Onze voorgangers niet ‘op een schild heffen’!*

Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat zo wat gij van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.‘ (Johannes 15 : 16)

Zie ook:
‘Gebed van Habakuk’ in Habakuk 3 : 2 

Dit zijn de deugden van een vrome predikant en prediker: hij maakt Gods Koninkrijk groter, hij vult de hemel met heiligen, hij plundert de hel, berooft de duivel, weert de dood af, houdt de zonden in bedwang en onderwijst en troost bovendien de wereld, ieder in zijn eigen positie. Hij bewaart vrede en eenheid, voedt het jonge volk op en plant allerlei deugden in de mensen. Kortom, hij schept een nieuwe wereld en bouwt niet aan een vergankelijk en armoedig huis, maar aan een eeuwig, mooi paradijs, waarin God Zelf graag woont. Daarom is geen goud- of zilvermijn in een land met deze schat te vergelijken.

Bron citaat:  checkluther-commeditatie 27 juli 2020 – Luther Heritage Foundation (Veenendaal)

(…) 7 Denk aan uw leiders, die het woord van God aan u hebben verkondigd, neem een voorbeeld aan hun geloof en kijk vooral goed hoe hun levenswandel eindigt. 8 Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid! (Uit Hebreeën 13)

*  Tegen deze achtergrond bezien is het begrijpelijk dat ‘iemand op het schild heffen’ de figuurlijke betekenis ‘hem of haar een hoge rang en/of groot aanzien verlenen’ ontwikkelde. Ook Romeinse keizers zijn op deze manier in de hoogte gestoken. De eerste moet Julianus de Afvallige zijn geweest. (Wat een ironie! AJ)

Opgemerkt AJ: We beseffen wel – m.n. vanwege dat latere boekje ‘Von den Juden und ihren Lügen’ –  dat Maarten Luther niet te vergelijken is met de apostel Paulus waar het z’n nagelaten geschriften betreft. Ik durf wel van dit boekje en ook zijn andere geschriften over de Joden (m.i. ook wel ‘de val’ van Maarten Luther te noemen) te zeggen: ‘dat moest zo gebeuren.’ En wel m.n. vanwege de aanhangers/volgelingen van Maarten Luther. Want hoe graag maken wij van mensen niet ‘heiligen’ en/of verheffen we hen tot ‘pausen’. (1)

Dat zullen we Maarten Luther
toch nageven dat hij ons altijd voor het eer geven aan mensen – ook aan de persoon Maarten Luther! – heeft gewaarschuwd op grond van Gods Woord. Dat ook hij ‘maar’ een huurling was, die als het er op aankwam kon of moest vluchten.  Dat men hem daarin toen en later niet goed beluisterd en begrepen heeft is ons (m.n. de leden van de reformatorische kerken) zeer tot schade geweest en geworden en nog, namelijk wanneer we niet in praktijk brengen dat wij niet mensen maar God de eer zullen geven voor wat hij aan goede vrucht schonk of schenkt in iemands leven. En we zullen barmhartig – en dus vergevingsgezind! – omgaan met de zwakke en zondige kanten van de ander. De kerken hebben eeuwen de tijd gehad om Luthers dwalingen (en dat zijn m.n. zijn gedachten over hoe om te gaan met onze Joodse broeders en zusters/medemensen geweest)  met Gods Woord in de hand af te wijzen en te weerleggen.

(1) Dat bleek al snel na de start van ‘De Reformatie’, er kwamen – ondanks de toch duidelijke waarschuwing van de apostel Paulus in 1 Korintiërs 4 : 1-21 – twee soms  haast onverzoenlijke kampen (‘lutheranen’ en ‘calvinisten’) tegenover elkaar te staan, die het dankbaar luisteren naar het klare (duidelijke) geluid van het Woord van God vanwege de ‘onderlinge twisten’ beslist niet hielpen versterken en dat twijfelaars binnen de oude RK-kerk reden zal hebben gegeven om zich veiliger te voelen bij de ‘oude papieren’ (‘uitleg traditie’) van de RK-kerk; en dat temeer wanneer je blijkbaar het dan toch weer moest hebben van een nieuwe (elkaar op te leggen) ‘uitleg traditie’, namelijk die van de ‘RF-kerk(en)’, zoals die m.n. te vinden zou zijn in het nieuwe dikke leerboek (de ‘Institutie’) van ‘de calvinisten’ geschreven door hun ‘nieuwe paus’ Johannes Calvijn, en zoals dat later ook in ‘hun’ Belijdenisgeschriften werd ‘gesublimeerd’.
NB. M.i. had Calvijn er beter aan gedaan om koning Frans I op te roepen – met een beroep op Deuteronomium 17 : 18 – zich dagelijks te zetten tot het lezen van de Bijbel en tot gebed om wijsheid (voor het kunnen begrijpen en toepassen van Gods Woord) en zich te laten helpen (omringen) door goede uitleggers en predikers van Gods Woord, dan hem een nieuw soort ‘pauselijk dictaat’ toe te zenden, dat hem volledig zou kunnen/moeten overtuigen van de waarheid van ‘de nieuwe leer’.
Slotvraag: Maken wij genoeg zaak van het bidden en stellen wij wel een vast vertrouwen in het verhoord worden van de gebeden in de huizen en in de samenkomsten van de gemeenten wanneer we daar bidden voor onze overheden?!

Zie ook:  De Bijbel het Boek van de heilige Geest!

Bron afbeelding:  win.liceopatti-it

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

De Bijbel – het Boek van de Heilige Geest

Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn weg
(Psalm 119 : 105, weergave DB 1545)

Geciteerd: Het verstand is ook een licht – en een mooi licht! Maar de weg en de voet die uit zonde en dood moeten gaan tot gerechtigheid en leven, kan het verstand niet weten of wijzen, maar het blijft in duisternis. Zoals onze povere lampenpitjes en kaarsvlammetjes de hemel en de aarde niet kunnen verlichten, maar alleen kleine hoekjes in de huizen.

De zon echter verlicht hemel, aarde en alles: zó is Gods Woord ook de ware zon die ons de eeuwige dag geeft om daarin te leven en vrolijk te zijn. Dit Woord dat ons verlicht, is overvloedig en liefelijk in de Psalmen gegeven. Wel hem die er lust in heeft en dit licht graag ziet; want het wil je graag verlichten. Maar de mollen die in de aarde leven en de vleermuizen die de duisternis liefhebben, schuwen dit licht – dat is de wereld (vgl. Johannes 3 : 19 vv).

Wie een ander licht zoekt dan Gods Woord, die vindt zeker alleen dwaling. Het lopen in dit ‘licht’ is nog veel gevaarlijker, dan het lopen in volslagen duisternis. Want een dwaallicht is een dubbele duisternis: omdat het niet alleen laat dwalen in de duisternis – maar ook, omdat deze duisternis zich niet wil laten verlichten, ja zij wil immers zelf een licht zijn. Daarom is hij die in deze duisternis wandelt, niet te helpen. Veel beter is het om eenvoudigweg enkel duisternis te zijn – daar kan men tenminste nog helpen en het licht aanwijzen.

Het is onfeilbaar zeker en waar, dat buiten Gods Woord, alle mensenleer en mensenwijsheid, ze mogen zo mooi glanzen en schitteren als het maar kan, pure duisternis is. Daarom zegt Petrus ook: ‘U doet goed, dat u op het vaste profetische Woord acht geeft, als op een licht, dat schijnt in een duistere plaats’ (vgl. 2 Petrus 1 : 19). Hier noemt hij de wereld met al haar pracht en schittering en in haar hoogste kunnen en weten, een duistere plaats, waar de Zon der Gerechtigheid niet schijnt.

Het is waar dat menselijke wijsheid en wetenschap edele gaven* van God zijn en tot allerlei dingen goed en nuttig. Daarom kan je die ook in dit leven niet missen. Wij kunnen echter nooit grondig daaruit te weten komen wat voor God zonde en gerechtigheid is, hoe wij van de zonde verlost en voor God vroom en rechtvaardig worden, en hoe wij uit de dood tot het leven kunnen komen. Dat hoort bij de Goddelijke wijsheid, die ware gouden wetenschap: die vind je niet in de boeken van juristen en wereldwijzen, maar alleen in de Bijbel – dat is het Boek van de Heilige Geest.

Maarten Luther: Auslegung etlicher Trostsprüche, so D. M. Luther in seiner lieben Herren und guten Freunde Bibeln und Postillen mit eigener Hand geschrieben hat. Vgl. EA(2) 52, 320 ff

* Opgemerkt AJ:   God heeft het in zijn almacht zo beschikt dat met de wetenschap en andere wereldwijsheid geen roem kan worden behaald tegenover Hem en Zijn Woord. Ook de wetenschap en de wijsheid van mensen kan en heeft zich tegenover Hem en Zijn Woord niet te verheffen maar te buigen! ‘Eenmaal zullen alle knieën zich buigen voor Hem’.

Bron citaat:  info@maartenluther-citaten.nlwww.maartenluther.com. Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Meldt u dan aan via de email of de website. Er zijn geen kosten aan verbonden als iemand deze wekelijkse citaten zelf ook graag wil ontvangen.

(…) 2 Eens zal de dag komen dat de berg
met de tempel van de HEER rotsvast zal staan,
verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
Alle volken zullen daar samenstromen,
3 machtige naties zullen zeggen:
‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,
naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,
en wij zullen zijn paden bewandelen.’
Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,
vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.
4 Hij zal rechtspreken tussen de volken,
over machtige naties een oordeel vellen.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,
geen mens zal meer weten wat oorlog is.
5 Nakomelingen van Jakob*, kom mee,
laten wij leven in het licht van de HEER.
(Uit Jesaja 2)

* Zie ook: Psalm 87 : 6, Handelingen 16 : 14-15, Romeinen 3: 27-30, Galaten 3 : 7 en
‘Het Woord van God ingejaagd’…, ‘Als een bom’? en ‘Onze voorgangers niet ‘op het schild heffen’…

Bron afbeelding:  In-between (a divers people)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

‘Als een bom’? *

Op de sabbat gingen we de stadspoort uit in de richting van de rivier want
we vermoedden dat daar een gebedsplaats was (Handelingen 16 : 13)

Geciteerd: Gewoontegetrouw ging Paulus eerst op zoek naar een synagoge, omdat hij zich eerst tot de Jood richtte en daarna tot de Griek. Na enig speurwerk kwamen ze er al snel achter dat zich in Filippi geen synagoge bevond. Van een grote Joodse gemeenschap was dan ook geen sprake. Als ze al een Joodse bijeenkomst wilden tegenkomen, moesten ze het buiten de stad zoeken.

Op de sabbatdag gingen zij de poort uit naar de rivier (de Gangites), waar zij dachten dat een gebedsplaats zou zijn (Hand. 16 : 13). En inderdaad, ze troffen een aantal vrouwen aan die daar waren samengekomen om te bidden. Lucas zegt dat zij gingen zitten en tot de vrouwen spraken die waren samengekomen. Het was onder de Joden gebruikelijk dat er door de rabbi’s (mannen) ‘zittend’ onderwijs werd gegeven (vgl. Matt. 5 : 1-2; Luc. 4 : 20)

Op één vrouw wordt op bijzondere wijze de schijnwerper gericht: Lydia, een purperverkoopster uit de stad Tyatira, die God vereerde (16 : 14a). Hier worden achtereenvolgens haar naam, beroep, geboorteplaats en verhouding tot God opgesomd.

Een heidense zakenvrouw, genaamd Lydia uit Tyatira, die in Filippi woonde en die tot het jodendom was bekeerd en in de God van Israël geloofde. Zij hoorde toe en de Heer opende haar hart, zodat zij acht gaf op wat door Paulus werd gesproken (vs. 14b). Het was dus niet een man (16 : 9), maar een vrouw die als eerste in Europa tot geloof kwam en zich liet dopen.

Hier zien we dat we voorzichtig te werk moeten gaan met het interpreteren van ‘gezichten’. De predikers hadden misschien verwacht nu een Macedonische man te ontmoeten om hem het evangelie te verkondigen.

Maar nee, het was een vrouw. De kernboodschap van het gezicht was naar Macedonië te gaan en daar het Evangelie te verkondigen. De Macedonische man is maar bijzaak in dit gezicht. Maar waarom liet God Paulus dan een man zien en geen vrouw? Hij wist toch dat niet een man, maar een vrouw het eerst tot geloof zou komen? Ja, dit wist God! De man die tot geloof komt, vinden we in de volgende perikoop (Hand. 16 : 16-34).

Waarom dan tóch een man en geen vrouw?
Heeft God ons hiermee iets te zeggen of niet?
Nadenken over dit soort vragen maakt de Bijbel juist zo boeiend.
Laten we nog eens op een rijtje zetten wat er met Lydia gebeurde, toen Paulus sprak:

1. Zij hoorde toe.
2. De Heer opende haar hart.
3. Zodat zij acht gaf op wat door Paulus werd gesproken.
4. Zij met haar huis lieten zich dopen.
5. Zij opende haar huis voor Paulus en zijn metgezellen.

Paulus zegt dat het geloof uit de prediking is, en de prediking door het woord van Christus (Rom. 10 : 17). Ieder die de naam van de Heer zal aanroepen, zal behouden worden. Maar als er geen ‘prediker’ is die het evangelie verkondigt, kan men ook niet geloven in Hem die men moet aanroepen. Hoe zullen ze geloven in Hem van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt. (Rom. 10 : 13-14)?

Hier wordt nog eens duidelijk hoe belangrijk het is om het evangelie te prediken. Als wij de mensen niet vertellen (m.n. ‘voorleven’!)  Wie de Heer Jezus is en wat Hij voor ons heeft gedaan, kunnen ze ook niet geloven in Hem die ze moeten aanroepen. Laten we ons daarom niet schamen voor het Evangelie; want het is Gods kracht tot behoudenis voor ieder die gelooft (Rom. 1 : 16). Wie weet, misschien is er onder de toehoorders een Lydia van wie het hart door de Heer wordt geopend?

Opgemerkt: Sloeg de preek bij Lydia in ‘als een bom’*? We kunnen toch beter het voorbereidende werk van God benadrukken door te zeggen dat de dingen – door de verkondiging van Paulus – op hun plaats vielen bij deze vrouw. God zal even later wel een ‘bom’ (aardbeving) gebruiken om ook een man daar ontvankelijk te maken voor de verkondiging van het Evangelie. Zie verder behalve Handelingen 16 ook Handelingen 17 : 1-4.

* N.a.v. ‘Bij Lydia slaat zijn preek in als een bom.’ – uit meditatie van ds. René de Reuver in Met hart en ziel over ‘het verhaal van Lydia. Een indrukwekkende, inspirerende vrouw!’

Bron citaat:  oudesporen-nl – ‘Paulus op weg naar Filippi

Bron afbeelding:  St. Matthews Evangelical Lutheran Church

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

‘De wijsheid die van boven is’…

Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus. (…) En gij heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat geen aanneming des persoons bij Hem is.‘ (Efeze 6 : 5 en 9)

Treed in de voetsporen van Christus… (1 Petrus 2 : 21-25)

Als God je de gave gegeven heeft dat je machtiger, belangrijker, edeler, geleerder bent dan andere mensen, bedenk dan dat Hij je bevolen heeft om anderen daarmee te dienen.
Als je dat niet doet, weet dan dat zelfs een arme herdersjongen, die vergeleken met jou niets voorstelt, voor God en de engelen veel belangrijker is. Hij wordt omhoog gebracht naar de hemel, terwijl jij met al je schoonheid, belangrijkheid, eer en pracht naar de hel wordt verstoten. Voor God is alles gelijk.
(…) Tegelijkertijd, hoewel de mensen voor God gelijk zijn en alles gemeenschappelijk hebben: één Heere, één geloof, één doop, is het toch slecht en volkomen misplaatst als de boerenknecht achter de ploeg of de dienstmaagd in het huis zich trots zou gaan gedragen en tegen zijn meester of haar meesteres zou zeggen: ‘Voor God ben ik net zo edel en goed als jij, daarom hoef ik jou niet onderdanig te zijn en je ook niet te gehoorzamen.’
(…) Dat komt een christen niet toe, het is tegen de regel en de leer van Christus.

(…) 13 Wie is wijs en verstandig onder u? Laat hij uit zijn goede levenswandel zijn werken laten zien, in zachtmoedige wijsheid. 14 Wanneer u echter bittere afgunst en eigenbelang in uw hart hebt, beroem u dan niet en lieg niet tegen de waarheid. 15 Dat is niet de wijsheid die van boven komt, maar ze is aards, natuurlijk, duivels. 16 Want waar afgunst en eigenbelang is, daar heersen wanorde en allerlei kwade praktijken. 17 Maar de wijsheid die van boven is, is ten eerste rein, vervolgens vreedzaam, welwillend, voor rede vatbaar, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd. (Uit Jakobus 3)

Bron meditatie:  checkluther-com – zondag 26 juli 2020 – Luther Heritage Foundation, Veenendaal

Bron afbeelding:  DailyVerses-net

Afbeelding kan het volgende bevatten: fruit en eten, de tekst 'But the wisdom that comes from heaven is first of all pure; then peace-loving considerate, submissive, full of mercy and good fruit, impartial and sincere. James 3:17 erses.net'
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie

Rabboeni, dat ik ziende worde!

Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe.” (Psalm 119 : 18a).

Ik zal de ogen van mijn zinnen sluiten als ik wil zien wat God mij toont. God maakt mij blind als hij mij zijn Woord wil laten zien. Blinden maakt hij ziende. Nu zie ik wat ik anders nooit zou hebben geweten, namelijk dat Gods wet vol wonderen is.
Hoe zou ik de lange weg door deze Psalm mee kunnen gaan en er steeds opnieuw mee kunnen beginnen, hoe zou ik niet moe worden van deze onophoudelijke herhalingen, als God mij niet te kennen had gegeven, dat ieder van zijn woorden vol verborgen en ondoorgrondelijke wonderen is?
Hoe zou ik dag in dag uit Gods Woord bewaren zonder mijn ogen open te houden om de heerlijkheid en diepgang van dit woord te zien? Gods wet moet voor mijn ogen zoiets zijn als een noodzakelijke en snel geleerde en begrepen levensregel, waarover niet al te veel meer te denken, te spreken of te verwonderen valt.
Zolang ik met zulke ogen kijk, heb ik geen verlangen naar geopende ogen. Ben ik dan echter blind geworden, en heeft God mij in een donkere nacht geleid, zit ik in een duistere nood en schuld gevangen, zodat mijn natuurlijke ogen niet meer in staat zijn te kennen en te begrijpen; dán roep ik om Licht voor mijn ogen.
Alleen de blinde roept om geopende ogen. Maar is dan degene die bidt in onze Psalm, die Gods Woord zo prijst, een blinde? Juist hij die een blik heeft geslagen op de wonderlijke wereld van de wet van God, weet hoe blind hij nog is en hoezeer hij geopende ogen nodig heeft om niet opnieuw in de duisternis terecht te komen.
Het is een dagelijks gebed, als wij ‘s morgens onze ogen opendoen en als wij ze ’s nachts weer sluiten, dat God verlichte ogen van het hart wil geven, die open staan als de dag onze natuurlijke ogen wil bedriegen en als de nacht ons boze dromen brengt. Geopende, verlichte ogen, die door de wonderen van de wet van God steeds vervuld zijn.

Wij moeten het net als de blinde Bartimeüs doen. Als hij hoort dat Jezus in Jericho hem voorbijgaat, laat hij zich door niets en niemand tot zwijgen brengen, maar schreeuwt hij net zo lang om hulp, totdat Jezus hem hoort. Op de vraag van Jezus: wat wilt gij dat ik u doen zal, antwoordt hij: rabboeni, dat ik ziende worde! (Marcus 10 : 51).
Zó ontvangt hij genezing. Zoals de blinde van Betsaida (Marcus 8 : 22) slechts geleidelijk en stap voor stap tot kennis en zien kwam, zo zullen ook onze ogen slechts langzaam geopend worden en steeds meer kennis verkrijgen.

Wie echter meent te zien, terwijl hij blind is, kan niet meer geholpen worden, maar hij zal in zijn blindheid omkomen (Johannes 9 : 40-41). Het is een geschenk van de genade de eigen blindheid voor Gods Woord te erkennen en om geopende ogen te kunnen bidden.
Wie God de ogen voor zijn Woord geopend heeft, die ziet een wondere wereld. Wat mij tot nog toe dood scheen, is vol van leven. Alle tegenstrijdigheden lossen zich in een hoge eenheid op, de harde eis wordt een genadig gebod.

Midden in het mensenwoord hoor ik Gods eeuwige Woord. In het vergankelijke leven leer ik de levende God kennen en zijn werken dienen mij tot heil. Gods barmhartige troost wordt mij tot een nieuwe claim, de ondraaglijke last een zacht juk. Het grote wonder in de wet van God is de openbaring van de Here Jezus Christus. Door hem ontvangt het woord leven, de tegenstrijdigheid eenheid, de openbaring enorme diepgang.

Heer, open mij de ogen. Amen.

Bron citaat:  “Mijn ziel keert zich stil tot God – meditaties bij de Psalmen”  (Dietrich Bonhoeffer)

Bron afbeelding:  SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Het Woord van God ingejaagd’…

En het zal geschieden dat het gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal.
(Jesaja 28 : 19)

Geciteerd: Ik heb mijn theologie niet in één keer geleerd, maar ik heb steeds verder en verder onderzoek moeten doen. Mijn aanvechtingen hebben me daartoe gebracht, want je kunt de Heilige Schrift nooit begrijpen zonder de praktijk en zonder aanvechting. Zo had Paulus een duivel die hem met vuisten sloeg en die hem met zijn aanvechtingen ertoe bracht de Heilige Schrift ijverig te bestuderen. Zo had ik de paus, de universiteiten en alle geleerden en door hen de duivel aan mijn hals hangen. Zij hebben mij de Bijbel ingejaagd, waardoor ik die ijverig heb gelezen en daardoor het juiste inzicht heb verkregen. Als we niet zo’n duivel hebben, dan zijn we maar speculatieve theologen, die slecht met hun inzichten omgaan en alleen met hun verstand speculeren.

Niet de ‘binnenkamers’ van ‘de ziel’ ingejaagd!

Opgemerkt: Het Woord van God ingejaagd worden, dat konden/wilden Socrates en Plato niet! Toch kan het haast niet anders of Socrates (en Plato) heeft Mozes gekend en Socrates (en Plato) leefde ná de ballingschap, dus ook het koningschap van David en Salomo en de Joodse wijsheidsboeken zullen hem (hen) niet onbekend zijn geweest en mogelijk ook ter beschikking hebben gestaan. En dat geeft mij aanleiding om de leer over de ziel van Socrates en Plato toch vooral te zien als een ‘geestelijke toren van Babel’. Een weigering om te aanvaarden dat God tot ons komt via Zijn Woord en niet via ‘de ziel’!

Zie hieronder de citaten uit het boek ‘Eerst de Jood, maar ook de Griek‘ van prof. dr. K.J. Popma (1903-1986).

(…) De Heilige Geest werkt alle ontwikkeling, ook die van afvallige volken. En het is dezelfde Geest Die ook in alle waarheid leidt, het is de Geest der waarheid. Hieruit blijkt, dat de afvallige volken, als zij van stap tot stap voortgaan op de weg van hun ontwikkeling en telkens tot nieuwe ontdekkingen, opvattingen en gedachten komen,  telkens opnieuw, ja aan een stuk door, de Heilige Geest weerstaan. De traditie van afval, ook al duurt ze eeuwen, betekent dat het afvallige volk leeft bij de pseudo-Woordopenbaring en dus elk ogenblik de echte Woordopenbaring verwerpt, dat is: elk moment zonder ophouden de Heilige Geest weerstaat. De afval moet elk ogenblik vernieuwd worden, anders zou hij ophouden te bestaan. En deze vernieuwing (in de ontwikkeling van de menselijke cultuur en religie – AJ) wil zeggen: de Heilige Geest weerstaan. We ontmoeten deze uitdrukking ‘de Heilige Geest weerstaan’ in de rede van Stefanus, Handelingen 7.

(…) De geschriften van Philo van Alexandrië zijn de schriftelijke weergave van de redevoeringen, die door deze Jood in de synagoge van Alexandrië, en mogelijk ook elders gehouden heeft. (…) Philo van Alexandrië verkondigde in de synagoge platonische en stoïsche wijsheid en dat mocht, want hij ging daarbij steevast van de overtuiging uit, dat deze wijsheid van de heidenen eigenlijk aan Mozes ontleend was. Om dit te bewijzen gebruikte hij een merkwaardige allegorische exegese.

(…) Er is een traditie van afval in het Joodse volk, en dat ondanks het feit dan hun de woorden van God zijn toevertrouwd. Dezelfde traditie van afval is er onder de heidenen, zij het in mindere mate, omdat hen geen woorden van God steeds weer opnieuw werden toevertrouwd. Gradueel is er verschil:  de afval van het Joodse volk is dieper en hardnekkiger.* Maar het is in beide gevallen dezelfde traditie, dezelfde verdringing van de waarheid, hetzelfde ten onder houden. Daarom kan Paulus de gedachtegang van Stefanus rede gebruiken wanneer hij spreekt in Athene.

(…) Al deze elementen vinden we in Stefanus’ rede. Hij verkondigde de waarheid van God tegenover de leugen van het judaïsme; hij predikt Gods souvereiniteit; hij geeft een breed historisch overzicht; hij verwijt de judaïsten hun wandelen in eigen gekozen wegen, waaruit blijkt dat ze de heilige Geest weerstaan; hij wijst hen op een traditie van afval in het Joodse volk. De grote verschillen zijn allen te herleiden tot het ene feit, dat de Joden als openbaringsvolk de woorden van God hebben gehad, waardoor hun onwetendheid en ijdel bedrijf wijst op een diepere vorm van afval. *

* Opgemerkt AJ: Zal dan de afval van de christenvolkeren en die van de gemeenten niet nog dieper zijn? Aan hen werd de bediening van de woorden van het Oude én Nieuwe Testament en die van de Sacramenten toevertrouwd! (Zie 1 Timoteüs 3 : 15-16)
Zie ook:  ‘Het bederf van het beste‘ (n.a.v. Hosea 7)

Bron 1e citaat:  checkluther-com – meditatie van maandag 20 juli 2020
Bron overige citaten: Hoofdstuk ‘C. Paulus op den Areopagus‘ van het hierboven genoemde boek van prof. dr. K.J. Popma.

Bron afbeelding:  SlidePlayer

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

‘Heel Israël zalig’ – ‘Steen des aanstoots’ voor ‘de Kerk’?

(…) 25 Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat. Slechts een deel van Israël werd onbuigzaam, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden. 26 Dan zal heel Israël worden gered, zoals ook geschreven staat: ‘De Redder zal uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht. 27 Dit is Mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.’ 28 Ze zijn Gods vijanden geworden opdat het Evangelie aan u kon worden verkondigd, maar God blijft hen liefhebben omdat Hij de aartsvaders heeft uitgekozen. 29 De genade die God schenkt neemt hij nooit terug, wanneer Hij iemand roept maakt Hij dat niet ongedaan. (Uit Romeinen 11)

Vooraf opgemerkt:Centrale thema‘ van het Evangelie (OT+NT) is schuldvergeving – de ons toegerekende gerechtigheid/rechtvaardiging – waardoor we worden gered (vrijgesteld) van Gods toorn – hier en nu al en straks bij het laatste oordeel.
In het ‘verhaal van God’ met/over de mensheid is totaal geen ruimte voor het zich beroemen op mensen en mensenwerk. Heel de wereldgeschiedenis en die van de kosmos ontstond en werd en wordt  voortgedreven door het spreken van God en ook door het spreken van Gods tot ons mensen wat duidelijk maakte en maakt dat wij door Hem voor verantwoordelijke schepselen worden gehouden en aan Hem verantwoording schuldig zijn over hetgeen wij doen en gedaan hebben en nog zullen doen aan goed en kwaad.

Romeinen 10 en 11 opnieuw gelezen (bewerkt)

(…) 9-31 De Joden die ernaar streefden/streven door de Wet gerechtvaardigd te worden hebben Gods gerechtigheid niet leren begrijpen en/of aanvaarden.

10-2-4 Ze dienen God vol toewijding maar het ontbreekt hen aan inzicht. Omdat ze Gods gerechtigheid (=Christus) niet kennen (hebben leren zien) verlaten ze zich niet op Gods vrijspraak. De Wet moet niet (eerst) door ons volbracht worden maar vindt zijn doel in Christus (de wet moet ons doen begrijpen dat we het zonder Hem ‘niet redden’ en dat niemand zich kan vrijwaren van de huidige en komende toorn van God omdat hij/zij de wet naleeft. Alleen wie Gods gerechtigheid aanvaardt door het geloof die wordt rechtvaardig verklaard.

10-5-6 Mozes zegt: Wanneer wij Joden/mensen wat de wet voorschrijft (volledig) zouden (kunnen) naleven dán zouden we daardoor leven (en niet sterven).
Maar daarna zegt Mozes ook nog meer! Mozes gaat spreken (profeteren) over het Woord van God* en dan blijkt dat er niets van ons mensen verwacht wordt – opstijgen naar de hemel of afdalen in het dodenrijk – maar dat alles van Gods kant komt en moet en zal komen willen wij léven.
* God heeft door Mozes het volk in duidelijke bewoordingen laten weten (profetisch laten verkondigen) dat het onmogelijk door de wet gerechtigheid en (eeuwig) leven zou kunnen ontvangen – de individuele mens zal dat niet lukken en ook Gods volk niet. Zelfs Mozes bleek niet in staat (‘gerechtigd’) om levend het beloofde land in te trekken.

10-8 Het profetische Woord (itt het woord van de Wet) was ook toen al – in Mozes tijd – dichtbij, namelijk in mond en hart van het volk gelegd – en Mozes verkondigde daarmee de boodschap  van het geloof en dat is de boodschap die wij apostelen nu ook aan u heidenen verkondigen. Het aan mensen verkondigde Woord waar Mozes al over spreekt is nu ook dicht bij u: in uw mond en in uw hart en nu kunnen wij door Gods openbaring van Jezus Christus in het vlees en de uitstorting van de heilige Geest ‘op alle vlees’ zelfs veel beter de reikwijdte: (breedte en hoogte en diepte) daarvan verstaan samen met alle gelovigen.

10-10-13 Als uw mond belijdt dat Jezus Heer is en met uw hart gelooft dat God Hem uit de dood opgewekt heeft zult u worden gered!
Er is wat dat betreft geen enkel onderscheid meer tussen Joden en de andere volken, want ze hebben allen dezelfde Heer en Hij is hen allen even genadig en nabij in Jezus Christus, want het Woord heeft nu ook ‘de heidenen’ (u/ons) bereikt.
En ieder die gelovig deze boodschap aanvaardt en God aanroept en (daarmee) bidt om de heilige Geest die wordt en is gered. Geen twijfel mogelijk.

10-14-17 Jesaja vraagt: heeft iemand gelooft wat wij hebben gezegd?*
Die ‘wij’ dat zijn de OT-profeten: Mozes en de latere profeten en m.n. ook Jesaja hebben van Christus getuigd!  Maar wanneer heel onze redding – zowel die van Gods volk als van de heidenen – helemaal van Gods kant moet komen hoe gaat dat dan in z’n werk? Wel dat gebeurd door God spreken tot ons. Dat begon al in het paradijs na de zondeval, maar dat werd nog duidelijker met Gods spreken tot Abraham en met Abraham’s luisteren naar en geloven in God en Gods belofte woord aan Abraham.
God heeft ook tot Mozes gesproken en door hem Zijn Woord laten verkondigen. Dus om Gods boodschap te kunnen horen moet er iemand door Hem gezonden worden en voor Gods volk was dat Mozes, de eerste en grote profeet in de mensengeschiedenis van na de zondvloed.
Toch hebben maar weinigen van Gods volk in de loop der eeuwen gehoor gegeven aan dat Evangelie woord van Mozes (en de latere profeten), want Jesaja vraagt: Heer, heeft iemand geloofd wat wij hebben gezegd? En daarmee was toen al de verkondiging van de komende Christus bedoeld!*
Dus door te luisteren – en niet door te werken – komt men tot het reddende geloof en wat men hoort en gelooft dat is de verkondiging van Christus.
* Zie Jezus woorden aan de Emmaüsgangers in Lukas 24 : 17-35.

10-18-21 Mozes profeteerde ook al dat het volk Israël jaloers gemaakt zou en moest worden op een volk dat (nog) geen ‘Gods volk’ is. En in Jesaja klinkt al dat God Zich zal laten vinden door mensen die naar Hem niet vroegen en zochten. En dat ‘Zich laten vinden’ is nu in Paulus tijd dus aan de orde! En over Israël klaagt God dat Hij Zijn handen altijd weer heeft ‘moeten’ – het volk maakte het ernaar – maar ook steeds weer heeft willen uitstrekken naar een ongehoorzaam en opstandig volk.

11-1 Nu kunnen we onszelf afvragen: Als God zich (nu) laat vinden door mensen die naar Hem niet vroegen en zochten en bij Zijn eigen volk – waaraan Hij Zich steeds weer liet horen door de profeten en later de apostelen – steeds weer ongehoorzame en opstandige mensen gevonden heeft en vindt, heeft God Zijn eigen volk dan nu maar geheel opgegeven en van Zich verstoten?

11-2-6 God verstoot Zijn volk beslist niet! God maakt Zijn uitverkiezing niet ongedaan want dat hangt helemaal niet van mensen af. Er is en blijft als bewijs daarvan hier op aarde altijd een klein deel over – onder Gods volk en nu ook onder de heidenen – dat God uit genade uitgekozen heeft als blijk van Zijn doorgaande werk hier op aarde om al Zijn beloften waar te maken (tot vervulling te laten komen).
Dat is puur genade van Gods kant dat zulke mensen altijd weer gevonden zullen worden onder de mensen van Gods volk en nu ook onder die van de ‘heidenvolken’. Daar kan dat hier op aarde uitverkoren kleine deel (die ‘rest’) zichzelf niet op beroemen – zich op anderen laten voorstaan – alsof zij dat door hun liefde tot God en hun naleven van de Wet – die ons gebiedt om lief te hebben – dat bij God hebben weten te bereiken of omdat zij door die uitverkiezing nu van zichzelf een beter soort mensen geworden zijn.

11-7-11 De leden van Gods volk die door het naleven van de wet redding en leven wilden ontvangen hebben het (zichzelf) niet gered en alleen de uitverkorenen, die geleefd hebben en leven uit en door het geloof – zie (lees!) hoe David het van geloof in een Hem genadig God moest hebben en beslist niets van zijn naleven van de Wet iets kon verwachten (zie bijv. Jakobus 2 : 11) – kunnen zich vast en zeker door God gered weten en de anderen – die dat gered moeten worden zonder enige eigen inbreng niet wilden aanvaarden – hebben zich verhard en zijn onbuigzaam geworden.
En waarom moest (!) dat zo gebeuren in de geschiedenis van Gods volk? Alleen zo kon het Evangelie ook aan de andere volken verkondigd en duidelijk (gemaakt) worden: Het is alles puur genade van Gods kant. Als het volk van God ook maar iets van zichzelf zou hebben of iets had kunnen of moeten bijdragen/toevoegen aan hun uitverkiezing en redding dan hadden de ‘heidenvolken’ nu geen reden gehad (kunnen zien/aanvaarden) om te geloven dat ook zij zich nu tot de God van Israël mogen bekeren en zich te bekeren hebben. God heeft de ‘heidenvolken’ nu zelfs zozeer willen verheffen, dat (bekeerde) heidenen het volk van God tot jaloersheid kunnen/moeten verwekken: Zij – de vroegere heidenen – wel gerechtvaardigd en wij (ijverige) leden van Zijn Verbondsvolk niet? Waar hebben zij dat aan te danken en waar hebben wij dat aan te wijten?

11-12 Maar als hun overtreding – het falen en (daarom) verworpen (moeten) worden van het oude Bondsvolk – zo’n rijke Evangelie verkondiging bevat voor de heidenen, hoe geweldig zal het dan zijn wanneer heel dit oude Bondsvolk tot inzicht komt en zich bekeert.

11-15-16 Wanneer Gods genade nu zo groot blijkt (gebleken is) dat Hij Zich met de wereld ging verzoenen op een moment dat Hij Zijn eigen volk moest verwerpen, omdat ze hun Messias verwierpen en kruisigden, wat zal dan hun toekomstige aanvaarding van Hem werkelijk als een opstanding uit de dood moeten worden gezien en dat ook daadwerkelijk zijn.* Gods genade is zo ruimhartig dat Hij genoeg heeft aan maar een klein deel van Zijn volk dat Hij door genade aan Zich wil wijden in deze wereldtijd, terwijl Hij dan toch (straks) héél Zijn volk als aan Hem toegewijd zal rekenen. Als de wortel (van Isai, Jesaja 11 : 1, Romeinen 15 : 12) aan God gewijd is dan zijn al de takken dat ook – zelfs ook die takken dus die moesten worden weggebroken.
* Zie bijv. de profetie in Ezechiël 37 : 1-14 over het herleven van ‘dorre doodsbeenderen’.

11-17–  Nu zijn er wel takken weggebroken en bent u in hun plaats geënt op die edele olijf om zo ook deel te krijgen aan de wortel, maar dan kunt/moet u zich niet verheffen boven die afgebroken takken, want het is de wortel die bepalend is en niet de takken. Het komt er op aan dat u trouw blijft, want ook u kunt net als de oorspronkelijke takken ook nog weer worden weggebroken!* Zo gestreng handelt God met ons! En God kan afgebroken takken ook weer terugplaatsen. Dat opnieuw enten ligt zelfs meer voor de hand – vanwege de volgorde van Gods beloften: in Abraham zullen alle volken gezegend worden – dan het enten van takken van de wilde olijf op die edele olijf.
* En dat heeft ellendige gevolgen voor u en uw nageslacht net zoals dat ook voor Joodse families gold en geldt!

11-25  Wat hier nu besproken is daarin schuilt een groot Goddelijk geheim en dat is de weg door de geschiedenis die God met Zijn volk en met de volkeren van deze wereld gaat. Alleen een deel van Zijn volk doet God nu onbuigzaam worden en dat duurde en duurt tot alle heidenen zijn bereikt met het Evangelie en alle volken weer deel hebben gekregen aan de beloften van (het verbond met) God. En dan zal heel Israël – ook zij die onbuigzaam geworden waren – worden gered.
De Redder zal uit Sion komen – dat was de belofte! – en Hij is het die alle schuld van heel Jakobs nageslacht afwentelt  en in en door wie de Verbondsbelofte vervuld geworden is, namelijk dat al hun zonden hen vergeven worden.
Een deel van Gods volk werd Hem wel vijandig gezind, maar dat alleen om ook het Evangelie aan de heidenen te kunnen verkondigen, want God blijft ook de kinderen van Zijn eigen uitverkoren volk, die vijanden van Hem geworden waren, liefhebben vanwege de beloften aan de aartsvaders, want God heeft in de beloften aan de aartsvaders heel hun nageslacht op het oog gehad en geroepen en dat maakt Hij van Zijn kant nooit ongedaan. Wij mensen kunnen onze band (het verbond) met God en onze beloften verbreken en ons van God afwenden, maar van Zijn kant is dat ondenkbaar en zal dat nooit gebeuren. Dat hoorden we ook al in de woorden die God tot Adam en Eva sprak na onze zondeval in het paradijs.

11-30 Zoals u (heidenen!) indertijd in uw voorgeslacht God ongehoorzaam bent geworden en u zich van Hem heeft afgekeerd, zo zijn zij (de Joden) ongehoorzaam geworden en hebben zich van Hem afgekeerd door hun Messias te verwerpen en te kruisigen – maar dat is juist bewijs (geworden) voor Gods omzien naar u en daardoor hebt u nu barmhartigheid ondervonden.

11-32 Want God heeft alle mensen (Joden én heidenen) uitgeleverd aan de zonde opdat Hij voor ieder barmhartig kon zijn en daarom kan geen mens zich beroemen of reden hebben om op een ander mens neer te zien. De leden van Gods volk kunnen zich niet laten voorstaan op de heidenen en de  bekeerde heidenen kunnen zich niet laten voorstaan op de ‘onbekeerde’ joden.

Tot slot een vraag:  Is er in dit deel van de brief aan de Romeinen ook maar iets gezegd (aan de orde gesteld) over het vervullen van oude profetieën over de terugkeer van Israël naar het beloofde land en kan (moet?) ‘heel Israël’ hier (ook) betekenen dat we hebben te verwachten dat alle Joden terugkeren naar het  (hun) ‘beloofde land’ om daar dan met z’n allen onze Heer Jezus Christus als hun Heiland te aanvaarden en om Zijn wederkomst dáár – liefst met zoveel mogelijk andere volksgenoten – te gaan verwachten?

NB. Deze blog werd opgesteld mee n.a.v. ‘”Alzo zal gans Israël zalig worden” blijvende steen des aanstoots in de geschiedenis van de kerk’ door dr. J.O. van de Breevaart te Hendrik Ido Ambacht in een artikel in het maandblad ‘Protestants Nederland‘ (85e jaargang, no. 6, juni 2020).

(…) 22 Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. 23 Want Ik heb gezworen bij Mij zelf, waarheid is uit mijn mond uitgegaan, een woord dat niet zal worden herroepen: dat voor Mij elke knie zich zal buigen, dat bij Mij elke tong zal zweren. 24 Alleen bij de Here, zal men van Mij zeggen, is gerechtigheid en sterkte, tot Hem zal men komen; maar beschaamd zullen staan allen die tegen Hem in woede ontstoken zijn; 25 in de Here wordt het gehele nakroost van Israël gerechtvaardigd en zal het zich beroemen. (Uit Jesaja 45)

Lees ook:  ‘Dit is Mijn verbond met hen…

Bron afbeelding:  SlideServe

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Politiek | Plaats een reactie

Zijn wij wel voldoende toegerust?

(…) 24 Maar profeteert iedereen, dan zal een ongelovige buitenstaander door iedereen worden beoordeeld en terechtgewezen. 25 Alles wat hem heimelijk beweegt zal aan het licht komen en dan zal hij zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden: ‘Werkelijk, God is in uw midden.’ (…) 31 U kunt ieder op uw beurt profeteren, zodat ieder van u kan worden onderwezen en bemoedigd. 32 En wie profeteert heeft macht over zijn geest, 33 want God is niet een God van wanorde maar van vrede. Zo is het in alle gemeenten van de heiligen. (Uit 1 Korintiër 14)

Breed profetisch beraad nodig?

Geciteerd: Zou de kerk er daarom niet goed aan doen om ook te investeren in de opzet van een breed profetisch beraad? Luister naar en absorbeer de kritische en alarmerende observaties die mensen in het onderwijs opdoen, in de jeugdzorg, op de ministeries, op de werkvloer. Vraag eens rond in de wereldkerk wat men van Europa vindt en waar wij ons van hebben te bekeren. Zorg als kerk dat je een adequate, profetische agenda klaar hebt voor de instabiele tijden waarin wij leven.

(…) 6 Elk van God ingegeven Schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, 17 opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust. (Uit 2 Timoteüs 3)

Opgemerkt: Profetie is niet een kwestie van op hoog niveau theologisch beraad en overleg voeren om zodoende als kerk een profetische agenda klaar te hebben liggen voor instabiele tijden. Een soort door professionals samengesteld noodpakket dus, dat we erbij kunnen pakken op een moment dat de zaken ons mensen toch echt teveel uit de hand dreigen te lopen in kerk en samenleving.

Nee, profetie is onlosmakelijk verbonden met de ‘gewone’ doorgaande verkondiging van heel Gods Woord in/aan een gemeente. Het ligt dus allemaal veel eenvoudiger dan dat de heren ‘vaktheologen’ ons (hier) willen doen geloven. Want het gaat niet om het formuleren van een visie op wat er in onze huidige tijd allemaal niet deugt in de wereld om ons heen en mogelijk ook in de kerken.

Waar het wel om gaat dat is dat de kinderen van Gods volk God en zichzelf leren kennen en dat door altijd weer eerbiedig te luisteren naar Zijn Woord dat levend en krachtig is en dat tot in het diepst van ons persoonlijk bestaan doordringt en openbaar maakt wat ons beweegt en ons ook ontdekt aan zaken waarvan wij ons persoonlijk of gezamenlijk – ‘gemeente(n)breed’ – van te bekeren hebben.

Aan deze diep eerbiedige omgang met Gods Woord in de verkondiging daarvan in en aan de gemeente en in ons omgaan daarmee in onze huizen en in onze gezinnen en onze vernedering onder dat Woord daar ontbreekt veel aan in onze gemeenten/kerken en in onze huizen en gezinnen!

Wanneer we het weer aandurven om hele Bijbelboeken door te preken in onze samenkomsten en deze ook door te lezen voor onszelf of met elkaar in onze huizen onder eerbiedig gebed om wijsheid en leiding van de heilige Geest daarbij, dan wapenen we ons tegen de tijdgeest en tegen de aanvallen van de boze op onze gemeente en ook tegen zijn aanvallen op onszelf en op de mensen met wie we samenleven in onze gezinnen en in de samenleving.

Wanneer onze voorgangers – waar deze diep eerbiedige omgang met het Woord ontbreekt – daarin weer het voortouw zouden willen nemen, dan is nog niet gezegd dat dat dan ook geaccepteerd zal worden en dat het ontegenzeggelijk zal leiden tot zichtbare resultaten in de gemeente en in het kerkelijk samenleven. Want we zijn veel meer beïnvloed door de tijdgeest in onze gemeenten/kerken dan we beseffen en velen laten zich veel meer beïnvloeden door wat via de moderne media tot hen komt dan dat ze tijd nemen om Gods Woord door het werk van de heilige Geest invloed te laten uitoefenen op hun dagelijks leven.

Maar dat mag voorgangers er niet van weerhouden om die weg toch weer in te slaan of om die vol te blijven houden, ook wanneer blijkt dat velen dat niet op prijs willen of kunnen stellen. Dat lijden aan hun gemeente wat mogelijk het gevolg is van hun ‘wending’, dat mogen voorgangers niet ontlopen ook niet als het ernstige gevolgen blijkt te hebben voor de waardering van hun verkondiging en persoon waardoor ze mogelijk zelfs moeten vrezen voor het niet kunnen aanblijven als voorganger in hun gemeente of binnen hun kerkverband.

(…) 2 Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, straf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. 3 Want er komt een tijd dat de mensen de heilzame leer niet meer verdragen, maar leraren om zich heen verzamelen die aan hun verlangens tegemoet komen en hun naar de mond praten. 4 Ze zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzinsels. 5 Jij echter moet in alles nuchter zijn, je lijden aanvaarden, je werk als verkondiger van het evangelie doen, je dienende taak vervullen. (Uit 2 Timoteüs 4)

Bron afbeelding: Biblia-com

2 Timoteüs 4 2-3 - Verkondig het Woord - Biblia-com.jpg
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Onverminderde toewijding aan de Heer…

(…) 32 Ik zou willen dat u geen zorgen hebt. Een ongetrouwde man draagt zorg voor de zaak van de Heer en wil de Heer behagen. 33 Een getrouwde man draagt zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen, 34 dus zijn aandacht is verdeeld. Een ongetrouwde vrouw en een meisje dat nog niet getrouwd is, dragen zorg voor de zaak van de Heer, en wel zo dat ze God met heel hun lichaam en geest zijn toegewijd. Maar een getrouwde vrouw draagt zorg voor aardse zaken en wil haar man behagen. 35 Ik zeg dit in uw eigen belang, niet om u aan banden te leggen, maar om u tot onberispelijk gedrag en onverminderde toewijding aan de Heer te brengen. (Uit 1 Korintiërs 7)

Christenen zijn vrij!

Zoals God een ieder heeft geroepen, laat hem zo wandelen; en zo verorden ik het
in al de gemeenten
’ (1 Korinthe 7 : 17, weergave DB 1545)

Christenen zijn vrij. Het geloof en het christen-zijn, zijn niet beperkt tot een bepaalde stand (1) in het leven. Maar zij zijn boven, in, en door alle standen in dit leven te vinden. Daarom is het niet nodig om een bepaalde stand in dit leven te verwerven of op te geven voor je zaligheid.

Blijf op de plaats waar het Evangelie en het geloof je vinden. Je kunt daar blijven en zalig worden. Het is niet nodig voor jou om je huwelijk op te geven en bij je onchristelijke echtgenoot weg te lopen omwille van geloof of zaligheid. Aan de andere kant, het is niet nodig voor jou om te trouwen omwille van geloof of zaligheid.

Tenslotte, ben je getrouwd? Is het met een christen of niet-christen, met een goed of verkeerd persoon? Dan ben je om die reden niet zalig of verdoemd. En als je niet getrouwd bent, ben je niet zalig of verdoemd omdat je alleen bent.

Het is alles vrij, vrij! Echter alleen als je een christen bent en een christen blijft, zul je behouden worden en als je géén christen bent en blijft, zul je verdoemd worden.

Paulus zegt:Zo verorden ik het in al de gemeenten’, dat is onder alle christenen waar ik preek (vgl. 1 Korinthe 7 : 17). ‘Want ik leer de mensen niet hun stand in dit leven te verlaten en onvrede te veroorzaken, maar dat ieder moet blijven waar hij is en in vrede moet leven.’

Hier kun je zien dat Paulus geen enkele stand in dit leven een gezegende stand noemt, behalve deze: Christen zijn.

Maarten Luther: Das siebente Kapitel S. Pauli zu den Corinthern (1523), vgl. WA 12, 126, 14-34

(1) ‘stand’: hier vergelijkbaar met positie, of staat; bijvoorbeeld de huwelijkse staat.

Bron tekst: info@maartenluther-citaten.nl (http://www.maartenluther.com)
Wilt u deze Luthercitaten a.u.b. ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden?
Er zijn geen kosten aan verbonden als iemand deze wekelijkse citaten zelf ook graag wil ontvangen.

Bron afbeelding:  The House of the Lord Ministries

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

‘Denk/vind jij dat je belangrijk bent?’

En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader.‘ (Galaten 4 : 6)

Nooit stoppen met roepen!

Geciteerd: Wij weten wel dat we arme zondaars zijn; maar het gaat hier niet om wat wij zijn en doen, maar om wat Christus voor ons is en wat Hij gedaan heeft en nog doet.
Denk je dat jij belangrijk bent alleen omdat je een kind van God bent?
Mijn beste, denk er dan ook niet gering over dat Gods Zoon gekomen is, uit een vrouw geboren is en onder de wet is geplaatst zodat jij Gods kind zou worden.

(…) De Geest van God getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn. 

Hoe zou ons hart dit roepen, zuchten en getuigen dan niet kunnen voelen?
En ook de aanvechtingen en het lijden zijn hier van onschatbare waarde. Zij zetten tot dit roepen aan en maken de Geest wakker.
Als je het roepen niet voelt, denk er dan steeds aan en stop niet met bidden, totdat God je verhoort.

Opgemerkt: Ook hierin is onze Heer Jezus Christus aan ons gelijk geworden en ons in voorgegaan:

(…) 7 Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, 8 en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, 9 en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, 10 door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van Melchisedek. (Uit Hebreeën 5)

Zie/lees:  Hebreeën 4 : 14-16 en 5

Bron citaat: checkluther-comMeditatie maandag 6 juli 2020

Bron afbeelding: YouTube (Desiring God)

Afbeelding kan het volgende bevatten: tekst
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie