Ons een nieuw testament nagelaten?

‘Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij (apostelen): het Woord dat leven is.’ (Uit 1 Johannes 1 vers 1)

Geciteerd 1: Hij (Johannes Calvijn) liet in Gods voorzienigheid een testament en daarin een erfenis na waarvan toen niemand kon vermoeden welke invloed deze zou hebben in de volgende eeuwen. Zijn erfenis is kernachtig samen te vatten in: ”sola gratia” (alleen door genade), ”sola fide” (alleen door het geloof) en ”sola Scriptura” (alleen door de Schrift). We kunnen dit de erfenis van de Reformatie noemen. Óf zij wordt door genade gelovig aanvaard, gekend en beleefd. Óf zij is ten diepste een steen des aanstoots.

‘Wat is Apollos eigenlijk?’ En wat is Paulus? Zij zijn niet meer dan dienaren die jullie tot geloof hebben gebracht, elk op de wijze (manier) die God hun heeft geschonken. (…) Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want Hij doet groeien. (…) Jullie zijn (als gedoopte gemeente) een bouwwerk van God. Overeenkomstig de taak die God mij uit genade heeft opgelegd, heb ik (als apostel! en) kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort. Laat ieder (als leerlingen en medewerkers van ons apostelen) erop letten hoe hij bouwt, want niemand anders kan een ander fundament leggen dan er al bij jullie ligt – Jezus Christus Zelf. (…) Weten jullie niet dat jullie (persoonlijk en als gemeente) een tempel van God zijn en dat de Geest van God in jullie midden woont? (…) Niemand van jullie zal zich daarom laten voorstaan op (het werk van) een ander mens, want álles is van jullie; of het nu Paulus, Apollos of Petrus is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van jullie. Maar jullie zijn van Christus en Christus is van God.‘
(…) ‘Maar broeders en zusters, ik kon tot jullie niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. Ik heb jullie melk gegeven, geen vast voedsel; daar waren jullie nog niet aan toe.‘ (Woorden uit 1 Korintiërs 3)

‘Jullie doen er goed aan jullie aandacht altijd daarop gericht te houden– op de woorden van alle profeten in het OT (zoals we die te vinden zijn in de boeken van Mozes, in de Psalmen, in die van de profeten en in de wijsheidsboeken) – , als op een lamp die in een donkere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in jullie hart.‘ (Woorden uit 2 Petrus 1)

Opgemerkt 1: In feite zijn de woorden uit de eerste hoofdstukken van de eerste brief aan de Korintiërs en de woorden uit de 2e Petrus brief voldoende om de gemeente te overtuigen van het ‘sola gratia’, ‘sola fide’ en ‘sola Scriptura’. Daar hadden we Calvijn en zijn Institutie echt niet voor nodig! En al helemaal niet als ‘aanvulling’ op de ‘luther-reformatie’* in Europa!
* Dat was een ‘terug naar de verkondiging van (heel) Gods Woord’ aan/in de gemeente(n) en het gelovig gebruik van de sacramenten door heel de gemeente!

Opgemerkt 2: De Bijbel waarschuwt ons juist tegen dit soort ‘buiten Bijbelse/buiten apostolische’ toevoegingen aan Gods Woord. Gods Woord zal eerbiedig verkondigd/gepredikt worden aan een gedoopte gemeente en waar een gemeente bijeen is om naar dat Woord te horen, daar is naar Gods belofte de Heilige Geest aanwezig en aan het werk en daar wordt heel de gemeente gebouwd door het gebruik van de middelen, maar ook ernstig gewaarschuwd tegen verachtering in de genade! Lees er de Hebreeënbrief maar op na (m.n. Hebr. 10) en ook 1 Johannes 2 over de antichristen die uit het midden van de gemeente waren voortgekomen.

Opgemerkt 3: De gemeente van Christus heeft het helemaal niet nodig dat een ‘grote intellectueel begaafde broer’ (Calvijn) de gemeenten in een lijvig werk (nu eens eerst) haarfijn uit de doeken ging doen hoe zij hun God en Vader hebben te zien en hoe zij daarmee om hebben te gaan. Stel u eens voor dat dit in een gezin zou gebeuren. Een grote broer schrijft een lijvig boek over zijn ouders en vraagt de andere kinderen dat boek nu eerst maar eens te lezen om hun ouders te leren kennen en te weten hoe zij met hun ouders hebben om te gaan. Dat hij daarmee de levende omgang en het levende gesprek van die kinderen met hun ouders juist danig in de weg zit, dat schijnt hem niet te deren… En als er dan kleinere broertjes en zusjes zó enthousiast worden van dat lezen in dat dikke boek, dat ze wat dat boek leert (en dan ook nog weer eens hún interpretatie daarvan) dwingend gaan opleggen aan de andere leden van dat gezin…

Opgemerkt slot: De Geneefse predikant Guillaume Farel moest Calvijn met een ‘hemelse vervloeking’ roepen (dwingen) tot het predikambt, anders was hij een ‘studeerkamergeleerde’ gebleven. Dankzij deze prediker – die het boven zestigjarige leeftijd nog waagde te trouwen met een 17 jarig meisje (met afkeuring van Calvijn) – heeft Calvijn toch het nederige ambt van prediker mogen beoefenen, al is hem dat niet meegevallen in een stad als Geneve met haar inwoners.

> Zie ook deze webpagina’s : ‘Des Heeren lof, Farel (I)‘ en ‘Zolang wij dat niet goed begrepen hebben…‘

Bron citaat: RD Opinie – Leerkracht moet leerling van Bijbelse geloofsleer zijn – door Wim Kole

De auteur is directeur-bestuurder van de Eben-Haëzerschool in Barneveld. Dit artikel is een verkorte weergave van zijn lezing getiteld ”De waarde van de Dordtse Leerregels en school”, die hij hield op de jubileumbijeenkomst van de 50-jarige VBSO, op 10 januari in Ede.

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het getuigenis van Johannes de Doper en ‘ons getuigenis’…

‘Waarachtig, Ik verzeker u: wij spreken over wat wij weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren ons getuigenis niet.’ (Uit Johannes 3 vers 11)

Geciteerd 1: Er was een mens. Johannes is zijn naam. Hij zegt dat je met Jezus op een kantelpunt komt te staan. Laat je dopen. Is dat getuigenis ernstig te nemen? Een mens, langs de Jordaan, door God gezonden? Iederéén kan wel beweren door God gezonden te zijn. Ziehier de weerloosheid, de dwaasheid van de prediking. Een mens, een stem, een roepende in de woestijn. Kameelharen jas aan. Op de kale vlakte van de wereld. Je komt tot een getuigenis. Door God geroepen. Wie zal zeggen hoe dat gegaan is? Je raakt erin verstrengeld. Het slaat door je heen. Je bent geen postbode. Je bent getuige. Met huid en haar. Het is je opgelegd. Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig.

Geciteerd 2: Er was een mens. Door God gezonden. Hij kwam tot een getuigenis. Je kunt met dat getuigenis voor gek staan. Je kunt er je goede naam door verliezen, je status als weldenkend mens. Je kunt ermee in de gevangenis raken. Je kunt er je leven voor moeten geven, onthoofd worden. Juist dán en juist zó zal blijken, dat ons getuigenis de wereld overwint. Wie zal ons scheiden van de liefde van God in Christus Jezus?

Opgemerkt 1: Helaas wordt in dit artikel (waaruit geciteerd) geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen het getuigenis van de Schrift Zelf (en dus het getuigenis van de Bijbelse profeten en apostelen) en ‘ons getuigenis’ (van gelovigen van nu). Het lijkt wel of wij zomaar kunnen deelnemen in/aan hun getuigenis (1), maar ons past een veel bescheidener opstelling en rol, zowel binnen de eigen gemeente(n) met haar gedoopte leden (oud én jong!) als tegenover de wereld.

Opgemerkt 2: Wanneer wij menen dat we zulke ‘bevlogen’ getuigen moeten én kunnen zijn, dan worden we hoogmoedig of we raken vreselijk teleurgesteld in onszelf en de mensen om ons heen of erger nog: teleurgesteld in God Zelf. Laten christenen daarom allereerst maar met en door hun (liefdes!)daden laten zien dat zij werkelijk geloven in een hun genadig God, Die ook de hele wereld met Zijn Heilig Evangelie op het oog had en heeft. Juist uit het doen en laten van christenen zal blijken dat zij de waarheid van het Evangelie daadwerkelijk geloven.

Opgemerkt 3: Binnen een gemeente wordt heel de Schrift tot verkondiging van Gods Woord en dáár nemen wij de ernstige waarschuwingen in Gods Woord ter harte en daarom zullen wij ons dagelijks hebben te bekeren. Wanneer we in dat besef leven, dan wordt ‘ons getuigenis’ (met woorden) naar de wereld beslist minder hoogdravend en rigoureus. Als voor de gelovigen, waarvan toch geldt dat zij zich dagelijkse en wekelijks laten gezeggen door Gods Woord, onderling al geld: ‘Wie sta zie toe dat hij/zij niet valle‘ en dat we ‘elkaar in een geest van zachtmoedigheid zullen terechtwijzen‘, hoeveel milder zullen wij ons dan opstellen tegenover ‘de wereld’, die al dat goede onderwijs uit Gods Woord en versterking van het persoonlijk geloof door het gebruik van de sacramenten missen. Tegenover deze mensen past ons toch echt nog meer bescheidenheid. Denk aan een profeet als Daniël (2), hoe bescheiden hij de wrede koning Nebukadnezar en zijn dienaren en opvolger (Belzasar) heeft aangesproken en gewezen op wat hen verlangd en verwacht mocht worden.

Opgemerkt Slot: Wanneer onze Heer in gesprek is met Nikodemus, (Johannes 3 : 1-21), dan zegt Hij: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: wij spreken over wat wij weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren ons getuigenis niet.‘ Met ‘wij weten en getuigen‘ en ‘ons getuigenis‘ doelt onze Heer op Johannes de Doper, die gezien en gehoord heeft wat er gebeurde bij de doop van Jezus in de Jordaan (we lezen daarover in Johannes 1 : 29-34).
In Johannes 5 : 38 wijst onze Heer ook nog weer op het getuigenis van Johannes en toch zegt Jezus daarbij ook dat Hij het getuigenis van een mens niet nodig heeft. Voor Hém was het niet nodig om overtuigd te worden van wie Hij was, maar de mensen in Israël en Jeruzalem hadden dat getuigenis van Johannes de Doper beslist wel nodig, maar er waren helaas velen (m.n. dus onder de Farizeeën en Schriftgeleerden) die dat getuigenis van Johannes niet aanvaardden. Maar onze Heer wees hen op het getuigenis van Johannes en Hij zei daarbij ‘dat zeg Ik om jullie te redden‘ (Zie Johannes 5 vers 34).

(1) We moeten hierbij zeker bedenken dat (ook) de profeet Johannes de Doper op een heel bijzondere manier was ‘voor-aangekondigd’ en aangewezen door God en dat was zelfs al gebeurd voor zijn geboorte. Dat verhaal was in Jeruzalem niet onbekend. Zeker niet onder de priesters en Farizeeën en Schriftgeleerden daar!
(2) En Paulus heeft het later niet anders gedaan (dan Daniel) in zijn spreken met en tegenover de overheden. Eén keer valt hij uit tegen de hogepriester, die met het hele sanhedrin was gekomen om Paulus bij de Romeinse tribuun (vals) te beschuldigen en iemand naast hem de opdracht gaf om Paulus op de mond te slaan, maar dan biedt Paulus (en niet de hogepriester) zijn excuses aan.

Bron citaten: De Waarheidsvriend (blog) – ‘Prediking is deelnemen in het getuigenis dat Jezus het Licht is – Duister is dichtbij’ – door ds. J.A.W. Verhoeven.

‘Jullie hebben boden naar Johannes gestuurd en hij heeft een betrouwbaar getuigenis afgelegd. Niet dat ik het getuigenis van een mens nodig heb, maar ik zeg dit om jullie te redden.‘ (Uit Johannes 5 uit de verzen 30-47 de verzen 33-34)

Bron afbeelding: The King James Bible Version

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Bijbelonderwijs over vervuld worden met de Heilige Geest…

‘Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de Heilige Geest‘ (…) ‘Wanneer de Heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van Mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’ (Uit Handelingen 1 uit de verzen 4-8 vers 5 en vers 8).

Opgemerkt 1: Johannes de Doper bleek een heel bescheiden mens en profeet daar waar het zijn eigen roeping en werk betrof. Zijn leven en werk stond van het begin af aan in dienst van de Heilige Geest – Die Zelf ook altijd weer bescheiden blijkt in Persoon en werk – om het volk van God op de komst van de Messias voor te bereiden. Hoezeer God Zelf door de Heilige Geest betrokken was bij de verkondiging door Johannes en zijn – ‘hemelse’! (1) – waterdoop, bleek nog wel het sterkst bij de doop van onze Heer in de Jordaan, waarbij onze Heer de ‘tegenstribbelende’ profeet voorhoudt: ‘Laat het nu gebeuren, want op deze wijze past het ons alle gerechtigheid te vervullen.’ En God bevestigde deze waterdoop op bijzondere manier vanuit de hemel – lees hierover in Matteüs 3 : 13-17.
Dat God Zelf Zich aan de waterdoop van Johannes verbond en de mensen die zich hadden laten dopen daarna niet ‘ongemoeid’ liet, dat blijkt wel heel duidelijk uit de woorden die we lezen in Lukas 7 waar onze Heer het optreden van Johannes de Doper ter sprake brengt, nadat twee leerlingen, die Johannes naar Jezus verwezen had (2), weer vertrokken waren. Dan blijkt dat de mensen die zich door Johannes lieten dopen in staat blijken het ‘koninkrijk van God te zien’ (3), namelijk zoals dat tot vervulling komt in en door Jezus, onze Heer, want zo schrijft Lukas: ‘Alle mensen die Jezus’ woorden hoorden, ook de tollenaars, brachten hulde aan God en Zijn gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten dopen.’

Opgemerkt 2: Na Jezus opstanding en hemelvaart stonden Zijn discipelen voor de – alle mensencapaciteit en mensenmacht te boven gaande – taak om van Jezus kruisdood en opstanding uit de dood en van Zijn hemelvaart te getuigen (‘in Jeruzalem en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde‘) en dat zonder ook maar één woord van Hem ‘op papier’ te hebben meegekregen. Dat laatste was beslist ook naar Gods plan en Jezus woorden (3), want alleen de Goddelijke macht van de Heilige Geest zou hen in staat stellen om aan dit werk te beginnen en om het ook tot een goed einde te brengen. Maar omdat zowat de hele ‘Joods kerk’ (met hun theologen, de Schriftgeleerden en Farizeeën) zich tegen dit getuigenis zouden verzetten, wilde God hun getuigenis en werk – zoals ons dat beschreven wordt in het boek Handelingen – gepaard doen gaan met bijzondere en overtuigende blijken van de bijstand en macht van Gods Geest.

Opgemerkt 3: Wat we op en na de Pinksterdag in Jeruzalem horen en zien, dat is dat onze Heer door Zijn Heilige Geest op bijzondere wijze het werk van de apostelen laat aanvangen in Jeruzalem, en even later in Samaria en daarna ook tot ver buiten Jeruzalem. In Jeruzalem wordt de Heilige Geest allereerst zichtbaar uitgestort op Zijn daar vergaderde discipelen en dat was nodig om de daar aanwezige Joden ervan te overtuigen, dat de buiten Jeruzalem gekruisigde Jezus werkelijk de Joodse Messias is, waarop zij hadden leren hopen. Zijn ‘ecclesia’ zouden ze voortaan niet meer hebben te zoeken in de synagogen en in de tempel – die beiden in handen waren van de ‘kerkleiders’ van die tijd – maar in de vergadering van Jezus volgelingen, zoals die geleid zou gaan worden door Zijn eerder uitgekozen discipelen.
Deze discipelen – nu in de rol van apostelen – waren na de uitstorting van de Heilige Geest ook vervuld van de Heilige Geest, maar dat weerhield hen er niet van om steeds ook heel goed op te letten welke weg de Heilige Geest hen in nieuwe situaties wees. Filippus durfde het aan om de ‘Moorman’ te dopen, maar Petrus moest op een bijzondere manier er toe gebracht worden om het Evangelie ook te verkondigen aan heidenen en om ook hen te (laten) dopen (Handelingen 10 en 11). We mogen wel heel dankbaar zijn dat God juist Petrus deze ‘moeizame’ weg heeft laten gaan, terwijl Hij Filippus direct al de overtuiging gaf dat hij de kamerling uit Ethiopië mocht dopen. We lezen trouwens niet dat deze dopeling zichtbaar vervuld werd van de Heilige Geest, wel dat hij zijn weg vervolgde met blijdschap (Handelingen vers 39).
Dat ook in Samaria de mensen nog weer op bijzondere wijze een (zichtbare) uitstorting van de Heilige Geest mochten meemaken, dat zal zeker te maken hebben gehad met het feit dat God deze ‘tweederangs Joden’ wilde overtuigen van het feit dat ook zij zich voluit mochten rekenen als behorend bij de nieuwe ‘ecclesia’, zoals die te Jeruzalem allereerst gesticht was. Dat is toch te zien als Gods goede zorg voor deze mensen, dat Hij de apostelen Petrus en Johannes ertoe bewoog om dat ontvangen van en vervuld worden met de Heilige Geest ook dáár heel zichtbaar te laten gebeuren, namelijk door de handoplegging en dan gevolgd door het (ook) zichtbaar ontvangen van de Heilige Geest. (Lees hierover in Handelingen 8)
NB. Let er ook op dat we wél lezen over veel mensen die zich lieten dopen op de Pinksterdag in Jeruzalem (wel drieduizend, zal vast niet door onderdompeling gebeurd zijn!), maar niet over handoplegging(en) van de apostelen bij deze drieduizend, toen of later, namelijk opdat ook deze dopelingen alsnog vervuld zouden worden met de Heilige Geest.

Opgemerkt 4: Dan lezen we ook nog over gevluchte/vertrokken leerlingen, die vanwege de onderdrukking en vervolging in Jeruzalem in (o.a.) Antiochië terecht kwamen en daar het Evangelie ook aan de heidenen verkondigden en die deze heidenen dus ook gedoopt zullen hebben en genodigd tot het bijwonen van hun samenkomsten en het breken van het brood met elkaar. We lezen dan niet dat men zich in Jeruzalem afvraagt of die ‘bekeerde heidenen’ daar dan ook een zichtbare vervulling met de Heilige Geest hebben ontvangen, wel dat men Barnabas de opdracht geeft om die gemeente op te zoeken. En die verheugt zich zeer en spoort de mensen aan om standvastig te zijn en trouw te blijven aan de Heer. Hij beseft ook dat deze mensen het onderwijs van de apostelen in Jeruzalem node missen, maar dan haalt hij niet één van de apostelen weg uit Jeruzalem, maar gaat hij op zoek naar Saulus (die hij eerder zelf in Jeruzalem mocht/moest introduceren) en geeft hij samen met hem een jaar lang onderwijs aan de gemeente in Antiochië. En dan besluiten ze dáár om de behoeftige gemeente in Jeruzalem financieel te gaan ondersteunen…

Opgemerkt 5: Over de door Johannes de Doper gedoopte leerlingen, die Paulus ontmoet in Efeze, vinden we een zeer verduidelijkend verhaal op de webpagina ‘Hebt u de Heilige Geest ontvangen‘ van ‘het Zoeklicht’ (4). Deze gedoopte leerlingen aanvaardden Paulus getuigenis zonder tegenspraak en ontvangen na handoplegging – zichtbaar en hoorbaar! – de Heilige Geest, net zoals op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem! Wat een heerlijke bevestiging van dat God Zelf Zich verbonden had aan de waterdoop van Johannes: ‘Niemand kan het Koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij/zij geboren wordt uit water en Geest.’ (Johannes 3 vers 5)

Opgemerkt 6: Wat de handoplegging van Timoteus betreft zullen we niet zozeer denken aan het daardoor (alsnog) vervuld raken met de Heilige Geest, maar aan de bijzondere taak die de jonge Timoteüs te vervullen kreeg in de gemeenten die Paulus had gesticht en het geloof, de liefde en de wijsheid – als gaven van de Geest – die daarvoor en daarbij nodig waren om die taak op betrouwbare wijze te vervullen (zie 1 Korintiërs 4 : 1, 2 Korintiërs 1 : 12, 1 Timoteüs 4 : 11-16, 6 : 13-14, 2 Timoteüs 1 : 6-8, 3 : 10-17, Titus 1 : 7-9 en 3 : 8)

Opgemerkt 7: Dat de apostelen zich onder elkaar en naar anderen niet hebben laten voorstaan op hun vervuld zijn met de Heilige Geest en dat zij het ‘de ander uitnemender achten‘ steeds weer in praktijk brachten, waardoor de bereidheid om steeds weer naar elkaar te luisteren en van elkaar te leren bijzonder groot was, wordt diverse malen duidelijk uit wat we lezen in het boek Handelingen. We horen hoe Petrus verhaalt over zijn ervaringen voorafgaand en tijdens zijn bezoek aan het huis van Cornelius (Handelingen 11) en hoe zij zich laten informeren over de gemeente in Antiochië en hoe zij tot het opstellen van een bericht komen aan deze gemeente. Paulus laat in de brief aan de Galaten nog horen hoe hij zich op het apostelconvent in Jeruzalem heeft opgesteld en hoe hij eerder zich in Antiochië tegenover Petrus heeft moeten opstellen in belang van het Evangelie. Wat goed om te lezen dat Petrus Paulus niet hoogmoedig heeft weersproken vanuit zijn (sterkere) positie, als ‘direct uitgekozen en aangewezen’ leerling en later, in het bijzijn van anderen, ‘direct aangewezen’ apostel van onze Heer…

Opgemerkt slot: Op grond van het onderwijs zoals we dat opgetekend vinden in het boek Handelingen kunnen we toch tot de slotsom komen dat het zichtbaar vervuld worden met de Heilige Geest (door gebed en handoplegging en gevolgd door bijzondere verschijnselen en uitingen) steeds weer in verband gebracht kan/moet worden met het bevestigen van het getuigenis van de apostelen in die bijzondere periode na Christus hemelvaart, waarin zij de opdracht hadden om getuigenis te geven van het Evangelie ‘te beginnen in Jeruzalem en omstreken, in Samaria en tot aan de uiteinden van de aarde‘. En die hún door de Heer opgedragen taak hebben de apostelen inderdaad volbracht! (5) Dat gebeurde in een periode dat het Evangelie bijna overal door de ‘officiële Joodse kerk’ (dus in door de synagogen met hun leiders binnen en buiten het toenmalige Israël) weerspraak en zelfs vervolging en verdrukking ondervond. Maar toen er inmiddels ‘overal’ gemeenten gesticht waren, op grond van het getuigenis van de apostelen, verviel de noodzaak van het door de Heilige Geest door bijzondere tekenen steun geven aan getuigenis van de apostelen.
Alleen bij het vervullen van ‘bijzondere’ taken in of voor de gemeente, zal men nog gebruik kunnen maken van gebed en handoplegging en dat dan niet met het oog op dan (eindelijk ook) vervuld te mogen/zullen worden met de Heilige Geest – men wordt toch aangewezen en gekozen omdat de betreffende persoon blijk gegeven heeft om in aanmerking te komen voor het vervullen van die ‘bijzondere’ taak -, maar om de betreffende persoon in die taak (en zijn of haar roeping daartoe) te bevestigen.
Op grond van het onderwijs in het boek Handelingen (en de brieven) kunnen we (m.i.) stellen dat daarin geen aanleiding gevonden wordt voor de opvatting dat wij gebruik zouden kunnen of moeten gaan maken van (volgens ons) ‘zuivere christenen” (zuiver bevonden christenen – binnen of zelfs van buiten de eigen gemeente), die dan de gave zouden hebben om medegelovigen door handoplegging te vervullen met de Heilige Geest. Zulke afhankelijkheid van gelovige mede broeders en/of zusters wordt van ons toch niet gevraagd en al helemaal niet ons opgelegd! In de brieven (en in de Psalmen!) lezen we toch dat iedere gelovige zich door onze Heer gekend mag weten en geholpen wordt en aangespoord om die relatie met Hem onder en door het werk van de Heilige Geest te geloven en vol vertrouwen altijd weer te aanvaarden, ook wanneer mensen dat willen ontkennen of wanneer alle uiterlijke omstandigheden dat lijken te weerspreken (zie hierbij bijv. Hebreeën 10 en 1 Johannes 2 : 12-17 en 20-29).

(1) Marcus 11 : 22-23 – De vraag van Jezus ‘De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen?‘ waarop de hogepriesters, de Schriftgeleerden en de oudsten van het volk geen antwoord wilden geven.
NB. We dienen te beseffen dat wat er bij de doop van onze Heer gezegd en gehoord was, algemeen bekend was geworden, tot in Jeruzalem toe, want Johannes had dat ook later nog weer van Jezus getuigd: zie 1 Johannes 1 : 19-39. De waterdoop en het getuigenis van Johannes worden door onze Heer ook uitdrukkelijk aan de orde gesteld in het gesprek met Nikodemus – in Johannes 3 : 5 en 11-13.
(2) Zie deze blog ‘Johannes de Doper bleef naar Jezus verwijzen‘
(3) Zie (o.a.) de woorden van onze Heer tot Zijn discipelen in Johannes 14 en 16 : 12-16.
(4) ‘Hebt u de heilige Geest ontvangen?‘
(5) Wanneer het Evangelie later aan nog niet bereikte volken (‘aan de uiteinden van de aarde’) werd en wordt verkondigd, dan gebeurd dat ook nu nog altijd door (op grond van) het getuigenis van de apostelen.
We kunnen de woorden uit het slot van Matteüs 28 dan ook wel zo lezen: ‘En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie – getuigenis! (AJ) -, tot aan de voltooiing van de wereld.’

> Zie ook deze blog: ‘Doop van Johannes schakel tussen Oude en Nieuwe Testament.‘

N.a.v. een middagdienst met ds. G. de Kimpe op zondag 7 januari 2024 in de NGK ‘De Burcht’ in Barneveld.

‘Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is. En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest, en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Here van harte, dankt te allen tijde in de naam van onze Here Jezus Christus God, de Vader, voor alles‘ (Uit Efeziërs 5 de verzen 15-20)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Knappe staaltjes van roemen in mensen…

‘Maar hoe jullie of een menselijke instelling* over mij oordelen interesseert me niet, en hoe ik over mezelf oordeel telt evenmin. Ik ben me weliswaar van geen kwaad bewust, maar dat betekent niet dat mij niets ten laste kan worden gelegd. Het is de Heer Die over mij oordeelt. Houdt dus op te oordelen en wacht de tijd af dat de Heer komt, omdat Hij het is Die aan het licht zal brengen wat in het duister verborgen is en zal onthullen wat mensen heimelijk bewogen heeft of beweegt. En dan zal God het zijn Die ieder de lof geeft die hem of haar toekomt.‘ (Uit 1 Korintiërs 4 uit de verzen 1-5 de verzen 3-5)
* Een theologische hoge school of universiteit bijvoorbeeld.

Geciteerd 1: Maar meer dan aardse roem was het feit dat beide ouders vanaf hun jonge jaren ware (!) gelovigen waren.
Geciteerd 2: Naar eigen waarneming (!) was Halyburton al in zijn kinderjaren een grote zondaar. Zelfs zijn beste daden brachten hem nog in de schuld: „Ik was als de appels van Sodom: mooi om te zien en veelbelovend wanneer men er nog niet van geproefd had, maar vanbinnen vol as en walgelijkheid.”
Nou ja, het waren toch maar jeugdige dwaasheden, of kleine gebreken, zeiden mensen. „Maar de Heere denkt daar heel anders over. Sommige van die zonden zijn me zeer bitter geworden. (…) Wat een monster (!) zou ik geworden zijn als ik aan mezelf zou zijn overgegeven.”
Door Gods genade werd Halyburton geen monster van ongerechtigheid, maar „een man van grote godsvrucht, uitmuntende natuurlijke gaven, ijverige studie en een buitengewoon (!) onderscheidings- en beoordelingsvermogen”. Die typering is van de hand van predikant-dichter Isaäc Watts. Watts schreef voor de meeste werken van Halyburton een voorwoord en hij zei vol waardering over diens geschriften: „Op elke bladzijde (!) is er zo’n nederigheid en eerlijkheid te vinden. Daarom kan men achter zijn heilige taal zijn verborgen (!) gedachten zien.”
Opgemerkt (bij 2): ‘Een monster’? Je vraagt je af hoe deze vrome man dan oordeelde over de mensen die niet zo’n bijzondere vrome weg gegaan waren als hij?

Geciteerd 3: Halyburton hield zelf een autobiografisch dagboek bij (zie ”Geestelijke ervaringen van Halyburton”). Hij zou tijdens het schrijven, zei hij zelf, geen tijd verspillen aan onbelangrijke zaken: „Maar ik kan de genadige handelingen van de Heere jegens mij verhalen, zowel vóór als ónder de bijzondere handelingen van de Heere met mij. En dit op een manier die zal leiden tot overtuiging, verlichting, bekering, vertroosting en onderwijs van de lezer.”
Opgemerkt (bij 3): Duidelijk voorbeeld van zelfoverschatting! Leek hem het Woord van God en de kracht van de Heilige Geest dan niet genoeg om dit werk in een mensenhart teweeg te brengen. Moesten Halyburton’s dagboekverhalen nog toegevoegd worden aan het (Bijbel)boek Handelingen (der apostelen – beter nog te noemen: Handelingen van onze Heer Jezus Christus na Zijn hemelvaart!)?

Geciteerd 4: Halyburton werd predikant in het eenvoudige boerendorp Ceres (in het huidige raadsgebied Fife). Op zijn sterfbed zei hij later van zijn eerste en enige gemeente: „Dat volk was mijn keuze (!). Ik heb met aandoening getracht het tot Christus te brengen (1). Zij zullen weten dat er een profeet in hun midden geweest is.”

Opgemerkt (bij 4): Blijkt uit deze laatste woorden van deze (‘buitenbijbelse’) ‘profeet en leraar’ nog wel de nederigheid van Johannes de Doper, die zich vernederde onder dé grote Profeet en Leraar met de woorden ‘Hij moet groter worden, ik kleiner’?

Opgemerkt slot: Is dat oordelen over en roemen in mensen niet juist heel opvallend te vinden in ‘kerkelijke kringen’ waar men zo graag roemt in Gods soevereiniteit bij de uitverkiezing van mensen. Desondanks weet men daar heel geweldige en vrome leraars aan te wijzen, (mede)mensen die blijkbaar al onze roem en aandacht waardig zijn en blijven. Mensen die zelfs een bedevaart naar hun graf zich waardig hebben gemaakt.

(1) Zou hij bedoeld hebben dat hij altijd weer gevraagd heeft of hij zelf (en niet een andere predikant) de kinderen mocht dopen? Dat zal helaas wel niet het geval zijn geweest, vandaar dan ook die zelfoverschatting!

> Zie hierbij ook nog deze blog: ‘De schakel tussen het Oude en het Nieuwe Testament…‘

Bron citaat: RD Kerk & religie – ‘Thomas Halyburton, een gerijpte korenschoof’ – Jan van ’t Hul

‘De bruidegom krijgt de Bruid; de vriend van de Bruidegom staat te luisteren en is blij dat hij de stem van de Bruidegom hoort. Dat vervult mij met grote vreugde. Hij moet groter worden en ik kleiner.‘ (Uit Johannes 3 de verzen 29-30)

Bron afbeelding: enjoying Christ

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De ellende na Dordt…

‘Ze vroegen Hem: “Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil? Dit moeten jullie voor God doen: geloven in Hem Die Hij gezonden heeft,” antwoordde Jezus.’ (Uit Johannes 25-40 de verzen 28-29)

‘“Zegt u mij heren, wat moet ik doen om gered te worden?” Ze antwooordden: ‘Geloof in de Heer Jezus en u zult gered worden, u én uw huisgenoten.” En ze verkondigden het woord van de Heer aan hem en aan ieder die bij hem woonde.‘ (Uit Handelingen 16 uit de verzen 25-34 de verzen 30-32)

Geciteerd 1: Bij ”geloof, en je bent gered” is het geloof erg theoretisch. Het lijkt op het geloof dat in steenachtige plaatsen is bezaaid (Mattheüs 13). Dit geloof ontvangt het Woord terstond met vreugde, maar is voor een tijd, want het heeft geen wortel in zichzelf (Mattheüs 13:20-21). In de klassiek gereformeerde prediking is het onderscheid tussen tijdgeloof en waar geloof een belangrijk aandachtspunt in prediking en pastoraat (DL III/IV.9). Bij Van den Brink blijft deze zelfbeproeving geheel achterwege (2 Korinthe 13:5)

Geciteerd 2: Ik motiveer mijn catechisanten tot het lezen van het ”ABC des geloofs” van Comrie. De verschillende geloofsdaden die hij daarin beschrijft, hebben steeds te maken met de wet die verwondt en het Evangelie dat geneest. Ik noem zeven geloofsdaden en zet die tegenover het ”geloof, en je bent gered” van Van den Brink: bekennen van ongerechtigheid, dorsten, hongeren, komen, kiezen, kussen, leggen van Christus tot zijn fundament.

Opgemerkt: Wanneer we de schrijver mogen geloven dan hebben de apostelen nadat Joden en heidenen aan hun prediking gehoor gaven en zich lieten dopen, daarna alle moeite gedaan om deze gelovigen duidelijk te maken dat er bij hen in feite hooguit sprake kon zijn van een ‘tijd-geloof’ (tijdelijk geloof) en daarom direct begonnen om deze mensen onder de prediking van de wet alsnog tot ‘verbrijzeling’ en ‘ware bekering’ (wedergeboorte) te brengen, maar hoe anders lezen we daarover in Handelingen en in de brieven. En hoe anders is juist ook de prediking van onze Heer Zelf geweest!

‘Toen het tot een hevige woordenstrijd kwam, stond Petrus op en zei…’ (…) ‘God, Die weet wat er in mensen omgaat, heeft (Zelf) getuigd door hen de Heilige Geest te geven (1), zoals Hij Die ook aan ons geschonken heeft. Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons (die de wet kennen) en hen, want Hij heeft hen door het geloof innerlijk gereinigd. Waarom willen jullie dan God trotseren door op de schouders van deze leerlingen een juk te leggen dat onze voorouders nog wijzelf konden dragen. Nee, wij geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus Christus gered kunnen worden, op dezelfde manier als zij (2).’ (Uit Handelingen 15 uit de verzen 1-15)

(1) Lees hierover in Handelingen 10 : 34-48.
(2) Namelijk door het geloof.

Aanvullend: ‘Ik noem zeven geloofsdaden en zet die tegenover het ”geloof, en je bent gered” van Van den Brink: bekennen van ongerechtigheid, dorsten, hongeren, komen, kiezen, kussen, leggen van Christus tot zijn fundament.’
Opgemerkt: Dat zijn allemaal vruchten van een waar geloof en dat geloof begint met Christus te aanvaarden als levend levensfundament van ons geloof en dat door de kracht en het werk van de Heilige Geest, Die aan alle gedoopten vast en zeker beloofd wordt en dus niet eerst maar eens mag worden afgenomen door predikanten, die vinden dat het ‘om niet’ gerechtvaardigd worden wel heel erg goedkoop is om mee te beginnen.

Bron citaat: RD Opinie – ‘Dordtse Leerregels loflied op loutere genade’ – door ds. G. Clements
(De auteur is predikant van de gereformeerde gemeente te Gouda en rector van de Theologische School in Rotterdam.)

‘Dit is Zijn gebod: dat we geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals Hij ons heeft opgedragen. Wie zich aan Zijn geboden houdt blijft in God, en God blijft in hem/haar. Dat Hij in ons blijft, weten we door de Geest Die Hij ons gegeven heeft.’ (Uit 1 Johannes 3 de verzen 23-24)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Wat een theologie/theoloog al niet vermag…

‘Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie jullie ook (oud én jong!) samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God (naar Zijn belofte!) woont door de Geest.‘ (Uit Efeziërs 2 de verzen 21-22)

Geciteerd 1: Schilder constateerde dat de gereformeerde ecclesiologie nogal wat onduidelijkheden en inconsequenties bevatte. Als rechtgeaard theoloog zette hij zich ervoor in (op dit gebied) een stap verder te zetten (1). Met zijn geweldige denkkracht ontwierp hij een kerkvisie waarin verschillende ongerijmdheden (van bijvoorbeeld Johannes Calvijn, Abraham Kuyper en anderen) overstegen werden. Net als veel theologen voor hem beoogde hij een kerkleer te presenteren die meer recht deed aan Gods Woord en zoveel mogelijk helder en logisch was. Hij werd daarin gedreven door diepe eerbied en liefde voor zijn Heiland Christus, die met de gedachte gekomen was om iets te gaan opzetten wat Hij ‘kerk’ noemde. De christelijke kerk zou ontstaan (Matteüs 16 vers 18). Het ging Schilder om de vraag wat Christus met dit nieuwe fenomeen beoogde.
Staande op de schouders van theologen uit de eeuwen voor hem keek hij verder dan zij en bracht hij de theologie verder. Zijn dynamische kerkleer zette vooral iedere gelovige tot nadenken over zijn plaats en taak in de kerk waar hij lid van was. Schilder bracht nieuw leven (2) in verstarde kerkelijke verhoudingen, een verfrissend ecclesiologisch bad.

Opgemerkt 1a: ‘Zijn dynamische kerkleer zette vooral iedere gelovige tot nadenken over zijn plaats en taak in de kerk waar hij lid van was.’ Zou het? En heeft het ons geholpen? Of hielden de meesten het liever bij nadenken alleen? Kunnen en durven we werkelijk beweren dat het zo werkt(e) in de gemeenten van onze Heer? Of wijst Gods Woord ons toch een andere weg om geholpen te worden onze plaats en taak te leren verstaan in de gemeente waar wij lid van zijn? Want anders moeten we toch vaststellen dat de kerk eeuwenlang de kracht en helderheid van deze ‘overstijgende dynamische kerkleer’ (node) gemist heeft.
Opgemerkt 1b: ‘Die met de gedachte gekomen was’. Zelfs onze Heer was/is blijkbaar een theoloog met mooie gedachten en plannen. Vanwege Zijn vroegtijdige dood waren die nog niet helemaal helder gemaakt. Hij moest met wat Hij er (indertijd) mee voor ogen had, zelfs wachten tot een ‘Schilder’ Zijn mooie plannen eindelijk eens goed begrepen had. Nu konden Zijn mooie plannen toch nog ‘uit de verf’ komen. De vrijgemaakte kerken hebben een aantal decennia aan dat mooie ‘schilderij’ (‘Schilderwerk/Schilderkerk’) mogen werken.

Geciteerd 2: Door mijn afstudeeronderzoek naar kerkelijk vrijwilligersmanagement sprak ik mensen uit het hele land over hun inzet voor de gemeente. Ik hoorde mensen vol van geestelijk enthousiasme over hun taak, maar ook mensen die niet goed wisten waarom ze hun taak deden en tegen allerlei uitdagingen aanliepen. Daarom vind ik het mooi om ook in deze gemeente mensen te ondersteunen om hun gaven te ontdekken, geestelijk enthousiast te maken en gaven op hun eigen manier in te zetten tot opbouw van de gemeente.

Opgemerkt 2a: Bij ons in de gemeente is sinds kort een ‘HBO-theologe’ aangesteld. Het is de bedoeling dat zij aan de slag gaat met het gavengerichte gemeente zijn, wat ook als hoge prioriteit uit een gemeentebrede enquête is gekomen, vorig jaar.
Opgemerkt 2b: Wat dus eerst een universitair geschoold theoloog voor elkaar wist te krijgen, dat besteden we nu dus uit aan een (jonge/prille) HBO-theologe. Het kan verkeren…*
* Bredero’s lijfspreuk, die wij nu ook kennen en gebruiken was “’t Kan verkeren”, ofwel: het kan veranderen, het leven is wisselvallig.

Geciteerd slot: Neem als Nederlandse Gereformeerde Kerken niet te snel afscheid van het gedachtegoed van Klaas Schilder, bepleit Paul Voorberg. Want dankzij Schilder kijkt iedereen kritisch naar de eigen kerk.
Opgemerkt slot: Je verbaast je over de uitspraken die in dit artikel staan! Maar wat hier beweerd wordt… Kan me wel herinneren dat wij buiten die ‘eigen kerk’ gezet werden*, maar dat krijg je er ook van, als ‘de kerk’ als ‘eigen kerk’ wordt gezien omdat Klaas Schilder (!) het daar voor het zeggen had.
* En natuurlijk kan dat je ook vandaag in een ‘eigen gemeente’ overkomen. Daar hebben we Schilder echt niet voor nodig.

(1) Een kleine stap voor een universitair opgeleid en op andere hun schouders staand theoloog, maar een grote stap (voorwaarts) voor ‘de (ware) kerk’?
(2) ‘Schilder bracht nieuw leven’? Is dat niet roemen in mensenwerk? Wat is Calvijn, wat is Kuyper en wie was die professor Schilder uit het Nederlandse Kampen?

> Zie (lees) meer in deze blog(s): ‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus…’

Bron citaat 1: ND Opinie – ‘Waarom de kerkvisie van Klaas Schilder nog steeds heel veel zeggingskracht heeft’ – door Paul Voorberg (emeritus predikant te Wezep)
Bron citaat 2: Kerkblad December 2023 van NGK ‘De Ontmoeting’ (Barneveld)

‘Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toegroeien naar Hem die het hoofd is: Christus. Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar zijn/haar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de Liefde.’ (Uit Efeziërs 4 de verzen 15-16).

‘Het is God Die jullie en ons Christus als fundament geeft, Die ons allen heeft gezalfd, heeft gewaarmerkt als Zijn eigendom (met en door onze Doop) en ons als voorschot de Geest gegeven heeft.’ (Uit 2 Korintiërs 1 de verzen 21-22)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Bijbels nuchter’ (leren) nadenken…

‘En terwijl hij dit tot zijn verdediging aanvoerde, zei Festus met luider stem: Gij spreekt wartaal, Paulus, uw vele studie brengt u in de war. Maar Paulus zei: Hoogedele Festus, ik spreek geen wartaal, maar nuchtere waarheid. Want de koning weet van deze dingen en tot hem spreek ik vrijmoedig, want ik kan niet geloven, dat hem iets van deze dingen onbekend is; dit is immers niet in een uithoek geschied. Koning Agrippa, gelooft gij de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft! Maar Agrippa zei tegen Paulus: Gij wilt mij wel spoedig als Christen laten optreden!‘ (Uit Handelingen 26 de verzen 24-28)

Geciteerd 1: Dit verklaart meteen waarom de zeven brieven (die aan Paulus moeten worden toegeschreven) volstrekt geen biografische gegevens over Jezus bevatten. Als Jezus in levenden lijve had bestaan, dan zou Paulus van de andere apostelen toch van alles over deze bijzondere figuur willen weten? En dan zouden bepaalde biografische feiten toch door de brieven worden weerspiegeld? Maar niets van dit alles. Meer dan hierboven* is er niet. De Jezus van Paulus verricht geen enkel wonder. Over zijn familie, beroep en uiterlijk: geen woord. Ook is deze Jezus opmerkelijk zwijgzaam; Paulus citeert hem maar één keer.
* De schrijver verwijst hiermee naar de door hem even eerder geciteerde woorden uit 1 Korintiërs 15 : 3-9.

Opgemerkt 1: Tijdens Jezus ‘rondwandelingen’ in Israël, sprak Hij in de synagogen en er kwamen zelfs Farizeeën en Schriftgeleerden speciaal op bezoek om naar Hem te luisteren (net als dat ze eerder bij Johannes de Doper onderzoek hadden laten doen en gedaan). Door het optreden van onze Heer gonsde Zijn naam door het hele land en zelfs in de omstreken van het toenmalige Israël werd Hij bekend.

Geciteerd 2: In het nawoord bij de vertaling van de vier evangeliën zegt Mario Molegraaf over het wenen van Jezus aan het graf van Lazarus: ‘Wij vinden dit het sympathieke moment van een verder onsympathieke persoonlijkheid.’ Maar Jezus is te schimmig om zelfs maar onsympathiek te kunnen zijn.

Opgemerkt 2: We weten wel meer over de emoties van onze Heer hier op aarde, dan alleen dat Hij weende bij het graf van Lazarus (1). Jezus liet Zelf geen enkel geschrift na en het moet ons niet verwonderen dat de apostelen (geen mensen van/uit een ‘schriftelijk bestaan/cultuur, itt tot de Farizeeën en Schriftgeleerden) pas laat – waarschijnlijk op uitdrukkelijk verzoek van hun hoorders – de evangeliën op schrift hebben (laten) stellen. Dat de brieven van Paulus eerder verschenen is daarom niet als argument te gebruiken tegen de oorspronkelijkheid en waarheid die deze evangeliën (pretenderen te) beschrijven.

Opgemerkt slot: Het is toch niet voorstelbaar dat Paulus (in opdracht van zijn meerderen in Jeruzalem) tot in Damascus toe de christengemeente aan het vervolgen was, terwijl hij eerder niet wist van Jezus bestaan (over Zijn optreden en over Zijn afkomst uit Nazareth, etc.). Hij wist daar heel wat van, maar dat was juist reden voor hem (als Joodse Farizeeër) om deze Jezus te willen mijden en om, na berichten over Zijn opstanding na Zijn kruisiging te Jeruzalem, de nieuwe volgelingen van Hem fanatiek te bestrijden door vervolging.

(1) Zie o.a. Marcus 8 : 33, 10 : 13-16, Lukas 9 : 51-56.

> Zie hierbij ook deze blog over het Farizeïsme in een Hellenistische cultuur.

Bron citaten: maartenonline-nl – ‘Was Jezus een mythe‘ – gepubliceerd door Maarten van Rossem.

‘Toch waren er ook veel leiders die wel in Hem geloofden, maar vanwege de Farizeeën kwamen ze daar niet voor uit, omdat ze niet uit de synagoge gezet wilden worden. Ze stelden meer prijs op de eer van mensen dan op de eer van God.’ (uit Johannes 13 de verzen 42-43)

Bron afbeelding: Talk To The Word

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Kunnen we spreken van een ‘gezonde’ gemeente/kerk?

‘Als zij die rechtvaardig leven – echter ook heus nog zondaars zijn, maar wel volgens Jezus’ voorschriften leven! – al ternauwernood gered worden, hoe moet het dan gaan met hen die zondigen omdat ze God niet gehoorzamen – dus niet naar Jezus’ voorschriften leven – ?’ (Uit 1 Petrus 4 vers 18).

Geciteerd 1: Geef ‘ongezonde’ kerkleden de juiste zorg, zodat zij weer gezond actief worden. Christelijke zorg omvat pastoraat, huwelijkscursussen, samen bidden, lezen en luisteren, training van medewerkers, netwerkondersteuning, diaconie… Een breed zorgplan is nodig om leden gezond te laten functioneren. Deze factor loopt het risico te veel aandacht te krijgen, waardoor er onbalans ontstaat in het organisme. Ons christelijke ”immuunsysteem” moet optimaal werken om aanvallen afdoende tegen te gaan. We hebben goede antwoorden nodig om kerkverlaters (of misschien zelfs Godverlaters) te helpen.

Opgemerkt 1: Wanneer ik de brieven van onze Heer aan de zeven gemeente lees, dan denk ik dat Sardes zo’n gemeente was, die bekend stond als een ‘gezonde’ gemeente/kerk. Misschien hadden ze er al zelfs al huwelijkscursussen en mogelijk waren ze daar ook al in discussie over of kinderen wel ‘zomaar’ gedoopt konden worden en of het niet beter was om ze eerst een lang traject van catechese te laten doorlopen, alvorens ze voor de keus te stellen of ze gezond genoeg meenden te zijn om gedoopt te kunnen/mogen worden of (beter nog maar) niet*.

Opgemerkt 2: Bijzonder toch dat onze Heer zo’n zwak heeft voor de gemeente in Filadelfia. En dan hebben ze daar (in onze ogen) in die gemeente toch eigenlijk niets bijzonders gedaan: ‘Ik (Zelf) heb ervoor gezorgd dat de deur voor jullie openstaat, zonder dat iemand hem kan sluiten. Want ook al hebben jullie weinig invloed, jullie zijn trouw gebleven aan wat ik heb gezegd en jullie hebben Mijn naam niet verloochend.’ (…) Omdat jullie trouw zijn gebleven aan Mijn gebod om stand te houden (te volharden in het geloof en dat door het gelovig gebruik van de ‘middelen’), zal ik jullie ook trouw zijn wanneer binnenkort de tijd van beproeving aanbreekt.‘ (Openbaring 3 uit de verzen 7-11).

Opgemerkt 3: De juiste leefstijl van een gemeente, dat is die van een patiënt. Een patiënt die te horen gekregen heeft dat hij/zij een ernstige ziekte onder de leden heeft, ook al is dat niet altijd even ‘openbaar’. Die leefstijl van een patiënt, die geldt (is nodig) voor alle leden afzonderlijk, maar ook voor de gemeente als geheel. We zullen (daarom) niet op eigen inzicht kunnen afgaan, maar heel goed hebben te luisteren naar wat onze Geneesheer ons ‘voorschrijft’ aan behandeling en medicijnen en van Hém horen/leren wat een gezonde (beter: passende!) leefstijl is voor Zijn patiënten. Hij heeft het beslist niet aan ons eigen inzicht overgelaten hoe wij zullen (samen)leven en hoe wij Zijn ‘middelen’ hebben te gebruiken! Toch zijn Zijn voorschriften niet moeilijk en is het gebruik van ‘de middelen’ die Hij ons voorschrijft zelfs van grote eenvoud te noemen. We hebben er zelfs geen geleerde ‘doctores’ (of bedreven/gedreven managers) bij nodig! Ze hoeven ons ook beslist niet veel geld te kosten…

Opgemerkt 4: We zullen niet vrezen ‘arm van geest’ te zijn (en daarom geminacht te worden) en niet menen dat we juist (eerst) een heel rijke geest moeten hebben (gevormd door veel studie bijvoorbeeld) om in het lichaam van Christus goed te kunnen functioneren. Want een arme van geest heeft honger en voelt zich zwak en wil gevoed worden door het Woord (alleen), terwijl een rijke geest zich verzadigd voelt en zich sterk weet en voortdurend de neiging heeft de (dagelijkse) voeding die het Woord biedt van minder belang te achten. Ook heeft een rijke geest de neiging om (veel/teveel) aandacht en ruimte te vragen voor de eigen (verworven) rijkdom aan kennis en wetenschap.

Opgemerkt 5: Onze Geneesheer raadt ons dan ook niet in de eerste plaats allerlei coaches aan, maar Hij wil Zelf door de Heilige Geest ons dagelijks ‘coachen’. Dat vraagt wel geloof! Dat geloof zullen allen in de gemeente opbrengen onder elkaar en voor elkaar! Ouders voor hun kinderen, Voorgangers en oudsten voor hun broeders en zusters. Wanneer men dat voor ogen houdt, dan kan het niet anders of er is ook een grote bereidheid om naar elkaar te luisteren. Het is niet zo gauw nodig een ander een weg te wijzen, een oplossing aan te reiken. Een gelovige zal geloven dat God Zelf zijn of haar leven zal leiden en daar zo nodig ook de hulp van anderen bij wil inschakelen. Maar dan zullen die anderen hem of haar wel in de hun gegeven eigen zelfstandigheid en verantwoordelijkheid hebben te respecteren!
NB. Dat geldt zelfs ook voor gemeenten/kerken onderling!

* Monica, de moeder van Augustinus, wilde haar zoon niet laten dopen… Vandaar dat ze zoveel heeft gebeden en tranen moeten plengen, ze kon geen beroep doen op wat God vast en zeker belooft bij de doop van een kind en nu moest ze zelf God zien te vermurwen…
> De doop is een ‘geloofsstuk’ en hoort in feite thuis in de Twaalf Artikelen van het geloof: We geloven één Doop… Zie hierbij ook Johannes woorden in zijn eerste brief H2 de verzen 12-14 en 26-27.

Bron citaat: RD Opinie – ‘Gezonde kerk heeft kenmerken van gezond lichaam’ – Dick Slikker MSc (1)

(1) De auteur (MSc public health) bezocht kerken in onder meer Oost-Europa en het Midden-Oosten, waar sprake is van passie en kerkgroei. Literatuur: ”Negen kenmerken van een gezonde kerk” (Mark Dever); ”Handboek gezonde gemeente” (Robert Warren).

‘Daarom raad ik jullie aan: Koop van Mij goud dat in het vuur gelouterd is, en jullie zullen rijk zijn; witte kleren om jullie naaktheid te bedekken, zodat jullie je niet meer hoeft te schamen; zalf voor jullie ogen, zodat jullie weer kunnen zien. Iedereen die Ik liefheb wijs Ik terecht en straf Ik. Zet jullie dus volledig in en breek met het leven dat jullie nu leiden.’ (Uit Openbaring 3 de verzen 18-19)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Verdrietig stemmende opvattingen over ‘predikant-zijn’…

‘Over de onderling liefde hoeven wij jullie niets te schrijven, want jullie hebben zelf van God geleerd hoe jullie in liefde met elkaar hebben om te gaan. Jullie doen dat al met alle gelovigen in Macedonië, maar broeders en zusters wij sporen jullie aan dat nog veel meer te doen…’ (…) ‘Dat hebben we jullie opgedragen. opdat jullie een eerzaam leven zullen leiden in de ogen van hen die niet tot de gemeente behoren...’ (Uit 1 Tessalonicenzen 4 uit de verzen 9-12)

Geciteerd 1: Maar wat houdt predikant-zijn eigenlijk in? Met die vraag raakte hij in zijn eerste twee gemeenten best een beetje in de knoop. Besteedde hij niet veel te veel tijd aan naar binnen gerichte activiteiten? Ging er niet te veel energie verloren met het inspelen op behoeften van gemeenteleden en de interne organisatie van de kerk? Wat kwam er terecht van de roeping om in maatschappij en cultuur te getuigen van het Evangelie?

Geciteerd 2: „In mijn dissertatie onderscheid ik vier taken van een voorganger. De eerste is om de gemeente in het Evangelie van Jezus Christus te verankeren (1). De tweede is dat een predikant zich moet inzetten om de vele gaven in de gemeente te activeren (2), want nog steeds zijn veel kerken in Nederland typische domineeskerken, waarin veel draait om de voorganger (3). Wat mij betreft dagen predikanten gemeenteleden meer uit om hun gaven te besteden in relaties met anderen (4).

(1) Verankeren? Nee, een predikant zal Gods Woord verkondigen en dat op profetische manier! Want waar dat ontbreekt, dáár wordt het Godsvolk de geestelijke wapenrusting ontnomen (zie o.a. Spreuken 29 : 18, 1 Korintiërs 14 : 24-25, 2 Korintiërs 10 : 3-6 en Efeziërs 6 : 10-20)!
(2) Moet een dominee de geestelijke gaven (gaan) activeren? Al weer een onmogelijke taak en in haar strekking is het een beledigen van de Heilige Geest en ook van de leden van de gemeenten, die beslist niet afhankelijk zijn of moeten worden geacht en gemaakt van wat hun predikant samen met de kerkenraad en commissies allemaal voor mooie plannen weten uit te werken (meewerken aan een buurtcafé, meelopen in processies en/of een klimaatmars, etc., etc.)
(3) Waarom is dat helemaal niet mijn ervaring geweest, in de NGK-gemeente waar ik ben opgegroeid (Rijswijk, ZH) en andere gemeenten waar wij later nog lid werden, dat wij daar een typische domineeskerk* hadden? Het kan zijn dat dat binnen de CGK-gemeenten veel meer het geval is geweest en nog, en dat zal indertijd ook een (belangrijke, zo niet doorslaggevende) reden zijn geweest voor een deel van de NGK-predikanten (destijds) om de NGK-studenten dáár (TUA) niet onder te brengen, maar om toch een eigen opleiding te willen hebben: het Nederlands Gereformeerd Seminarie (1976-2016).
(4) Een goede Woordverkondiging dáár kan en wil (DV!**) de Heilige Geest Zijn zegen over geven in het leven van de gemeenteleden door-de-weeks. Wat een predikant zelf allemaal aan uitdagingen weet te verzinnen, daar heeft Hij niets aan en niets mee! Mijn ervaring is (inmiddels, helaas!) dat dit leidt tot een toepassing aan het slot van de Woordverkondiging waarin ons allerlei ideetjes worden aangereikt en/of waarin men de mensen oproept om aan de ‘mooie plannen’ van de kerkenraad te gaan bijdragen.

* Lees hier meer over de oorzaak van ‘domineesgemeente(n)’: ‘Hoe spreekt Hij nú met ons?‘
** Maar we lezen in Gods Woord, dat er tijden zijn (geweest) dat zelfs die zegen niet meer ten deel viel aan het Godsvolk. En in Zijn brieven aan de zeven gemeenten, waarschuwt onze Heer niet voor niets dat de lampenstandaard van een gemeente kan worden weggenomen!

Geciteerd 3: Zouden de conclusies van uw dissertatie gevolgen moeten hebben voor hoe predikanten worden opgeleid?
„Zeker. Op mijn eigen opleiding kijk ik best positief terug. Maar, overdreven gesteld: ik ben toen vooral opgeleid om netjes te preken, netjes catechisatie te geven, netjes vergaderingen voor te zitten en netjes mensen te bezoeken. En niet met de focus hoe ik de gemeente kan helpen om in onze tijd een geloofwaardige kerk te zijn (5) en in de samenleving het lichaam van Christus te vertegenwoordigen. Eigenlijk zouden alle aan een theologische opleiding gegeven vakken van de noodzaak van dit besef doortrokken moeten zijn.”

(5) ‘De gemeente helpen een geloofwaardige kerk te zijn’. Het Evangelie is waar en geloofwaardig (‘alle aanneming waard’!) en wij belijden één algemene christelijke kerk’ te gelóven. En daarmee is niet gezegd dat het ons (eerst en steeds weer) lukken moet die kerk geloofwaardig te maken. God zij dank is dat niet afhankelijk van wat een predikant met hulp van zijn kerkenraad en gemeente er (nog) van weet te maken!

Opgemerkt (tot slot): Alsof we als leden van Christus’ gemeente niet zelf dagelijks de nodige liefde en wijsheid zullen ontvangen om onze gaven/talenten in te zetten om daarmee de goede werken te doen die God voor ons heeft ‘klaargelegd’ (Efeziërs 2 vers 10). Maar dat vraagt wel geloof van de leden van de kerkenraad én van de leden van de gemeente! Laat het zondagse onderwijs ons daar maar bij bepalen! Dan gaan we begrijpen waarom Christus zegt: ‘Zonder Mij (!) kunnen jullie niets doen.’ (Zie Johannes 15) en dan zullen we toch door-de-weeks elke dag niet(s) zonder Hem (!) beginnen?!

Leestips: 1 Timoteüs 3 : 10 t/m 4 : 5 en Titus 3 : 1-8.

Bron citaten: RD Kerk & religie – ‘Promovendus ds. Rein den Hertog: Ik ben steeds minder aan gebakspastoraat gaan doen’ – door Addy de Jong

‘Wij danken God dan ook onophoudelijk dat jullie Zijn Woord, dat jullie ons hebben horen verkondigen, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar wat het werkelijk is: als het Woord van God dat ook werkzaam is in jullie, die geloven.’ (Uit 1 Tessalonicensen 2 vers 13)

Bron afbeelding: One Walk | with Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Hoe spreekt Hij nú met ons?

‘En het Woord werd vlees en woonde onder ons.’
(Uit Johannes 1 vers 14)

Geciteerd: Maar hoe spreekt Hij nu met ons? Ook op deze dag is de Doop en de prediking van Gods Woord niet mijn Doop en niet mijn Woord. Het is Góds Woord, en wanneer wij het zien en horen (‘ontvangen’), moeten we er aan denken dat God Zelf met ons handelt en spreekt. Je zou echter kunnen zeggen: Daar staat een arme – of ‘geestelijk rijke’ (1) – dienaar en hij deelt het Avondmaal uit. Ja, als je het zó bekijkt, dan ben je geen christen. Want daar spreekt God, Hij spreekt en werkt en is daar Zelf tegenwoordig. Daarom heeft de betreffende prediker niet in eigen persoon (en op basis van eigen ‘kwaliteiten’) gepredikt, maar hij spreekt en predikt in de naam van God. Je moet dan altijd weer zeggen (2): Ik heb God Zelf zien dopen en het Avondmaal zien uitdelen, en het Woord horen prediken.
Maar hoe kunnen we de mensen inprenten dat ze God Zelf zien en horen prediken? Wij geloven dat God Zich over ons ontfermt en door mensen tot ons spreekt. Wat hindert het dat Hij niet in Zijn majesteit tot ons spreekt (3) of Zich in heerlijkheid aan ons openbaart? Ja, als ik Hem nu toch eens op een bijzondere manier in Zijn majesteit en heerlijkheid zou kunnen zien en horen!
Het is je (blijkbaar) onmogelijk om je ogen naar de hemel op te heffen. Daarom schijnt de Doop je ook gering te zijn, want het was/is maar een mens die hem bedient. Wij moeten echter leren en weten dat God niet met ons spreken wil op bijzondere manieren en/of in Zijn majesteit; ook wil Hij onze devotie (op zondagen of bij bijzondere gelegenheden en feestdagen) niet hebben, maar Hij zegt: Hoor Mij, Ik heb Mij vernederd en wil met jullie door Mijn Woord en Sacrament spreken (4).
[ Maarten Luther: Auslegung des dritten und vierten Kapitels Johannis (1538-1540), WA 47, 202 ff]

(1) ‘Zalig de armen van geest, want…’ (Matteüs 5 vers 3). Helaas zijn er gemeenten/kerken waar men in iemands Doop (als zuigeling/kind) onvoldoende grond vindt om zichzelf of iemand anders als (werkelijk) lidmaat van het lichaam van onze Heer te zien en hem of haar dan ook ‘in volle rechten’ als zuster of broeder in de Heer te aanvaarden (wat deelname aan het Avondmaal impliceert!). In zulke kerken worden dominees ‘heilsbemiddelaars’, die de mensen moeten helpen – door hún prediking en pastoraat’ – te ontdekken in hoeverre zij zich het heil (al) mogen ‘toe-eigenen’ en op basis van welke bij zichzelf waargenomen ‘kenmerken’ dat dient te gebeuren. Zulke gemeenten worden/zijn (onvermijdelijk!) ‘domineesgemeenten’ en omdat de meerderheid zich niet gedragen kan/mag als dankbare kinderen van God, is er een wettisch ‘sociaal-klimaat’ gecreëerd om de mensen (jong en oud) dan maar (voorlopig) op die manier te helpen om zich ‘te gedragen’ (in feite: te doen alsof!) …
(2) Een predikant/voorganger zal dat niet in de weg staan door daar een soort van ‘eigenmachtig optreden’ te vertonen.
(3) Zie hierbij 1 Korintiërs 2 : 1-5, 4 : 9-13, 11 ; 10-13, 13 : 3-4, Galaten 4 : 12-18 en 1 Tessalonicenzen 2 : 13.
(4) Zie Marcus 1 : 12, 9 : 7 en 2 Petrus 1 : 16-21.

Zie ook blogserie: ‘‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I), (II), (III), (IV) en (Slot)

Zie ook de blogserie: ‘Kom ga met ons en doe als wij’… (I) en (II) en (Extra)

Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden…’ – Meditatie van 19 december – Den Hertog uitgeverij (2022)

‘Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is, dié roem zal ik mij nergens in Achaje laten ontnemen. En waarom niet? Omdat ik jullie niet lief zou hebben? God weet dat ik dat wel doe. Ik zal mijn werk op dezelfde manier blijven doen om die apostelen de kans te ontnemen met hun gewichtigdoenerij dezelfde roem* te oogsten als wij.‘ (Uit 2 Korintiërs 11 de verzen 10-12)
* Zie 2 Korintiërs 1 : 12-13 en 10 : 12-18.

Bron afbeelding: BibleWordings-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie