Weten van genade te leven…

(…) 2 Draag elkaars lasten, zo leeft u de wet van ​Christus​ na. 3 Wie denkt dat hij iets is terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf. 4 Laat iedereen zijn eigen daden toetsen, dan heeft hij misschien iets om trots op te zijn, zonder zich er bij anderen op te laten voorstaan. 5 Want ieder mens moet zijn eigen last (1) dragen. (Uit Galaten 6)

Lastig (die ander)?

Het is in de eerste plaats onze opdracht om te zien naar mensen met zorgen binnen de gemeente. We lezen daarover in Romeinen 13 vers 1: Maar wij die sterk zijn, zijn verplicht de zwakheden van hen die niet sterk zijn te dragen, en niet onszelf te behagen.

Dat houdt ook in, dat wij zelf niet zo groot moeten zijn, dat wij onze lasten niet met anderen willen delen. Er zijn mensen die het allemaal maar het liefst alleen opknappen. Zij hebben geen behoefte aan helpende handen. Zo’n levenshouding is in strijd met wat de apostel ons voorhoudt. Niemand moet te groot zijn om zich te laten helpen.

Draagt elkanders lasten. En vervul zo de wet van Christus.

Om het vervullen van de wet van Christus gaat het. Het is maar niet iets humanitairs wat Paulus hier aan de orde stelt. Hij legt ons hier ook niet de last van onze naaste op als een juk van de wet zonder meer, zwaar om te dragen.

In Galaten 6 vers 3 lezen we: Want als iemand denkt iets te zijn, terwijl hij niets is, bedriegt hij zichzelf. Paulus geeft aan dat het dragen van elkaars lasten samenhangt met onze innerlijke gesteldheid. Eigendunk brengt verwaarlozing van de naaste met zich mee. Dan is er sprake van zelfbedrog en opgeblazenheid. (zie ook 1 Korinthe 8 vers 2).

Wij zijn niets. De apostel bedoelt niet te zeggen, dat een mens niet iets eigens heeft. Geen zelfonderschatting dus. Maar een mens moet niet buiten zijn schoenen gaan lopen en in zelfoverschatting denken dat hij iets meer is dan een ander. Hoogmoed maakt een mens liefdeloos.

Voortdurend schrijft Paulus in deze verzen over de omgang met elkaar binnen de christengemeente. Het gaat hier over de ik-jij verhouding. Maar telkens als hij het heeft over de ander, schakelt hij terug op mijn ‘ik’.

Aan mijn omgang met de naaste is te zien wie ik zelf ben…
(en hoe diep ik weet van genade alleen te leven!)

(1) De eigen verantwoordelijkheid – voor doen en laten – naar God valt natuurlijk niet weg.

Opgemerkt: Afbeelding hieronder geeft een aardig (voor)beeld van samen elkaars lasten dragen maar dan op zo’n manier dat ieder toch ook de eigen last draagt.

Bron citaat: Bijbelwoord

Bron afbeelding: Barneveld Vroeger Of Later

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

God leren vertrouwen en loven met mond én hart…

De farizeeër stond en bad bij zichzelf zó: Ik dank U God, dat ik niet ben zoals de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook zoals deze tollenaar
(Lukas 18:11 weergave DB 1545).

(…) “God oordeelt over de daden van mensen zo onbegrijpelijk en wonderlijk, dat soms iemand die arm is en waar niemand van weten wil – verborgen in zijn huisje – de meeste en beste werken doet door slechts God te danken als het goed met hem gaat óf Hem weer vol vertrouwen aanroept als het slecht met hem gaat.

Hij doet daarmee meer en betere werken dan een werkheilige, die veel vast, bidt, kerken bouwt, heilige plaatsen bezoekt en zich hier en daar met goede daden vermoeit.

Hierbij kan het zo’n dwaas overkomen, dat hij veel over zichzelf praat, en alleen maar oog heeft voor zijn eigen grote werken en zó verblind is, dat hij het echte grote werk: God loven en prijzen nooit gewaar wordt. God loven en prijzen is in zijn ogen maar een klein ding, vergeleken met zijn inbeeldingen over de door hemzelf bedachte werken – waarin hijzelf meer behagen heeft dan God.

Hiervan geeft ook de gelijkenis van farizeeër en de tollenaar in de tempel een voorbeeld (vgl. Lukas 18 : 9 vv). Want de zondaar roept God aan in zijn zonden en vervult daarmee juist de twee voornaamste geboden, het geloven en loven van God.

De huichelaar (1) mist zowel het ene als het andere werk en loopt – vaak zonder het zelf te beseffen! – te pronken met zijn zogenaamde goede werken, waardoor hij zichzelf wél, maar God niet eert, en zijn vertrouwen meer stelt op zichzelf dan op God.”

Maarten Luther:  Von den guten Werken, 1520, vgl. WA 6, 218, 29 – 219, 9 (verkort)

(1De toneelspeler – want zo dient het woord huichelaar vertaald te worden – treedt op voor de mensen, voor zijn publiek. Zo kan men een gelovig ‘optreden’ verzorgen voor eigen omgeving, kerk of wereld. Zoals de toneelspelers in die tijd aandacht vroegen voor hun optreden door de trompet te laten klinken, zo waren er mensen die als het ware eerst op de gong sloegen voordat ze een ander hielpen, bijvoorbeeld door aalmoezen. In de synagogen en op de straten vond men opschriften waarop met naam en toenaam werd gemeld wie een schenking had gedaan voor een stad of voor een synagoge. Zulke gevers hebben hun beloning al: zij oogsten het applaus bij de opvoering van de acte van vrijgevigheid. (zie Jezus waarschuwingen over toneelspel in/van ‘de kerk’)

Bron citaat: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres: info@maartenluther-citaten.nl

(…) U wilt dat Waarheid mij vervult, U leert mij wijsheid, diep in mijn ​hart.
(Uit Psalm 51 : 8)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Kijken met ogen als van een koe?

Wel hem, die Gij verkiest en tot U toelaat, opdat hij in Uw hoven wone.
Die heeft de rijke troost van Uw huis, de heilige tempel.
 (Psalm 65 : 5)

(…) Nu hebben wij de genade dat we elke dag en zonder onderbreking tot God kunnen gaan, en daar kunnen zijn waar Hij is. Maar waar is Hij? Nergens anders dan waar Zijn Woord en Zijn sacrament zijn. Maar waar zijn die? Nergens anders dan overal in de wereld.

Daarom kunnen we Hem overal vinden en tot Hem gaan. Het ontbreekt er echter alleen aan dat wij niet kunnen zeggen, zoals de dichter dat wel kan, dat God daar woont, en dat dít het komen tot Hem betekent.

Wij hebben net zulke ogen als een koe wanneer ze naar een nieuw hek staat te kijken. Zo kijken wij ook als de voorganger doopt of het Avondmaal bedient. Maar wij zijn niet zo verstandig dat we kunnen zeggen: Dan ga ik tot God! Dát is het ware komen tot God. Want wie is het die de Doop en het Avondmaal heeft ingesteld?

Geen mens of een ander schepselGod Zelf heeft ze ingesteld en er bevel van gegeven. En dus, als ik me daarheen begeef, ga ik heel zeker naar God Zelf toe, Die daar doopt. Maar omdat de mensen niet méér zien dan water en de hand van een mens, gaan we af op wat we zien en denken niet verder.

Deze heilige profeet doet dat echter niet, ook al zag hij niets. De tabernakel was immers met dierenhuiden bedekt en door het gordijn en de schotten van ceder- en sparrenhout omgeven. Dus hij had ook kunnen zeggen: Zeg wat is dat? Dat heb ik toch wel vaker gezien. Nee, hij zegt: Daar zie ik het huis van God, de tempel. Hier kom ik tot U.

Hij ziet Gods Woord en voorschriften met ware geestelijk ogen, zoals Hij dat heeft bepaald. Als David dan ook de priesters en levieten hoorde, heeft hij niet naar hun mond of hun neus gekeken, zoals wij dat doen. Evenmin heeft hij gedacht dat het iets menselijks was, maar wel heeft hij naar het Woord van God geluisterd dat door hen werd onderwezen.

Hij beschouwde het zo, dat waar Mozes of het Woord van God werd gelezen of verkondigd, het niet het woord van Mozes of Aäron was, maar het Woord van God. Dat noemt hij ook het ‘komen tot God Zelf’, en dat hij het van God heeft gehoord.

Maarten Luther: “Loflied op Gods goedheid – Psalm 65” – Uit het Duits vertaald door N.A. Eikelboom – Den Hertog Uitgeverij.

(…) 17 God, U onderwees mij van jongs af aan,
en steeds nog vertel ik uw wonderen.
18 Nu ik oud en grijs ben,
verlaat mij niet, o God,
zodat ik het nageslacht, elk nieuw ​kind,
kan verhalen van de macht van Uw arm.
(Uit Psalm 71)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Wees niemand iets schuldig…

Zijt niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben (1);
want wie de ander liefheeft,
heeft de wet vervuld
(Romeinen 13 : 8).

‘Onderwijs over de goede werken’ – 1519 (XXXVII)

Het werk van het vijfde gebod (II)

Gij zult niet doden

(…) “Aangezien er geen enkel mens leeft zonder dat God hem of haar niet een soort van indicator geeft voor het onderkennen van eigen woede en slechtheid, dat wil zeggen, een vijand of tegenstander op zijn of haar weg brengt, die schade toebrengt aan eigendom, eer, leven of vrienden, om daarmee te testen of iemands woede niet nog altijd sluimert en opspeelt, of iemand in staat is om welwillend jegens zijn vijand te zijn, goed van hem wil spreken, goed voor hem kan doen en geen kwaad tegen hem of haar in de zin heeft – laat die mens zich hier maar melden, die ernaar vragen wil wat hij of zij op dit gebied moet doen aan goede werken, om God te behagen, en om te worden gered!

Laat zo iemand dan zijn vijand voor zich plaatsen, en deze dan constant voor de ogen van zijn hart houden als een oefening waardoor hij zijn geest kan leren beteugelen en zijn hart kan wennen om vriendelijk over zijn vijand te denken, hem het allerbeste toe te wensen, voor hem of haar te bidden – en om, wanneer de gelegenheid zich voordoet, goed over zo iemand te spreken en goed voor zo iemand te zorgen.

Laat iemand die daartoe bereid is dit maar uitproberen en beoefenen, en als hij of zij daarin dan niet een leven lang genoeg vindt om te doen, laat zo iemand mij dan maar tot leugenaar uitroepen en zeggen dat wat ik hier gesproken heb onjuist is.

Maar, als dit werkelijk naar de wil van God is, en als God niets anders van ons vragen en ontvangen wil, welk nut brengt ons dan nog ons gedraaf voor het tot stand brengen van grootse vrome werken, die ons niet bevolen worden, terwijl we wat ons hier wel bevolen wordt verwaarlozen.

Daarom zegt God in Mattheüs 5 : 22: Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd (Raka – daarmee een vreselijke blijk gevend van een boosaardig gemoed), zal vervallen aan de ​Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas (Dat betreft dus alle soorten van scheldwoorden, vloeken, schimpen en lasteren), zal vervallen aan het hellevuur.

Als dan zulke gedachten en woorden van woede zo ernstig worden veroordeeld, waarom zijn we dan nog terughoudend met het uitvoeren van (in onze ogen) daadwerkelijk kwaad, zoals de ander vernederen, slaan, verwonden en doden, etc.? “

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 6, S. 267 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 44, p.102)

(1) Het gaat in deze tekst over het de ander liefde bewijzen, dus de ander goed doen en recht doen. Zie de inhoud van dit Luther-citaat.

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) Niet iedereen die tegen Mij zegt: Heere, Heere, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
(Mattheüs 7 : 21-23).

Bron afbeelding:  The Planned Journey

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Over (nog) recht op het beloofde land gesproken… (III)

De steen die (tempel)bouwers afkeurden
is een hoeksteen geworden.
Dit is het werk van de Heer,
een wonder in onze ogen.
(Psalm 118 : 22-23)

Een bouwwerk van de Geest…

Voeg u bij Hem, bij de levende (tempel)steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd ​uitgekozen​ om zijn kostbaarheid.
(1 Petrus 2 : 4)

Mijn Zoon Jezus is de levende steen. Hij was dood en is weer levend geworden. En Hij wil niet alleen zijn. In de wereld waarin jij leeft, heb Ik een kerk, een gemeente, een huisgezin. Jezus is daarvan de levende Hoeksteen. En aan jou vraag Ik: Voeg je bij Jezus als de levende steen! Want Hij wil niet alleen zijn. Hij werd door mensen afgekeurd. Hij werd de dood in gejaagd. Hij ging een weg die niemand anders kon gaan. Dat deed Hij, Mijn Zoon, in wie Ik vreugde vind. Voeg je bij Hem. Blijf niet alleen staan, maar verbind je met Hem. Je zult ervan tot leven komen.

(…) 19 Zo bent u dus geen ​vreemdelingen​ of gasten meer (1), maar burgers, net als de ​heiligen, en huisgenoten van God, 20 gebouwd op het fundament van de ​apostelen​ en profeten, met ​Christus​ ​Jezus​ zelf als de ​hoeksteen. 21 Vanuit Hem groeit het hele (tempel)gebouw, steen voor steen, uit tot een ​tempel​ die gewijd is aan Hem, de ​Heer, 22 in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest.

Geloven in Jezus betekent ook lid zijn van een gemeente. Je hoort wel eens: ‘Ik geloof in Jezus, maar ga niet naar de kerk.’
Maar de apostel Paulus kan zich daar niets bij voorstellen. Je maakt deel uit van een grote familie. Met broers en zussen. Je bent samen Gods kinderen. In je eentje geloven is zoiets als een vierkante cirkel, droog water, vuur dat koud is.
Je bent als gelovige een steen in een bouwwerk. Je hoort wel eens zeggen ‘We zijn tot elkaar veroordeeld.’ Het Evangelie zegt: ‘God veroordeelt je niet tot elkaar.’ Hij heeft ons aan elkaar gegeven tot steun.
En het bouwwerk is nog niet klaar en nog niet af. Zoals er aan kathedralen vaak generaties lang gebouwd werd, zo is deze tempel nog niet af. Onze inzet en toewijding is nog steeds nodig.

(1) (…) 11 Bedenk daarom dat u – u die eigenlijk door uw afkomst heidenen bent en onbesnedenen genoemd wordt door hen die door mensenhanden ​besneden​ zijn – 12 bedenk dat u destijds niet verbonden was met ​Christus, geen deel had aan het burgerschap van Israël en niet betrokken was bij de verbondssluitingen en de beloften die daarbij hoorden. U leefde in een wereld zonder hoop en zonder God. 13 Maar nu bent u, die eens ver weg was, in ​Christus​ ​Jezus​ dichtbij gekomen, door Zijn bloed.

14 Want Hij is onze ​vrede, Hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken 15 en de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld, om uit die twee in Zichzelf één nieuwe mens te scheppen. Zo bracht Hij ​vrede​ 16 en verzoende Hij door het ​kruis​ beide in één lichaam met God, door in Zijn lichaam de vijandschap te doden. (Uit Efeziërs 2)

Bron eerste citaat:  TijdmetJezus.nl‘ – zaterdag 11 mei 2019 – ds. Jos Douma.
Bron tweede citaat: Dag in dag uit 2019 – 11 mei 2019 – Leger des Heils | Ark Media

Bron afbeelding:  Mission Venture Ministries

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Politiek | Plaats een reactie

De ultieme eredienst?

Er is niets nieuws onder de zon. Wanneer men van iets zegt: “Kijk, iets nieuws”, dan is het altijd iets dat er sinds lang vervlogen tijden is geweest. De vroegere generaties zijn vergeten, en ook de komende zullen weer worden vergeten. (Uit Prediker 1)

[…] Dank zij de liturgische beweging binnen de Nederlandse Hervormde Kerk (1) heeft het woord „eredienst” (voor de zondagse samenkomst van de gemeente) een eigenaardige geladenheid gekregen, het suggereert ons, als zou de inhoud van de kerkdienst allereerst zijn de verheerlijking Gods als met één stem, zodat daardoor de Lofprijzing in het centrum komt te staan en alle andere elementen van de kerkdienst gaat beheersen. Wat ik bedoel, moge duidelijk worden uit een citaat van J.H. Gunning (2): „Hoe kunnen wij onze gemeentelijke samenkomsten meer maken tot erediensten, en niet langer alles zich doen bepalen bij de leraar en zijn preek… Ach, dat het ons nog eens gegeven werd dat de gemeente in haar huis van gebed, een ‘Ahnung’, een voorbesef te doen smaken, niet alleen van de eeuwige waarheid, maar ook van de eeuwige heerlijkheid.”

Terecht heeft O. Noordmans (3) er indertijd op gewezen, dat van dat woord “eredienst” een zekere zuiging uitgaat, er zit al iets in van de komende heerlijkheid. Het woord roept zoveel gedachten bij ons op, wij denken aan de dankzegging en de lofprijzing, zoals deze in de Openbaring van Johannes worden toe gebracht aan Hem, Die op de troon zit, en aan het Lam. Letterlijk staat daar: „Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof” (Openbaring 5 : 12, vertaling NBG).

Ik zou aan u allen deze vraag willen stellen: zijn wij al toe aan deze Eredienst?

Graag wil ik gehoor geven aan hen, die er over klagen, dat onze Protestantse kerkdiensten zo gedrukt zijn, dat de mensen er haast niet uitkomen boven de spanning van het leven tussen de wereldmachten Amerika en Rusland, dat de sfeer er bedompt is en kil, en toch, het komt mij voor, dat er nog een veel groter gevaar is: de prolepsis van het Koninkrijk Gods. Wij zijn nog niet toe gekomen aan het toebrengen van de heerlijkheid en de eer en de lof aan Hem, Die op de troon zit, en het Lam…

Ons is een grens gesteld, wij leven alsnog in een wereld, die gekarakteriseerd wordt door aan de éne kant de puinhopen en aan de andere kant het kruis; een keiharde wereld, waarin wij ook geroepen worden een kruis te dragen.

Ik kan mij levendig indenken, dat iemand het heimwee naar de komende heerlijkheid wel eens te machtig wordt, en zich vanuit de esthetische ontroering door het orgelspel of de koorzang zich graag laat suggereren, als zou het reeds de tijd zijn voor de hemelse eredienst, en zeer zeker mag en zal er ook iets feestelijks in ons leven zijn, omdat wij deze eredienst verwachten met een groot en heilig verlangen, zoals ook de Heidelbergse Catechismus in Zondag 38 spreekt van een aanvangen van de eeuwige Sabbat in dit leven (4); maar… 

„Verwachten” is nog iets geheel anders dan „bezitten”.

Mij dunkt, dat niemand deze dingen scherper gezien heeft en scherper gezegd heeft dan dr. Noordmans wanneer hij ons er op wijst, dat de preek begint daar, waar wij gaan ontdekken, hoe wij niet in de hemel zijn, maar, om met de existentiefilosofen te spreken, ergens geworpen, d.i. op deze aarde zijn terecht gekomen tussen de dorens en de distels. En dan citeert hij tenslotte Calvijn, die zeer existentieel een kerkdienst aldus beschrijft: 

“Dat het een of andere mannetje, uit het stof verrezen, in de naam van God
tot ons gaat spreken” (Institutio IV, 3, 1 ).

Wij zijn nog niet toe aan de „ere”, er is nog de schande (van onze zonden), die veracht moet worden, en het kruis, dat gedragen moet worden…

Met deze dingen hangt samen wat ik zou willen noemen de soberheid en de armoede van de Protestantse kerkdienst, een soberheid, die daar is in het kerkgebouw, maar ook in de orde van dienst. Vurig hoop ik, dat de hernieuwde bezinning op het wezen en de orde van de kerkdienst, zoals deze thans aan de gang is, zowel in de Nederlands Hervormde Kerk als in de Gereformeerde Kerken zal leiden tot een opnieuw ontdekken van de principiële betekenis van deze soberheid en evangelische armoede. Prachtig vind ik altijd het verhaal van Franciscus van Assisi, die, stervende, zich liet dragen naar de kerk van Portiuncula, en daar op de stenen vloer, enkel met een zak bedekt, neergelegd wilde worden, om zo zijn Here en Heiland te ontmoeten.

Iets van deze Franciscaanse naaktheid vind ik terug in de armoede aan versiering en heerlijkheid bij een Protestantse kerkdienst.

Wat de „versiering” betreft, Zacharias Ursinus heeft eenmaal in zijn Schatboek gecommentarieerd bij Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus, dat de enige versiering der kerk is:

„de zuivere leer, het wettig gebruik der sacramenten en de ware aanroeping en dienst van God, overeenkomende met Zijn Woord”.

En aangaande de „ere” zou ik graag willen herinneren aan het woord van Luther:

“De ere Gods is, dat wij Zijn weldaden aannemen.”

Door de bezinning op deze armoede is mij ook duidelijk geworden, waarom de Protestantse dominee „Verbi Divini Minister” heet, d.i. Dienaar van het goddelijke Woord.

Hij heet geen Liturg of Priester, hij celebreert niet, hij dient.

En zou ik dus ook liever van „Dienst” willen spreken dan van „Eredienst”, zoals men trouwens ook wel eens spreekt van „Orde van Dienst” en „Kerk-Dienst”. In deze beide laatste uitdrukkingen valt de volle nadruk op de dienstknechtgestalte van de Protestantse samenkomst der gemeente (5).

Bron: “De Reformatie in de crisis” van (1949) van dr. A.F.N. Lekkerkerker (1913-1972)

(1) De liturgische beweging of Kring (oprichting 1921/22) in de Nederlands Hervormde kerk bestudeerde de geschiedenis, theologie en praktijk van de christelijke eredienst en deed voorstellen ter verbetering.
(2) J.H. Gunning (1859-1951) – hoogleraar in de theologie – geciteerd uit zijn boek: „Onze Eeredienst”).
(3) O. Noordmans (1871-1956) – hoogleraar in de theologie en Hervormd predikant – aanhalingen uit discussies in het Weekblad van de Nederlands Hervormd kerk (1944) .
(4) En die sabbatsrust en dat sabbatsleven is hier vooral dat we zullen “rusten van onze zonden” en dat we ons toeleggen op het liefdevol dienen van onze naasten.
(5) Zie voor het “dienstknechtgestalte” van onze samenkomsten ook webpagina: Jezus’ voetwassing(en)…

Bron afbeelding:  Bible Quote

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Over (nog) recht op het ‘beloofde land’ gesproken… (II)

(…) Ik, Ík ben het, Die omwille van Zichzelf
je ​misdaden​ tenietdoet en je ​zonden​ vergeet.
26 Breng Mij mijn tekortkomingen in herinnering,
laten we samen tot een uitspraak komen,
en voer zelf het woord om je zaak te bepleiten.
27 Je eerste voorvader heeft al gezondigd
en je woordvoerders zijn steeds tegen mij opgestaan.
28 Daarom heb ik de dienaren van het ​heiligdom​ ontwijd,
Jakob​ aan de vernietiging prijsgegeven
en Israël aan spot en hoon.
(Uit Jesaja 43 de verzen 25-28)

Jeruzalem, Jeruzalem!

Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen, zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild!
(Mattheüs 23:37, weergave DB 1545).

Kijk nu eens wat de klokhen van nature doet. Er is nauwelijks een ander schepsel wat zo goed voor haar jongen zorgt! Ze verandert haar eigen natuurlijke geluid in een zachte klagende en droeve stem, ze zoekt, scharrelt en lokt de kuikentjes.

Als ze iets vindt, pikt ze het niet op, maar bewaart het voor haar kuikens. Met al haar kracht vecht ze en gaat tekeer tegen de kiekendief [ = de naam van een roofvogel]. Ze spreidt haar vleugels gewillig uit en laat de kuikens onder zich en over zich lopen en kan alles van ze verdragen. Daardoor is ze een prachtig voorbeeld van Christus.

Zo heeft ook Christus een wenende stem aangenomen voor ons geklaagd en boete [ = berouw, bekering] gepredikt en ieder met een liefdevol hart zijn zonde en ellende aangewezen. Hij zoekt voor ons in de Schrift, roept en lokt ons naar Zich toe, en geeft het ons te eten.

Hij breidt Zijn vleugels van gerechtigheid, verdienste en genade over ons uit. Hij neemt ons vriendelijk onder deze vleugels, verwarmt ons met Zijn natuurlijke liefde, dat is: met Zijn Heilige Geest, Die alleen door Hem komt. Hij strijdt ook voor ons tegen de duivel en onze verkeerde verlangens.

Waardoor en hoe doet Hij dat? Zeker niet lichamelijk, maar geestelijk! Zijn twee vleugels zijn de twee Testamenten van de Heilige Schrift, waarmee Hij over ons Zijn gerechtigheid uitbreidt en waaronder wij schuilen en in het geloof door Zijn gerechtigheid behouden worden.

Maarten Luther:  Kirchenpostille 1522, vgl. WA 10.1.1, 283, 15 – 284, 11

(…) 3 Want Ik zal water gieten op het dorstige
en stromen op het droge.
Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten
en Mijn ​zegen​ op uw nakomelingen.
4 Zij zullen opkomen tussen het gras,
als wilgen aan de waterstromen.
5 De een zal zeggen: Ik ben van de HEERE,
een ander zal zich noemen met de naam ​Jakob,
weer een ander zal met zijn hand schrijven: Van de HEERE,
en de erenaam Israël aannemen.
(Uit Jesaja 44)

(…) Want Hij is onze ​vrede, Hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken en de wet met zijn geboden en voorschriften buiten werking heeft gesteld, om uit die twee in zichzelf één nieuwe mens te scheppen. Zó bracht Hij ​vrede​ en verzoende Hij door het ​kruis​ beide in één lichaam met God, door in Zijn lichaam de vijandschap te doden. Vrede​ kwam Hij verkondigen aan u die ver weg was en ​vrede​ aan hen die dichtbij waren: dankzij Hem hebben wij allen door één Geest toegang tot de Vader.’ (Uit Efeziërs 2 de veren 14-18)

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Zalig de zachtmoedigen…

(…) 1 Broeders en zusters, wanneer u merkt dat een van u een misstap heeft begaan moet u, die door de Geest geleid wordt, hem zachtmoedig weer op het rechte pad brengen. Pas op dat u ook zelf niet tot misstappen wordt verleid. (Galaten 6 : 10)

Wanneer we in Christus gemeente(n) steeds weer in gedachten houden de woorden van Paulus aan de Filippenzen ‘maar in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender (voortreffelijker) dan zichzelf‘ (1), dan zal er een voortdurende zachtmoedige omgang zijn met elkaar en een liefdevolle – zo nodig vergevingsgezinde (2) – bereidheid zijn om met elkaar in gesprek te gaan en te blijven en om daarbij steeds weer daadwerkelijk naar elkaar te luisteren.

Dan is er ook altijd weer de ootmoedige bereidheid om ons door een ander te laten terechtwijzen – op wat voor gebied dan ook – met dat wat die ander uit Gods Woord weet aan te voeren als grond voor zijn of haar terechtwijzing(en). En natuurlijk zal de ander dan ook weer de liefde en de bereidheid hebben op te brengen om die ander te horen over wat deze daarbij of daartegen nog weer in te brengen heeft.

Eerbiedig en nederig gebed om de leiding van de heilige Geest – persoonlijk maar ook gezamenlijk – is daarbij altijd weer nodig en onmisbaar! De Geest zal ons helpen om te onderscheiden waar het op aan komt, Die wil ook onze ogen openen en open houden voor de arglistigheid van ons eigen hart en voor ‘de listen van de boze’ en dan zullen wij steeds eerst zoeken of ‘een balk in eigen oog’ ons niet dwarszit en die het ons onmogelijk maakt om anderen ‘te zien’ en te helpen…

(1) Filippenzen 2 : 3 – daarbij wijst Paulus er dan even later op welke vernederingen onze Heer Jezus Christus voor ons allen heeft willen ondergaan en verduren om ons te redden (zie Filippenzen 2 : 5-8).
(2) ‘zevenmaal zeventig‘ – zie Matteüs 18 : 21-22 en : 35.

~~~

(…) Men rekent hen gelukkig die erfgenamen zijn van koningen, prinsen en de groten der aarden (of van de opbrengst van een bedrijf…). Toch is dit maar een schrale portie, vergeleken bij de erfenis van Gods kinderen. Weet u wat die erfenis is van Gods kinderen? Dat is al het zichtbare van de gehele wereld.  Alles komt hun toe.

De apostel Paulus zegt: Alles is het uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle het uwe. (1 Korintiërs 3 : 21-22). Niets is er in de hele wereld of het komt hun toe.

Zo zegt de Here Christus:
Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven‘ (Matteüs 5 : 5).

Israël erfde Kanaän. Zo zal nu de gehele kerk de hele wereld erven. Overal waar ze zullen zijn, zal het voor hen zo’n goed land zijn als het eertijds voor Israël was.

Het is waar, in het burgerlijk recht zegt de één, dat is van mij, en dat is van u. Maar als een mens geen genade heeft, dan bezit hij die goederen als een gevangen man of vrouw.  Al zijn of haar goederen zijn verbeurd verklaard en kunnen in beslag genomen worden. Men bezit alles als een dief, die enige gestolen goederen bezit, maar van wie het (nog) niet is uitgekomen, dat het gestolen goed  is.

Zo ook is het met alles wat een zondaar (‘slecht mens‘, zie Psalm 37) bezit. Zonder genade is alles verbeurd door de vloek en de toorn van God. Het komt hem niet toe, maar het komt al Gods kinderen toe. Zij hebben recht op alles

Bron tekst/citaat:  Preek van Bernhardus Smijtegelt (1665-1739) zoals gepubliceerd in de Reveil-serie in “De erfenis is zeker”, No. 554,  April 2019, door stichting “Smytegelt-Fonds”.

Bron afbeeldingAmerica in Prophecy

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Zachtmoedigheid: vrucht én werk van het geloof…

(…) 15 U mag geen ​onrecht​ doen in de ​rechtspraak, u mag geen partij trekken voor de arme en de aanzienlijke niet voortrekken. Op rechtvaardige wijze moet u uw naaste oordelen. 16 U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan, u mag uw naaste niet naar het leven staan. Ik ben de HEERE. 17 U mag in uw ​hart​ uw broeder niet haten. U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen ​zonde​ op hem laadt. 18 U mag geen wraak nemen of een wrok koesteren tegen uw volksgenoten, maar u moet uw naaste ​liefhebben​ als uzelf. Ik ben de HEERE. (Uit Leviticus 19)

‘Onderwijs over de goede werken’ – 1519 (XXXVI)

Het werk van het vijfde gebod (I)

Gij zult niet doden

(…) “[Er is] de boze en wraakzuchtige hartstocht waarvan het vijfde gebod zegt:”Gij zult niet doden. ” Dit gebod heeft één werk dat vele anderen omvat en veel (alle?) slechtheid uitsluit. Het wordt zachtmoedigheid genoemd.

Nu zijn er twee soorten zachtmoedigheid. De eerste soort ziet er mooi genoeg uit, maar er zit niets (moois/bijzonders) achter. Dit is het soort zachtmoedigheid dat we beoefenen jegens onze vrienden en degenen die nuttig voor ons zijn en ons behagen met goederen, eer en gunst, of jegens hen die ons geen kwaad doen in woord of daad. Zelfs irrationele dieren, leeuwen en slangen, heidenen, moordenaars en slechte vrouwen beschikken over dit soort zachtmoedigheid.

Al deze (mensen/schepselen) zijn behoorlijk tevreden en heel zachtaardig als we doen wat zij willen of ze met rust laten. En er zijn er zelfs heel wat die bedrogen zijn door dergelijke zachtmoedigheid en hun woede verbergen en zich verontschuldigen en zeggen: ‘Ik zou niet echt boos zijn als mensen me maar met rust hadden gelaten of zouden laten.’

Begrijp wel, mijn beste hoorders, de boze geest zelf zou nog zachtmoedig zijn als hij maar zijn eigen gang (weg) zou kunnen gaan. Laster en belediging overkomen je om je te laten zien en beseffen hoeveel boosheid en verdorvenheid er werkelijk (nog) in je schuil gaan en om je te waarschuwen om te (leren/blijven) streven naar zachtmoedigheid en om je woede – met hulp van God – te verdrijven (door Gods Geest te laten uitdrijven!).

De tweede vorm van zachtmoedigheid is door en door goed. Het wordt getoond aan tegenstanders en vijanden het doet hen geen kwaad. Het wreekt zich niet, het vloekt niet en lastert het niet, het spreekt geen kwaad over hen en denkt geen kwaad te doen tegen hen, zelfs als ze goederen, eer, leven, vrienden en alles hebben afgenomen.

In feite, waar mogelijk, vergeldt dit soort zachtmoedigheid kwaad met goed, spreekt het goed van de ander, denkt het beste van de ander, en bidt het voor hen die kwaad doen. Christus zegt in Mattheüs 5 [: 44]: “Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; ​zegen​ hen die u ​vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en ​bid​ voor hen die u beledigen en u vervolgen;“. “En Paulus zegt in Romeinen 12 [: 14]: “Zegen​ uw vervolgers; ​zegen​ hen, vervloek hen niet, maar doe liever goed aan hen.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 6, S. 265/266 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 44, p.101)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding: DailyVersesnet

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

In onze slavernij heeft God ons niet verlaten…

(…) 8 En toch heeft de HEER, onze God, onlangs Zijn erbarmen getoond door een deel van ons volk te laten ontkomen, en door ons een houvast te geven in zijn ​heilige​ plaats. Onze God heeft onze ogen doen oplichten en ons in onze slavernij weer wat levensmoed gegeven. 9 Want wij zijn ​slaven, en in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten. (Uit Ezra 9)

De machteloze mens

(…) “Paulus zegt in de brief aan de Galaten: ‘Als door de wet (dat is: door de werken der wet) de rechtvaardigheid komt, dan is Christus tevergeefs gestorven’ (vgl. Galaten 2 : 21, WA weergave 1527).

Daarom zeg ik, dat de mens door deze tekst verslagen en verbroken moet worden, en uit de grond van zijn hart moet neervallen als iemand die machteloos is en niets kan. Ja, als iemand die geen hand of voet kan opheffen, maar alleen stilligt en roept: ‘Help toch, almachtige God, barmhartige Vader, ik kan mijzelf niet helpen. Help Heere Christus, met mijn hulp is het verloren.’ (Zie bijv. Ezra 8 : 21-23)

Dat dan op deze manier voor de Hoeksteen – dat is voor Christus – iedereen tot niets wordt. Dit zegt Hij immers van Zichzelf, als Hij aan de Farizeeën en Schriftgeleerden vraagt: ‘Wat is het dan, dat er geschreven staat: De Steen Die de bouwlieden verworpen hebben, is tot Hoeksteen geworden? Wie op deze Steen valt, die zal verbroken worden, en op wie Hij valt, die zal vermorzeld worden’ (vgl. o.a. Psalm 118 : 22; Lukas 20 : 17-18).

Daarom moeten wij óf op Hem vallen, vanwege ons onvermogen en onze machteloosheid, waarin wij onszelf verloochenen en verbroken worden – óf Hij zal ons eeuwig vermorzelen met Zijn strenge oordeel en gericht. Het is daarom beter dat wij op Hem vallen, dan dat Hij op ons valt.”

Maarten Luther: Festpostille 1527, vgl. WA 17.2, 428, 20 – 429, 8

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres:  info@maartenluther-citaten.nl

Hij verheft uit het stof wie berooid is… (Uit Psalm 113 : 7)

Wie is God? Als je de Psalmen leest, krijg je daar veel indrukwekkende antwoorden op. God is trouw, goed en heilig en nog veel meer. Maar zeker zo belangrijk is: wat doet God?

Hoe handelt Hij? Laat Hij de geschiedenis maar op z’n beloop, laat Hij de mensen maar wat dobberen of grijpt Hij in? Niet alleen in de Psalmen is dit een belangrijke vraag, ook voor ons is dit het geval. Als God namelijk niets doet en met de armen over elkaar in de hemel blijft zitten, dan ebt ons geloof snel weg.

De dichter van Psalm 113 schrijft het overduidelijk: God is er voor hen die niets meer hebben, die met lege handen staan. Hij laat hen niet liggen, maar ‘laat hen wonen bij hooggeplaatsten‘. (1) Doet God dat ook vandaag? Jazeker, ook vandaag. Maar besef wel dat wij als gelovigen de helpende handen van God in deze wereld zijn. (2)

Bron tekst:  Bijbels Dagboek – Dag in Dag uit 2019 –  Meditatie 30 april 2019 – Leger des Heils | Ark Media

(1) De priester Ezra ‘woonde’ aan het hof van koning Artaxerxes in Babylonië en deze verleende hem de opdracht om de tempel van Jeruzalem weer op te bouwen. (Zie Ezra 7)(2) Zie o.a. het boek Ezra om te leren op welke manier (met hoe weinig pretenties over onszelf!) wij dat kunnen (behoren!) te zijn.

(…) 15 HEER, God van Israël, U bent ​rechtvaardig, want wij zijn ontkomen, wij zijn overgebleven tot op deze dag. Schuldig staan wij hier voor U – hoe kunnen we U zo onder ogen komen? (Uit Ezra 9)

Bron afbeelding:  Pinterest

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie