Het Onze Vader en de (bijbehorende) werken van het geloof…

(…) Hij zei tegen hen: ‘Wanneer jullie ​bidden, zeg dan
(Uit Lukas 11 : 2)

‘Onderwijs over de goede werken’ – 1519 (XXXII)

Het werk van het derde gebod (IX)

(…) “Dit is de volgorde waarin we bidden voor de goede werken zoals we die vinden in het Onze Vader.

De eerste daarvan is dat we tot Hem zeggen: ‘Onze Vader, Die in de hemel is.‘ Dit zijn de woorden van het eerste werk van het geloof, dat volgens het eerste gebod niet betwijfelt dat de bidder(s) een genadevolle Vader in de hemel heeft (hebben).

De tweede bede is ‘Uw naam worde geheiligd‘, waarin het geloof verlangt dat Gods naam, lof en eer worden verheerlijkt, en dat Gods naam in elke nood en om alles wat nodig is wordt aangeroepen, zoals dat in/door het tweede gebod ons wordt opgedragen.

De derde bede isUw koninkrijk kome‘, waarin wij bidden om de ware sabbat(srust) en (dus) het waarachtige (elke dag!) stille rusten van onze eigen(willige) werken, zodat alleen Gods werk in en door ons wordt gedaan en opdat God hierdoor in ons regeert als in zijn eigen koninkrijk. Zoals Hij zegt: ‘Zie, Gods koninkrijk is nergens anders – aan te wijzen/te vinden – dan in uzelf ‘. [zie Lukas 17 : 20-21].

De vierde bede isUw wil geschiede‘, waarin we bidden dat we de zeven geboden van de Tweede Tafel mogen houden en werken, waarin het geloof verder in praktijk wordt gebracht in de omgang met onze naaste(n), net zoals we dat doen vanwege de eerste drie (geboden) in onze omgang met God.

Verder zijn dit ook de smeekbeden waarin het kleine woordje ‘Uw‘ steeds herhaald wordt, omdat we met dit woordje bidden dat we alleen (willen/zullen) zoeken naar wat God toebehoort en toekomt. In de anderen beden zeggen we ‘ons‘, ‘onze‘, want in deze bedes bidden we om wat wij elke dag en altijd weer weer nodig hebben en (alleen als) uit Zijn hand verwachten en ontvangen willen.

Laat dit onderwijs hier nu volstaan ​​als een klare en eenvoudige uitleg van de Eerste Tafel van Mozes om de eenvoudige(n) (‘kinderenPsalm 34 : 12) te leren wat de hoogste goede werken zijn.

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 6, S. 250 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 44, blz. 80)

NB. Deze Luther-quote is een (wat vrije) vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

Bron afbeelding: SlidePlayer

 

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Dubieuze posten – Salomo…

29 En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip van ​hart,
zoals zand, aan de oever van de zee
. (1 Koningen 4 : 29)

Wij weten allen, hoe de de zorgen en rijkdom en de genoegens van het leven het goede zaad kunnen verstikken, en dat wie rijk willen worden in een strik en velerlei verzoekingen vallen(1). Nu, daarmee is een van de vangarmen der zonde genoemd, die zich naar Salomo hebben uitgestrekt. De materiële belangen hebben Salomo’s geestelijk leven overwoekerd. Het bezoek van de koningin van Scheba is daar een droevig bewijs van. U kunt daarvan lezen in 1 Koningen 10.

De geschiedenis van de visite van de koningin van Scheba in Jeruzalem eindigt met een uitvoerig relaas over het over en weer geven van geschenken, wat naar onze Westerse begrippen zoveel betekent als het afsluiten van een handelsverdrag. (…) Van de vrede door Hem, Die meer is dan Salomo, heeft de koningin van Scheba niets vernomen (2), en de grote kans van z’n leven om de Naam des Heren uit te roepen voor de oren der heidenen, heeft Salomo ongebruikt voorbij laten gaan.

Een tweede wat voor Salomo noodlottig geworden is, was wat de Bijbel noemt, zijn „wijd begrip van hart. Dat was een gave hem door God geschonken, maar het bederf van het beste wordt vaak het slechtste. Men kan zó wijd van hart, en zó ruim van blik worden, dat alle grenzen worden uitgewist. (…) Men moet, zo vond Salomo, in die dingen niet zo enghartig en conservatief wezen! Hij onderhield relaties met alle kooplieden van de aarde”, en in z’n harem bevonden zich vrouwen van alle nationaliteiten. Door de omgang met deze mensen begint men wat „ruimer” te denken! Als er zoveel „andersdenkenden” in Jeruzalem kwamen, dan vond Salomo het helemaal niet erg, dat die mensen ook in Jeruzalem naar hun eigen heiligdommen konden gaan. Vrijheid, blijheid en elk wat wils!

Zo zocht Salomo in Jeruzalem (3) de doorbraak van de antithese. En door al zijn vrouwen en zakenvrienden werd hij hoog geprezen als een man met een wijd begrip van hart, en vereerd als een „verlichte despoot”! Salomo, de man van de synthese. (4)

En dit is nu dezelfde Salomo, die zo prachtig begonnen was, de jongeling met z’n mooie droom in Gibeon, de man die zo kostelijk bidden kon in de tempel, en dan later zó op z’n oude dag! We zouden het eenvoudig niet geloven, als we niet gehoord hadden, wat er zo al aan voorafgegaan was…. de zonde is een hellend vlak, en men komt, tenzij er volledig mee gebroken wordt, tenslotte uit op een punt, waar men vroeger nooit gedacht had te zullen komen.

In ditzelfde elfde hoofdstuk staat ook Salomo’s doodsadvertentie (1 Koningen 11 : 43). En nu is het meest tragische in heel deze geschiedenis, dat er tussen het bericht van zijn val, en het bericht van zijn dood, niets wordt vermeld van zijn berouw en terugkeer tot de Here. Ik mag niet beweren dat dit berouw er niet geweest is, maar er wordt met geen woord melding van gemaakt. Salomo heeft, zo wordt er verteld in 1 Koningen 4 : 32 duizend en vijf liederen gedicht, maar wat wij missen is een boetepsalm. David dichtte Psalm 6, 32, 38-40, 51 en 130, liederen uit de diepte tot God. Salomo niet…

We zouden het prachtig gevonden hebben, als we gezien hadden dat Salomo’s val tenslotte een vallen op de knieën geworden was voor God. Maar er zijn meer dingen tussen hemel en aarde die wij niet zien en weten. Wij kunnen nooit groot genoeg denken van Gods barmhartigheid en Zijn verkiezende genade, die onberouwelijk is.

Daarom wil ik deze beschouwing over Salomo eindigen met twee citaten van prof. van Gelderen:

We (zien) aan de ene kant van Jeruzalem buiten de poort de berg der ergernis, waar Salomo de offerhoogte heeft gesticht, waar hij zich heeft neergebogen voor Astarte. En we zien aan de andere kant van Jeruzalem buiten de poort de heuvel Golgotha, met zijn drie kruisen. En het middelste van deze drie kruisen getuigt van een Sion, dat door recht verlost wordt (Jesaja 1 : 27). En die Gekruisigde is Zelf de Rechtvaardigheid Gods, waardoor Sion wordt verlost (Romeinen 1 : 17). En onder de zegenend uitgebreide armen van de Gekruisigde herhalen we het profetische woord dat over de gevallen Salomo uitgesproken werd: Ten vorst wil ik hem stellen omwille van David Mijn knecht, die Ik verkozen heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen in acht genomen heeftEn we zwijgen, en we hopen”.

En hier is het tweede citaat: „Dat hij (Salomo) geen waar gelovige zou geweest zijn, daartegen komt reeds ons algemeen christelijk bewustzijn op. En als dat christelijk bewustzijn een waarachtig gereformeerd bewustzijn is — als het belijdenis doet van de volharding der heiligen —, welk antwoord zal het dan fluisteren op de vraag of Salomo nog voor zijn dood tot oprecht berouw gekomen is? Zal het niet, ook aan Salomo’s graf, in altoos weer zich verheffende hoop, blijven spreken: Meer dan Salomo is hier?

(1) Dat kan ook heel best niet financieel rijk, maar bijvoorbeeld ‘rijk’  in aanzien en reputatie (wetenschappelijk, kerkelijk, etc.) willen zijn, betekenen.
(2) Niet Salomo maar de koningin van Scheba geeft dan een (bijzonder) getuigenis (zie 1 Koningen 10 : 9)
(3) Jeruzalem, gezien en erkend als de plaats van samenkomst waar Gods volk de Here diende: de Kerk van die tijd.
(4) Denk hierbij o.a. ook aan de synthese die men momenteel binnen de kerken zoekt door te pogen dat wat de wetenschap ons leert te verenigen met wat de Bijbel ons leert.

Bron tekst: “Hoofdstuk IV – Salomo” uit “Dubieuze posten – figuren uit de Bijbel” van ds. H. Veldkamp (1895-1956)

Bron afbeelding: BibleWordingscom

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Dienen en gediend worden… (I)

En de verzoeker kwam tot Hem, en zei: Bent U Gods Zoon? – zeg dan dat deze stenen brood worden. En Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven: De mens leeft niet van brood alleen*, maar van elk woord, dat door de mond van God uitgaat
(Mattheüs 4:3-4, weergave DB 1545).

Biddag 2019

(…) “Deze verzoeking gaat in de wereld nog altijd door. Zoals je overal kunt zien dat niemand er een gewetenszaak van maakt dat hij weinig of niets om het Woord geeft, maar wel druk is met zijn broodwinning.

Hier moet je leren om zulke verzoekingen te weerstaan en te zeggen: ‘Duivel, je wilt mij graag van het Woord afbrengen – nee, dat zal je niet gelukken! Want vóór ik Gods Woord wil missen, wil ik liever gebrek lijden en van honger sterven. Want het is beter voor mij dat mijn lichaam vergaat, dan dat ik door tijdelijk brood zal leven, en mijn ziel eeuwig zal sterven en verloren gaan.’

Op zulke gedachten laat de duivel de mensen liever niet komen, maar hij komt ons altijd weer tegen met deze verzoeking en doet zijn best dat men alleen aan een volle buik denkt en Gods Woord vergeet en veracht. Echter, daarvoor waarschuwt Christus door Zijn voorbeeld, en zegt daarmee, dat je moet oppassen voor deze aanvechting van de duivel.

Wie zich nu wil laten waarschuwen, die moet hier van Christus leren dat een mens twee soorten brood heeft. Het eerste, het beste Brood, dat uit de hemel komt, is het Woord van God (vgl. Johannes 6 : 35). Het andere en mindere is het tijdelijke brood, dat uit de aarde groeit.*

Als ik nu het eerste en ware Brood heb en mij daarvan niet laat afbrengen, dan zal het andere, het tijdelijke brood, ook niet ontbreken of op zich laten wachten, eerder moeten de stenen brood worden (vgl. Mattheüs 6 : 33).

De anderen echter, die het hemelse Brood laten varen en zich alleen zorgen maken over het tijdelijke, als zij tenslotte hun buik vol hebben, moeten ze zich neerleggen en sterven. Ze kunnen al hun brood niet opeten, maar moeten het op aarde achterlaten en op de plaats waar ze heengaan, eeuwig van honger sterven.

Daarom, of de duivel je ook aanvecht door vervolging, gebrek, honger, verdriet en nood – verdraag en vast met Christus, omdat de Geest je zo leidt. Dan zullen ook de lieve engelen komen en je tafeldienaars zijn, zoals het Evangelie hier tot besluit over Christus zegt (vgl. Mattheüs 4 : 11).”

Maarten Luther: Hauspostille 1544, gepredigt zu Hause, 1534, vgl. WA 52, 173, 18 – 174, 7 (verkort)

* We moeten dit (dus) zo lezen en begrijpen dat Jezus hier in feite zegt:  Ook het gewone brood komt ons toe op en door het woord van God en daarom zullen we ons in alles verlaten op Hem en Zijn Woord! Alleen zó voorkomen we dat we ons – door ongeloof en toedoen van de boze – vergrijpen aan Gods schepping, aan onze medemensen en aan onszelf!

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres: info@maartenluther-citaten.nl

Zie ook:  Dienen? Leg het – met dankzegging – in de handen van Jezus…

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Dienen? Leg het – met dankzegging! – eerst in Jezus handen…

Ook steeds eerst de nieuwe dag bijvoorbeeld…

(…) 7 Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich; Hij sprak er het (dank- en) zegen-gebed over uit en zei dat ze ook de vissen moesten uitdelen. (Uit Markus 8)

Met zeven broden geeft Jezus vierduizend mensen te eten. Een groot wonder. Maar let ook eens op Jezus’ leerlingen. Jezus schakelt hen namelijk in bij het wonder! Het zijn hun broden* en zij moeten uitdelen aan de mensen.

Ook al had Jezus – eerbiedig gezegd – een koninklijk driegangendiner uit de hemel kunnen laten neerdalen, Hij gebruikt liever het eten dat de leerlingen bij zich hebben. Nu leggen zij namelijk iets dat van henzelf is*, in Jezus handen.

En Hij vermeerdert het weer, zodat zij andere mensen ermee kunnen dienen. Dat maakt het wonder zo mooi, ook voor ons. Want Jezus wil ook ons inschakelen. Heb jij iets waarmee je anderen zou kunnen voeden, dienen, helpen? Leg het dan maar (eerst) in Jezus handen.

Bron tekst:  Bijbels dagboek – Dag in Dag uit 2019 (11 maart) –
Leger des Heils | Ark Media

* Lees Davids dankgebed in 1 Kronieken 29 : 10-20.

(…) Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn,
want Zijn barmhartigheden houden niet op. 

Elke morgen zijn zij nieuw. Groot is Uw trouw!
Mijn ziel zegt: mijn deel is de HERE, daarom zal ik op Hem hopen.
(Klaagzangen 3 : 22-24)

Bron afbeelding: DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Jezus waarschuwingen tegen toneelspel…

Ziet toe, dat gij uw gerechtigheid niet doet voor de mensen, om door hen opgemerkt te worden; want dan hebt gij geen loon bij uw Vader, die in de hemelen is.

En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars (1), want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds.

En wanneer gij vast, toont dan niet, zoals de huichelaars (1), een somber gelaat; want zij maken hun aangezicht ontoonbaar, om zich aan de mensen te vertonen, wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds.

Huichelaar (1), doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen. 

(1) Toneelspeler(s)!–  Bovenstaande gedeelten genomen uit Matteüs 6 en 7

Altijd weer bestaat voor de kerk het gevaar dat het geloof een buitenkant is voor de mensen zonder dat er een binnenkant aan beantwoordt. Dan wordt het gelovig leven een rollenspel. Jezus gebruikt in dit verband tot drie maal toe de typering ‘toneelspelers’ (vers 2; 5 en 16): de vertaling ‘huichelaars’ wekt teveel de indruk dat het zou gaan om onwaarachtig en vals optreden. Het gebruikte woord duidt echter op toneelspel. Dat kan heel oprecht zijn. Iemand kan zijn rol zuiver spelen. Alleen: de rol is de speler niet! De toneelspeler is persoonlijk vaak een heel ander type dan de persoon die hij uitbeeldt. Zo zijn er velen die ‘de gelovige bidder’ opvoeren zonder dat zij in hun binnenkamer ook zelf voor God geknield liggen. Jezus waarschuwt ons dringend, niet bij de rollenspelers van het geloof te horen.

De toneelspeler treedt op voor de mensen, voor zijn publiek. Zo kan men een gelovig ‘optreden’ verzorgen voor eigen omgeving, kerk of wereld. Zoals de toneelspelers in die tijd aandacht vroegen voor hun optreden door de trompet te laten klinken, zo waren er mensen die als het ware eerst op de gong sloegen voordat ze een ander hielpen, bijvoorbeeld door aalmoezen (vers 2). In de synagogen en op de straten vond men opschriften waarop met naam en toenaam werd gemeld wie een schenking had gedaan voor een stad of voor een synagoge. Zulke gevers hebben hun beloning al: zij oogsten het applaus waarom het ging bij de opvoering van de acte van vrijgevigheid.

Ook het gebed kan een eenakter worden voor de mensen: „Weest niet als de toneelspelers wanneer u bidt: zij staan graag in de synagogen en op de hoeken van drukke straten te bidden om zich aan de mensen te vertonen” (vers 5). Zij hebben hun applaus al: iedereen bewondert hun gebedsijver.

Zelfs de verootmoediging voor God in het vasten kan tot een farce worden, waarbij men het sombere gezicht overal laat zien. Men maakt zich ontoonbaar om zich aan de mensen te tonen (vers 16). Geen hoekje van de godsdienst is vrij voor het gevaar van een rollenspel dat op mensen is gericht.

De ware godsdienst richt zich echter op God zelf. Het gaat erom dat wij door Hem worden gezien. En Hij ziet ons wanneer de mensen er niet bij zijn. Op onze eigen kamer, in onze vrije tijd, bij avond en bij nacht. Hoe zijn we wanneer de deur achter ons dichtgaat: dat is de spannendste vraag voor ieder mens. God keurt de mens achter de schermen. Dan blijkt: was hij een toneelspeler of een waar gelovige?

Jezus leert ons in de Bergrede hoe persoonlijk de Godsdienst moet zijn. Hij onderwijst het volk Israël bij de berg dat de beslissingen niet vallen op het tempelplein maar in de stilte van ieders persoonlijk leven. Niet omdat godsdienst privé-terrein is, maar omdat godsdienst werkelijk dienst is van de levende God die in het hart kijkt en in het verborgene ziet. Het geloofspaspoort voor het hemelrijk moet op onze eigen naam staan!’

Bron/Bestellen: De Bergrede – reisgids voor christenen (Dr. Jacob van Bruggen)

Lees meer:
– Het leven een (toneel)spel? (1)
– Het leven een (toneel)spel? (2)

(…) 19 En u bent van uzelf overtuigd dat u een gids voor de blinden bent, een licht voor hen die in duisternis zijn, 20 een opvoeder van onverstandigen, een leermeester van jonge ​kinderen, omdat u in de wet de belichaming van de kennis en van de waarheid hebt. 21 U dan die een ander onderwijst, onderwijst u uzelf niet? (Uit Romeinen 2)

Bron afbeelding:  In Christ Alone Devotians

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Die zondares is de Kerk…

En zie, er was een vrouw in de stad, die een zondares was, toen zij hoorde dat Hij aan tafel zat in het huis van de farizeeër, bracht zij een [albasten] fles met zalfolie, en kwam achter Hem tot Zijn voeten, en weende, en begon Zijn voeten nat te maken met tranen, en ze te drogen met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalfolie’ (Lukas 7 : 37-38, weergave DB 1545).

‘Als op een schilderij’

(…) “Deze geschiedenis is tegelijk een prachtig beeld van de christelijke kerk. De vrouw, dat is de kerk, ligt aan de voeten van Christus, dat is: zij houdt zich aan Zijn Woord, daarmee vertroost zij zich tegen de zonde en een kwaad geweten. Zij offert alles wat ze heeft, op aan het Woord. Want deze voeten zijn haar enige schat en troost. Daarbij is zij hier op aarde in haar ellende als in een vreemd huis onder vreemde mensen.

De huisheer Simon echter en zijn gasten – zoals de paus en zijn bisschoppen en die voor belangrijke mensen aangezien willen worden – die met Christus aan tafel zitten, die zó de naam, het ambt, de titel, de eer hebben, dat zíj het dichtst bij Christus zijn, en bovendien de voornaamsten zijn – zij oordelen dit arme vrouwtje. Ze houden haar voor een zondares en ze achten, omwille van haar, de Heere Christus ook een nietswaardig persoon te zijn.

Van zichzelf hebben ze hoge gedachten, zij stellen zichzelf voor als heiligen en denken niet dat zij de Heere Christus nodig hebben. Zij zitten bovenaan, maar het arme vrouwtje kruipt rond onder de tafel. Zij zitten náást Christus, maar het arme vrouwtje moet het met Zijn voeten doen. Maar daar komt het oordeel: ‘Simon, huisheer, u hebt Mij niet lief, u is weinig vergeven.’ Tegen het vrouwtje echter zegt Hij: ‘Uw zonden zijn u vergeven – uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.

Met deze woorden, als zij die uit Christus’ mond horen, zijn alle arme christenen tevreden en ergeren zich er helemaal niet aan, dat zij onder de tafel aan de voeten van Christus liggen en dat de huichelaars boven hen aan de tafel zitten.

Het is ook troostrijk dat ons in deze geschiedenis, als op een schilderij, wordt aangewezen, dat de ware kerk hier op aarde als een vreemdeling is, en dat de valse kerk in aanzien en eer is.

De lieve God moge ons bij deze kleine kudde houden en zalig maken – dat moge onze lieve Heere Jezus Christus ons geven door Zijn Heilige Geest. Amen.”

Maarten Luther: Hauspostille 1544, gepredigt zu Hause, 1530 1535, vgl. WA 52, 673, 4-26

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres: info@maartenluther-citaten.nl

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Geen herder(s): en het land stond vol met synagogen!

omdat ze leken op schapen zonder herder
(Uit Marcus 6 : 34)

Als Jezus de mensen ziet die achter Hem aan zijn gekomen, krijgt hij medelijden met hen. Ze lijken op een grote kudde schapen zonder herder. Schapen die doelloos ronddwalen omdat er niemand is die hen de weg wijst, die hen beschermt tegen gevaren en voor hen zorgt.
Hoe goed of slecht het ook met hen gaat, die mensen missen iets wezenlijks: Iemand op wie ze altijd kunnen vertrouwen en die zelfs bereid is om zijn leven op te offeren om hen te beschermen. Jezus zelf.
En jij? Is Jezus al jouw herder? Probeer dan eens door Zijn ogen naar de mensen om je heen te kijken. En als je iemand ziet die lijkt op een schaap zonder herder, probeer haar of hem dan liefdevol de weg te wijzen naar de kudde van Jezus. Hij is de goede herder.

Bron tekst:  Bijbels dagboek- Dag in dag uit 2019 (3 maart) – Leger des Heils|Ark Media

(…) Mijn hele leven had ik (1) te horen gekregen dat er een set regels is (a) en dat je naar de hemel gaat als je die naleeft, maar plotseling geloofde ik dat niet meer – dus ik was naarstig op zoek naar een morele gids.
(…) ‘Aristoteles’ ethiek start met het idee dat de mens, de anthropos, een dier is. Hij denkt niet dat onze lichamelijke instincten en verlangens zondig of weerzinwekkend zijn. Seks, plezier en goed eten zijn helemaal prima. Dit was voor mij erg verfrissend na het christendom. Ik hou van dat idee dat ik een dier ben, dat ik een vrouw ben die soms bloedt en verlangt naar mannen, en dat ik me daar niet voor hoef te schamen.
Maar hij stelt vervolgens wel de vraag: wat maakt ons dan mens? Wat maakt ons geavanceerd? Aristoteles zegt dat dat ons vermogen is om te overwegen, om te abstraheren van tijd en ruimte, en ons vermogen om te lachen. En als we die typisch menselijke vaardigheden ontwikkelen en inzetten voor het goede, worden we uiteindelijk gelukkige mensen. *
Aristoteles was zó moedig: niemand had ooit eerder gezegd dat mensen dieren waren, en niemand had een boek over ethiek geschreven zonder te refereren aan een god. Dit was de seculiere ethiek die ik nodig had. Het leek wel alsof iemand zijn woorden in mijn hoofd had gegraveerd.

* Aristoteles is dus wel veeleisend?
Ontzettend veeleisend! Maar niemand heeft gezegd dat gelukkig worden makkelijk is.’ Na een korte stilte: ‘Aristoteles’ ethiek praktiseren is in het begin erg vermoeiend, maar na verloop van tijd niet meer. Het wordt makkelijker als je de voordelen begint te zien. Het duurde voor mij ongeveer vijf jaar voordat ik me beter voelde.’

(a) Op mijn eerste cursus in Engeland (Bath, 1988) was er een Engelse cursist (vader van vier pubers), die opmerkte dat hij blij was dat zijn kinderen nog naar een christelijke school gingen, want zei hij, al ging hij zelf met zijn gezin niet meer naar de kerk:  they teach them good morals

Bron tekst: Filosofie Magazine (via Blendle) – ‘Geluk is een keuze’ – Auteur Gwendolyn Bolderink

(1) De Britse classicus Edith Hall leefde wild en onbeheerst, omdat ze geen enkele reden kon bedenken om zich goed te gedragen. Totdat ze kennismaakte met Aristoteles. Bij hem vond ze het gereedschap waarmee ze haar leven kon veranderen, compleet met checklist.

Bron afbeelding: Lincoln Park UFB

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

‘Jullie zullen weten dat ik de HEER ben’…

1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Mensenkind, dit is wat God, de HEER, zegt over het land van Israël: Het einde komt, het komt van alle kanten over je.

3 Nu is voor jou (1) het einde aangebroken, ik zal mijn woede op je koelen, je straffen voor je daden, je laten boeten voor je wangedrag. 4 Ik zal geen medelijden tonen, geen medelijden kennen, je zult boeten voor je daden, je wangedrag keert zich tegen je – en jullie zullen weten dat ik de HEER ben.

5 Dit zegt God, de HEER: Er komt een ramp, een ramp als nooit tevoren, 6-7 het einde komt, het nadert, het is daar, het einde komt, de ondergang voor jullie die dit land bewonen. De dag dat er paniek heerst is nabij, de tijd dat de vreugdekreet verstomt op de bergen.

8 Over jou (1) stort ik mijn toorn uit, op jou koel ik mijn woede, ik zal je straffen voor je daden, je laten boeten voor je wangedrag. 9 Ik zal geen medelijden tonen, geen medelijden kennen, je zult boeten voor je daden, je wangedrag keert zich tegen je. Jullie zullen weten dat ik, de HEER, het ben die jullie geselt.

10 De dag is nabij, de ondergang nadert, er bloeit een staf, zijn bloem heet hoogmoed. 11 Het geweld groeit, het kwaad regeert. Niets blijft er over van het volk, niets van hun pracht, hun opschik of hun praal.

12 Die tijd komt dichterbij, die dag nadert. Laat de koper niet blij zijn, de handelaar niet treuren: alle rijkdom in dit land wordt door mijn toorn getroffen. 13 Al zouden beiden overleven, de koopman ziet zijn koopwaar niet terug. De ​profetie​ over dit land wordt niet herroepen, wie schuldig is wordt niet gespaard!

14 De krijgstrompet weerklinkt, de strijd wordt voorbereid, maar niemand trekt ​ten strijde: mijn toorn verlamt dit rijke land. 15 Buiten regeert het ​zwaard, binnen heersen pest en honger, wie op het veld is zal sterven door het ​zwaard, wie in de stad is wordt getroffen door de honger en de pest.

16 Wie toch ontkomen, zijn als duiven uit het dal – verdreven naar de bergen, kermend in hun schuld. 17 Het water loopt hun langs de benen, hun armen worden slap,

18 ze gaan gehuld in het zwart, ze sidderen en beven, hun ogen zijn beschaamd, hun schedels kaalgeschoren. 19 Hun zilver gooien ze op straat, hun goud ligt in het slijk, als de toorn van de HEER hen treft, kan goud noch zilver hen redden. Hun maag blijft leeg, de honger blijft hen kwellen, goud en zilver brachten hen ten val.

20 Ik laat hen gruwen van hun rijke schatten, gruwen van de schatten die hun trots uitmaakten. Ze hebben er afschuwelijke beelden van gemaakt! 21 Barbaren zullen ze ontvreemden, misdadigers ze roven en ​ontwijden. 22 Ik keer mijn gelaat af van mijn volk, en de plaats die mij het liefst is wordt door rovers platgetreden en ontwijd.

23 Leg de ketenen klaar! Vol ​bloed​ is het land, de stad vol geweld! 24 Wrede volken vallen aan, ze dringen de ​huizen​ binnen. Aan de hoogmoed van de machtigen maak ik een einde, al wat hun ​heilig​ is, wordt ontwijd.

25 Doodsangst overvalt hen, ​vrede​ is onvindbaar, 26 slag volgt op slag, onheilstijding op onheilstijding. Vergeefs (2) vragen ze ​profeten​ om een openbaring, priesters​ om onderricht, ​oudsten​ om raad.

27 De ​koning​ gaat in ​rouw​ gekleed (3), de vorst toont zich ontzet, en het volk staat verlamd van schrik. Ze zullen boeten voor hun daden, ik zal hen straffen zoals ze verdienen.

Ze zullen weten dat ik de HEER ben!

Uit Ezechiël 7

(1) Gods knecht Israël onder de volken en het koningshuis van David. Later zal Gods toorn dé ‘Knecht des Heren‘ treffen (zie m.n. Jesaja 53).

(2) Zie ook:  Treurende bidders gevraagd…

(3) Over de werkelijke Koning – uit Psalm 45 

(…) 2 In mijn ​hart​ wellen de juiste woorden op,
mijn gedicht spreek ik uit voor de ​Koning,
mijn tong is de ​stift​ van een vaardige ​schrijver.

3 U bent de mooiste van alle mensen
en lieflijkheid vloeit van uw lippen –
God heeft U voor altijd gezegend.

(…) 7 Uw ​troon​ is voor eeuwig en altijd, o God,
de ​scepter​ van het recht is uw koningsscepter,
8 U hebt ​gerechtigheid​ lief en haat het kwaad.
Daarom heeft God, uw God, U ​gezalfd
met vreugdeolie, als geen van uw gelijken.

(…) 18 Ik zal Uw Naam bezingen, geslacht na geslacht,
alle volken zullen u prijzen, eeuwig en altijd.

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Treurende bidders gezocht…

(…) Mozes​ en ​Aäron​ waren zijn ​priesters, ook ​Samuel​ riep Zijn naam.
Riepen zij tot de HEER, Hij antwoordde; in de wolkkolom sprak Hij hen toe
en zij onderhielden Zijn geboden, de wet die Hij hun gaf.
(Uit Psalm 99 : 6-7)

‘Onderwijs over de goede werken’ – 1519 (XXXI)

Het werk van het derde gebod (VIII)

(…) “Maar wanneer je (me) zou vragen wat we dan zoal in gebed moeten brengen en waarover treuren, wel, dan valt dat eenvoudig te leren leren uit de Tien Geboden en het Onze Vader.

Open je ogen en kijk rond in je eigen leven en in het leven van de hele christenheid, en daarin vooral naar de levens van de ‘geestelijke stand’. Je zult zien hoe weinig geloof, hoop, liefde, gehoorzaamheid, kuisheid en alle deugdzaamheid dáár gevonden worden, terwijl allerlei soorten afschuwelijke ondeugden er oppermachtig zijn. Je zult ontdekken hoe groot het gebrek is aan werkelijk trouwe predikers en voorgangers; hoe dáár juist schavuiten, ‘kinderen’, dwazen en vrouwen de macht hebben en aan de touwtjes trekken.

Wanneer je dit met (door de Geest) geopende ogen doet, dan zal je beseffen hoe nodig het is om elk uur, overal, en zonder op te houden te bidden met tranen van bloed om de verschrikkelijke toorn van God over dit alles nog af te bidden en (daarmee) af te wenden.

We kunnen niet anders dan vaststellen dat er nooit een grotere behoefte aan gebed is geweest dan nu en dat zal nog in toenemende mate het geval zijn wanneer het einde van de wereld nog meer nadert. Wanneer zulke vreselijke misdaden je nog niet doen treuren en klagen, laat je dan vooral niet op een dwaalspoor brengen door je hoge of juist lage aanzien en status onder de mensen, door de veelheid van of juist het gebrek aan goede werken of je al of niet veel aan het bidden bent geweest: er is namelijk geen enkel christelijke onderscheidingsteken om rang en stand aan te geven, hoe vroom iemand ook is (lijkt).

Het is ons allemaal al voorzegd, dat wanneer Gods toorn het grootst is en de christenheid in de grootste nood verkeerd, dan zullen er geen smeekbeden en smekelingen die God aanroepen gevonden worden, zoals Jesaja onder tranen zegt: ‘U bent in toorn ontstoken en er is niemand die Uw Naam aanroept, niemand die zich ertoe zet om Uw hand te grijpen.‘ [Uit Jesaja 64 : 3-6].

Met vergelijkbare woorden zegt Ezechiël [22 : 30-31]: ‘Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een ​muur​ zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het vuur van mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd doen neerkomen – luidt het woord van de Here Here.

Met deze woorden laat God zien hoe Hij verlangt dat we Hem (biddend) zullen weerstaan ​​en Zijn woede over onze christenheid daarmee afwenden, zoals we daar toch voorbeelden van vinden bij de profeet Mozes, dat hij God met zijn smeken in bedwang hield, opdat Zijn woede het volk van Israël niet zou overweldigen en verteren.’

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 6, S. 240 / S. 241 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 44, blz. 68/69)

NB. Deze Luther-quote is een (wat vrije) vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) their email address to: info@martinluther-quotes.com.
Or, you can use the web-form on the homepage of the website maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

HEER, onze God, U hebt hun geantwoord.
U was voor hen een God van ​vergeving
en een God die hun ​misdaden​ strafte.
Breng hulde aan de HEER, onze God,
en buig U neer voor Zijn ​heilige​ berg.
Heilig​ is de HEER, onze God.
(Uit Psalm 99 : 8-9)

Bron afbeelding: Bible Faith Scripture (Pinterest)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Rein van ieders bloed…

(…) 15 Ik* heb u hier en daar nogal vrijmoedig geschreven, maar alleen
om u te herinneren aan wat u al weet.
(*Paulus in Romeinen 15)

(1) “In de Naam van God hebben wij ons voorgenomen de brief van Paulus aan de Galaten opnieuw te verklaren. Niet omdat wij u nieuwe of onbekende dingen willen voorstellen, want door Gods genade is de hele Paulus nu algemeen bekend. Ik doe dit echter – waarvoor ik ook dikwijls waarschuw – vanwege het grote en dreigende gevaar, dat de duivel de zuivere leer van het geloof zal wegnemen en weer de leringen van eigenwillige werken en menselijke inzettingen zal invoeren.

Het is dus zeer nodig en nuttig, dat deze geloofsleer voortdurend wordt gelezen en gehoord. En hoe goed die leer ook gekend en onderwezen wordt, toch is de duivel, onze tegenstander, die altijd rondgaat [als een brullende leeuw] om ons te verslinden, niet dood. Daarbij leeft ons vlees ook nog. Verder kwellen en drukken allerlei verzoekingen ons van alle kanten.

Daarom kan de leer van het geloof nooit genoeg behandeld en ingescherpt worden. Als deze geloofsleer vervalt en vergaat, vervalt en vergaat tegelijk alle kennis van de waarheid. Maar als deze leer bloeit, bloeit alles wat goed is: de zuivere religie, de ware godsdienst, de eer van God en een wezenlijke kennis van burgerlijke en geestelijke zaken.”

Maarten Luther: In epistolam S. Pauli ad Galatas Commentarius, (1531) 1535. Vgl. WA 40,1, 39, 1-12, weergave: W(1) 8, S.1536/1539

(1) Uit het voorwoord bij Luthers verklaring van de brief aan de Galaten

Bron tekst: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres: info@maartenluther-citaten.nl

(…) 20 U weet ook dat ik alles bekend heb gemaakt wat uw welzijn ten goede komt en dat ik u daarover in het openbaar en thuis heb onderricht. 21 Zowel ​Joden​ als Grieken heb ik opgeroepen zich te bekeren tot God en te geloven in ​Jezus, onze ​Heer
(…) 26 Daarom verklaar ik u op de dag van heden, dat ik ​rein​ ben van ieders bloed; 27 want ik heb niet nagelaten u al de raad van God te verkondigen. 28 Ziet dan toe op uzelf en op de hele kudde, waarover de ​heilige​ Geest​ u tot ​opzieners​ gesteld heeft, om de ​gemeente​ van God te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigen Zoon verworven heeft. (Uit Handelingen 20)

Bron afbeelding: Love, Hope & Faith (Pinterest)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie