB 1973)

Bron afbeelding:  Mission Venture Ministries

 

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s