Waarom we dopen en avondmaal vieren…

Het is ons bevolen!

(…) 55 Want Mijn vlees is het ware voedsel en Mijn bloed is de ware drank. 56 Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. 57 Zoals de levende Vader Mij gezonden heeft, en Ik leef door de Vader, zo zal ook wie Mij eet, leven door Mij. 58 Dit is het brood dat uit de hemel neergedaald is; niet zoals uw vaderen het manna gegeten hebben en gestorven zijn. Wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. 59 Deze dingen zei Hij, terwijl Hij onderwijs gaf in de synagoge in Kapernaüm. (Uit Johannes 6)

Citaat 1: Uit Voorwoord bij de Catechismus van Maarten Luther.

Als iemand het sacrament niet hoogacht,  dan

  • Is dit een teken dat hij geen zonde, geen vlees, geen duivel, geen wereld, geen dood, geen gevaar, geen hel heeft. Dat wil zeggen dat hij daar niets van gelooft hoewel hij er wel tot over de oren in zit en daarom dubbelop bij de duivel hoort.
  • Aan de andere kant heeft hij ook geen behoefte aan genade, leven, paradijs, hemelrijk, Christus, God of enig goeds.
  • Want als hij zou geloven zoveel kwaads in zich en zoveel goeds nodig te hebben, zou hij het sacrament, waarin zoveel hulp tegen het kwaad en zoveel goeds gegeven wordt, niet zo veronachtzamen.
  • Men zou hem ook niet met een gebod tot het sacrament hoeven te dwingen, maar hij zou zelf hard komen aanlopen, zichzelf er toe dwingen en er bij de voorganger van de gemeente op aandringen hem het sacrament te geven.

HC  Zondag 27  Vraag 74.  Zal men ook de jonge kinderen dopen?

Citaat 2: [Maarten Luther – Grote Catechismus, 1529]

(…) Wat hadden de kinderen die Christus aan Zijn hart drukt, zegent en de hemel geeft voor verstand? Waren die dan wél tot hun verstand gekomen? (itt tot ouderen om hen heen – AJ) Waarom gebiedt Hij dat men deze kinderen tot Hem zal brengen en waarom zegent Hij hen? (zie Matteüs 19 : 13 vv). Waar hebben zij dit geloof vandaan dat hen tot kinderen van het Hemelrijk maakt? Ja, juist terwijl zij zonder verstand en onwetend zijn, zijn zij beter geschikt om te geloven (om te ontvangen wat bevolen en belooft is! – AJ) dan de volwassenen en verstandigen bij wie het verstand altijd in de weg staat en die hun hoofd niet zo kunnen draaien dat het door het nauwe poortje past (vgl. Matteüs 7 : 14).

Zo zie je dat de tegenspraak van de sektariërs niet deugt. Want, zoals gezegd, al zouden de kinderen niet geloven (wat niet waar is, zoals wij zojuist aangetoond hebben), zou toch de doop geldig zijn en niemand mag ze opnieuw dopen.

Zoals ook geen afbreuk gedaan wordt aan het avondmaal, ook al zou iemand met verkeerde bedoeling deelnemen. Het zou ook niet te verdragen zijn dat dezelfde persoon wegens misbruik van het sacrament het in hetzelfde uur opnieuw zou moeten nemen, alsof hij het daarvóór niet werkelijk zou hebben ontvangen. Want dit zou de allerergste lastering en schending van het sacrament betekenen. Hoe zouden wij erbij komen om te zeggen dat Gods Woord en instelling verkeerd en ijdel zouden zijn, omdat wij ze verkeerd gebruiken? (1)

Daarom zeg ik: heb je niet geloofd, geloof dan alsnog en zeg: ‘De doop is wel geldig geweest, maar ik heb hem helaas niet op de juiste wijze ontvangen*.  Want ook ikzelf en allen die zich laten dopen, moeten voor God zo spreken: ‘Ik kom hier in mijn geloof en in dat van anderen, en toch kan ik er niet op vertrouwen dat ik geloof en dat veel mensen voor mij bidden, maar ik vertrouw daarop dat het Uw Woord en bevel is.
* niet op de juiste manier leren begrijpen of niet gelovig geaccepteerd. (AJ)

Immers, ook tot het avondmaal ga ik niet op grond van mijn geloof, maar op grond van het Woord van Christus. Ik mag dan sterk zijn of zwak, dat laat ik aan God over, maar dit weet ik, dat Hij tegen mij gezegd heeft: te komen, te eten en te drinken enzovoort, en dat Hij mij Zijn lichaam en bloed geeft – en dit is voor mij geen leugen of bedrog.

Zo doen wij nu ook met de kinderdoop. Wij brengen het kind met de gedachte en de verwachting dat het gelooft, en bidden dat God het kind het geloof zal geven. Maar, op die grond dopen wij het niet, maar alleen omdat God het bevolen heeft. Waarom is dat? Omdat wij weten dat God niet liegt. Ik en mijn naaste, kortom, alle mensen kunnen verkeerd handelen en bedriegen, maar Gods Woord kan niet bedriegen.

(1) Opgemerkt AJ: Wij mogen dus voorafgaand aan het Avondmaal de mensen via de verkondiging en/of het lezen van een of meer Bijbelgedeelten of de formulieren wel (weer) ernstig voorhouden wat deze viering inhoudt, wij mogen hen echter daarvan beslist niet afhouden!

Bron citaat 2Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus. (Maarten Luther geciteerd als antwoord bij de vragen van de Heidelbergse Catechismus)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Begrijp dan toch…

(…) 56 Abraham, uw vader, verheugde zich er sterk op dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en heeft zich verblijd. 57 De Joden dan zeiden tegen Hem: U bent nog geen vijftig jaar en hebt U Abraham gezien? 58 Jezus zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik. (uit Johannes 8)

(…) Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. En de Schrift, die voorzag dat God uit het geloof de heidenen zou rechtvaardigen, verkondigde eertijds aan Abraham het Evangelie: In u zullen al de volken gezegend worden. (Galaten 3 : 7 en 8)

(…) 16 Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om ulieden dit te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkendemorgenster. (Uit Openbaring 21)

(…) In Galaten 3 : 29 onderwijst Paulus een gemeente uit de heidenen, die sterk te lijden had onder judaïstische propaganda binnen de kerk: Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen. We vinden hier een gedachtegang, die geheel aansluit bij Christus’ eigen woorden.

Ook hier staat de vraag “wie is het zaad van Abraham” in het middelpunt. Daarop rustte de judaïstische propaganda: wij Joden zijn het zaad van Abraham, en daarom bent u Galatiërs van ons afhankelijk. Slechts in zoverre wij u bij ons inlijven, is er voor u een kans op een zeker afgeleid erfrecht.

De Judaïsten in de gemeenten van Galatië stonden evenmin als de Joden uit Johannes 8 afwijzend tegenover de Christus: ze waren immers leden van die gemeenten, en oefenden er invloed uit. Maar ze hielden sterk vast aan hun Judaïstisch grondbeginsel: wij zijn nakomelingen van Abraham en de wettige erfgenamen.

Paulus echter werpt heel die leer omver: indien gij, Galatiërs, van Christus zijt, dan, en alleen dan, bent u het zaad van Abraham. (Galaten 3:7 en 8)

Hierin ligt opgesloten een van de fundamentele stukken van het Evangelie: Jezus Christus is in de volle zin kind van Abraham. Hem erkent God als Zijn kind, als de waarachtige Mens, en als de Reine. Hij is dan ook de enige wettige erfgenaam van de erfenis der wereld.

In den grond der zaak heeft zelfs Abraham zijn bijzondere positie aan de Christus te danken.

In Johannes 8 komt dit punt aan de orde, als de Joden vanuit hun grondbeginsel zeggen: u bent toch niet meer dan onze vader Abraham? Waarop Jezus antwoordt: Abraham zelf heeft Mijn meerderheid erkend: hij heeft zich erop verheugd Mijn dag te zien, en hij heeft die gezien en heeft zich daarin verblijd.

Het Judaïsme heeft van Abraham een bovenmenselijke gestalte gemaakt: een rein mens, die door zijn eigen reinheid al zijn nakomelingen tot reinen maakt. Maar Christus ziet Abraham anders, zoals ook het Oude Testament Abraham anders tekent dan bijvoorbeeld de judaïstische auteur van het boek Jezus Sirach.

In het Oude Testament en nog duidelijker in de tekening die de Christus van Abraham geeft is Abraham een nederig man, die zijn afhankelijkheid van de komenden Christus zeer goed weet en gaarne erkent.

Abraham is een van de werktuigen, die gebruikt worden tot de komst van de Christus. Abraham is een werktuig van Gods genade in Christus, en de bloedband, die Christus met Abraham verbindt is een werktuig en voertuig van die genade.

Het is de Christus, Die de zin van het zaad-van-Abraham-zijn aan het licht brengt, zoals Hij de zin der historie als heilsgeschiedenis aan het licht brengt.

Het Judaïsme heeft die zin principieel vervalst, en de zaak “op zijn kop gezet”. Daarom is het Judaïsme zo’n dodelijk gif, omdat het de heilsfeiten en de woorden Gods en het Verbond met Abraham en de openbaringsgeschiedenis en de roeping van het openbaringsvolk gebruikt als bouwstenen voor een afvallige wereldbeschouwing.

Dit dodelijk gif zag Paulus binnendringen in de gemeenten van Galatië. Hij zet de zaken weer recht door te zeggen: Christus is het ware zaad van Abraham, Hij is het die de zin van het zaad van Abraham aan het licht brengt, Hij is de wettige Erfgenaam, en wie Zijn eigendom is, deelt om die reden in Zijn heilshistorische positie, en is bij gevolg zaad van Abraham en erfgenaam naar de belofte.

We komen hier dan ook niet verder, wanneer we met een gangbare beschouwing de onderscheiding invoeren van het “natuurlijke” en het “geestelijke” zaad van Abraham.

Christus is het zaad van Abraham, en niet minder “natuurlijk” dan “geestelijk”. Dit “natuurlijke” is hier van zoveel gewicht, dat we bij verwaarlozing ervan de belijdenis van de Christus loslaten en uitkomen bij een soort docetisme. Want indien het onbelangrijk is, dat de Christus het “natuurlijke” zaad van Abraham is, dan is Zijn menselijke natuur onbelangrijk, en mogen we ook wel aannemen, dat Hij slechts in schijn een menselijke natuur bezat.

Om die reden was het ook volstrekt niet zonder betekenis, dat de Joden de “natuurlijke” kinderen van Abraham waren. Stelt men hier de “natuurlijke” kinderen van Abraham tegenover de “geestelijke”, dan komt men er gemakkelijk toe, heel het Oude Testament als het “natuurlijke” boek te stellen tegenover het Nieuwe Testament als het “geestelijke”. Maar zulk een onderscheiding van “natuurlijk” en “geestelijk” is niet naar de Schrift.

Het Judaïsme heeft de heilsfeiten, o.a. de bloedband met Abraham, gewrongen in een afvallige wereldbeschouwing; maar de verwerping van die wereldbeschouwing mag nooit aanleiding worden tot een verwerping of gering-achting van die heilsfeiten. Want in dat geval gaat men het creatuurlijk (schepselmatig) verschil van natuurlijk en geestelijk omvormen tot een tegenstelling, waarbij het natuurlijke het lagere en misschien zelfs minderwaardige wordt.

Het natuurlijke en het geestelijke (verstaan) naar de Schrift behoren bijeen: het geestelijke betekent niet de verdwijning van het natuurlijke, evenmin als de tijd van de Geest de verdwijning van het vlees zou betekenen. Ook in de volmaking bestaat het vlees ten volle; de kerk van alle eeuwen heeft dit beleden met “ik geloof de opstanding van het vlees” (“het vlees” hier in de betekenis van “ons lichaam” – AJ).

De erfenis der wereld is dan ook niet iets “geestelijks” in tegenstelling tot het “natuurlijke”. Zij is niet een andere onstoffelijke wereld, maar zij is de vernieuwde schepping, met bomen en planten, en mensen van vlees en bloed. Want als de Schrift leert, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet zullen beërven, duidt dit op de periode van het vlees, het natuurlijke dat eerst is. Evengoed als de term “geestelijk lichaam” niet kan doelen op iets onstoffelijks, maar op mensenleven, dat in volmaking de tweede periode der historie heeft bereikt. Het lichaam van Jezus Christus is een geestelijk lichaam, en wij noemen het “ons vlees in den hemel”. (Zie o.a. 1 Korintiërs 15 : 35-58)

Van hoe grote betekenis dit “natuurlijke” wel is, zien we in de geschiedenis van de jonge christelijke kerk. in alle gemeenten, die door de apostelen werden gesticht, waren Christenen uit de Joden en uit de heidenen. De Joden hadden in die gemeenten een onvervangbare taak: zij moesten die christenen uit de heidenen — niet, judaïstisch, tyranniseren en moedeloos maken — maar als ware, nederige natuurlijke én geestelijke kinderen van Abraham de christenen uit de heidenen dienen met hun zoveel diepere kennis van Gods Woord.

Zij moesten die pas bekeerde heidenen opvoeden tot volwaşsen christendom. Zij hebben dat gedaan, en hun getrouwheid is een middel geweest, waardoor Christus Zijn kerk gebouwd heeft. Hun taak ging nog verder: zij moesten in die gemeenten opgaan, er moesten huwelijken gesloten worden tussen de kinderen van de Christenen uit de Joden en die uit de heidenen. Zij mochten zo’n huwelijk niet onrein achten, en er zijn er velen geweest, die deze roeping hebben verstaan.

Bron: “Eerst de Jood maar ook de Griek” van prof. dr. K.J. Popma

Zie ook: Het Joodse volk: kinderen naar “het vlees”?

Bron afbeelding:   Online Bible – Knowing Jesus

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

In den beginne was het Woord…

Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien
en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt,
dat verkondigen wij: het Woord dat leven is.‘ (1 Johannes 1)

Het opzoeken van grenzen…

Citaat 1: “Het afbreken van beelden hoort wat mij betreft ook fundamenteel bij het christendom: een gekruisigde die Gods verhevenheid zou verbeelden! We zijn gebaat bij het opzoeken van grenzen, het afbreken van godsbeelden, tot tegen de heiligschennis aan. In de Bijbel zegt God steeds weer: ook dát beeld van mij is onjuist, ook zó ben ik niet. God woont niet in de tempel die wij voor hem bouwen.” (1)

Opgemerkt: Het afbreken van ónze godsbeelden gebeurd dagelijks en wekelijks wanneer we eerbiedig Gods Woord lezen en overdenken samen met de Kerk van alle eeuwen en alle plaatsen. Wij mensen – ook wij christenen – maken ons veel gemakkelijker en sneller en eerder ‘wereldse (denk)beelden’ (‘wereldwijsheid’) eigen dan de wijsheid ons aangeboden en geleerd door Gods Woord. Want Die laatste vraagt iedere keer weer van ons dat we ons zullen vernederen, terwijl wereldwijsheid ons juist oproept om ‘prat te gaan’ op wat wij mensen inmiddels ‘in huis’ hebben – en lees voor ‘huis’ gerust ook ‘de/onze gemeenten/kerken’.

Citaat 2: Het is als met een kind. Als een kind om zich heen ziet, zonder taal, zonder duiding, gaat het de werkelijkheid niet echt waarnemen, kan het de dingen níet onderscheiden, kan het geen verbanden zien en kan het de dingen al helemaal niet op waarde schatten. Taal vormt de geest. En geest kan niet zonder duiding, zonder taal. Het is als met kunst. Als iemand uitleg geeft bij een schilderij ‘ziet men opeens wat het schilderij (cq de schilder) tot uitdrukking brengt, wil ‘’zeggen’. Duiding is voor ‘kennis’ allesbepalend. Een kind gaat door duiding zien, het ‘kent’ daardoor, het krijgt vat op de dingen. Taal is daarvoor de intermediair.
Dat geldt niet voor alle taal. Als een kind een taal hoort zonder duiding, maar slechts louter klanken, gaat het de taal niet begrijpen. Er moet ‘betrokken’ en in liefde worden gesproken. Wanneer een kind een computer of een papagaai dingen hoort zeggen, haken de woorden níet aan. Er blijft een discrepantie bestaan tussen de geest van het kind, de werkelijkheid om het kind heen en de ‘taal’ die ‘gesproken’ wordt. (Klik hier voor het lezen van betreffende artikel in z’n geheel – de hele serie, gepubliceerd in ‘Ecclesia‘, is een aanrader! )

Bron citaat 1: Trouw/deVerdieping (via Blendle) – ‘Kerk, geef de kunst meer ruimte’ door Sjoerd Mulder (1)

Bron citaat 2: Ecclesia nr 2 januari 2020 – ‘Om de ziel van de jongere (XII)’ door dr. H. Klink (Hoornaar).

(1) Wordt kunst door de kerk wel voldoende gewaardeerd, vraagt het theologisch elftal zich af. Wat deze theologen betreft mag er wel meer lef worden getoond als het om kunst gaat. ‘We zijn gebaat bij het opzoeken van grenzen.’

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

De Bijbel (Joods) leren lezen… (slot)

Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven
om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel
verzoening zal doen.
‘ (Leviticus 17 : 11, SV)

(…) Iets anders, wat Kurtz wel toegaf, was dit. Men had soms wel wat teveel uit het oog verloren, dat het offerdier strikt genomen niet de offeraar afbeeldde, de man die het offer bracht, maar de Christus. Herhaaldelijk wijst Kurtz deze fout aan. Dat was hierom geheel mis, omdat de offeraar natuurlijk niet verzoend werd door zijn eigen bloed. Als werd dit symbolisch voorgesteld. Nee, maar juist door ander bloed dan het zijne. Bloed, dat God hem op het altaar gegeven had. En dat zei Leviticus 17 : 11 wel.

Het Lam voor ons geslacht

Blijkens de Schrift strekt het onze Heere Jezus Christus tot eeuwige eer, dat Hij voor ons is geslacht, Openbaring 5 : 6, 9, 12, 13 : 8. Derhalve gaat het niet aan te menen, dat juist dit slachten van Hem, én van de Hem afschaduwende offerdieren van de Wet, Hebreeën 10 : 1, slechts iets bijkomstigs is geweest.

Onze rechtvaardiging (=onze vrijspraak, onze schuldvergiffenis) wordt bepaald ook toegeschreven aan Christus’ overlevering. Nu, waartoe had die overlevering anders plaats dan tot de dood. Vandaar dat de Schrift zegt, dat onze Zaligmaker “is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging“, Romeinen 4 : 25.

Het spreekt vanzelf, dat wij over Leviticus 17 : 11 nog niet uitgesproken zijn. We hebben met de bespreking van die inderdaad zeer leerzame plaats nog maar een begin gemaakt. We gaan daar nu mee verder. En omdat Bähr over deze Schriftplaats ondanks alles toch ook nog weer zulke hele beste dingen gezegd heeft, zullen we bij onze bespreking ervan nu zijn methode volgen. Kurtz deed het ook.

Bähr gaf zich namelijk bij deze Schriftplaats rekenschap van de volgende 4 vragen.

  • Ten 1e: Welke plaats nam bij de offeranden het bloed in? We hebben onze lezers reeds laten zien, welk antwoord Bähr op die vraag gaf. Dat antwoord viel tegen. Want Bähr gaf aan het bloed van het offerdier zulk een allesbeheersende plaats, dat er voor het slachten en doden van het dier totaal geen betekenis meer overschoot. Maar nu zijn die resterende vragen en antwoorden.
  • Ten 2e: Wat deed het bloed? Antwoord: Verzoenen.
  • Ten 3e: Wie verzoende? Antwoord: God.En wie werd verzoend? Antwoord: Niet God, maar de mens.
  • Ten 4e: Hoe gebeurde dat? Antwoord: nèfesj voor nèfesj.

Met het oog op de laatste (Hebreeuwse) woorden delen we ook nog mee, dat Bähr van Leviticus 7 : 11 de volgende vertaling gaf (die wij zo vrij zijn als volgt uit het Duits over te zetten): Want de ziel (nèfesj) van het vlees is in het bloed, en Ik heb het ulieden (u/jullie) gegeven voor het altaar, om uw zielen (nafsjoteekem) te verzoenen (lekappeer) want het bloed verzoent door de ziel (bannèfesj).

(Einde citaten – wordt hier niet meer vervolgd!).

(1) Zie ook ‘De Bijbel (Joods) leren lezen… (I)‘ en (II)

Bron tekst:  ‘De Voorzeide Leer – deel 1b – Leviticus §20 De Offerthora‘ door ds C. Vonk (1904-1993)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Geroepen om in vrede te leven…

Bedenk echter dat u door God geroepen bent om in vrede te leven.
(Uit 1 Korintiërs 7)

ALLEEN TE VINDEN IN ‘HET GROTE SPROOKJESBOEK’?!

(…) Uiteindelijk denk ik dat een relatie tot de dood ons scheidt een uitstervend fenomeen is dat thuishoort in het grote sprookjesboek en het niet de liefde is die kan mislukken, maar de scheiding. Goed uit elkaar gaan, dat is pas een prestatie waarin slechts weinigen slagen. En daar, in het loslaten van elkaar, wordt pas zichtbaar hoeveel liefde en respect er gedurende het huwelijk geweest is.

Geciteerd uit ‘het grote sprookjesboek’:

(…) 8 Wat de weduwen en weduwnaars betreft, zeg ik dat het goed voor hen zou zijn alleen te blijven, zoals ik. 9 Maar wanneer ze dat niet kunnen opbrengen, moeten ze trouwen, want het is beter te trouwen dan te branden van begeerte.

10 Degenen die getrouwd zijn geef ik, nee, niet ik – de Heer geeft hun het volgende gebod: een vrouw mag niet scheiden van haar man 11 (is ze al gescheiden, dan moet ze dat blijven of zich met haar man verzoenen), en een man mag zijn vrouw niet wegsturen.

12 Verder geef ik zelf nogniet de Heer – het volgende voorschrift: wanneer een broeder een ongelovige vrouw heeft die bij hem wil blijven, mag hij niet van haar scheiden. 13 Dit geldt ook voor een zuster: wanneer ze een ongelovige man heeft die bij haar wil blijven, mag ze niet van hem scheiden. 14 Want de ongelovige man behoort dankzij zijn vrouw God toe en de ongelovige vrouw dankzij haar man eveneens. Zou dat niet zo zijn, dan zouden uw kinderen onrein zijn. Maar nu zijn ze geheiligd. 15 Maar als de ongelovige partij wil scheiden, moet dat maar gebeuren; in dat geval is de broeder of zuster niet gebonden.

Bedenk echter dat u door God geroepen bent om in vrede te leven. 16 Wie weet, u zou uw man toch kunnen redden? En wie weet, u kunt uw vrouw toch redden?

(…) 20 Laat ieder blijven wat hij was toen hij geroepen werd. 21 Wanneer u als slaaf geroepen bent, moet u dat niets kunnen schelen (hoewel u de kans om vrij te worden zeker moet benutten). 22 Want een slaaf die door de Heer geroepen is, is een vrijgelatene van de Heer, zoals degene die als vrij man geroepen is een slaaf van Christus is. 23 U bent gekocht en betaald, dus wees geen slaven van mensen. 24 Laat, broeders en zusters, ieder voor God blijven wat hij was toen hij geroepen werd.

(…) 27 Hebt u een vrouw beloofd met haar te trouwen, verbreek die belofte dan niet; bent u niet gebonden aan een vrouw, zoek er dan ook geen. 28 Het is weliswaar niet zo dat u door te trouwen zondigt, en ook wanneer een meisje trouwt zondigt ze niet, maar het huwelijk wordt een zware belasting die ik u graag zou besparen.

29 Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dat er maar weinig tijd rest.

    • Laat daarom ieder die een vrouw heeft zo leven dat het hem niet in beslag neemt,
    • ieder die verdriet heeft zo dat hij er niet door wordt beheerst,
    • ieder die vreugde voelt zo dat hij er niet in opgaat,
    • ieder die bezit verwerft alsof het niet zijn eigendom is,
    • ieder die in deze wereld leeft alsof ze voor hem niet meer van belang is.

Want de wereld die wij kennen gaat ten onder. 32 Ik zou willen dat u geen zorgen hebt. Een ongetrouwde man draagt zorg voor de zaak van de Heer en wil de Heer behagen. 33 Een getrouwde man draagt zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen, 34 dus zijn aandacht is verdeeld…

Bron citaat: (bovenaan): AD (via Blendle) – ‘Mislukken in de liefde bestaat niet’ door Saskia Noort

Bron Bijbeltekst: 1 Korintiërs 7 (NBV, NBG)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

De Bijbel (Joods) leren lezen… (II)

En Hij zei tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen/schepselen.‘ (Markus 16 : 15)

(…) We hebben aan Kurtz een biografische inlichting omtrent Bähr te danken. (1) Uit eerder werk van Bähr was al gebleken dat hij een “antipathie” had tegen de “Satisfactionslehre” (vertaald: tegen de leer van verzoening op grond van voldoening). Te vrezen was daarom dat deze antipathie van Bähr tegen de kerkelijke leer van Christus’ borgschap hem parten zou spelen bij het bestuderen van de Wet en met name de Wet inzake de offers.

Helaas was deze vrees van Kurtz niet beschaamd. Ten gevolge van een bepaalde dogmatische visie op het werk van Christus had de anders zo heldere en doordringende blik van Bähr niet gezien wat volgens Kurtz iedere onbevangen lezer van de Wet moest opmerken: een “satisfactio vicaria” (vertaald: een plaatsvervangende voldoening)

(…) En natuurlijk maakte Kurtz dezelfde opmerking, die onze lezers ook allang nuchterweg bij zichzelf zullen hebben gemaakt, namelijk dat Bähr z’n hele theorie deed rusten op een spitsvondigheid. Men kan immers die twee, het slachten van het dier en het vergieten van z’n bloed, wel logisch onderscheiden, maar in de praktijk zijn ze onmogelijk te scheiden.

Wanneer het bloed van een mens of dier vergoten wordt, worden zij gedood. Het beroep van Bähr op Hebreeën 9 : 22, waar als regel gesteld wordt, dat er geen vergeving is zonder bloedstorting, was ook geen argument dat hout sneed. Men kan gerust toegeven, dat bij het slachten de bloedvergieting het meeste indruk maakte. Door haar werd het dodelijk effect veroorzaakt.

Vandaar dat de Schrift op dat bloedvergieten zo de nadruk legt. Op dat bloedvergieten. Maar dat kon zonder slachten en doden nu eenmaal niet plaatsvinden…

(…) Wij zijn van oordeel dat niemand zich aan onbehoorlijke fantasie schuldig maakt, die én achter de offers van Kaïn en Abel, en achter dat van Noach na de zondvloed, Genesis 8 : 20, én achter de ontelbare offers, waarvan ook zeer oude buiten-Bijbelse berichten reeds spreken, een instelling van God zelf veronderstelt en aanneemt. En wel zulk een offer, waardoor de mens gelegenheid ontving zijn geloof te belijden in Gods belofte van herstelde gemeenschap met Hem in de weg van de overgave door Hem van de beste uit de mensen in de dood.

Die vreselijke dood van een méns af te beelden in het offer van een diér, heeft God blijkbaar reeds vroeg toegestaan. De allereerste mensheid heeft geen verlof ontvangen een dier te doden anders dan voor het offer. Dat blijkt uit het bericht dat God pas na de zondvloed het slachten van dieren heeft toegelaten nu ook voor consumptie (Zie Genesis 9 : 2-4)

(…) Maar ook toen de consumptie van het dier werd toegestaan verlangde God dat het respect voor een levend wezen niet onder de mensen zou verdwijnen. Daarom zou toch het bloed van zo’n voor de consumptie geslacht dier niet als voedsel mogen worden genuttigd.

(wordt vervolgd!)

(1) Zie ‘De Bijbel (Joods) leren lezen… (I)‘ en (Slot)

Bron tekst:  ‘De Voorzeide Leer – deel 1b – Leviticus §20 De Offerthora‘ door ds C. Vonk (1904-1993)

Bron afbeelding:  SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

De Bijbel (Joods) leren lezen… (I)

(…) 20 Dit moet gij vooral weten, dat geen ​profetie​ der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; 21 want nooit is ​profetie​ voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de ​heilige​ Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken. (Uit 2 Petrus 1)

‘Het hart van de Torah’

Citaat 1: Ds. Gijsbertsen (1) verbaast zich erover dat de kerk het boek Leviticus zo vaak geheel links laat liggen. Het boek is voor hem zelfs „het hart van de Torah.” Het probleem is echter dat de kerk de Levitische offers geïnterpreteerd heeft als de offers van de heidenen, die hun goden gunstig moesten stemmen.

Het is volgens ds. Gijsbertsen in feite blasfemie als we zo met God omgaan. „Het gaat in de offers om heiliging en toewijding aan God. De offers getuigen juist van een innige relatie met God. Wie met God leeft, wil dat de relatie met Hem open en zuiver blijft. Je hebt Hem nooit verdriet willen doen, je bent Hem immers toegewijd.”

Zo zocht God ook niet Jezus’ dood als in een heidense offercultus. „Nee, het ging om Jezus’ leven als één en al toewijding aan de Heere God. Alleen in Christus, als de door God geschonken Messias van Israël en Redder van de wereld, zijn mensen vrij. Maar als Christus niets anders beminde dan Gods Woord, de Torah, dan willen christenen ook Zijn Bijbel zo lezen.”

Opgemerkt AJ: Het lijkt erop dat ds. Gijsbertsen o.a. de vroegere uitleggers dr. Karl Bähr (1801-1874) en dr. Friedrich  en Schleiermacher (1768-1834) wil volgen in hun uitleg van de Oud Testamentische offers.  In het boek ‘Leviticus‘ van ds. C. Vonk (1904-1993) wordt deze uitleg niet gevolgd. Hierna volgen een aantal citaten uit dit boek dat verscheen in de serie ‘De Voorzeide Leer‘.

Citaat 2: (…) Reeds tijdens zijn leven is Bähr (in zijn opvattingen over de offerdienst) niet onweersproken gebleven. De geduchtste tegenstander van Bährs uiteenzettingen over Israëls offers is zeker wel geweest J.H. Kurtz. Iemand die van 1809-1890 leefde. Reeds als kerkhistoricus niet onvermaard. Maar hij heeft zijn sporen vooral verdiend op het gebied van de verklaring van het OT. Van zijn talrijke geschriften dienaangaande noemen we hier alleen de grotere, namelijk “Das Mosaïsche Opfer” (1842) en “Der AT-liche Opferkultus nach seiner gesetzlichen Begründung und Anwendung” (1862).

Ds. Vonk schrijft even later: Wij voelen ons bij het debat tussen Bähr en Kurtz onmiddellijk geïnteresseerd. Wij voelen immers, dat het hierin ging om de dood van Christus. Immers de Schrift is één en het Evangelie is één. Wanneer er volgens het OT, bepaald dan volgens de Thora, geen sprake was van een symbolisch plaatsvervangend lijden en sterven van het offerdier voor de offeraar, dan is er volgens het NT ook geen sprake van een reëel lijden en sterven van het offerlam Jezus Christus geweest.

Wanneer wij straks het geding tussen Bähr en Kurtz met gespannen aandacht gaan volgen, doen we het niet om sportieve, zij het ook denksportieve, redenen, omdat we het schouwspel wel boeiend vinden, dat zich aan ons vertoont, wanneer het knap geschreven werk van de ene geleerde onder handen genomen wordt in niet minder leerzame geschriften van de ander.

Wat ons boeit is ons eigen belang bij de waarheid van het Evangelie zoals het ons van jongsaf verkondigd is: geen vrede met God dan door de dood van Zijn Zoon.

(Wordt vervolgd!)

lees ook:  De Bijbel Joods leren lezen…(II) en (Slot)

(1) De Bijbel komt van a tot z uit Joodse bron, vindt ds. Bart Gijsbertsen. „Toch is in de kerk als geheel, wereldwijd, weinig te merken van een bekering van een Israël-loze Bijbeluitleg.” Dat stelt ds. Bart Gijsbertsen in zijn boek ”Van zilveren sporen. Een gang door het synagogale jaar met een oor naar de kerk” (uitg. Van Warven, Kampen). Met de verschijning van dit boek rondt de auteur een drieluik af, voorafgegaan door ”Een heidense uitdaging” (2015) en ”Luisteren bij maanlicht” (2019).

Bron citaat 1:  RD Kerk & religie – ‘Ds. Bart Gijsbertsen: Kerk legt de Bijbel nog steeds a-Joods uit’ door Klaas van der Zwaag

Bron citaat 2:  ‘De Voorzeide Leer – deel 1b – Leviticus §20 De Offerthora‘ door ds C. Vonk (1904-1993)

Bron afbeelding: Heartlight

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

De ‘helse macht’ van het geweten…

En toen wij in de herberg kwamen en wij onze zakken opendeden, zie, toen was ieders geld boven in zijn zak in het volle gewicht, daarom hebben wij het weer teruggebracht’ (Genesis 43 : 21, weergave DB 1545)

Een kwaad geweten  (1 en 2)

Luther spreekt in zijn uitgebreide verklaring van Genesis (1535-1545) in hoofdstuk 43 over het kwade geweten van de broers van Jozef tijdens hun tocht naar Egypte, waarheen zij Jozef als slaaf hadden verkocht.

(…) “Een kwaad geweten legt immers het allerbeste uit als het allerergste. Iets dat overeenkomstig de natuur van de zaak aangenaam en liefelijk is, dat verandert een kwaad geweten in alsem en bittere gal. Ja, alle schepselen die voor ons tot nut en vreugde geschapen zijn, stelt het voor als zouden die alle tegen ons zijn. Op deze manier is een kwaad geweten ook tegen God gezind. Want als Hij ons toelacht, en vriendelijk en genadig is, vreest het toch voor Zijn straf, en houdt het ervoor dat Hij met ons strijdt en op ons toornt.

Daarom is het een voortreffelijk woord van een broeder in ons klooster geweest, toen hij tegen hen die bedroefd en verschrikt waren, gewoon was te zeggen: ‘God toornt niet met jou, toorn jij niet met Hem, want jij toornt veelmeer met Hem, dan Hij met jou.’

De zielen, die vanwege vrees en angst verschrikt zijn, ervaren de toorn van God inderdaad niet anders dan op deze manier. Want een onrein hart kan God niet zien. Dat zegt Christus ook in Mattheüs 5 vers 8:  ‘Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.’ Daarom zijn het de aller onzaligste mensen, die geen rein hart hebben: want zij zien God niet, maar zij menen dat zij de duivel zien of horen, wanneer zij over God denken, spreken of horen.” (a,b)

Zó kan aan een kwaad geweten in tijden van aanvechting niets goeds of vrolijks worden voorgesteld en aangeboden dat het niet omkeert, zodat de mens daaruit niets anders dan vrees, pijn en schrik gewaarwordt. Ja alle dingen kunnen in tijden van aanvechting slechts tegen ons getuigen en tegen ons strijden. (b)

Als dan het geweten eindelijk neerligt en geheel verslagen is, dan kan de hele wereld het niet weer oprichten. Want het is de dood van de ziel: en verslagen gewetens oprichten is niets anders, dan doden opwekken. Dit kan alleen gebeuren door het predikambt of het mondelinge Woord dat de kerk heeft en gebruikt.

Het geweten is een veel groter ding dan hemel en aarde. Het is door de zonde verslagen* en door het Woord van God wordt het weer opgericht. Daarom moeten wij met alle vlijt werkzaam zijn, dat wij van dit kwade en helse, wilde dier worden gered. Want als dit dier er niet zou zijn, dan zou de hel geen vuur en hitte hebben en ons ook niet kunnen pijnigen en kwellen. (b)

Dit wilde dier echter ontsteekt het helse vuur en geeft de hel en de dood haar kracht en wapent de hele schepping tegen ons. Want daar toornt al het geschapene tegen ons, en geeft ons droefheid, verstoring en verschrikking. Dat gebeurt – hier in en door dit gewetensgeweld en deze gewetensnood! AJ – niet vanwege de schepping op zich, die goed is, en ons niet dreigt of beschadigt, maar het is vanwege onze eigen schuld dat we zo verschrikt zijn en voor de schepselen vluchten.

Zie ook (vervolg):  ‘De “helse macht” van het geweten… (vervolg)

Maarten Luther: Die Auslegung des ersten Buchs Mosis, des 43. Capitels. Vgl. W(1) 2, S. 2342 / S. 2343-44

Opgemerkt AJ:
* De wet doet zonde kennen. (Zie Romeinen 7)
(a) Niet onrein vanwege de zonde en zonden – want dat geldt voor iedereen! – maar het is vanwege ongeloof niet rein of het wordt door ‘kleingeloof’ – omdat het de genadige vergevingsgezindheid van God niet (meer of nog niet) ziet – als niet gereinigd beschouwd.
(b) Luther kende deze kwelling van het geweten en de helse uitzichtloosheid en benauwenis ervan, namelijk wanneer het geweten wel de eeuwige Goddelijke toorn tegen het kwaad en de eigen zonden gelooft en erkent, maar de Goddelijke genade zoals geopenbaard in het Evangelie niet (meer of nog niet) kan/durft zien en geloven en aanvaarden. Zoals ook de broers van Jozef niet konden geloven dat de Egyptische onderkoning (nog) gunstig over hen zou denken en meenden dat hij die wandaad hen zeker zou aanrekenen en hen daarvoor straffen.

Bron tekst: http://www.maartenluther.com (contact zoals vermeldt op de homepage en van deze website: info@maartenluther-citaten.nl). Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van genoemd e-mailadres.

1 Een psalm van ​David, een dringend ​gebed.
2 Wees niet vertoornd, HEER, straf mij niet,
bedwing uw woede, sla mij niet.
3 Diep zijn uw ​pijlen​ in mij gedrongen,
zwaar is uw hand op mij neergedaald.
4 Door uw toorn is niets aan mijn lichaam nog gaaf,
door mijn ​zonden​ is niets van mijn gebeente nog heel.
5 Mijn schuld steekt hoog boven mij uit,
als een zware last, te zwaar om te dragen.

(Uit Psalm 38)

Bron afbeelding:  SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

De ‘Honderdguldenprent’ van Rembrandt…

Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen.‘ (Hebreeën 11:6)

Rembrandt - HonderdGuldenPrent

Honderdguldenprent (klik hier voor grote afbeelding Wikipedia)

De Honderdguldenprent is de beroemdste ets van Rembrandt. Deze prent dankt zijn naam aan het legendarische verhaal, dat Rembrandt eens honderd gulden moest betalen om een exemplaar van zijn eigen ets te kunnen kopen.

Wat is nu het aparte van deze ets? Dat hij alle gebeurtenissen van één Bijbelhoofdstuk in één momentopname samenvat! Het gaat hier om Mattheüs 19. Kijk en vergelijk!

En vele scharen volgden Jezus, en Hij genas hen. (vers 1 -2)
Vanuit een donkere poort (rechts) komt een lange stoet mensen. Ze zijn getekend door ziekte, verdriet en handicaps. Zij zoeken een weg naar het Licht. Hun leven is één schreeuw om hulp. Zij verwachten alles van de Man in het midden. De gevouwen’handen van de twee figuren midden voor op de plaat en de zoekende hand van de blinde die op het stro ligt – spreken ze niet voor zichzelf?

En er kwamen Farizeeën tot Hem… (vers 3-12)
Zij staan uiterst links op de ets. Maar zij wenden zich van Jezus af. Hun gezichten en gebaren spreken duidelijke taal: ze weten het beter. Dit is de enige groep die buiten het licht van Christus staat. Het licht waarin zij staan is een ander licht, een koud licht, het licht van hun zelfverzekerdheid. De één glimlacht ironisch, een ander denkt na.

Toen werden kinderen tot Hem gebracht… (vers 13 en 14)
Midden-links zien wij twee moeders met een baby op de arm. De meest linkse aarzelt nog, maar haar enthousiaste zoontje trekt haar naar Jezus toe: een spontaan gebaar van vertrouwen. Petrus (met de baard) wil de voorste moeder tegenhouden. Maar Jezus weert Petrus af met zijn rechterhand en nodigt daarmee tegelijk de vrouw uit dichterbij te komen: Laat de kinderen tot Mij komen!

Tussen de moeders en de Farizeeën zit de rijke jongeman. Over hem gaat het in vers 16-26. Je moet echt even turen om hem te ontdekken… Met de hand voor zijn mond zit hij verslagen voor zich uit te staren. Een levend bewijs, dat een rijke in werkelijkheid heel arm kan zijn. Terwijl de kinderen nog niet en de zieken niet meer aan de wereld gebonden zijn, is hij een slaaf van zijn bezit geworden. Over hem zegt Jezus: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan (vers 24). Naar deze uitspraak verwijst de kameel die, uiterst rechts, door de poort het toneel op loopt.

En dan is er nóg iemand. Dat is de dikke man met de brede rug, links vooraan. Met beide benen op de grond, een grote baret op het hoofd. Als je naar zijn postuur kijkt, weet je het al: echt iemand die het gemáákt heeft in het leven. Hij is niet voor en niet tegen. Hij heeft alleen maar een geamuseerde glimlach over voor wat er om hem heen gebeurt. De eeuwige toeschouwer.

En dan is er… Jezus. Het enige bijzondere aan Hem is, dat Hij in het middelpunt staat. Als een verticaal accent staat Hij centraal op de compositie. Er straalt iets van Hem uit: genade en vrede. Er gaat een stil appèl van Hem uit. En dan zijn er twee reacties: de mensen bewegen zich naar Christus toe (de zieken en de kinderen) óf zij keren zich van Hem af (de Farizeeën en de rijke jongen). En .. .wie denkt dat hij neutraal kan blijven (de toeschouwer) wordt meegesleept door hen die weggaan.

Jezus heeft in zijn houding niets imponerends, niets dwingends. Het is vooral een uitnodigende houding: Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven (Matt. 11:28).

God komt niet met veel lawaai en show in deze wereld, maar als een Knecht die dient. Nederig. En zó, als de Liefdevolle, als de Barmhartige, als de Gekruisigde, roept Hij ons op tot een keuze.

Waar staat u, waar sta jij op het schilderij?

Auteur:  J. Riemersma, Sliedrecht
Bron: W.A. Visser ’t Hooft: Rembrandts weg tot het Evangelie. Amsterdam, 1956.

Overgenomen uitEcclesia nr 2 – januari 2016 – 107e jaargang.

Hoe wij geloven en bidden zullen

En wat u bidden zal in Mijn Naam, dat zal Hij u geven. Christus voegt duidelijk deze woordjes – in Mijn Naam – toe, om ons te leren, dat er zonder geloof geen goed gebed gedaan kan worden en dat buiten Christus niemand een letter kan bidden die voor God waarde heeft of Hem aangenaam is. De ongelovigen en de geveinsden bidden allemaal met de gedachte, dat God hun eigen werken of de verdienste of de heiligheid van anderen zal aanzien en hen daarom verhogen en kronen moet. De huichelaar bidt: Ik dank U, Heere, dat ik niet ben als de andere mensen…, net alsof hij zeggen wil: ‘Ik heb Uw genade en barmhartigheid niet nodig, maar heb die wel verdiend.’ Hij wil niets van God ontvangen, maar wel wat aan Hem geven! Hij denkt dat God hem moet belonen en verheugd is dat Hij zo’n heilige man als vriend heeft. Maar in de hemel spreekt God zijn NEE over dit gebed uit. Hij wil het gebed van niemand horen en aannemen, dan alleen dergenen die op grond van louter genade en barmhartigheid, in de Naam van Christus, tot Hem komen en met de tollenaar zeggen: O God, wees mij zondaar genadig!

Maarten Luther: Das XIV. und XV. Kapitel S. Johannis, 1538, vgl. WA 45, 541, 10-23

Bron tekst: checkluther-com – ‘Uit de diepten roep ik tot U. Dagboek bij de Bijbel‘ (uitg. Den Hertog, Houten)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Toen het bewijsstuk werd uitgewist…

Hij is door God aangewezen om door Zijn dood het middel tot verzoening te zijn
voor wie gelooft’ (Uit Romeinen 3 : 25-26)

De letter doodt… (III)

Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
(2 Korintiërs 3 : 6)

(…) “We moeten ook begrijpen wat de andere woorden van onze tekst betekenen:‘ maar de Geest maakt levend ’ [2 Korintiërs 3 : 6]. Dit is niets anders dan het heilige Evangelie, een heilzame, reddende prediking en een liefelijk, troostend Woord, dat het verdrietige en mistroostige hart troost en verfrist, het uit de kaken van dood en hel bevrijdt en het de zekere hoop op eeuwig leven geeft in het geloof van Christus.

Wanneer het uur van onze dood komt en het oordeel van God onder ogen moet worden gezien, dan vindt ons hart geen vertrouwen in de werken. Integendeel, zelfs als iemand het beste van alles heeft geleefd, beaamt het de woorden van de apostel Paulus: ‘Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd.’ [1 Korintiërs 4 : 4].

Deze woorden van Paulus betekenen eenvoudig dat we alle vertrouwen in onszelf of ons leven zullen loslaten, dat we ons ‘eigen ik’ gedood hebben, zodat het hart zegt: ‘Ik ben niet gerechtvaardigd noch gered door en vanwege dit alles’, want ons leven is toch niets anders dan een sterven en verdoemd worden (toch niet anders dan een ‘gestadige dood * zoals beleden wordt in ons gereformeerde Doopformulier).

Maar de Geest grijpt verlossend in en tilt ons op door het geloof van het Evangelie, dat zegt (net zoals St. Bernardus sprak in het uur van zijn dood):

Lieve Heer Jezus, ik weet dat zelfs als ik hier op z’n allerheiligst heb geleefd, ik toch ook altijd weer doemwaardig heb geleefd.’ Maar troost vind ik hierin dat U voor mij stierf en mij besprenkelde met het bloed dat vloeide uit Uw heilige wonden. Ik ben in Uw Naam gedoopt en heb het Woord gehoord, waardoor U mij riep, mij genade en leven schonk en mij vertelde te geloven. Vertrouwend hierop zal ik dit leven verlaten, en dus niet met onzekere en angstige twijfels die me doen zeggen: ‘Wie kan weten welk oordeel God in de hemel over mij zal uitspreken?’

Nee, een christen zou dat laatste nooit moeten zeggen. Aangezien het vonnis over ons werken en leven al lang geleden door de wet werd uitgesproken, waardoor wij allen schuldig en veroordeeld staan voor God. Een christen leeft echter vanuit het genadige oordeel dat God vanuit de hemel boven en tegen het oordeel van de Wet heeft gegeven:

Wie in de Zoon van God gelooft, heeft eeuwig leven’ (Johannes 3 [: 36]).

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 22, S. 227/228 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, vol. 79, p. 33/34)

* Met het formulier bidden we voor de kleine kinderen, dat zij de Heere zullen aanhangen met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde. Opdat zij dit leven – toch niet anders dan een gestadige dood – getroost zullen verlaten, en op de grote dag van Christus zonder verschrikken voor Hem gesteld zullen worden. Het is goed om te overwegen, dat de woorden over het leven als een voortdurende dood staan in het verband van het getroost verlaten van het leven en het zonder verschrikken verschijnen voor Christus. Deze dingen hangen met elkaar samen! Het gaat hier over leven uit Christus, en sterven met Hem, en in vrede verschijnen voor Hem. Wel een overstelpende volheid, dacht u niet?
(Bron: Digibron – Kenniscentrum gereformeerde gezindte: Een gestadige dood?)

Zie ook:  ‘De letter doodt I en II

NB. Deze Luther-quotes zijn een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) 19 Omdat wij nu, broeders, volle vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het ​heiligdom​ door het bloed van ​Jezus, 20 langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, 21 en omdat wij een grote ​Priester​ hebben over het huis van God, 22 laten wij tot Hem naderen met een waarachtig ​hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons ​hart​ gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met ​rein​ water.* 23 Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw. 24 En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot ​liefde​ en goede werken. 25 Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer nu u de grote dag ziet naderen. (Uit Hebreeën 10)

* Zie 1 Petrus 3 : 21-22

Bron afbeelding:  SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie