‘Kom ga met ons en doe als wij’… (II)

‘Of weten jullie niet dat jullie een tempel van God zijn en dat de Geest van God in jullie midden woont? Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem (of haar) vernietigen, want Gods tempel is heilig – en die tempel zijn jullie zelf.’ (Uit 1 Korintiërs 3 vers 16)

Geciteerd 1: Het woord van de apostolische prediking is het Woord, dat de zonden van de gehele wereld lichamelijk heeft gedragen; het is de in de Heilige Geest tegenwoordige Christus. Christus in Zijn gemeente, dat is het ‘onderwijs’ van de apostelen, de apostolische prediking. Deze leer maakt zichzelf nooit overbodig, maar schept Zich de gemeente, die zich gedurig aan haar houdt, omdat ze door het Woord is aangenomen en daar altijd weer van vergewist wordt.

Bij de zichtbaarheid van het lichaam van Christus in de prediking komt nog de zichtbaarheid in Doop en Avondmaal. Beide komen voort uit het waarachtig menszijn van onze Heer Jezus Christus. In beide ontmoet Hij ons lichamelijk en maakt ons de gemeenschap van Zijn lichaam deelachtig. Bij beide handelingen hoort de verkondiging. In de Doop zowel als bij het Avondmaal is het de verkondiging van de dood van Christus voor ons (Romeinen 6 ver 3 vv; 1 Korintiërs 11 vers 26). Bij beide is de gave het lichaam van Christus. In de Doop worden wij tot leden van Zijn lichaam gemaakt; In het Avondmaal krijgen wij deel aan de lichamelijke gemeenschap met het lichaam van de Heer en juist daarin met de leden van dit lichaam. Zo worden wij door de gave van Zijn lichaam één lichaam met Hem.

Noch de gave van de Doop, noch die van het Avondmaal is in zijn geheel verstaan, wanneer wij die als zondevergeving aangeven. De gave van het lichaam, die in de sacramenten geschonken wordt, schenkt ons de lichamelijke Heer in Zijn gemeente. Zondevergeving is echter mee besloten in de gave van het lichaam van Christus als gemeente. Van hieruit is het begrijpelijk, dat oorspronkelijk de uitdeling van de Doop en het Avondmaal – volkomen in tegenstelling tot ons hedendaagse gebruik – niet aan het ambt van de apostolische verkondiging gebonden is, maar door de gemeente zelf voltrokken wordt (1 Korintiërs 1 vers 14 vv). Doop en Avondmaal behoren alleen aan de gemeente van het lichaam van Christus. Het Woord richt zich tot gelovigen en ongelovigen. De sacramenten behoren alleen aan de gemeente. Zo is de christelijke gemeente in eigenlijke zin Doop- en Avondmaalsgemeente en pas van hieruit predikgemeente.
Het is duidelijk geworden, dat de gemeente van Jezus Christus in deze wereld een ruimte voor de verkondiging verlangt. Het lichaam van Christus is zichtbaar in de om Woord en Sacrament verzamelde gemeente.

Geciteerd 2: De doop in het lichaam van Christus is het, die elke christen het volle leven in Christus, in de gemeente waarborgt. Het is een verkeerde, geheel on-nieuwtestamentische verschraling, wanneer de gave van de Doop beperkt wordt tot het deelnemen aan de prediking en het Avondmaal (en soms zelfs dat laatste ook niet); dat wil dus zeggen aan het deel hebben van de heilsgoederen, misschien ook nog aan de ambten en diensten van de gemeente. Veeleer is met de Doop de ruimte van het gemeenschappelijk leven van de leden van het lichaam van Christus in alle levensverhoudingen voor iedere gedoopte zonder voorbehoud opengesteld.

Wie een gedoopte broeder (of zuster) de deelneming aan de godsdienstoefening toestaat, hem of haar echter in het dagelijks leven de gemeenschap ontzegt, hem (of haar) misbruikt of veracht, die maakt zich aan het lichaam van Christus Zelf schuldig (1 Korintiërs 3 vers 16). Wie gedoopte broeders de heilsgaven toekent, hun echter de gaven van het aardse leven weigert of willens en wetens in aardse nood en moeilijkheden laat, maakt de heilsgave tot een bespotting en wordt tot leugenaar. Wie daar, waar de heilige Geest gesproken heeft, nog gehoor schenkt aan de stem van zijn/haar bloed, van zijn/haar natuur, van zijn/haar sympathieën en antipathieën, bezondigt zich aan dit sacrament. De Doop in het lichaam van Christus verandert niet alleen de persoonlijke heilsstatus van de gedoopte, maar ook al zijn/haar levensverhoudingen.

Geciteerd slot: Wie door de doop tot het lichaam van Christus behoort (is ‘ingelijfd’), is uit de wereld bevrijd en eruit geroepen, die moet voor de wereld zichtbaar worden, niet alleen door de gemeenschap van de godsdienstoefening en de gemeente orde, maar ook door de nieuwe gemeenschap van het broederlijke (en zusterlijke) samenleven. Waar de wereld de christelijke broeder/zuster veracht, zal de christen hem/haar liefhebben en dienen; waar de wereld hem/haar geweld aandoet, zal hij/zij helpen en verzachten; waar de wereld hem/haar onteert en beledigt, zal een lidmaat van Christus’ gemeente zijn/haar eer geven voor de broeder of zuster. Waar de wereld winst zoekt, zal hij/zij daar afstand van doen; waar de wereld uitbuit, zal hij/zij zich geheel geven, waar de wereld onderdrukt, zal hij/zij zich neerbuigen en oprichten. Ontzegt de wereld gerechtigheid, zo zal hij/zij barmhartigheid oefenen; hult de wereld zich in leugens, zo zal hij/zij de mond opendoen voor de stommen en getuigenis afleggen voor de waarheid.
Terwille van de broeder of zuster, of hij/zij nu Jood is of Griek, slaaf of vrije, sterk of zwak, edel of onedel, zal een lidmaat van Christus’ gemeente zich onthouden van alle gemeenschap met de wereld; want hij/zij dient de gemeenschap van het lichaam van Jezus Christus. Zo kan een lidmaat van Christus’ gemeente in deze gemeenschap ook niet verborgen blijven voor de wereld. De dopeling is eruit geroepen en volgt na.

Zie ook: ‘Kom ga met ons en doe als wij’… (I)

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘De zichtbare gemeente’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

‘Wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. Wanneer wij met Christus gestorven zijn, geloven we dat we ook met Hem zullen leven, omdat we weten dat Hij, Die uit de dood is opgewekt, niet meer sterft. De dood heeft geen macht meer over Hem. Hij is gestorven om een einde te maken aan de zonde, voor eens en altijd; en nu Hij leeft, leeft Hij voor God. Zo moeten jullie jezelf ook zien: dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God.‘ (Uit Romeinen 6 de verzen 7-11)

Bron afbeelding: Heartlight-org

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Kom ga met ons en doe als wij…’ (Extra III)

‘Hij Die van boven komt staat boven allen, wie uit de aarde voortkomt is aards en spreekt de taal van de aarde. Hij die uit de hemel komt en boven allen staat, getuigt van wat Hij gezien en gehoord heet, en toch wordt Zijn getuigenis door niemand aanvaard. Wie Zijn getuigenis wel aanvaardt, bevestigd daarmee dat God betrouwbaar is.‘ (Het getuigenis van Johannes de Doper in Johannes 3 van de verzen 22-36 de verzen 31-33)

Wordt er bij Mozaïek op zand gebouwd?

Geciteerd: In de kerkdienst hoort de verkondiging van Gods Woord centraal te staan. Dat is een hoogst ernstige zaak die het eeuwig heil óf het eeuwig verderf van de hoorder raakt. Dat biedt geen ruimte voor een afgezwakte boodschap over de zonde –bijvoorbeeld over echtscheiding of (homo)seksuele relaties– of de gedachte dat die zondige aard zich gemakkelijk laat overwinnen. In de preek moet doorklinken dat God Zich vertoornt over die zonde en die rechtvaardig zal straffen, tenzij de schuld daarvoor betaald wordt. En ja, er is royale genade en vrijspraak door het offer van Christus voor allen die in Hem geloven, maar ook dan houdt God Zijn kinderen aan de grond als bedelaars die steeds verzoening nodig hebben en als pelgrims die zich op vijandelijk grondgebied bevinden. In de diensten van Mozaiek staat vooral aanbidding centraal, maar als daarbij deze grondtonen van het christelijk leven ontbreken, is het als een huis dat op een zandgrond gebouwd is.

Opgemerkt 1: Het lijkt me, in geval van het gesprek met voorganger Ten Brinke van Mozaïek, toch beter om de woorden van Paulus uit 1 Korintiërs 3 te gebruiken, waar de apostel ons laat weten dat het voor de opbouw en groei van een gemeente van het hoogste belang is met welke materialen er gebouwd wordt op het fundament dat de apostelen gelegd hebben. Daarom zullen de leden van een gemeente zich niet beroepen en zich laten voorstaan op de kwaliteiten van een voorganger, hoezeer ook naar wereldse maatstaven (‘wereld wijsheid’ – zie vers 19!) zo’n voorganger uitermate bekwaam schijnt (bijv. door welbespraaktheid) voor het leiden van een gemeente.

De leden van een christelijke gemeente zullen altijd weer hebben te bepalen ‘toetsen’) of zo’n voorganger werkelijk de ‘kostbare materialen’ (goud, zilver en allerlei edelgesteente) gebruikt (en dat niet alleen in de verkondiging, maar in heel de liturgie), die God in en door Zijn Woord ons beschikbaar heeft gesteld, of dat daarvan gezegd kan (en dus moet!) worden dat de betreffende voorganger (en het kan daarom ook ‘gemeenten/kerk(en)breed’ gelden!) bouwt met hout en hooi en stro en dat zijn/het bouwwerk, als de vuurproef komt, de vuurproef niet zal kunnen doorstaan, alhoewel dat nog niet betekent dat de voorganger en zijn hoorders daardoor verloren gaan.

Opgemerkt 2: Ouders die ervoor kiezen om met hun kinderen voorlopig naar een voor hun kinderen aantrekkelijker gemeente te gaan, die verstaan hun christelijke roeping en verantwoordelijkheid niet (meer)! Ook zij hebben zich af te vragen, of er in een gemeente/kerk werkelijk de ‘kostbare materialen’ worden gebruikt of niet. Daarbij kunnen we er niet onderuit dat ook in ‘reformatorische/gereformeerde’ gemeenten/kerken bepaalde voorgangers en hun theologie zozeer verkondiging en liturgie bepalen en overheersen, dat ook daarvan gezegd moet worden dat er niet gebouwd wordt met de ‘kostbare materialen’, maar met hout, hooi en stro. De vraag is dan ook dan: hoe gaan we daar mee om (welke verantwoordelijkheid hebben we in eigen gezin en gemeente) en valt de door ons gekozen weg werkelijk te verantwoorden vanuit Gods Woord.

Opgemerkt 3: ‘De dag van het oordeel’ waarop door het vuur zal blijken wat het werk van voorgangers (en hun hoorders!) waard is, die zullen we niet alleen op de dag van het ‘laatste oordeel’ betrekken. We kunnen die zeker ook betrekken op moeilijke tijden voor de gemeenten/kerken en daarom ook op de tijd waarin we nu leven in de westerse wereld. De leegloop (én ‘overloop’) van de kerken en de moeiten die onze generaties ‘vandaag’ treffen (jong én oud), die kunnen we zeker ook een vuurproef noemen. En het ziet er niet naar uit dat dit oordeelsvuur al aan het verminderen is. Dat moet ons des te meer bepalen bij de vraag: Bouwen wij in onze gezinnen en gemeente(n)/kerken met de ‘kostbare materialen’ van Gods Woord zelf, of genieten we liever van wat we met hout, hooi en stro er zelf van weten te maken of laten maken? En dat laatste kan beslist allemaal heel vroom en indrukwekkend schijnen! In de laatste hoofdstukken (H10-13) van de tweede brief aan de Korintiërs worden we ook daar nog weer uitdrukkelijk bij bepaald en dat moest Paulus deze gemeente nog weer schrijven, ondanks dat hij toch eerder al zijn ‘hoorders’ uitdrukkelijk had voorgehouden in zijn eerste brief: Laat niemand zichzelf bedriegen. Wanneer iemand van jullie denkt dat hij in deze wereld wijs is, moet hij eerst dwaas worden…’ (zie 1 Korintiërs 3 : 18-23).

Zie ook deze blogs: ‘Kom ga met ons en doe als wij… (Extra I)’ en (Extra II)

Bron citaten: RD Commentaar – ‘Over welke drempel stap je als je bij Mozaiek binnengaat?’ – door hoofdredactie RD

‘Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is.’ (Uit 1 Korintiërs 3 de verzen 12-13)

Bron afbeelding: The Bible Way

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Kom ga met ons en doe als wij…’ (Extra II)

‘Met het oog op degenen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde Hij de volgende gelijkenis.’ (Uit Lukas 18 vers 9)

‘Gemeente soms aanspreken op haar beste deel’…

Geciteerd 1a (Voorganger Ten Brinke): Ook in jouw kerk groeten veel predikanten de gemeente toch met: Geliefde broeders en zusters? Ook Paulus spreekt de gemeenten aan wie hij brieven schrijft zo aan.”
Geciteerd 1b (Ds. Van den Berg): „Zeker. Ook wij spreken de gemeente soms aan op haar beste deel, wat niet betekent dat we de hele gemeente als ware gelovigen zien.
Opgemerkt: Hoe kan (en durft) deze dominee dit in/over een gedoopte gemeente zeggen: ‘haar beste deel’. Ongelooflijk!!! Dat ‘beste deel’ dat meenden de Schriftgeleerde en Farizeeën* in de synagogen van hun tijd ook aan te kunnen wijzen…
* Zie Matteus 21 vers 31.

Geciteerd 2a (Van den Berg): Jullie hebben het vaak over een ontmoeting hebben met God. Dat is mooi, want in zekere zin gaat het daar in het geloof ook over. Maar wat houdt zo’n ontmoeting nu in? Hóé raak je verbonden met Christus? Daarin moet je mensen de weg wijzen en ook hun schuld benoemen. In het verlangen dat zij leren steunen op het objectieve heil, dat vast ligt in Christus. Als je die dingen niet doet, laat je in mijn beleving –sorry voor de scherpe verwoording– mensen uiteindelijk toch in de kou staan.”
Opgemerkt 2a: ‘Hoe raak je verbonden met Christus’? En dat je afvragen in een gedoopte gemeente waar onze Heer aan alle gedoopte gelovigen – jong en oud – Zich verbonden heeft.

Geciteerd 2b (ten Brinke): „Als het zo zou zijn zoals jij zegt, nou, dan vind ik dat wel ernstig! Kijk, ik geloof niet dat we bij Mozaiek mensen in de kou laten staan. We willen ze brengen bij de Bron, bij Christus. Zoals de Samaritaanse vrouw*, in Johannes 4, bij de bron en bij Jezus kwam. Dat is altijd de beste plek om te zijn.
Opgemerkt 2b: Niet de Samaritaanse vrouw kwam bij Jezus, maar Jezus kwam bij de Samaritaanse vrouw. De Vader bracht onze Heer bij deze vrouw, dat valt onmiskenbaar te lezen in de verzen 34-38 van Johannes 4. En God voegt nog altijd weer mensen toe en dat gebeurd in bestaande gemeente ‘heel gewoon’ al door onze kinderen te (laten) dopen. En wij matigen ons geen oordeel of zij (al) tot het ‘beste deel’ van de gemeente horen of niet. Bij het (geestelijk) opgroeien en volwassen worden, wijzen wij elkaar als broeders en zusters waar nodig wel terecht (zie o.a. Romeinen 15 vers 14)

Geciteerd 3a (Van den Berg): „Ik denk dat wij hetzelfde verlangen hebben, namelijk om het Evangelie dicht bij de mensen te brengen. Dat verbindt ons. Het verlangen om mensen echt te bereiken. Dat proef ik bij jullie en dat lees ik op jullie website. Iedereen is welkom bij jullie. Je mag komen zoals je bent.

Geciteerd 3b (Dietrich Bonhoeffer): Gods Woord zoekt een gemeente om die aan te nemen. Dat Woord is het essentiële in de gemeente. Dat Woord komt op eigen kracht (dat is: door de kracht van de heilige Geest) de gemeente binnen (niet alleen de oren maar ook de harten, waar het wil groeien en vruchtdragen). Het heeft een eigen beweging naar de gemeente toe. Het is niet zo dat er aan de ene kant een woord, een waarheid is, en aan de andere kant een gemeente, en dat een prediker nu dit woord moet nemen, hanteren en richten op de gemeente, het op de gemeente toepassen. Veeleer gaat het Woord deze weg geheel op eigen kracht; de prediker kan en moet niets doen dan deze eigen beweging van het Woord dienen, er niets aan in de weg stellen. Het Woord gaat uit om mensen aan te nemen; dat wisten de apostelen en dat maakt hun prediking uit.
> Zie de hierboven geciteerde woorden van Dietrich Bonhoeffer binnen een geheel van citaten in deze blog.

Geciteerd 4 (Rianne Vd Spek-de Pater): Pietje mist het één bij Jantje, en Jantje mist het ander bij Pietje…..bij de één is het teveel ellende, en bij de ander te veel dankbaarheid…. Kijk niet naar wat je van elkaar scheidt, maar naar wat je aan elkaar bindt! Was niet elkaars oren, maar wel elkaars voeten!
Opgemerkt 4: Er is toch ook het elkaar in liefde terechtwijzen?! Lees de brieven aan de gemeente in Korinte en Galatië en de Hebreeën er maar op na. En Paulus rekende erop dat men dat ook zelf zou gaan doen, dat men zo thuis raakte in Gods Woord, dat men dat binnen een gemeente en zo nodig ook in breder verband zou doen (Romeinen 15 vers 14). Onze Heer Zelf heeft in de brieven aan de zeven gemeenten in Klein Azië laten horen hoe nodig het kan zijn om terecht gewezen te worden. ‘Op sterven na dood’ hoort de gemeente van Sardes, die blijkbaar overal een goede naam had. En Hij gaat er desondanks vanuit dat ze daar nog ‘oren hebben om te horen’.

Zie ook de blogs ‘Kom ga met ons en doe als wij… (Extra I)’ en (Extra III)

‘Ik weet wat jullie doen. ik heb ervoor gezorgd dat de deur voor jullie openstaat, zonder dat iemand hem kan sluiten. Want ook al hebben jullie weinig invloed, jullie zijn trouw gebleven aan wat Ik heb gezegd en hebben Mijn Naam niet verloochend.’ (Uit Openbaring 3 vers 8)

Bron afbeelding: Only Savior Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Kom ga met ons en doe als wij’… (Extra)

‘Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des HEREN te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel. Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots.’ (Uit Psalm 27 de verzen 4-5)

Geciteerd 1 (ds. J.L. de Jong): „Als Mozaiek mensen bij reformatorische kerken wegtrekt, staat er mijns inziens theologisch best iets op het spel. Wat ik vooral mis, is de theologische bedding van verbond, verkiezing en heilshistorisch handelen van God. Daardoor wordt de kerk gemakkelijk tot een organisatie waarin meer de menselijke beslissing centraal komt te staan. Dit raakt de geloofsbeleving én de organisatie van de kerk. De liturgie lijkt vaak een feestje van óns te zijn, terwijl het in de eredienst toch zou moeten gaan om een beweging gericht op de eer van God.”

Opgemerkt 1: Hier wordt (m.i.) duidelijk (met zoveel woorden gezegd) dat zowel bij Mozaïek als ook in de reformatorische kerken de geloofsbeleving centraal staat en hoe dan door invulling van de zondagse ‘eredienst’ dáár aan zal worden bijgedragen, zodat die ‘erediensten’ de mensen het gevoel (de beleving) zullen geven – op basis van het door/bij ons ontwikkeld ‘theologisch inzicht/gevoel’ – dat God in de zondagse ‘erediensten’ bij en door hen toch echt alle eer ontvangt (‘aan Zijn trekken komt’) – of dat nu reformatorisch of Mozaïeks ingevuld wordt.

Opgemerkt 2: Wij zullen de samenkomsten (samenroeping!) van de gemeente van onze Heer echter hebben te (leren) zien (belijden) als puur een beweging van onze Drie-enige God naar ons toe. Dat zal ons zeer bescheiden maken t.a.v. hoe wij in die samenkomsten de liturgie vorm zullen geven. De liturgie zal sober zijn. In feite zou je de liturgie waar dan ook ter wereld, in rijke of in arme, in vrije of in vervolgde gemeenten, moeten kunnen gebruiken/herkennen. De muzikale begeleiding van het zingen kan per plaats (in een dorp of stad of elders op de wereld) wel verschillen, maar ze mag niet iedere zondag grote investeringen (in tijd en geld en inzet van mensen) vergen en tot (een soort van) unieke gebeurtenissen gemaakt worden! (1)
Omdat het (dus – vanwege ‘samenroeping’) niet een betreffende gemeente is die een ‘vergadering/samenkomst’ belegd, zullen wij, aan het begin van een zondagse samenkomst, als eerste de gemeente groeten in de Naam van onze Heer! En wat na die groet past, dat is een dank- en een lofzegging. Waarom dat past, dat lezen we in de aanhef van Paulus eerste brief aan de Korintiërs – 1 Korintiërs 1 de verzen 4-9, dat afsluit met de woorden: ‘God, door wie jullie geroepen zijn om één te zijn met Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer, is trouw‘.

Opgemerkt 3: Omdat we diep (hebben te) beseffen dat het Evangelie niet bij ons begonnen is, zullen we in alles streven naar aansluiting bij wat in alle gemeenten van onze Heer nodig en mogelijk was en is. We zullen ons niet uniek (willen) maken (2), maar streven naar eenvoud en eenheid, opdat de Heilige Geest (!) door Woord en gebed en door wat we zingen en gelovig belijden zal bewerken dat de hoorders in geloof zullen aannemen dat Jezus Christus Zelf midden onder hen gekomen is in de kracht van Zijn lichaam (de gemeente/kerk); dat Hij komt om hen (ons!) te zeggen, dat Hij hen (en ieder afzonderlijk – ‘ook mij’!) aangenomen heeft, en nu wederom aannemen wil. Deze eenvoud en herkenbaarheid zal zeker ook de eenheid van christenen/kerken landelijk en wereldwijd tot zegen zijn!

Opgemerkt 4 (naar woorden van Dietrich Bonhoeffer): In een samenkomst van een gemeente van onze Heer zal het woord van de apostolische prediking centraal staan. Dat is het Woord dat de zonden van de gehele wereld lichamelijk gedragen heeft; het is de in de Heilige Geest in het midden van Zijn gemeente aanwezige Christus. Christus in Zijn gemeente, dat is het ‘onderwijs’ van de apostelen, de apostolische prediking. Deze leer (dit ‘onderwijs’) maakt zichzelf nooit overbodig, maar schept zich de gemeente, die zich gedurig aan haar houdt, omdat ze door het Woord is aangenomen en daar in elke samenkomst, maar ook dagelijks, van vergewist wordt. Bij de zichtbaarheid van Christus in de prediking komt nog de zichtbaarheid in Doop en Avondmaal.

(1) Dat zal men dus (beslist) niet in de zondagse samenkomsten van een gemeente doen! Daarbuiten is wat anders!
(2) Zelfs met onze (vaderlandse) belijdenisgeschriften zullen we bescheiden omgaan.

Aanvullend nog:
Geciteerd 2 (Bas Gimenez): “de theologische bedding van verbond, verkiezing en heilshistorisch handelen van God”. De verbonden zijn met de joden, evenals de eredienst de wetgeving en de profeten, wonderen en tekenen, die zouden verstommen. We leven onder een geheel andere bedeling, de genade bedeling welke Paulus pas bekend maakte, en welke pas kon gaan gelden sinds de Erflater was heengegaan. Eerder is een testament niet geldig, ten slotte. God Zelf zei over Zijn Zoon ,Hem is alle macht gegeven in de hemel en op aarde.. luister naar Hem. Als het oude niet onberispelijk was geweest, zou er geen plaats zijn geweest voor het nieuwe. Steeds meer mensen onderzoeken gelukkig.

Opgemerkt: Dat onderzoeken heb ik dankzij Gods genade mijn leven lang mogen doen. Petrus roept ons op om naar het profetische Woord (in het OT) te luisteren en dat voor vast en zeker te houden en daar aandacht aan te geven totdat de morgenster opgaat in ons hart (zie 2 Petrus 1 : 16-21) en Paulus zegt ons dat wij (‘heidenen’) nu opgenomen zijn in het burgerschap van Israël, zoals God dat al begonnen was met en door het Verbond dat Hij met Abraham sloot – zie Efeziërs 2 : 11-22 en de brief aan de Galaten. Zie verder ook Hebreeën 5.

Zie ook: ‘Kom ga met ons en doe als wij’… (I) en (Extra I)

Bron citaat 1: RD Kerk & religie – ‘Moderne muziek en aanbidding trekken refo naar Mozaiek’ – door Addy de Jong

Bron afbeelding: Pixels

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Kom ga met ons en doe als wij’… (I)

‘Ik had besloten jullie geen andere kennis bij te brengen dan die over Jezus Christus – de Gekruisigde. Bovendien kwam ik bij jullie in al mijn zwakheid en ook was ik angstig en onzeker. Mijn verkondiging overtuigde niet door wijsheid en welsprekendheid, maar bewees zich door de kracht van de Geest, want jullie geloof moest niet rusten op mensenwijsheid en jullie eigen overwegingen daarbij, maar op de kracht van God.‘ (naar 1 Korintiërs 2 de verzen 2-5)

Geciteerd: Een waarheid, een leer, een religie heeft geen eigen plaats nodig. Zij is zonder lichaam. Ze wordt gehoord, geleerd, begrepen. Dat is alles (1). Maar de mensgeworden Zoon van God heeft niet alleen oren of ook harten nodig, maar Hij heeft lichamelijke mensen nodig, de Hem navolgen. Daarom riep Hij Zijn discipelen tot Zijn lichamelijke navolging en Zijn gemeenschap met hen was voor iedereen zichtbaar.
Terwille van de gemeenschap met Hem moesten de discipelen alles opgeven, moesten ze lijden en vervolgd worden, en toch ontvingen ze juist onder vervolgingen in Zijn gemeenschap zichtbaar terug wat ze verloren: broeders en zusters, akkers en huizen. De gemeente van de volgelingen was zichtbaar voor de wereld. Het waren lichamen die handelden, werkten en ook lijden hadden te verduren in de gemeenschap met Christus.

Ook het lichaam van de verhoogde Heer is zichtbaar in de gestalte van de gemeente. Hoe wordt dit lichaam zichtbaar? Allereerst in en door de verkondiging van het Woord. ‘Ze bleven volharden bij het onderwijs van de apostelen‘ (Handelingen 2 vers 42). Ieder woord in deze zin is van betekenis. Onderwijs heet de prediking, hier in tegenstelling tot elk soort van religieuze toespraak. Hier wordt de mededeling van gebeurde (heils)feiten bedoeld. De inhoud van de boodschap ligt objectief vast; deze heeft slechts bemiddeling door het ‘onderwijs’ nodig.

Mededeling beperkt zich volgens haar wezen tot het onbekende. Is het bekend, dan is verdere mededeling zinloos; zo ligt het vanzelf in het begrip ‘onderwijs’, dat het zich overbodig maakt. In opmerkelijke tegenspraak hiermee wordt hier gezegd, dat de eerste gemeente ‘bleef volharden‘ bij dit onderwijs: dat dit onderwijs zichzelf dus niet overbodig maakt, maar dat het juist bestendigheid verlangt.

Op de grondslag (het getuigenis) van de apostelen en van de profeten is de kerk gebouwd, waarvan Jezus Christus de hoeksteen is (Efeziërs 2 vers 20). Iedere verdere prediking moet zelf apostolische prediking zijn, doordat zij op deze grondslag verder bouwt (2). Zo is de eenheid van ons en de eerste gemeente door het woord van de apostelen tot stand gebracht.

Gods Woord zoekt een gemeente om die aan te nemen. Dat Woord is het essentiële in de gemeente. Dat Woord komt op eigen kracht (dat is: door de kracht van de heilige Geest) de gemeente binnen (niet alleen de oren maar ook de harten, waar het wil groeien en vruchtdragen). Het heeft een eigen beweging naar de gemeente toe. Het is niet zo dat er aan de ene kant een woord, een waarheid is, en aan de andere kant een gemeente, en dat een prediker nu dit woord moet nemen, hanteren en richten op de gemeente, het op de gemeente toepassen. Veeleer gaat het Woord deze weg geheel op eigen kracht; de prediker kan en moet niets doen dan deze eigen beweging van het Woord dienen, er niets aan in de weg stellen. Het Woord gaat uit om mensen aan te nemen; dat wisten de apostelen en dat maakt hun prediking uit. (3)

Het woord van de apostolische prediking is het Woord, dat de zonden van de gehele wereld lichamelijk heeft gedragen; het is de in de Heilige Geest tegenwoordige Christus. Christus in Zijn gemeente (4), dat is het ‘onderwijs’ van de apostelen, de apostolische prediking. Deze leer maakt zichzelf nooit overbodig, maar schept Zich de gemeente, die zich gedurig aan haar houdt, omdat ze door het Woord is aangenomen en daar altijd weer van vergewist wordt.

Bij de zichtbaarheid van het lichaam van Christus in de prediking komt nog de zichtbaarheid in Doop en Avondmaal…

(Wordt vervolgd)

NB. Het geciteerde hierboven bestaat uit een aantal (gekozen) deelcitaten!

(1) We zetten mensen op het verkeerde been, door ze de idee te geven dat ze het Evangelie (het christelijk geloof) kunnen leren kennen door een cursus te volgen, waarbij men dan ook nog gezellig maaltijd(en) houdt met elkaar: dus zonder gelovige aanvaarding van het verkondigde Woord ‘Jezus en Die gekruisigd’ (en opgestaan uit de dood), waarom men zich (dan eerst ook) laat dopen om daarna als gelovige deel te nemen aan het ‘onderwijs van de apostelen’ in de samenkomsten van de gemeente met daar ook de gezamenlijke vieringen van het Avondmaal (Zie hierbij o.a. Handelingen 16 : 13-15 en 29-34 en 40).
Vraag: Moeten we niet zeggen/stellen dat het dankgebed van Paulus in 1 Korintiërs 1 : 4-9 zich uitdrukkelijk keert tegen het gedachtegoed en het soort van bijeenkomsten als die van New Wine?
Vraag: Waarom wilde Paulus in Athene wel een gemeente met dopelingen stichten, maar niet een praatgroep voor belangstellende Atheners (die er wel waren, zie Handelingen 17 vers 32)
– Zie verder ook het geheel van het geciteerde in deze blog en (later ook) het vervolg.
(2) Zie hierbij o.a. 1 Korintiërs 3 : 10-15.
(3) Lees 1 Korintiërs 1 vanaf vers 18 t/m 2 vers 16 waar Paulus dit aan de gemeente onderwijst en zie ook zijn onderwijs in 1 Korintiërs 14 : 23-25.
(4) Naar de belofte(n) van onze Heer: zie Matteüs 18 : 20 en Lukas 11 : 13.

Zie ook: ‘Kom ga met ons en doe als wij…. (II)’ en ‘(Extra)‘

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘De zichtbare gemeente’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

‘Zo zijn jullie dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is en op Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, verrijst tot een heilige tempel in de Heere; op Wie ook jullie mede gebouwd worden tot een woonplaats van God, in de Geest.’ (Uit Efeziërs 2 de verzen 19-22)

Bron afbeelding: Immanuel Woden Valley Lutheran Church

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Die door doop en geloof ‘in Christus Jezus’ zijn…

‘Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.’ (Uit Efeziërs 2 vers 10)

Geciteerd: De gelovige wordt gerechtvaardigd, de gerechtvaardigde wordt geheiligd, de geheiligde zal in het gericht bestaan, niet omdat ons geloof, onze gerechtigheid, onze heiliging, voor zover het ons betreft, iets anders zouden zijn dan zonde, maar omdat Jezus Christus ons geworden is ‘rechtvaardigheid, en heiliging en verlossing, opdat het zij: wie roemt, die roeme in de Heer’ (1 Korintiërs 1 vers 30)

Door Gods eigen werk in Jezus Christus zijn wij zalig geworden, niet door onze eigen werken. Zo valt ons nooit roem uit eigen werken ten deel; want wij zijn Zijn werk. Maar daartoe zijn wij een nieuwe schepping in Christus Jezus, dat wij in Hem goede werken zouden voortbrengen.
Maar al onze goede werken zijn alleen Gods eigen goede werken, waarvoor Hij ons van tevoren toebereid heeft. Weliswaar zijn de goede werken dus vereist om het heil te verwerven, maar toch zijn de goede werken altijd slechts de werken die God Zelf in ons doet. Zij zijn een gave van Hem. Wijzelf zijn het, die in goede werken moeten wandelen, die te allen tijde tot goede werken geroepen zijn; en toch weten wij, dat wij met onze werken nooit voor Gods gericht zouden kunnen bestaan, maar dat het Christus alleen is en Zijn werk, waaraan wij ons in het geloof vastklampen.

Zo belooft God degenen die door het geloof in Christus Jezus zijn, goede werken, waarmee ze eens kunnen bestaan; Hij belooft hun de bewaring in de heiliging tot op de dag van Jezus. Wij kunnen deze belofte van God slechts geloven op grond van Zijn Woord, en heengaan en in goede werken wandelen, waartoe Hij ons heeft bereid.

Zo blijft ons goede werk geheel aan ons oog onttrokken (1). Onze heiliging blijft verborgen tot op de dag waarop alles openbaar wordt. Wie hier iets wil zien, wie hier aan zichzelf openbaar wil worden en niet geduldig wil wachten, die heeft reeds zijn loon. Juist bij onze vermeende vooruitgang in heiliging, waarover wij ons willen verheugen, worden wij eerst recht tot verootmoediging geroepen en zien wij onze werken als door en door zondig. Wij zijn echter geroepen tot een steeds groter vreugde in onze Heer.

God alleen kent onze goede werken, wij kennen slecht Zijn goede werk en horen Zijn gebod en gaan onder Zijn genade voort, wandelen in Zijn geboden en zondigen. Het kan nu eenmaal niet anders dan dat de nieuwe gerechtigheid, de heiliging, het licht dat moet schijnen, ons totaal verborgen blijft. De linkerhand weet niet, wat de rechter doet. Maar wij geloven (!) het en zijn daarom vol vertrouwen (!), dat ‘Hij die in u/jou een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus’ (Filippenzen 1 vers 6). (2)

Op die dag zal Christus Zelf ons de goede werken openbaren, die wij niet kenden. Zonder het te weten hebben wij Hem te eten en te drinken gegeven, Hem gekleed en bezocht; en zonder het te weten, hebben wij Hem van ons gestoten. Dan zal een grote verwondering ontstaan en wij zullen inzien dat het niet onze werken zijn die hier bestaan, maar het werk dat God op Zijn tijd zonder ons willen en onze inspanning – maar niet buiten ons gelovig vertrouwen om! (AJ) – heeft gedaan (Matteüs 25 vers 31 vv). Zo blijft ons nogmaals niets dán van onszelf weg te zien op Hem Die reeds alles voor ons heeft volbracht, en Hem na te volgen.

(1) Anders is dat t.a.v. onze kwade werken waarvan wij ons bekeren zullen! Wanneer wij leugens (over ons geloof of eigen zondige daden) handhaven, wanneer we weigeren berouw te hebben en schuld te belijden, wanneer we in onmin met onze naaste leven en hem of haar belasteren of zelfs naar het leven staan, dan wil de heilige Geest ons daar de ogen zeker voor openen en dan zullen we ervoor oppassen dat werk van de heilige Geest in ons hart en geweten niet te weerstaan. Altijd weer bidden met de woorden van Psalmdichters mee, is een krachtig van God gegeven hulpmiddel, om het werk van de Heilige Geest in ons hart en geweten altijd weer toe te laten en om met Zijn hulp de machten en weerstanden die daar aanwezig en actief zijn (mogelijk zelfs heersen) te ontdekken (Psalm 139 : 23-24) en in Zijn kracht te overwinnen. Ook helpen de Psalmen ons om aangedaan onrecht en laster, etc. te (be)noemen en om Gods gericht daarover met (kinderlijk) vertrouwen in Gods hand te leggen.
(2) Bij dat gelovig vertrouwen, dat we mogen/zullen hebben, past een verwijzing naar de woorden die Paulus schrijft, n.a.v. mensen in de gemeente van Korinthe die Paulus en zijn werk wilden kleineren (en zelfs verdacht maken): Zie zijn woorden in 2 Korintiërs 13 : 5-10.

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘De heiligen’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

‘Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.’ (Uit Romeinen 1 vers 17)

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Waar wij het christelijk leven zullen realiseren…

‘Toen wij bij jullie waren, hebben we ons dagelijks werk niet verwaarloosd en op niemands kosten* geleefd. Integendeel, we hebben ons ingezet en ingespannen, dag en nacht hebben we gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Niet dat we geen aanspraak konden maken op uw ondersteuning, maar we wilden onszelf als voorbeeld stellen, zodat u ons zou navolgen.’ (Uit 2 Tessalonicenzen 3 de verzen 7-9)
* Zie (1) onderaan.

Geciteerd 1: Hoe ga ik als christen om met een moeilijke baas of met een bedrijfscultuur die vooral draait om geld verdienen? Is het goed als ik carrière wil maken? En hoe kan ik als Jezus genereus zijn wanneer iedereen om me heen egoïstisch is? Het zijn vragen waar volgens de Amerikaanse theoloog en ethicus Matthew Kaemingk, die op uitnodiging van de Theologische Universiteit Utrecht in Nederland was, christenen wel mee rondlopen. Toch leggen de meesten geen verbinding tussen hun geloof en hun werk, zegt hij. ‘Het zijn vaak gescheiden werelden.’ Hij wil die kloof dichten en vindt dat kerken daarbij meer kunnen helpen.

Geciteerd 2: De christen blijve in de wereld. Niet vanwege het door God (nog) gegeven goede in de wereld, zelfs niet vanwege eigen verantwoordelijkheid voor de loop van deze wereld, maar terwille van het lichaam van Christus de mensgewordene, terwille van de gemeente. Christenen blijven in de wereld vanwege de frontale aanval op de wereld, zij blijven het wereldlijk werk/beroep uitoefenen, om het ‘anders-zijn dan de wereld’ des te duidelijker te laten worden. Dat gebeurt echter niet anders dan door het zichtbaar lid-zijn van de gemeente, het lichaam van Christus.

Niet anders heeft Luther in de beslissende jaren van zijn breuk met het kloosterleven over het wereldlijk werk/beroep geoordeeld. Niet dat heeft hij verworpen, dat in het kloosterleven de hoogste eisen werden gesteld, maar dit, dat de gehoorzaamheid aan het gebod van Jezus (elkaar – de naaste(n) – in liefde dienen) als prestatie van enkelen (2) werd opgevat. Niet het ‘anders-zijn dan de wereld’ van het kloosterleven heeft Luther aangevallen, maar dit, dat dit anders-zijn binnen de muren van het klooster (3) juist weer tot een nieuwe geestelijke wereldgelijkvormigheid was geworden, die de ergste verdraaiing (!,4) van het Evangelie is.

Daarom zullen de christen in hun dagelijks werk het christelijk leven realiseren. Daarom moeten zij in hun beroep (lees: dagelijks werk, thuis of elders) aan de wereld (leren!) afsterven (5). Daarin ligt voor de christen de waarde van zijn/haar werk/beroep, dat men als christen daarin door Gods goedheid kan leven en te ernstiger kan strijden tegen de wereld (6). De beweegreden van Luthers terugkeer in de wereld was niet een ‘positievere waardering’ van de wereld of zelfs het opgeven van de oerchristelijke verwachting van de nabij zijnde wederkomst van Christus. Ze had veeleer de zuiver kritische betekenis van een protest tegen de verwereldlijking (!) van het christendom in het kloosterbestaan. Doordat Luther de christenheid in de wereld terugroept, roept hij haar eerst recht op tot het anders-zijn dan de wereld. Dat heeft Luther aan den lijve ervaren. Luthers roepstem tot de wereld was altijd een oproep tot de zichtbare gemeente van de mensgeworden Heer. En niet anders was dit bij Paulus.

Daarom is het ook nu duidelijk, dat het leven in een wereldlijk beroep voor de christen zijn heel bepaalde grenzen heeft en dat dus in bepaalde gevallen op de roep naar een wereldlijk beroep de roep uit het wereldlijk beroep moet volgen. Dat is paulinisch maar ook luthers gedacht. De grenzen zijn door het behoren tot de zichtbare gemeente van Christus Zelf gegeven. Waar de door het lichaam van Christus in deze wereld opgeëiste en ingenomen ruimte voor de godsdienstoefening, de kerkelijke ambten en het burgerlijk leven met de aanspraken op de ruimte door de wereld botst, daar is de grens bereikt.

(1) Een predikant/voorganger of ‘oudste’ zal ook niet ‘op kosten’ (lees: ten koste) van vrouw en kinderen zijn kerkelijk werk doen, maar gewoon bijdragen aan het nodige ‘dagelijkse werk’ en omgaan met elkaar in huwelijk en gezin.
(2) Zelfs binnen de kerken van na de reformatie is dit toch nog weer in een bijzondere (‘geestelijke’) vorm binnengeslopen, namelijk daar waar men het Evangelie onder de gelovigen in de kerk, die samen toch het lichaam van Christus vormen, en waarom alle leden op elkaar betrokken dienen te zijn, slecht nog een heel (klein) ‘select groepje’ gelovigen als ware kinderen van God worden beschouwd (3).
(3) Maar dat kan ook op de zondagen nog weer binnen kerkmuren gebeuren (zie ook het ND-artikel).
(4) Nergens anders kan het Evangelie bedrieglijker worden verdraaid dan binnen de kerken zelf!
(5) Daar was de prediking van Gods Woord a.h.v. de Catechismus in het verleden zeker bij behulpzaam!
(6) Zie 1 Johannes 2 : 15-17.

Zie ook blogserie: ‘‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I), (II), (III), (IV) en (Slot)

Zie ook de blogserie: ‘Kom ga met ons en doe als wij’… (I) en (II) en (Extra)

Bron citaat 1: ND Nieuws – ‘Hoe ben ik christen op mijn werk? ‘Er is geen betere plek om je naaste te dienen’’ ** – door Eduard Sloot
Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘De zichtbare gemeente’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)
** Er is nog wel een beter – maar wel moeilijker – oefenplaats en dat is in eigen huwelijk en gezin. Nergens anders leeft men zo dicht op de huid van een ander als daar! Is het daar werkelijk de liefde tot de ander/anderen, of is het toch vooral – of niet meer dan – eigen belang dat daar de drijfveer van het elkaar dienen is.

‘Broeders en zusters, doe het goede, zonder op te geven, en wees op uw hoede voor wie geen gehoor geven aan wat wij in onze brief schrijven. Ga niet met hen om, dan zullen ze zich schamen. Behandel hen echter niet als vijanden, maar wijs hen als broeders en zusters terecht.‘ (Uit 2 Tessalonicenzen 3 de verzen 13-15)

Bron afbeelding: BiblePortal-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (Slot)

‘Ik heb met Mijn uitverkorene een Verbond gesloten,
aan Mijn dienaar David gezworen:
Uw dynastie zal Ik voor eeuwig vestigen,
uw troon in stand houden, geslacht na geslacht.’
(Uit Psalm 89 de verzen 4-5)

De tempel waarop Israël wacht, is het lichaam van Christus…

Geciteerd: De afsluiting van deze beschouwing moet nu daarin bestaan, dat wij het getuigenis over het lichaam van Christus in het geheel van de Schrift terugvinden. Hier wordt bewezen, dat in het lichaam van Christus de grote oudtestamentische voorspelling van de tempel van God zijn vervulling vindt.

Niet in samenhang met het hellinistisch gebruik van dit beeld, maar vanuit de oudtestamentische profetie over de tempel is het lichaam van Christus te begrijpen. David wil voor God een tempel bouwen. Hij informeert de profeet. Die brengt David Gods Woord ten aanzien van zijn plan over: ‘Zoudt gij voor Mij een huis bouwen om in te wonen? …De HEER kondigt u aan: de HEER zal u een huis bouwen‘ (2 Samuël 7 verzen 5-11). Gods tempel kan slechts door God Zelf gebouwd worden. Tegelijkertijd ontvangt David in een opmerkelijke tegenspraak met het voorafgezegde, de belofte dat één uit zijn zaad het huis zal bouwen en dat zijn rijk in eeuwigheid zal bestaan (verzen 12-13). ‘Ik zal hem tot een Vader zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn‘ (vers 14). Salomo, de ‘zoon des vredes’ van God met het huis van David, heeft deze belofte op zichzelf betrokken. Hij bouwde de tempel en werd door God daarin bevestigd.

Toch was met deze tempel deze profetie niet vervuld; want hij was door mensenhanden gebouwd en moest vergaan. Zo bleef de profetie nog onvervuld verder bestaan. Nog wacht het volk Israël op de tempel die door de zoon van David gebouwd zou worden, wiens rijk eeuwig zou bestaan. De tempel in Jeruzalem was meer dan eens afgebroken; een teken dat hij niet de beloofde tempel is. Waar was de waarachtige tempel? Christus Zelf zegt het ons, wanneer Hij de profetie over de tempel op Zijn lichaam betrekt. ‘De Joden dan zeiden: zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen?’ Maar Hij sprak van de tempel Zijns lichaams. Toen Hij dan opgewekt was uit de doden, herinnerden Zijn discipelen zich, dat Hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had‘ (Johannes 2 vers 20 vv). De tempel waarop Israël wacht, is het lichaam van Christus. De oudtestamentische tempel is slechts voorafschaduwing van Zijn lichaam (Kolossenzen 2 vers 17, Hebreeën 10 vers 1, 8 vers 5).

Jezus bedoelt (dus) Zijn menselijk lichaam. Hij weet dat ook de tempel van Zijn aardse lichaam afgebroken wordt, maar Hij zal opstaan en de nieuwe tempel, de eeuwige tempel, zal Zijn opgestane verheerlijkte lichaam zijn. Dat is het huis dat God Zelf voor Zijn Zoon bouwt en dat toch ook de Zoon voor de Vader bouwt (1). In dit huis woont God waarachtig en tegelijkertijd de nieuwe mensheid, de gemeente van Christus (1). De mensgeworden Christus Zelf is de tempel van de vervulling. Het komt overeen met wat de openbaring van Johannes van het nieuwe Jeruzalem zegt, dat daarin geen tempel is, ‘want de almachtige God is haar tempel en het Lam’ (21 vers 22).

De tempel is de plaats van de genadige tegenwoordigheid en het wonen van God onder de mensen. Hij is tegelijkertijd de plaats waar de gemeente door God wordt aangenomen (2). Beide is bewaarheid in de mensgeworden Jezus Christus alleen. Hier is de tegenwoordigheid van God waarachtig en lichamelijk. Hier is de mensheid waarachtig en lichamelijk; want Hij heeft haar in Zijn eigen lichaam aangenomen. Zo is het lichaam van Christus de plaats van aanneming (2), van de verzoening, en de vrede tussen God en mensen. God vindt in het lichaam van Christus de mens en de mens vindt zichzelf in het lichaam van Christus door God aangenomen.

Christus lichaam is de geestelijke tempel, die uit levende stenen is gebouwd (1 Petrus 2 vers 5 vv). Christus is alleen grondslag en hoeksteen van deze tempel (Efeziërs 2 vers 20; 1 Korintiërs 3 vers 11), Hij is tegelijkertijd Zelf de tempel (Efeziërs 2 vers 21), waarin de Heilige Geest woont en de harten van de gelovigen vervult en heiligt (1 Korintiërs 3 vers 16, 6 vers 19). Gods tempel is de heilige gemeente in Jezus Christus. Christus’ lichaam is de levende tempel van God en van de nieuwe mensheid.

(1) Zie hierbij Hebreeën 3 de verzen 1-6.
(2) Zie Efeziërs 1 vers 5.

Zie de voorgaande blogs: ‘‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I), (II), (III) en (IV) 

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

‘Gelukkig wie door U gekozen is en U mag naderen*,
die mag wonen in Uw voorhoven.
Wij genieten het goede van Uw huis,
het heilige van Uw tempel.’
(Uit Psalm 65 vers 5)

* Lees hierbij Hebreeën 10 : 19-25 en zie ook deze blog over Psalm 65 vers 5)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (IV)

‘Ik ben blij dat ik nu voor jullie lijd en dat ik in mijn lichaam mag aanvullen wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt, ten behoeve van Zijn lichaam, de kerk.’ (Uit Kolossenzen 1 vers 24)

Geciteerd 1: In de gemeenschap van het gekruisigde en verheerlijkte lichaam van Jezus Christus nemen we deel aan het lijden en de verheerlijking van Christus. Het kruis van Christus ligt op het lichaam van de gemeente. Wat zij onder dit kruis lijdt, is Christuslijden. Het is allereerst het ondergaan van de kruisdood in de doop, het is voortaan het ‘dagelijks sterven’ van de christenen (1 Korintiërs 15 vers 31) in de kracht van de ontvangen/ondergane doop. Het is daarenboven nog een lijden met een onuitsprekelijke belofte: weliswaar heeft alleen Christus’ eigen lijden verzoenende kracht, Hij leed ‘voor ons’ en Hij overwon ‘voor ons’, maar in de kracht van Zijn lijden geeft Hij degenen die zich niet schamen voor de gemeenschap met Zijn lichaam, de onmetelijke genade nu ook ‘voor Hem’ te mogen lijden. Geen groter heerlijkheid kon Hij de Zijnen schenken, geen onbegrijpelijker waardigheid kan er voor de christen bestaan, dan dat hij/zij ‘voor Christus’ mag lijden.

Geciteerd 2: Er kan slechts voor Christus geleden worden, om der wille van Hem die alles ten bate van ons heeft gedaan! Dat is het wonder en de genade in de gemeenschap aan het lichaam van Christus (Filippenzen 1 vers 25, 2 vers 17; Romeinen 8 vers 35 vv; 1 Korintiërs 4 vers 10; 2 Korintiërs 4 vers 10, 5 vers 20, 13 vers 9).
Hoewel Jezus Christus al het verzoenende en plaatsvervangende lijden vervuld heeft, is Zijn lijden op deze aarde nog niet teneinde. Hij heeft in Zijn genade voor deze laatste tijd tot Zijn wederkomst Zijn gemeente een rest van lijden overgelaten, die nog vervuld moet worden (Kolossenzen 1 vers 24). Dit lijden mag het lichaam van Christus, de kerk, ten goede komen. Of wij daarbij mogen denken, dat ook dit lijden van christenen een zonde wegnemende kracht heeft (vgl. 1 Petrus 4 vers 1) blijft onzeker. Maar het is duidelijk, dat degene die lijdt in de kracht van het lichaam van Christus, plaatsvervangend ‘voor’ de gemeente, voor het lichaam van Jezus lijdt; dat hij/zij mag dragen wat anderen bespaard blijft.

Geciteerd 3: Zalig die door God waardig wordt gekeurd, voor het lichaam van Christus te lijden. Zulk lijden is vreugde (Kolossenzen 1 vers 24, Filippenzen 2 vers 17, 1 Petrus 3 vers 14). In zulk lijden mag de gelovige zich roemen, dat het sterven en de littekens van Christus aan het lichaam gedragen worden (2 Korintiërs 4 vers 10, Galaten 6 vers 17). Nu mag de gelovige daartoe dienen, ‘dat Christus zal worden grootgemaakt, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood’ (Filippenzen 1 vers 20). Zulk plaatsvervangend doen en lijden van de leden aan het lichaam van Christus is zelf het leven van Christus, die in Zijn leden gestalte wil verkrijgen (Galaten 4 vers 19). In dit alles staan wij in de gemeenschap van de eerste discipelen en (vroegere en huidige) volgelingen van Jezus.

(Wordt vervolgd!)

Zie ook: ‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I), (II), (III) en  (IV).

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

‘Wij dragen te allen tijde het sterven van Jezus in het lichaam om, opdat ook het leven van Jezus zich in ons leven openbare. Want voortdurend worden wij, die leven, aan de dood overgeleverd, om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk vlees openbare. Zo werkt dan de dood in ons, doch het leven in u/jullie.’ (Uit 2 Korintiërs 4 de verzen 10-12; vgl. 1 de verzen 5-7 en 13 vers 9; Filippenzen 2 vers 17).

Bron afbeelding: SlideShare

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (III)

‘De boodschap die ik verkondigde overtuigde (jullie) niet door (mijn) wijsheid (of welbespraaktheid), maar bewees zich door kracht van de heilige Geest (in jullie harten), want jullie geloof moest niet op menselijke wijsheid (en inspanning) steunen, maar op de kracht van God.’ (…) ‘Niemand van jullie zal zich daarom laten voorstaan op een ander mens (en ook niet jezelf), want alles is (al) van jullie; of het nu Paulus, Apollos of Petrus (of Luther of Calvijn, etc.) is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – alles is van jullie (gemeente: jong en oud!). Maar (want) jullie zijn van Christus en Christus is van God.’ (Uit 1 Korintiërs 2 de verzen 2-5 en 3 de verzen 21-23)

Geciteerd 1: De verhouding van de enkeling tot de ‘nieuwe mens’ is zo, dat hij hem ‘aandoet’ (1). De ‘nieuwe mens’ is als een kleed dat de enkeling bedekken moet (2). In het evenbeeld van God, dat Christus en de kerk is, moet de enkeling zich kleden. Wie gedoopt wordt, doet Christus aan (Galaten 3 vers 27), wat ook weer verklaard moet worden als het opgenomen worden in het lichaam, in de éne mens, in wie Griek is noch Jood, vrije noch knecht, d.w.z. alleen maar in de gemeente. Niemand wordt een nieuw mens, tenzij dan in de gemeente, door het lichaam van Christus. Wie (eerst) op eigen gelegenheid een nieuw mens wil worden (3), blijft bij het oude. Een nieuw mens worden betekent tot de gemeente toetreden (beter: ingelijfd worden), lidmaat worden van het lichaam van Christus. Niet de gerechtvaardigde en geheiligde enkeling is de nieuwe mens, maar de gemeente (in haar samenhang), het lichaam van Christus, in en door Christus.

Geciteerd 2: De eenheid van Christus met Zijn kerk, Zijn lichaam, verlangt tegelijk, dat Christus als Heer van Zijn lichaam erkend wordt. Daarom wordt Christus in de verdere uitwerking van het begrip lichaam het hoofd van het lichaam genoemd (Efeziërs 1 vers 22; Kolossenzen 1 vers 18, 2 vers 19) De duidelijke tegenstelling wordt gehandhaafd: Christus is Heer. Het heilsfeit dat deze tegenstelling noodzakelijk maakt en een mystieke versmelting van gemeente en Christus nooit toelaat, is de hemelvaart van Christus en Zijn wederkomst. Dezelfde Christus Die in Zijn gemeente tegenwoordig is (door de heilige Geest), komt weer van de hemel. Hij is dezelfde Heer, hier zowel als daar, het is dezelfde kerk hier zowel als daar; het is een en hetzelfde lichaam van Hem Die hier tegenwoordig is, en van Hem Die op de wolken wederkomt. Maar het maakt een ernstig verschil, of wij hier zijn of daar. Zo gaan eenheid en onderscheidenheid noodzakelijk tezamen.

Geciteerd 3: Alleen vanuit de eenheid van de gemeente is iedere enkeling wat hij/zij is, en is de gemeenschap wat zij is, zoals de gemeente slechts door Christus en Zijn lichaam is wat zij is. Hier komt het ambt van de heilige Geest duidelijk naar voren. Hij is het, Die Christus aan ieder persoonlijk geeft (Efeziërs 3 vers 17; 1 Korintiërs 12 vers 3). Hij bouwt door – het verkondigde Evangelie! (AJ) – bijeengebrachte enkelingen Zijn kerk op, wier gebouw toch in Christus reeds voltooid is (Efeziërs 2 vers 22, 4 ver 12; Kolossenzen 2 vers 2). Hij schept de gemeenschap (2 Korintiërs 13 vers 13) van de leden van het lichaam (Romeinen 15 vers 30, 5 vers 5; Kolossenzen 1 vers 8; Efeziërs 4 vers 3). De Heer is Geest (2 Korintiërs 3 vers 7). De kerk van Christus is de in de heilige Geest tegenwoordige Christus. Zo is het leven van het lichaam van Christus ons leven geworden.

(Wordt vervolgd!)

(1) Zie Kolossenzen 3 : 1-4 en 12-17 25 en Galaten 3 : 27-29 en Titus 3 : 4-7
(2) De gemeente moet ook de kleine, zwakke gelovigen en ook de gelovige zondaren (en wie is dat niet) in hun midden niet afwijzen maar beschermen: zie Matteüs 18 : 10-14; Lukas 18 : 9-14; 1 Korintiërs 12 : 23-26 en Jakobus 5 : 19-20.
(3) Daarom is de Doop een voorafgaand iets! Juist door deze inlijving mag iemand zich opgenomen weten in het lichaam van Christus. Een mens kan het zich niet eerst waard maken! Zelfs niet door het geloof! En dáárom behoren de kinderen van de gemeente gedoopt te worden/zijn en zo zullen ze deel zijn van en functioneren en meegroeien in het lichaam dat de gemeente is.

Zie ook: ‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I), (II), (IV) en (Slot).

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

‘Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toegroeien naar Hem die het hoofd is: Christus. Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar zijn/haar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de Liefde.’ (Uit Efeziërs 4 de verzen 15-16).

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie