Aanvaarden zoals het ons geschonken is/wordt!

(…) Hij moet het onder handbereik hebben en erin lezen zolang hij leeft.
Zo leert hij ​ontzag​ te hebben voor de HEER, zijn God,
en alle wetten uit dit ​boekin acht te nemen.
(Deuteronomium 17 : 19)

Gods Woord als dagelijks Brood!

Zo lees ik nu de Bijbel. Bij iedere plaats vraag ik: Wat heeft God hier tot ons te zeggen? En ik vraag God, ons duidelijk te maken, wat Hij zeggen wil. (1)

Anders gezegd, wij mogen helemaal niet naar algemene, eeuwige waarheden zoeken die bij ons eigen ‘eeuwige’ wezen zouden passen en als zodanig evident te maken zouden zijn. Maar wij zoeken naar Gods wil, die ons volkomen vreemd en onnatuurlijk voorkomt, wiens wegen niet onze wegen en wiens gedachten niet onze gedachten zijn, die zich voor ons verbergt onder het teken van het kruis, waar al onze wegen en gedachten ophouden.

God is iets heel anders dan de zogenaamde eeuwige waarheid. Dat blijft altijd onze zelfbedachte en gewenste eeuwigheid. Gods woord echter begint daarmee, dat Hij ons aan het kruis van Jezus laat zien waarheen al onze wegen en gedachten, ook de zogenaamde eeuwige, leiden, namelijk in de dood en in het gericht voor God.

Is het je nu enigszins duidelijk, waarom ik de Bijbel op geen punt prijs wil geven, dat ik veeleer uit alle macht vraag, wat God hier tot ons wil zeggen? (a) Iedere andere plaats buiten de Bijbel is mij te onzeker geworden. Ik ben bang, dat ik daar alleen maar stuit op een goddelijke dubbelganger van mij zelf.

En kun je dan ook enigszins begrijpen, dat ik liever bereid ben tot een sacrificium intellectus (een offer van mijn verstand) – juist in deze dingen en alleen in deze dingen, d.w.z. ziende op de waarachtige God!

En wie heeft nooit bij bestudering van een Bijbelplaats zijn sacrificium intellectus gebracht? – dus, wie heeft nooit hoeven erkennen dat hij een of andere plaats in de Schrift nog niet verstond, terwijl hij toch zeker wist, dat ook deze plaats zich eens zou openbaren als Gods eigen Woord?

Daarom breng ik liever een sacrificami intellectus dan naar eigen goeddunken te zeggen: dat is van God, dat is van de mens!

Opgemerkt AJ:
(1) Dat vragen kan heel eenvoudig het (persoonlijk dagelijks eerbiedig) bidden van het ‘Onze Vader’ zijn en God zal ons op dat gebed verhoren en ons Zijn wil doen verstaan en ons Zijn Naam doen heiligen en ons geschikt maken voor het zoeken en dienen van Zijn koninkrijk. Besef dat wij met de bede om het dagelijks Brood bidden om de Heilige Geest omdat Jezus Christus Zich in en door Hem aan ons schenken wil (zie o.a. Lukas 11).

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Christen zijn in de realiteit” –  “Het vreemde Woord” (27 januari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(aCitaat uit preek over 1 Samuel 1 (16-8-1970): ds. J.W. Verheij (1911-2008):
(…) Mij werd onlangs gevraagd: U behoort toch niet tot de verontrusten? Ik heb geantwoord, dat er mijns inziens wel wat meer echte, door de Heilige Geest gewerkte verontrusting mocht komen. Ik hoop, dat dat goed is begrepen. Wij moeten vuurbang zijn voor georganiseerde  verontrusting en voor een bepaalde vorm van conservatisme. Maar wij moeten wel weten dat het totaal gemis aan verontrusting bij vele kerkmensen in onze tijd een bewijs is van geestelijke verblinding en van gebrek aan waarachtig geestelijk leven.
Wat is echte verontrusting? En waarom moeten wij bidden dat die er toch bij velen komen mag? Het antwoord op deze vragen vinden wij alleen, als wij goed naar Gods woord luisteren. Dan zullen wij het onderwijs van de Schrift nemen zoals het ons gegeven is.

129 Uw richtlijnen zijn voor mij een wonder,
daarom volg ik ze met heel mijn ​hart.
130 Als Uw woorden opengaan, is er licht
en inzicht voor de eenvoudigen.

131 Dorstig opent zich mijn mond,
zo hunker ik naar uw geboden.
132 Keer U tot mij en wees mij ​genadig,
dat is het voorrecht van wie uw Naam bemint.

(Uit Psalm 119)

Bron afbeelding:  Women Living Well

 

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

‘Onderwijs over de goede werken’ – 1519 (III)

(…) 8 Wees elkaar niets schuldig, behalve ​liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld. 9 Want: ‘Pleeg geen ​overspel, pleeg geen ​moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ – deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 10 De ​liefde​ berokkent uw naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de ​liefde. (Uit Romeinen 13)

(…) “Als u verder vraagt ​​of zij het een goed werk vinden wanneer een man zijn vak uitoefent, een wandeling maakt, staat te kijken, eet, drinkt, slaapt en allerlei soorten van werk verricht voor de voeding van het lichamelijk of algemeen welzijn en of ze (daarvan) geloven dat God tevreden is met hen, dan zal je horen dat ze “nee” zeggen en dat ze goede werken zo nauw definiëren dat die alleen nog bestaan ​​uit bidden in de kerk, vasten en aalmoezen geven.

De andere dingen waar ze druk mee zijn die beschouwen ze als onwaardig en denken dat God daar geen belang aan hecht. En door dat te verwerpen ongeloof, beroven ze God van zijn deugden en verachten ze het geloof, want het is toch zo dat God wordt gediend door alle dingen die in en door het geloof gedaan, gesproken of gedacht kunnen worden.

Want iedereen kan heus wel aanvoelen en vaststellen of hij iets doet wat goed is of wat niet goed is. Als iemand er in zijn hart van overtuigd is dat het God behaagt, dan is het werk goed, zelfs als het zoiets onbetekenends is als het oprapen van een strootje.

Als dat gelovig vertrouwen er niet is, of als iemand er enige twijfel over heeft, dan is het werk niet goed, zelfs als iemand bezig was om al de doden op te wekken of als iemand zijn lichaam zou geven om te worden verbrand (zie: 1 Korintiërs 13 : 3).

Dit is de leer van Paulus in Romeinen 14 vers 23: ‘Wat niet uit geloof of in geloof gedaan wordt is zonde.‘ Het is vanwege ons geloven als belangrijkste werk en verder geen enkel ander werk dat wij christenen (kunnen/mogen) worden genoemd. ‘

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 6, 205, 14-23; 206, 8-15 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 44, blz. 24/25)

Zie ook:
Onderwijs over de goede werken – 1519 (I)
Onderwijs over de goede werken – 1519 (II)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Waar wij helemaal niet aan willen…

(…) Jullie zullen Mij zoeken en ook vinden, als jullie Mij tenminste met hart en ziel zoeken. Ik zal Me door jullie laten vinden – spreekt de HEER – en Ik zal in je lot een keer brengen. (Jeremia 29 : 11-14).

Wij kunnen alleen iets zoeken dat wij al kennen.

Als ik niet weet wat ik eigenlijk zoek, zoek ik helemaal niet. Wij moeten dus al weten welke God wij zoeken, voordat wij Hem werkelijk zoeken. Weet ik dat niet, dan dwaal ik maar wat rond, het zoeken wordt een doel in zich zelf en het vinden is niet langer de hoofdzaak.

Anders gezegd, vinden kan ik alleen, als ik weet wat ik zoek. Wat ik weet over de God die ik zoek, weet ik uit mij zelf, uit mijn ervaringen en inzichten, uit de geschiedenis of de natuur, zoals ik die begrijp, puur uit mij zelf dus – of ik weet het op grond van Zijn openbaring, van zijn eigen Woord.

Of ik bepaal de plaats waar ik God vinden wil, of ik laat God de plaats bepalen waar Hij gevonden wil worden. Als ik bepaal waar God moet zijn, dan zal ik daar altijd een God vinden die in zekere zin op mij lijkt, mij bevalt, bij mijn wezen past. Maar als God zegt waar Hij zijn wil, dan zal het waarschijnlijk op een plaats zijn die op het eerste gezicht helemaal niet bij mijn wezen past en mij helemaal niet bevalt.

Waar wij Hem zoeken moeten, dat past helemaal
niet bij onze natuur.

Die plaats is het kruis van Christus. En wie Hem daar wil vinden, moet mee onder dit kruis, gelijk de Bergrede eist. Dat past helemaal niet bij onze natuur. Integendeel, het gaat rechtstreeks tegen onze natuur in.

Maar dit is de boodschap van de Bijbel, niet alleen van het Nieuwe, maar ook van het Oude Testament (Jesaja 53). In ieder geval bedoelden Jezus en Paulus dit toen zij zeiden, dat met het kruis van Christus de Schrift, dat is het Oude Testament, werd vervuld.

De gehele Bijbel wil dus het Woord zijn, waarin God zich door ons laat vinden. Geen plaats die ons aangenaam is of die men zou kunnen verwachten, maar een plaats die ons volkomen vreemd is en

waar wij helemaal niet aan willen.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Christen zijn in de realiteit” – “Waar God wil dat wij Hem vinden” (26 januari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Wie zijn kruis niet opneemt en draagt en achter Mij komt (Mij navolgt), kan Mijn discipel niet zijn. (naar Matteüs 16 : 24 en Lukas 14 : 27 )

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Altijd even primitief…

(…) 105 Uw Woord is een ​lamp​ voor mijn voet,
een licht op mijn pad.
106 Ik zweer mij te houden aan uw rechtvaardige voorschriften
en ik zal mijn eed gestand doen.

107 Ik ben zo diep vernederd,
houd mij in leven, HEER, zoals u hebt beloofd.
108 Aanvaard, HEER, de lof uit mijn mond
en onderwijs mij in uw voorschriften.

109 Mijn leven is voortdurend in gevaar,
maar Uw wet vergeet ik niet.
110 Zondaars hebben voor mij een net gespannen,
maar ik wijk niet af van uw regels.

111 Uw richtlijnen zijn mijn eeuwig bezit,
ze zijn de vreugde van mijn ​hart.
112 Met ​hart​ en ziel ben ik bereid
uw wetten uit te voeren,
eeuwig, tot het einde toe.

(Uit Psalm 119)

En ik wil je nu ook nog heel persoonlijk zeggen: sinds ik geleerd heb, de Bijbel zó te lezen – en dat is nog niet zo’ heel lang geleden — wordt zij mij dagelijks een groter wonder. Ik lees haar ’s morgens en ’s avonds, dikwijls ook nog overdag, en iedere dag sla ik een tekst op, die ik voor een hele week gekozen heb, en probeer er geheel in te verzinken, om de tekst werkelijk te hóren.

Ik weet, dat ik zonder dit niet meer echt zou kunnen leven. En zeker niet meer echt zou kunnen geloven. Dagelijks wordt mij meer duidelijk, wat eens een raadsel was. Wij blijken steeds nog te blijven staan bij de buitenkant. Toen ik vandaag in Hildesheim weer eens middeleeuwse kunst zag, werd mij plotseling duidelijk, dat de mensen toen veel meer van de Bijbel begrepen. En dat onze voorvaders in hun geloofsconflicten niets anders hadden en wilden hebben dan de Bijbel, en dat zij door dit boek onafhankelijk en standvastig geworden zijn tot een echt leven in het geloof, is toch ook iets, dat te denken geeft.

Het zou, meen ik, van oppervlakkigheid getuigen te zeggen, dat sinds vroeger eeuwen alles heel anders geworden zou zijn. De mensen en hun noden zijn beslist dezelfde gebleven. En de Bijbel antwoordt op deze noden vandaag de dag niet minder dan toen. Dat mag dan een zeer primitieve zaak zijn. Maar je weet niet, hoe blij je bent, wanneer je de weg naar deze primitieve zaken weer hebt teruggevonden na in zo menige theologie waarover we beschikken het spoor bijster te zijn geraakt.

Wat het geloof betreft, zijn wij, dacht ik, altijd even primitief.

Wij staan dus voor de beslissing, of wij dit woord van de Bijbel ons vertrouwen geven of niet, of wij er ons door willen laten vasthouden, als door geen ander Woord in leven en in sterven (1). En ik geloof, dat wij eerst dan echt blij en rustig kunnen worden, wanneer wij tot dit besluit zijn gekomen en ons er aan (laten) houden.

(1) Opgemerkt AJ: Wie de Bijbel, Gods Woord z’n vertrouwen geeft, die geeft zich over aan Jezus Christus, want van Hem ‘getuigt heel de Schrift’. Zó komt Hij als de Levende tot ons dag aan dag en leidt en draagt Hij ons door onze levenstijd hier op aarde. Door Zijn Woord en Geest hebben wij eeuwig leven.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Christen zijn in de realiteit” – “In het geloof blijven we altijd even primitief” (28 januari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  Heartlight Gallery

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Maar ik, ik blijf uitzien…

(…) 7 Maar ik, ik blijf uitzien naar de HEER,
ik blijf hopen op de God die mij redding zal brengen.
Hij zal mij horen, mijn God.

8 Jij die me haat, maak je niet vrolijk over mij.
Al ben ik gevallen, ik sta op,
al is het donker om mij heen, de HEER is mijn licht.
9 De toorn van de HEER zal ik dragen
– ik weet, ik heb tegen hem gezondigd –
tot Hij voor mij heeft gepleit,
mij recht heeft verschaft.

Hij zal me naar het licht voeren
en ik zal zijn ​gerechtigheid​ aanschouwen.
10 Zij die me haat zal het zien en beschaamd zijn,
zij die me vroeg: ‘Waar is hij dan, de HEER, je God?’
Ik zal toekijken en genieten
wanneer ze als straatvuil vertrapt wordt. (a)

11 Dat is de dag om je ​muren​ op te bouwen,
de dag dat je grenzen worden verlegd.
12 Die dag zal men bij je komen,
van Assyrië tot de steden van Egypte,
van Egypte tot aan de ​Eufraat,
en vanaf de zee in het westen tot aan de hoogste berg.
13 En de aarde zal worden verwoest,
om haar bewoners, vanwege hun daden.

14 Weid uw volk met uw staf,
uw geliefde kudde die eenzaam leeft
in het woud, omringd door vruchtbaar land.
Mogen ze weiden in Basan en ​Gilead,
als in de dagen van weleer.

15 Als in de dagen van zijn bevrijding uit Egypte
laat ik dit volk wonderbaarlijke daden zien.
16 De volken zullen het zien en beschaamd staan,
beroofd van hun kracht,
doof en met de hand op de mond.
17 Ze zullen stof likken als een slang,
als dieren die kronkelen over de grond.
Sidderend zullen ze uit hun burchten komen,
vol ​ontzag​ voor de HEER, onze God.
Ze zullen U vrezen!

18 Wie is een God als u,
die schuld ​vergeeft
en aan ​zonde​ voorbijgaat?
U blijft niet woedend
op wie er van uw volk nog over zijn;
liever toont U hun uw trouw.
19 Opnieuw zult u zich over ons ontfermen
en al onze ​zonden​ tenietdoen.
Onze ​zonden​ werpt u in de diepten van de zee.
20 U bewijst ​Jakob​ uw trouw
en ​Abraham​ uw ​goedheid,
zoals u gezworen hebt aan onze voorouders,
in de dagen van weleer.

(Uit Micha 7)

(a) 5 Zou een rechtvaardige mij slaan, het was mij een weldaad,
zou hij mij straffen, het was balsem op mijn hoofd.
Zou ik lijden onder de kwaden, dan nog bleef ik ​bidden,
6 en werden hun ​leiders​ van de rotsen geworpen,
van mij hoorden ze woorden van deernis.

(Uit Psalm 141)

Bron tekst:  Nederlands Bijbelgenootschap [NL]

Bron afbeelding:   Inspirational Image King – James Bible 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

De farizeeër (in ons) en het zondaarsgebed…

O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen,
rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze ​tollenaar;
(Uit Lukas 18 : 11)

O God, ik dank !U!

Ziet u dat er op het eerste gezicht op het gebed van de farizeeër niets aan te merken valt. Hij dankt God. Hij weet dat hijzelf dankzij Gods genade niet is zoals zoveel andere mensen om hem heen…

En toch keurt Jezus dat dankgebed af!

In deze tijd bidden (danken!) wij in de gemeente van Jezus Christus echter vaak net zo: O God, wij danken u dat wij (hier in Nederland) niet zijn zoals bijvoorbeeld heel wat Turken en Marokkanen hier in ons land of elders in de wereld, maar dat u hier het Evangelie al eeuwen vrij heeft doen klinken en dat wij dankzij uw genade hier in Nederland kunnen spreken van een samenleving met duidelijk ‘christelijke wortels’, die het zeker nog de moeite waard is om die met ‘hand en tand’ tegen het binnendringen van (nog meer) ‘foute mensen’ te beschermen.

Maar zo moet ons bidden en danken beslist niet klinken. Wij behoren dankend te belijden: O God, wij weten ons groter zondaar(s) dan al die mensen die ons en onze samenleving zoveel problemen bezorgen. Wij hebben hier al eeuwenlang in alle vrijheid het Evangelie mogen horen en aannemen en in praktijk brengen en toch brengen wij er iedere dag nog zo bitter weinig van terecht. De liefde en de vergevingsgezindheid en het Evangelie met daad en woord en Uw Woord uitdragen brengen wij maar zo mondjesmaat in praktijk, terwijl U van ons zo heel anders mocht en mag verwachten. Wij erkennen het, samen met Paulus en ieder voor zichzelf, wij staan meer in de schuld bij U en de ander, dan ‘die ander’ bij U en bij ons (en mij!) in de schuld staat.

(…) 15 Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard dat ​Christus​ ​Jezus​
in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken,  van wie
ik de voornaamste ben (onder wie ik een eerste plaats inneem).

(Uit 1 Timoteüs 1)

Ga maar na: Adam en Eva konden, nadat Kaïn zijn broer Abel vermoord had, niet zeggen: Dank u God dat wij nooit zo ver gegaan zijn als Kaïn. Nu weten wij ons gelukkig niet meer de grootste zondaren op deze wereld. En dacht u dat David na zijn zonde met Batséba en de moord op Uria (en medesoldaten) nog op koning Saul wilde en durfde wijzen als iemand met nog meer moord(en) op z’n geweten? En zou Petrus Judas als een groter verrader hebben willen aanwijzen, terwijl hijzelf – nog ernstiger en concreter dan Judas – door Jezus gewaarschuwd was voor het verloochenen van Hem. En Petrus realiseerde zich dat pas na de derde keer toen – naar Jezus voorzegging – een haan zijn gekraai liet horen. En ook Paulus durft (zichzelf en ons) geen ander als groter zondaar aan te wijzen…

Zolang wij (dit) niet beseffen en erkennen, namelijk dat wij eerst en steeds weer onszelf als eerste en als grootste zondaar onder de zondaren hebben te belijden, zullen we niet goed in staat zijn om anderen de Goede Weg te wijzen in situaties van zonde en schuld waar ieder de weg van de Liefde, dus De Weg van vergeving en verzoening en dus ook weer aanvaarding van de ander heeft te gaan. En die weg hebben wij te gaan onafhankelijk van hoe de ander zich daarin tegenover ons opstelt. Dat laat heel Gods Woord ons steeds weer horen en weten, dat heeft  de Here Jezus, God Zelf,  ons duidelijk genoeg laten horen en zien in Zijn leven, in Zijn goed doen en vergeven, in Zijn lijden en sterven hier op aarde! Het is (toch) niet nodig om hier nog verder uitgebreid op in te gaan of dat aan te tonen! Daarom hieronder alleen nog woorden van Paulus en een ‘Dietrich Bonhoeffer citaat‘ waarin Gods Woord wordt nagesproken en (dus) beleden.

(…) 17 Indien gij u dan ​Jood​ (Gods volk) laat noemen, steunt op de wet (Evangelie), u beroemt op God, 18 Zijn wil kent, weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de wet (Evangelie) geniet, 19 en u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt, een licht voor hen, die in duisternis zijn, 20 een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen, daar gij in de wet (Evangelie) de belichaming der kennis en der waarheid bezit, – 21 hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt uzelf? 22 Die ​overspel​ verbiedt, doet gij ​overspel? Die gruwt van de ​afgoden, pleegt gij tempelroof (plundert u de ‘gemeentekas’)? 23 Die u op de wet (Evangelie) beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet (Evangelie (1))? 24 Want de naam Gods wordt om u gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven staat.  (Uit Romeinen 2(1)

(1) Niet allerlei ellendige omstandigheden en ‘geweld op straat’ of verdrukking en vervolging maar gebrek aan onderlinge liefde en zorg voor elkaar en de verdeeldheid die onder Gods volk heerst (Israël/de gemeente(n) van Jezus Christus) brengen schade toe aan het koninkrijk van God en de uitbreiding daarvan.

Citaat uit Bonhoeffer Brevier, 9 juni: (…)

(…)  God Zelf werd een werkelijke mens.

  • De mens draagt het doodsoordeel van God, het moeten sterven voor God om de zonde, dagelijks met zich mee. Hij bezegelt met zijn leven, dat voor God niets bestaan kan, tenzij in gericht en genade.
  • De mens sterft dagelijks de dood van de zondaar. Hij draagt de littekens van de wonden, die de zonde hem sloeg, deemoedig in lichaam en ziel.
  • Geen mens kan zich boven een ander mens verheffen, of zich aan hem ten voorbeeld stellen, want

hij/zij leerde zich zelf zien als de grootste van alle zondaars.

(Citaat uit Bonhoeffer Brevier, 9 juni)
Lees ook het volledige citaat: Gelijkvormig worden aan de Zoon

Bron afbeelding:  Sharefaith

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | 1 reactie

Een besluit dat niet herroepen kon worden…

(…) 11 Toen Daniël hoorde van het besluit dat op schrift gesteld was, ging hij naar zijn ​huis. In zijn ​bovenvertrek​ had hij in de richting van Jeruzalem open vensters. Daar knielde hij neer, bad tot zijn God en prees hem, precies zoals driemaal per dag zijn gewoonte was.

12 Maar toen drongen de mannen zijn ​huis​ binnen en troffen Daniël aan terwijl hij tot zijn God bad en hem prees. 13 Ze gingen onmiddellijk naar de ​koning​ en wezen hem op het koninklijk besluit: ‘Hebt u geen verbod op schrift laten stellen dat ieder mens die de komende dertig dagen een verzoek tot een god of een mens richt in plaats van tot u, majesteit, in de leeuwenkuil zal worden geworpen?’

De ​koning​ antwoordde: ‘Die verordening ligt even vast als elke wet van de ​Meden​ en de Perzen, ze kan niet worden herroepen.’

14 Toen zeiden ze tegen de ​koning: ‘Daniël, een van de Judese ballingen, slaat geen acht op u, majesteit, noch op het besluit dat u op schrift hebt laten stellen; driemaal daags verricht hij zijn ​gebed.’ 15 De ​koning​ was zeer ontstemd toen hij deze beschuldiging hoorde, en hij zon op middelen om Daniël te redden. Tot zonsondergang deed hij alles wat in zijn macht lag om Daniël te beschermen.

16 Maar de mannen drongen bij de ​koning​ aan en zeiden: ‘Bedenk, majesteit, dat geen verbod of besluit dat de ​koning​ heeft uitgevaardigd veranderd kan worden; het is een wet van de ​Meden​ en de Perzen.’ 17 Hierop gaf de ​koning​ bevel Daniël te halen en hem in de leeuwenkuil te werpen. De ​koning​ zei tegen Daniël: ‘Uw God, die u zo vasthoudend dient, zal u redden!

(Uit Daniël 6)

(…) 13 Jullie die ver weg wonen, hoor wat ik gedaan heb,
en jullie dichtbij, erken mijn kracht.
14 De zondaars in Sion sidderen,
de goddelozen worden door angst bevangen:
Wie van ons kan wonen in verterend vuur?
Wie kan wonen in vuur dat eeuwig brandt?’
15 Wie ​rechtvaardig​ leeft en de waarheid spreekt,
wie woekerwinst door afpersing weigert,
wie aangeboden steekpenningen afwijst,
wie niet wil toehoren als een ​moord​ wordt beraamd,
wie niet kan aanzien hoe het kwaad geschiedt
16 hij zal hoog hierboven wonen,
veilig in de onneembare rotsburcht;
in zijn brood wordt voorzien,
aan water is nooit gebrek.

(Uit Jesaja 33)

(…) De Heilige Geest Zelf zal hen bij staan. Hij zal hen onoverwinnelijk maken. Hij zal hun een ‘wijsheid geven, welke al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerstaan of weerleggen‘ (Lukas 21 :15). Omdat de discipelen in het lijden zich aan het Woord houden, daarom zal het Woord ook bij hen blijven. Voor een gezocht martelaarschap geldt deze belofte niet. Maar het lijden om wille van het Woord is er ten volle van verzekerd.

(Uit Bonhoeffer Brevier, 2 mei)

Lees ook:  Psalm 15

Bron afbeelding:  Pinterest | Pi love | ADPi til I die

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

‘Welgestelde burgers’ of vreemdeling en bijwoner?

(…) 13 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij ​vreemdelingen​ en bijwoners waren op aarde. (Uit Hebreeën 11)

(1) (…) Als in de Bijbel het woord ”vreemdeling” valt, dan moeten gelovige christenen de oren spitsen. Het gaat dan niet over anderen, maar over henzelf. Christenen zijn vreemdelingen op aarde. Hun definitieve woning is niet ”beneden” maar ”boven” (2 Korintiërs 5). Vreemdelingschap is een centraal motief in de apostolische brieven in het Nieuwe Testament.

(…) Christenen moeten zich spiegelen aan de ervaringen van de vreemdeling. Daarbij hoort ook de ervaring van het niet welkom zijn, de onverdraagzaamheid jegens vreemdelingen, het misbruik dat gemaakt wordt van iemands zwakke positie, rechteloosheid.

(…) Ook de politieke arena kent onverdraagzaamheid: het niet (kunnen) accepteren van de ander zoals deze is. Daarbij horen ook de uitingen van de ander, diens woorden en gedragingen. Natuurlijk keuren we het niet goed als mensen zich niet houden aan wat samen is afgesproken. Er zijn woorden en gedragingen die buiten de orde zijn. Een Kamervoorzitter kan een Kamerlid berispen of aangeven dat ”onparlementaire” taal niet is toegestaan. Maar intolerantie gaat dieper. Dan verdragen we een ander niet om wie hij of zij is. We verdragen het andere van de ander niet. Dat is een daad van liefdeloosheid. Tolerantie betekent: ruimte maken voor de ander, ook al zijn we het met de leefwijze, het gedrag of de opvattingen van hem of haar niet eens.

(…) Onverdraagzaamheid is een gif dat het samenleven ondermijnt. Het kan van alle kanten komen, vanuit ieder hart dat deze onverdraagzaamheid toelaat, vanuit ieder besef van eigen superieure identiteit. Deze onverdraagzaamheid kan zich richten tegen Marokkanen, maar ook tegen Joden. Zij kan mannen en vrouwen uitsluiten, ouderen en jongeren benadelen, met als resultaat dat mensen zich onveilig, ongewenst of overbodig voelen. Dit gif voedt het wantrouwen, de achterdocht, de minachting. Vervolgens raken verbindingen verbroken, mijden mensen de omgang met elkaar en lukt het samenleven en samenwerken niet meer. Wie onverdraagzaamheid zaait, oogst haat, verdriet en wanorde.

(…) Zelfgerichte autonomie kan niet goed omgaan met het andere van de ander. Dat andere, het vreemde, moet dan verdwijnen of zich geheel assimileren. Wie zo van de eigen autonomie uitgaat, kan niet omgaan met verschil en niet echt tolerant zijn. Hij vlucht liever in een of andere identiteitspolitiek.

Op sommige oude gemeentehuizen vindt men het woord concordia: eendracht. Tolerantie is een eerste stap op weg naar deze eendracht, zonder welke goed samenleven niet lukt. Tolerantie is een samenlevingsdeugd, die gevoed moet worden in kerken, op scholen en in de politieke arena, te beginnen bij het spreken van bestuurders en parlementariërs. Tegelijkertijd is het slechts een eerste stap en niet meer dan dat. Het gaat erom dat we er daadwerkelijk zijn voor elkaar, dat burgers zich inzetten voor het welzijn van alle anderen, dat vormen van maatschappelijke liefde tot bloei komen. Niet voor niets is solidariteit een maatschappelijke deugd. Maar dit alles wortelt in de liefde, en de liefde drijft het kwaad van de onverdraagzaamheid uit.

Voor christenen luistert dit alles bijzonder nauw, juist omdat zij in de Bijbel worden aangesproken als ”vreemdelingen en bijwoners”. Wat dat is en wat dit met zich meebrengt, mogen zij niet vergeten. Integendeel, het helpt hen om te beseffen dat God ons allen ziet en dat Hij elders een stad bereid heeft. Onze stad is niet op de aarde, maar in de hemel. De kerkvader Augustinus sprak over die beide steden, die twee werkelijkheden, en wist dit: werkelijk blijvend is de liefde, niet de amor sui, de liefde voor onszelf, maar de amor Dei, de liefde voor God, de Schepper van alle mensen. Dat is de liefde waar de vreemdeling op is aangewezen.

(1) In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze week was de beurt aan prof. dr. Roel Kuiper (CU).

Bron tekst: RD opinie – “Christen moet zich spiegelen aan ervaringen van vreemdeling” door prof. dr. Roel Kuiper

Bron afbeelding:  ANP – Koen van Weel  (vragenuur Tweede Kamer)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Die heeft al een rechter…

(…) 47 Als iemand mijn woorden hoort maar ze niet bewaart, zal Ik niet over hem oordelen. Ik ben immers niet gekomen om over de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden. 48 Wie mij afwijst en mijn woorden niet aanneemt heeft al een rechter: alles wat Ik gezegd heb zal op de laatste dag over hem oordelen.

49 Ik heb niet namens mezelf gesproken, maar de Vader die mij gezonden heeft, heeft me opgedragen wat ik moest zeggen en hoe ik moest spreken. 50 Ik weet dat Zijn opdracht eeuwig leven betekent. Alles wat ik zeg, zeg ik zoals de Vader het mij verteld heeft.’

(Uit Johannes 12, NBV)

(…) 6 Het verbaast me dat u zich zo snel hebt afgewend van hem die u door de ​genade​ van ​Christus​ heeft geroepen en dat u zich tot een ander ​evangelie​ hebt gekeerd. 7 Er is geen ander ​evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen en het ​evangelie​ van ​Christus​ willen verdraaien.

8 Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een ​engel​ uit de hemel – vervloekt is hij! 9 Ik heb het al eerder gezegd en zeg het nu opnieuw: wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat u hebt ontvangen – vervloekt is hij!

10 Probeer ik nu mensen te overtuigen of God? Probeer ik soms mensen te behagen? Als ik dat nog altijd zou doen, zou ik geen ​dienaar​ van ​Christus​ zijn. 11 Ik verzeker u, broeders en zusters, dat het ​Evangelie​ dat ik u verkondigd heb niet door mensen is bedacht 12 – ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd – maar dat ​Jezus​ ​Christus​ mij is geopenbaard.

13 U hebt gehoord hoe ik vroeger volgens de Joodse godsdienst leefde, dat ik de ​gemeente​ van God fanatiek vervolgde en haar probeerde uit te roeien. 14 Ik leefde de Joodse wetten heel wat strikter na dan velen van mijn generatie en zette mij vol overgave in voor de tradities van ons voorgeslacht.

15 Maar toen besloot God, die mij al vóór mijn geboorte had uitgekozen en die mij door zijn ​genade​ heeft geroepen, 16 zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem aan de heidenen zou verkondigen.

Ik heb toen geen mens om raad gevraagd 17 en ben ook niet naar Jeruzalem gegaan, naar hen die eerder ​apostel​ waren dan ik. Ik ben onmiddellijk naar Arabia gegaan en ben van daar weer teruggekeerd naar ​Damascus. 18 Pas drie jaar later ging ik naar Jeruzalem om Kefas te ontmoeten, en bij hem bleef ik twee weken. 19 Maar van de overige ​apostelen​ heb ik niemand gezien, behalve ​Jakobus, de broer van de ​Heer. 20 God is mijn getuige dat ik u de waarheid schrijf. 21 Daarna ging ik naar het kustgebied van Syrië en van Cilicië.

22 De christengemeenten in Judea hadden mij nog nooit ontmoet, 23 maar iedereen had over mij horen vertellen: ‘De man die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof dat hij toen probeerde uit te roeien.’ 24 En zij prezen God om mij.

(Uit Galaten 1, NBV)

De macht die de mensen voor korte tijd op deze aarde gegeven is, gaat niet buiten Gods weten en willen om. Vallen wij in de handen der mensen, treft ons lijden en dood door menselijk geweld, dan zijn wij er toch zeker van dat alles van God komt. Hij die geen mus ter aarde laat vallen zonder zijn willen en weten, Hij laat de zijnen niets overkomen dan wat hun en de zaak waarvoor zij staan, goed en nuttig is. Wij zijn in Gods hand. Daarom: ‘Vreest niet!

De tijd is kort. De eeuwigheid is lang. Het is beslissingstijd. Wie hier bij het Woord en de belijdenis blijft, bij hem zal in het uur van het oordeel Jezus Christus staan. Hij zal bij hem komen en naast hem gaan staan, wanneer de aanklager zijn recht zal opeisen. Wie zich echter schaamt voor deze Heer en deze naam, wie Hem verloochent, voor hem zal zich ook Jezus in de eeuwigheid schamen, die zal Hij verloochenen.

(Uit Bonhoeffer Brevier, 3 mei)

Bron afbeelding:  Daily Dose of Encouragement | Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

‘Onderwijs over de goede werken’ – 1519 (II)

(…) 39 U bestudeert de Schriften en u denkt daardoor eeuwig leven te hebben.
Welnu, de Schriften getuigen over Mij,
40 maar bij Mij wilt u niet komen om leven te ontvangen.
(Uit Johannes 5)

(…) “We zien om ons heen velen die bidden, vasten, gaven geven, en meer van dat alles, en die een goed leven leiden in de ogen van hun medemensen, en toch, als u hen zou vragen of ze er wel zeker van zijn dat hun doen en laten aangenaam is voor God, dan ‘nee’ zeggen. Ze weten het niet, of zijn op z’n minst onzeker daarover.

En er zijn zeer geleerde mannen die zulke mensen op een dwaalspoor brengen door hen voor te houden dat het ook niet nodig is om hier zeker van te zijn, en toch doen deze geleerde mannen niets anders dan goede werken onderwijzen.

Let nu goed op: al dit soort werken gaan verder dan (het) geloof! Daarom zijn ze echt niets waard en zijn ze absoluut dood. Want zoals hun geweten in relatie tot God staat en zoals het gelooft, zo zijn ook hun werken die daaruit voortkomen. Welnu, dat is geen geloof, noch is het een goed geweten voor God. Daarom zijn hun werken zinloos en hun leven en hun goedheid hebben geen enkele waarde.

Dit is de reden dat wanneer ik het geloof verhef en dergelijke werken gedaan zonder geloof verwerp, ze mij beschuldigen van het verwerpen en verbieden van (het doen van) goede werken. Maar de werkelijkheid is dat ik heel graag de echte goede werken wil onderwijzen, namelijk die voortkomen uit geloof. ‘

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 6, 205, 1-13 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 44, blz. 24)

Zie ook:  Onderwijs over de goede werken – 1519 (I)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) 19 Want ik ben gestorven door de wet en leef niet langer voor de wet, maar voor God. Met ​Christus​ ben ik gekruisigd: 20 ikzelf leef niet meer, maar ​Christus​ leeft in mij. Mijn leven hier op aarde leef ik in het geloof in de ​Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft prijsgegeven. 21 Ik verwerp Gods ​genade​ niet; als we door de wet ​rechtvaardig​ zouden kunnen worden, zou ​Christus​ voor niets gestorven zijn.
(uit Galaten 2)

Bron afbeelding:  Hymn of the heart

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie