Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (II)

‘Zo bracht Hij vrede en verzoende Hij door het kruis beide in één lichaam met God, door in Zijn lichaam de vijandschap te doden.‘ (Uit Efeziërs 2 vers uit de verzen 15 en 16)

Geciteerd: Het lichaam van Jezus Christus is het door Hem aangenomen nieuwe menszijn zelf. Het lichaam van Christus is Zijn gemeente. Jezus Christus is tegelijkertijd Hijzelf en Zijn gemeente (1). (…) ‘In Christus zijn’ betekent daarom: deel uitmaken van Zijn gemeente. Maken wij echter deel uit van Zijn gemeente, dan zijn wij ook waarachtig en lichamelijk in Jezus Christus. Nu wordt de betekenis van het lichaam van Christus in zijn gehele volheid openbaar.

De plaats van Jezus Christus in de wereld wordt na Zijn heengaan ingenomen door Zijn lichaam, de kerk. De kerk is de aanwezigheid van Christus Zelf. Hiermee krijgen we de in vergetelheid geraakte gedachte over de kerk terug. Wij zijn gewoon over de kerk als een instituut (of een organisatie) te denken en te spreken. Men moet echter over de kerk (2) denken als over een levende persoon, zij het ook een persoon van geheel eigen geaardheid.

De kerk is één. Alle gedoopten zijn allen ‘één in Christus’ (Galaten 3 vers 28, Romeinen 12 vers 5, 1 Korintiërs 10 vers 17). De kerk is ‘mens’. Zij is de ‘nieuwe mens’. Als zodanig is de kerk geschapen door de kruisdood van Christus. Hier was een einde gemaakt aan de vijandschap tussen joden en heidenen, die de mensheid verscheurde, om in Zichzelf, vrede makende, die twee tot één nieuwe mens te scheppen’ (Efeziërs 2 vers 15). Er is maar één ‘nieuwe mens’; er bestaan er niet vele. Behalve de kerk die de nieuwe mens is, bestaat er slechts de oude verscheurde mens.

De ‘nieuwe mens’, die de kerk is, is ‘naar God geschapen in waarachtige gerechtigheid en heiligheid’ (Efeziërs 4 vers 24). Hij wordt vernieuwd tot volle kennis naar het beeld van Zijn Schepper’ (Kolossenzen 3 vers 10). Hier wordt van geen ander gesproken dan van Christus Zelf (en over wat Hij bewerkt heeft voor Zijn lichaam ‘de kerk’ – AJ) als het evenbeeld van God (zie Kolossenzen 1 : 15-20). Adam was de eerste mens in het (‘natuurlijk’) evenbeeld van God. Maar de natuurlijke mens kon geen deel krijgen aan het koninkrijk van God (zie 1 Korintiërs 15 vers 20). Adam viel en verloor daarmee (zelfs) het mens-zijn in het (‘natuurlijk’) evenbeeld van God. Nu wordt een ‘tweede Mens’ een ‘laatste Adam’ geschapen naar het evenbeeld van God; dat is Jezus Christus (1 Korintiërs 15 vers 47). Zo is de ‘nieuwe mens’ tegelijkertijd Christus en de kerk. Christus is de nieuwe mensheid in nieuwe mensen, Christus is de kerk.

(1) Zoals bruid en bruidegom door hun huwelijk tot één lichaam zijn geworden (Efeziërs 5 vers 20).
(2) Door het geloof zien wij een plaatselijke (kerkelijke) gemeente als vertegenwoordigende ‘de kerk’ daar ter plaatse. We volgen daarin onze Heer na, Die in zijn zeven brieven ook de plaatselijke gemeente(n) en hun voorganger(s) aanspreekt als ‘de kerk’ daar ter plaatse.

(Wordt vervolgd!)

Zie hierbij ook: ‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (I)‘ , (III), (IV) en (Slot)

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

‘Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie jullie ook (oud én jong!) samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God (naar Zijn belofte!) woont door de Geest.‘ (Uit Efeziërs 2 de verzen 21-22)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus…

‘Er is “één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen en door allen en in allen”.’ (Uit Efeziërs 4 de verzen 4-6).

Geciteerd: Omdat Christus niet (maar) één mens, maar de menselijke ‘gestalte’, het ‘zondige vlees’, de menselijke ‘natuur’ had aangenomen, daarom lijdt en sterft met Hem alles wat Hij droeg. Het is ons aller ziekte en ons aller zonde die Hij op het kruis draagt; wij zijn het, die met Hem gekruisigd worden en sterven. Weliswaar sterft het aardse lichaam van Christus, maar als een onvergankelijk, verheerlijkt lichaam staat Hij uit de doden op. Het is hetzelfde lichaam – het graf was immers leeg – en het is toch een nieuw lichaam. Zo draagt Hij de mensheid, waarmee Hj stierf, mee naar de opstanding. Zo draagt Hij nog in Zijn verheerlijkt lichaam het menszijn, dat Hij op aarde had aangenomen.

Hoe krijgen wij nu (vandaag) levend deel aan dit (verheerlijkte) lichaam van Christus, Die dit alles voor ons deed? Want dit is zeker, er is geen gemeenschap met Jezus Christus mogelijk, tenzij als gemeenschap met Zijn lichaam, waarin wij zijn aangenomen, waarin alleen ons heil ligt! De gemeenschap met het lichaam van Christus worden wij deelachtig door de beide sacramenten van het lichaam van Christus, door Doop en Avondmaal. De evangelist Johannes laat in een niet over het hoofd te ziene aanduiding de elementen van beide sacramenten, water en bloed, voortkomen uit het gekruisigde lichaam van Jezus Christus (Johannes 19 de verzen 34-35). Dit getuigenis wordt door Paulus bevestigd, doordat hij het lidmaat zijn van het lichaam van Christus geheel aan beide sacramenten bindt. (1) Doel zowel als oorsprong van de sacramenten is het lichaam van Christus.

Omdat het lichaam van Christus aanwezig is, daarom alleen bestaan er sacramenten. Niet het woord van de prediking bewerkt onze gemeenschap met het lichaam van Jezus Christus, het sacrament moet erbij komen. Doop is opgenomen worden in de eenheid van het lichaam van Christus, Avondmaal is het in stand houden van de gemeenschap, aan het lichaam. De Doop maakt ons deelgenoot van Christus’ lichaam. Wij zijn ‘in’ Christus gedoopt (Galaten 3 vers 27, Romeinen 6 vers 3), wij zijn ‘tot één lichaam gedoopt’ (1 Korintiërs 12 vers 13). Zo wordt ons in de dood van de Doop door de heilige Geest toegeëigend wat Christus in Zijn lichaam voor allen verwierf.

De gemeenschap met het lichaam van Jezus die wij ontvangen, zoals de discipelen en volgelingen van de eerste tijd die ontvingen, betekent dat wij nu ‘met Christus zijn, ‘in Christus zijn’ en dat ‘Christus in ons’ is. Vanuit een juist begrip van het lichaam van Christus ontvangen deze uitdrukkingen een duidelijke betekenis.

(1) Ook Efeziërs 3 vers 6 omvat de gehele heilsgave: Woord, Doop, Avondmaal.

Bovenstaande in het kort:

  • Geen gemeenschap met Christus, tenzij als in gemeenschap met Zijn lichaam.
  • Doop en Avondmaal komen voort uit het gekruisigde lichaam van Christus.
  • Doel zowel als oorsprong van de sacramenten is het lichaam van Christus.
  • Door de Doop eigent de heilige Geest ons toe wat Christus in Zijn lichaam voor ons mensen verwierf.
  • Door het Avondmaal (deelname aan het Avondmaal) wordt de gemeenschap met Zijn lichaam in stand gehouden.

Opgemerkt: Zouden wij onze kinderen deze gemeenschap met het lichaam van Christus willen ontzeggen en onthouden omdat ze nog niet tot hun verstand gekomen zijn? Maar wat zijn dan de gevolgen wanneer we hen deze gemeenschap (voorlopig maar) wel ontzeggen en onthouden?

(Wordt vervolgd!)

Zie ook (vervolg): ‘Deel krijgen aan de gemeenschap met Christus… (II)‘, (III), (IV) en (Slot)

Bron citaat: ‘Navolging’ – Uit hoofdstuk: ‘Het lichaam van Christus’ – Dietrich Bonhoeffer – Ten Have, vijfde druk (2012)

‘De heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het Evangelie.‘ (Uit Efeziërs 3 vers 6 – zie ook Galaten 3 : 27-29).

Bron afbeelding: Knowing Jesus – Bible

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Adam bezat Gods Geest (nog) niet in alle volheid…

‘Want ik zal de hemel zien, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren die U bereidde.’ (Uit Psalm 8 vers 4)

Geciteerd: Nu is de zon een prachtig helder licht. Zó helder, dat geen mens in de heldere zon kan kijken zonder verblind te worden, hoe scherp iemands ogen ook zijn. Wat zal er dan van ons worden als de zon nog zevenmaal helderder zal schijnen dan nu, zoals Jesaja in hoofdstuk 30 (vers 26) zegt? Daar zullen ook heldere en scherpe ogen bij horen, die dat zonlicht zullen kunnen uitstaan en verdragen. Wanneer Adam in zijn onschuld was gebleven waarin hij geschapen was, dan zou hij zulke heldere en scherpe ogen hebben gehad dat hij net als een adelaar recht in de zon zou kunnen kijken.
Maar door de zonde en val van de mens in het paradijs zijn we aan lichaam, ziel, ogen, oren in alles zo verzwakt, vergiftigd en verdorven, dat ook ons gezicht niet voor een honderdste deel zo scherp is, als Adams gezicht is geweest voor de val.
[ Maarten Luther: Predigten des Jahres 1537, WA 45, 229 ff]

Opgemerkt 1: Wordt Adam hier niet meer verheven, als ‘natuurlijke mens’, dan wat Gods Woord over hem leert? Was de zonde van Adam&Eva niet wantrouwen aan Gods Woord, dus ongeloof! En zij waren toch mensen in een goede conditie en in een goede schepping, die geen enkele reden hadden om God te wantrouwen en Hem iets kwaads (een onwaarheid/leugen) toe te dichten. Zij wilden echter (desondanks) toch geloof hechten aan de leugen die de satan hen voorhield. Het was niet de (geestelijke) superioriteit of de genialiteit van Adam(&Eva), die hen had kunnen of moeten bewaren voor dat ongeloof aan Gods Woord, want dan hadden Adam&Eva als God geweest moeten zijn, dat is: Hem kennen in Zijn Liefde en Wijsheid. (1) In het paradijs hadden zij (net als wij nu ook nog weer) ‘heel gewoon’ (toch?!) al hun vertrouwen zullen geven aan God, hun Schepper, en de slang (een schepsel!), die hen dat eenvoudige vertrouwen af wilde nemen, verontwaardigd* de paradijspoort zullen wijzen.

Opgemerkt 2: Wanneer Adam&Eva er al – op eigen kracht – niet in slaagden God te blijven vertrouwen op Zijn Woord in een goede schepping en in een door God voor hen aangelegde paradijstuin, hoe zal dan hun nageslacht daar wel in slagen, in een schepping die door God aan verval en zinloosheid werd overgegeven en waarin de boze tekeer gaat als een brullende leeuw?

Opgemerkt 3: Het moet ons toch duidelijk zijn dat er daarom onmogelijk nog iets goeds van de mens zelf verwacht kan worden. De mensengeschiedenis heeft dat inmiddels al op vele manieren aangetoond. En dat horen we toch ook in wat Paulus ons voorhoudt met zijn woorden in Romeinen 7 : 24-25 en in 1 Korintiërs 15 : 35-58. Wat wij mensen aan geloof (Godsvertrouwen) opbrengen en wat wij uit liefde aan (werkelijk) goede werken doen, dat is altijd weer helemaal te zien en te belijden als een geschenk van Gods kant. Dat mag de gelovige kinderen van God wel heel bescheiden en nederig maken (naar God en naar al onze medemensen, wie zij ook zijn!): Wij gelovigen leven van de geef!
Abel was zo’n nederig mens en offeraar, want hij vond genade bij God (2), maar Kaïn kon dat niet verkroppen (3), ondanks dat God hem erop wees hoe hij daar mee om moest gaan…

(1) Zoals Hij Zich aan ons in Zijn Liefde en Wijsheid geopenbaard heeft in en door Zijn Zoon onze Heer Jezus Christus en die wij mogen kennen door het getuigenis van de apostelen en de kracht van de heilige Geest. (Zie hierbij 1 Korintiërs 2 : 6-16)
(2) Wij hoeven niets in en bij onszelf te zoeken, maar we zullen wel zoeken en vinden bij Hem.
(3) Laten de gelovigen toch niet/geen verwachting hebben van ‘krachtmensen’ en of ‘grote’ mannen of vrouwen.
* Adam&Eva zouden als kinderen ‘wandelend met hun God’ onderwezen worden over hun taak in deze wereld. Ze hadden dan ook als kinderen – niet als wijze, volleerde volwassenen (!) – met verontwaardiging zullen (in feite: niet anders kunnen) reageren op de verdachtmakingen van satan. Net zoals (jonge) kinderen doen, wanneer ze iemand kwaad horen spreken over hun vader of moeder, van wie ze toch alleen maar goeds ondervonden hebben. We horen later toch ook nog niet zomaar van een Henoch die wandelde met God en die door God werd opgenomen – Zie Genesis 5 : 21-24. Dat is ook voor ons opgeschreven.

Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden…’ – Mediatie van 4 december – Den Hertog uitgeverij (2022)

‘Wie op de akker van zijn zondige natuur zaait oogst de dood, maar wie op de akker van de Geest zaait oogst het eeuwige leven. Laten we daarom het goede doen (naar en voor elkaar), zonder op te geven, want als we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen is. Laten we dus in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten.’ (Uit Galaten 6 de veren 8-10)

Bron afbeelding: Today’s Verse (Emmanuel Baptist Church)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘God als maatstaf van alle dingen’?

‘Te dien tijde hief Jezus aan en zei: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U.’ (Uit Matteüs 11 de verzen 25-26)

Geciteerd 1: In wondermooie passages vergelijkt Slzezák (1) Plato’s filosofie met de inwijdingsweg van de mysteriereligies in het oude Griekenland, iets waar indertijd dr. Aalders in zijn boek Wet Tragedie Evangelie op een prachtige manier aandacht voor vroeg: wie in Griekenland werd ingewijd in de mysteriereligies begon iets te bevroeden van het generzijds, waar de mens als hij sterft heengaat en waarop hij zich moet voorbereiden. (…) Aan het slot van zijn boek stelt Slzezák de vraag of Plato in een persoonlijk God geloofd heeft, die zich bekommert om mensen. Er is veel voor te zeggen dat dit het geval is. In ieder geval heeft Plato, aldus Slzezák (!), sterk gehoopt dat op de grens van het bestaan, die hij aftastte, een persoonlijk God te vinden is, die in de grote en de kleine dingen van het bestaan, zorgt draagt voor de mens.

Geciteerd 2: Slzezák sluit zijn van 775 pagina’s af met een citaat van Plato, dat hij duidelijk als meest centrale in het werk van de grote Atheense filosoof beschouwt, dat hij bovendien cursief en gecentreerd liet afdrukken: God is de maatstaf van alle dingen. Het citaat komt zo afgedrukt op ons af als een levensdevies en een belijdenis.

Geciteerd slot: Graag wil ik deze edele, geleerde man (Slzezák dus, maar via hem ook Plato! – AJ) eren en aandacht voor zijn oeuvre vragen, al was het maar om jonge lezers, die daartoe bekwaam zijn, aan te sporen zijn werken te lezen. Temeer omdat hij, geheel ten onrechte, in Nederland tot nu toe maar weinig bekendheid geniet.

Opgemerkt 1: Hoe groot is de tegenstelling tussen de god die de Griekse wijsgeren bevroedden en onze (werkelijke!) God, Die Zich geopenbaard heeft aan de mens, zoals en door wat wij daarvan opgetekend vinden in het Oude en Nieuwe Testament! We zullen toch ook moeten vaststellen/erkennen dat mensen als Aristoteles en Plato niet onbekend zijn geweest met de Joodse geschriften van het Oude Testament?! Maar een God Die afdaalt naar de mens en Die de mens openbaren moet wie Hij is en hoe de mens zichzelf moet zien en Die ons vertellen moet wat het onderscheid is tussen goed en kwaad, dat wilden/konden die wijsgeren blijkbaar niet aanvaarden. Dan maar liever zelf een weg ‘omhoog’ banen en zoiets is natuurlijk met name weggelegd voor zulke bevoorrechte en hoogbegaafde mensen als een Aristoteles en Plato. Dáár zullen we goed naar hebben te luisteren…

Opgemerkt 2: We dienen als christenen het denken van de Griekse wijsgeren (Aristoteles en zijn latere leerling Plato) helemaal niet zo’n hoge (belangrijke) plaats te geven als o.a. hier ook weer gebeurd. Het wekt toch altijd weer de indruk dat de mens (eerst maar) zelf zich ‘een weg omhoog’ kan of moet banen om contact te maken met de ‘goddelijke geest’. En wanneer dat lukt, eerst dan staat het hart open voor nog veel meer indrukken van ‘bovenaf’.

Opgemerkt 3: Moeten we die (grote) voorliefde/belangstelling voor het bestuderen van Plato (en het Griekse denken), zoals die ook in onze protestantse kerken te vinden is, niet mee toeschrijven aan het verlichtingsdenken (dat het menselijk verstand zo graag hoog eren wil) en vinden we dat eerst zelf contact willen (moeten?) zoeken en maken met het goddelijke en/of God Zelf niet ook terug in onze protestantse kerken, met o.a. als gevolg dat de doop van onze kinderen (zuigelingen) daar niet zo serieus genomen wordt als dat Gods Woord ons leert?!

Opgemerkt 4: Zelf zie ik die hoge mate van verering van het verstand/intellect toch ook terug in het levensverhaal en werk van zo iemand als de puritein Jonathan Edwards (1703-1758), die wel 13 uur per dag op zijn studeerkamer te vinden was. Die had toch beter maar niet zoveel tijd op z’n studeerkamer zullen doorbrengen! Dan had hij op een andere manier van (veel) meer betekenis kunnen zijn in eigen huis voor vrouw en kinderen, voor de leden van de gemeente (o.a. door meer huisbezoek), maar ook voor de slaven die in hun huishouden dienden. Dat hij zich niet keerde tegen de slavernij, en dat hij de slaven, die zij zelf in (huis)dienst hadden, niet toen al de vrijheid (die hij zelf had) gunde en gaf, zal ook te maken hebben gehad met het besef dat dit ten koste zou gaan van zijn (eigen!) vrijheid om zoveel tijd te nemen voor almaar studeren.

Als voorbeeld nog dit citaat*:

‘Edwards wist heel goed dat het grootste rendement van de prediking de indruk is die op dat moment op het verstand gemaakt wordt en niet het effect dat achteraf optreedt doordat men zich herinnert wat er is gezegd.’

Dit soort ‘rendementsdenken’ (en/of ‘effectbejag’) is echt puur menselijk/verstandelijk gedacht. Onze Heere Jezus leerde Zijn discipelen dat de Heilige Geest daar beslist niet van afhankelijk is. Zie de woorden van onze Heer tot Zijn discipelen in Johannes 16 de verzen 12-16. En de apostel Paulus laat de Filippenzen weten dat hij er geen moeite mee heeft om te (moeten) herhalen wat hij hen al eerder geschreven of gezegd had – zie Filippenzen 3 vers 1.
* Uit artikel van prof. dr. J.I. Packer over Jonathan Edwards. Dit artikel heeft me (ook weer) bevestigd in mijn opvatting over Jonathan Edwards en dat ondanks al de pogingen, die daarin worden gedaan, om Edwards juist niet af te schilderen als een ‘Verlichtings-intellectueel’.

Opgemerkt slot: Wanneer het menselijk denken en spreken over God – zoals bij Plato – moet leiden tot het stellen van ‘God als de maatstaf van alle dingen’, dan weten we toch wel, wie dan de maatstaf is/wordt van alle dingen: De mens zelf! Wij christenen hebben elke dag persoonlijk God om wijsheid te bidden en dat om daadwerkelijk te kunnen wandelen in de (goede) werken Die Hij voor ons – gelovigen! – heeft klaargelegd om die te doen (zie Efeziërs 2 vers 10). Dat kan niet zonder de liefde en de wijsheid van Christus en die ontvangen wij op het gelovige (dagelijkse) gebed door de kracht van de heilige Geest. Dat blijkt ook heel duidelijk uit de woorden in 1 Korintiërs 13: ‘Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen (om de Evangelie boodschap te verkondigen) had ik de Liefde niet (zoals we die door het geloof in Christus Jezus ontvangen moeten door de heilige Geest!), ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.’ En wat dan nog verder volgt in 1 Korintiërs 13.

(1) Prof. dr. Thomas Alexander Szlezák, geboren in Hongarije (Boedapest) in 1940 en op 18 oktober j.l. op 83-jarige leeftijd overleden in Duitsland. Vanaf zijn 19e studeerde hij aan meerdere universiteiten in Duitsland, en werkte er als hoogleraar aan de universiteiten in Tübbingen en Würzburg. Daarnaast ook werkzaam in Zwitserland, als docent aan de universiteit van Zürich.

Zie hierbij ook nog deze blog: ‘Er is maar één Evangelie…‘

Bron citaten 1 t/m slot: Ecclesia nr. 23 (november 2023) – ‘Een groot geleerde is heengegaan’ – door dr. H. Klink.

‘In al onze gebeden danken wij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, voor jullie, want wij hebben gehoord dat jullie in Christus Jezus gelooft en alle heiligen liefhebt, omdat jullie hopen op wat in de hemel voor jullie gereed ligt. Daarover hebben jullie gehoord toen aan jullie de waarheid verkondigd werd en het Evangelie jullie bereikte. Overal in de wereld draagt het (nu) vrucht en groeit het, ook bij jullie, (en dat) vanaf de dag dat jullie over Gods genade hoorden en de ware betekenis ervan begreep. Onze geliefde medewerker Epafras, die zich als getrouw dienaar van Christus voor jullie inzet, heeft jullie daarin (verder) onderwezen. En hij heeft ons verteld over de liefde die de Geest (!) in jullie opwekt.’ (Uit Kolossenzen 1 : 1-11 de verzen 3-8)

Bron afbeelding: KJV Bible Verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

We missen een geloofwaardig toekomstperspektief…

‘Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.’ (Uit Hebreeën 11 vers 6)

Geciteerd: Nederland heeft gisteren gekozen voor een terugkeer naar een gelogen verleden. Dat gelogen verleden is het verhaal van een wereldwijde politieke beweging, beter bekend als het nostalgisch nationalisme.
Vooruitgang, aldus de nostalgisch nationalisten, is terugkeren naar dat verleden: het verleden van vóór de globalisering, toen buitenlanders nog ‘ver weg’ woonden, het woningtekort nog geen ‘importproduct’ was van massa-immigratie en landsgrenzen onze problemen nog buiten de deur hielden.
Dat dit nostalgisch nationalistische verhaal zo resoneert is evenzeer de verdienste van de retorische begaafdheid van zijn bekendste verkondigers als van de chronische tekortkomingen van zijn prominentste bestrijders.
Want al jarenlang lijdt de progressieve politiek wereldwijd aan een schreeuwend tekort aan verbeeldingskracht. Overal in het Westen, Nederland niet uitgezonderd, kampt de progressieve politiek, zowel liberaal als sociaal-democratisch, met hetzelfde probleem: ze heeft geen overtuigend vergezicht dat schetst hoe de wereld fundamenteel beter kan.

‘Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen noch te slagen om te volharden.’ (1, 2)

(1) Woorden te vinden op het voetstuk van het standbeeld van Willem van Oranje in Breda. Deze uitspraak, soms lijfspreuk genoemd, is niet te vinden in de geschriften van Willem van Oranje en wordt beschouwd als apocrief.
(2) Het gaat hier om de hoop t.a.v. de zaken die men hier op aarde hoopt te kunnen verwezenlijken. Voor Willem van Oranje was dat de godsdienstvrijheid voor alle onderdanen van de Nederlandse gewesten, waarvoor hij medeverantwoordelijk was, en later ook de vereniging van ‘de Nederlanden’ zoals die uiteindelijk – na veel tegenwerking en tegenslag – tot stand kwam bij de ‘Unie van Utrecht’. Toen hij werd vermoord was het nog altijd de vraag of de Unie zou standhouden.

Zie hierbij ook:
https://nl.wikiquote.org/wiki/Willem_van_Oranje en https://nl.wikipedia.org/wiki/Republiek_der_Zeven_Verenigde_Nederlanden

‘Wat ik bedoel broeders en zusters, is dat er maar weinig tijd rest. Laat daarom ieder die een vrouw heeft zo leven dat het (of: ze 🙂 ) hem niet in beslag neemt, ieder die verdriet heeft zo dat hij er niet door wordt beheerst, ieder die vreugde voelt zo dat hij er niet in opgaat, ieder die bezit verwerft alsof het niet zijn eigendom is, ieder die in deze wereld leeft alsof ze niet meer voor hem van (het hoogste) belang is. Want de wereld die wij kennen gaat ten onder.’ (Paulus in 1 Korintiërs 7)

Leestip: Romeinen 15 : 1-13.

Bron citaat: De Correspondent – ‘De zege van de PVV laat zien: als vooruitgang geen verhaal heeft, vertelt het verleden waar we naartoe gaan’ – door Rob Wijnberg (Oprichter van De Correspondent)

‘Moge God, Die ons hoop geeft, jullie in het geloof geheel en al vervullen met vreugde en vrede, zodat jullie hoop overvloedig zal zijn (juist ook ten bate van anderen! – zie Rom. 15 : 1-3) door de kracht van de heilige Geest.‘ (Uit Romeinen 15 vers 13)

Bron afbeelding: Bible-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Er is maar één Evangelie*!

‘Paulus, een apostel van Jezus Christus door de wil van God,
en Timoteüs, de broeder (1).’ (Uit 2 Korintiërs 1 vers 1)

Geciteerd: Met deze woorden begint Paulus zijn brief aan de Korintiërs om hun geloof te versterken. Want hij maakt zich zorgen, de lieve apostel, dat men de prediking van Gods Woord voor gering zou houden. Je hoort immers niets uit de hemel met de heerlijke pracht van vele duizenden engelen (2), waarbij we op onze knieën moeten vallen en het met sidderen en beven moeten aannemen en geloven. Het komt slechts door de stem van een gering en arm mensenkind. Zoals Paulus een arm en veracht persoon was. Hij zegt zelf dat ze van hem zeiden dat hij wel geweldig kon preken (3) en schrijven, maar toch een gering en nietig persoon was zonder enig aanzien.
Daarom zegt hij: ‘Ik bid en vermaan jullie dat jullie óns niet aanzien, of het Evangelie dat wij verkondigen als óns woord aannemen, maar onze persoon vergeten en het Woord aannemen als door de Goddelijke majesteit uit de hemel gesproken.’ Want het is een grote hindernis voor het geloof (niet voor de religieuze/godsdienstige mens), wanneer jullie de uiterlijke vertoning (o.a. vanwege welsprekendheid en/of diepzinnigheid) en de persoon van een mens staan aan te gapen en deze zó hoog achten, als vlees en verstand maar kunnen.
Het gebeurt ook bij de heilige doop, waar je niets ziet dan de hand en de vingers van de mens die doopt en water over een kindje giet, en waarbij je ook niets anders hoort dan de armzalige stem van de dienaar, zodat het ons allemaal als te gering laat aanzien. Waarbij we echter niet zien en horen dat God Zelf doopt en spreekt.
[Maarten Luther, Predigten des Jahres 1532, WA 36, 264, 28 ff]

* Zie hierbij (ook) de woorden in 1 Korintiërs 15 : 1-11!

(1) Timoteüs was een medewerker van Paulus met ook een bijzondere taak t.a.v. de gemeente in Korinthe. Paulus heeft zich als apostel niet willen verheffen boven zijn medewerkers – zie 1 Korintiërs 3 : 1-9 – en hier stelt hij Timotëus aan de gemeente voor als zijn en hun broeder, aan elkaar en aan de gemeente gegeven om elkaar op te bouwen in het geloof.
(2) Al waren er wel in de gemeente van Korinthe die zich graag lieten voorstaan op ‘bijzondere openbaringen’ (zie 2 Korintiërs 12 : 6-7)
(3) Zelfs over zijn manier van preken (en welsprekendheid) werd wel laatdunkend gesproken – zie 2 Korintiërs 10 vers 1 en vers 10.

Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden…’ – Meditatie van 25 november – samengesteld en vertaald door. H.C. van Woerden, sr – Den Hertog uitgeverij (2022)

‘Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid. In afwachting van mijn komst moet je je toeleggen op het voorlezen uit de Schrift, op de prediking en het onderricht.‘ (…) ‘Richt je hierop, maak het je eigen, zodat voor iedereen duidelijk wordt dat je vorderingen maakt. Neem je in acht, houdt je aan de leer en blijf dat doen; dan red je zowel jezelf als hen die naar je luisteren.’ (Uit 1 Timoteüs 4 uit de verzen 11-16)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Feiten en fictie – Over Luthers vrees voor de duivel…

‘God is geen man, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen’ (Numeri 23:19). ‘Heilig hen in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid’ (Johannes 17:17). ‘De duivel…staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan’ (Johannes 8:44).

Geciteerd 1: De verhalen van Luther’s belevenissen met de duivel zijn zonder uitzondering afkomstig uit de (door luisteraars opgetekende en verzamelde) ‘Tischreden’, de verzameling van gesprekken die hij heeft gevoerd met wisselende groepen gasten. Daar in het voormalige augustijnerklooster van Wittenberg debatteerde men over God en de wereld, aan actuele dagelijkse gebeurtenissen werd aandacht geschonken en herinneringen werden uitgewisseld. Het is het terugzien op de ‘voorbije tijd’ van een man die op jaren is gekomen. Over het algemeen hebben ze een actuele toespitsing: om de jeugd wakker te schudden met het oog op de weerstanden die de verkondiging van het Evangelie ook in de toekomst bedreigen.
Het zelfde geldt voor zijn ervaringen met de duivel. Ze dienen niet als sprookjes die de aanwezigen doen huiveren tijdens de gesprekken aan tafel, maar als troost en bemoediging. De vragen van de gasten, waar Luther met zijn antwoorden en verhalen op ingaat, komen voort uit de traditionele angst voor de duivel die de toehoorders onafhankelijk van hun opleiding en afkomst gemeenschappelijk hebben.

Opgemerkt 1: Door de middeleeuwse voorstelling van de duivel en zijn activiteit niet zomaar als inmiddels achterhaalde voorstellingen te verwerpen, maar door deze – mee gebaseerd op eigen ervaringen – in zijn verhalen te vervlechten heeft Luther zijn hoorders geholpen om te ontdekken waar en wanneer zij voor de duivel en zijn werkzaamheid op hun hoede dienden te zijn.
Om dat te verduidelijken hieronder nog de volgende citaten.

Geciteerd 2: ‘Zo heb ik hem ook eens op een andere keer boven mijn kamer in het klooster gehoord. Maar omdat ik merkte dat hij het was, sloeg ik er verder geen acht meer op en sliep weer in.’ De in deze laatste zin geformuleerde toespitsing van de openlijke minachting van de duivel, was in die tijd ongehoord en wordt tegenwoordig niet meer gehoord. Niet als klopgeest, maar als tegenstander die Gods Woord ontkent, onthult de duivel zijn ware wezen, pas dan boezemt hij (Luther) vrees in. Hij maakt zich meester van het geweten, citeert de Schrift en is vromer dan God – dát is het satanische van hem.
NB. Luther zelf vermeldt, dat hij ook op de Wartburg door de duivel lastig gevallen is. Zijn uitspraak echter, dat hij “de duivel met inkt verjaagd heeft”, dient echter op Luthers (met inkt geschreven) Bijbelvertaling betrokken te worden en niet op het gooien van een inktpot naar de duivel.

Geciteerd 3: Luther wil – met zijn verhalen aan tafel – geen angst verbreiden, maar de weerstand van de gelovigen versterken. De duivel is evenals Christus alomtegenwoordig, hij reageert en agiteert, uitgedaagd door alles wat naar Christus en geloof zweemt. Hier voltrekt zich een radicale omkering van de middeleeuwse voorstelling van de duivel, die meent dat de boze slechts aan het licht brengt hoe zonde en wereld bij elkaar horen. Luther denkt over deze samenhang totaal anders: Niet het leven dat zich afspeelt in de wereld en met werk en zaken te maken heeft, krijgt last met de duivel, maar de tegenstander (uiteenwerper) is integendeel juist daar waar Christus aanwezig is: ‘Wanneer de duivel ons lastig valt dan staat het er goed met ons voor!’

Geciteerd 4: Het is uitgesloten toegang te krijgen tot de geloofservaring van Luther, wanneer men geen oog heeft voor de bijzondere situatie waarin de christelijke existentie verkeerd, levend tussen God en de duivel. Zonder enig begrip van de macht van de satan wordt het geloof in Christus tot een Christusidee – en het geloof van Luther tot een tijdgebonden verwarde waanvoorstelling.

Sommigen trachten de zaak goed te praten door erop te wijzen dat Luther de almacht van God nooit in twijfel heeft getrokken en dat daarom aan de werkzaamheid van de duivel nauwe grenzen gesteld zijn. Op een dergelijke voorstelling van zaken zou Luther uiterst geprikkeld gereageerd hebben: Die almachtige God is weliswaar reëel, maar voor ons verborgen. Het geloof is aangewezen op de God Die Zich geopenbaard heeft, Die in Christus mens geworden is en Zich heeft blootgesteld aan het woeden van de satan. In de heilige nacht heeft God Zich ontdaan van Zijn almacht, het teken voor de herders is het kind, ‘in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe’ (Lukas 2 vers 12). Het centrale feest voor Luther is Kerst: ‘God voor ons’. Daaraan is echter onmiddellijk verbonden: ‘de duivel tegen ons’.

Het nieuwe geloof in (beter: nieuwe Bijbelse zicht op de rol van) de duivel is zozeer onderdeel van de reformatorische ontdekking dat zonder een notie van de werkelijkheid van de anti-goddelijke machten de vleeswording van Christus, de rechtvaardiging en aanvechting van mensen enkel en alleen tot gedachten over het geloof worden in plaats van ervaringen van het geloof. Dat wordt nu juist duidelijk uit de strijd van Luther tegen de duivel.

Kijkend vanuit de verre distantie van een moderne wereld, die de duivel afgezworen en hem allang uitgedreven heeft, gaat het gevoel voor nuances verloren. Luther heeft echter zeer zeker onderscheid gezien en gemaakt tussen geloof en bijgeloof. Hij heeft de angst voor de hel van zijn tijd gekend, heeft het gevaar van de satan bevestigd gevonden in de Schrift en zelf aanvechtingen van de duivel gekend. Zoals geen theoloog voor of na hem heeft hij de rook van de heksensabbat en de toverkunsten van de duivel kunnen uitbeelden en daarom was hij in staat om duidelijk te maken hoe de grote tegenstrever te werk gaat: gewelddadig tegen God, mens en wereld. Wie de duivel bagatelliseert, vervormt het geloof: ‘Men kan de duivel niet anders verjagen dan door het geloof in Christus, want daardoor kan men tegen hem zeggen: ik ben gedoopt, ik ben een Christen.’

Geciteerd slot: ‘Christus is anders dan Mozes, paus en de gehele wereld; ja Hij is anders, Hij is meer dan ons geweten… Wanneer het geweten schuldig is bevonden, zegt Hij: Geloof!’
[WABr 6, 439, 9-21; 28 maart 1933]

Zie ook deze blog: ‘Verlost van het vervloekte zelfonderzoek…‘

Bron citaten: ‘Luther – mens tussen God en duivel’ – ‘Hoofdstuk II – Een middeleeuws gebeuren’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001)

‘Kinderen, we moeten niet liefhebben met de mond, met woorden, maar waarachtig, met daden. Dan weten we dat we voortkomen uit de waarheid en kunnen we met een gerust hart voor God staan. En zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart, Hij weet alles.’* (Uit 1 Johannes 3 de verzen 18-20)
* Zie hierbij ook Johannes 21 vers 17.

Bron afbeelding: Pinterest (Pin on Encouraging Words)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over liefde en dankbaarheid…

‘Wanneer de Geest ons leven leidt, laten we dan ook de richting volgen die de Geest ons wijst. Laten we elkaar niet uit eigenwaan de voet dwarszetten en elkaar geen kwaad hart toedragen.’ (…) Wie denkt dat hij/zij iets is, bedriegt zichzelf. Laat iedereen zijn/haar eigen daden toetsen, dan heeft hij/zij misschien iets om trots op te zijn, zonder er zich bij anderen op voor te laten staan, want ieder mens moet de eigen last dragen.’ (Verzen uit Galaten 5 en 6)

Liefde als opbrengst van groot vertrouwen in jezelf en in je relatie?

Geciteerd 1: Ik vind het een eng idee dat de liefde op kan zijn. De romanticus in mij hoopt ten diepste dat iedereen altijd gelukkig getrouwd blijft. Maar ik weet dat de realiteit weerbarstiger is. Soms ben je uitgevochten, uitgeput en weet je echt niet meer hoe je verder moet. Natuurlijk: er ligt vaak veel meer aan ten grondslag dan alleen het gegeven dat de liefde op is. Liefde kun je verwaarlozen.
Liefde raakt niet van de ene op de andere dag plotsklaps op; het is een sluipend en slepend proces van doorgaan en niet stilstaan bij wat er echt aan de hand is. Van ontkennen dat er barsten in de verbinding zitten en hopen dat het zich vanzelf wel oplost. Dan kan er steeds meer weerstand ontstaan als je in elkaars nabijheid bent, omdat je juist niet de liefde voelt die je zo graag zou willen voelen.
Het geheim van een goede relatie is dat je je verbonden voelt, maar tegelijk vrij. Dat je geen druk voelt om van alles te moeten voelen of te ervaren, maar weet dat je in alle aspecten jezelf mag zijn. Dat vraagt een groot vertrouwen, zowel in jezelf als in je relatie: weten dat je elkaar weer wilt vinden en allebei het commitment hebben om daarvoor te gaan, ook als je het niet meer zo sterk voelt. Dan raakt de liefde absoluut nooit op.

Geciteerd 2a:

Weer wankelen, van droefheid nu, mijn schreden
Langs donkren weg die ik moet gaan.
Jij, die, gestruikeld, mij vatte en op deed staan,
Jij laat mij los en beven grijpt mijn leden.

Je waant, ik heb nog niet genoeg geleden.
Je jaagt mij voort, met pijnenlast belaan,
In barre eenzaamheid, op donkre baan,
Ik zink ineen, ik heb mijn kracht verstreden.

Nauw zei je mond: ‘Ik heb je ontzaglijk lief!’
‘Jou lieven is een wonder, diep ontroerend!’
Of in je hart sloop twijfel als in de nacht een dief.

Je schreef den wreeden vogelvrijheidsbrief
In onheil, dat mij dreigt, van rondom loerend,
Jij, die mij zei: ‘Ik heb je ontzaglijk lief.’

Geciteerd 2b:
Treffend zijn ook zijn teksten over dankbaarheid: (…) Dank brengt hij ook toe aan God voor zijn lijden dat hem tot zegen was geweest: ‘Ik moet U ook danken voor wat ik heb geleden. Schier ondraaglijk verdriet is mijn deel geweest. Gij hebt het gezonden. Het is mij tot heil geworden en mijn vermogen om het lijden van anderen te verzachten, is er door vergroot. Vijanden hebt Gij Israël en mij, als zijn kind, op onze weg gezonden. (…) Elk tijdsatoom van mijn leven, waarin ik U niet dank, het is mij tot schande. Moge iedere ademtocht van mijn bestaan mij dwingen tot berouw, tot het omkeren naar U, Die mij verheft boven alle pijn. Die mij doet juichen op stof en as. Ik heb mijn ganse dag gelopen; heil mij, zo ik aankom in zijn avond!’

Geciteerd slot:
Na zijn bekering tot het Micha-evangelie heeft neuroloog Abraham Gans (1885-1971) zich gewijd aan Bijbelstudie waarvan de boekjes over Jona (1948) en over Job (1953) de vruchten zijn, schreef hij een inleiding tot de pathologie (1949), Het woord van de zwijgende God (1958) en zijn laatste grote werk was Pathologie en therapie van de filosofie (1968), geschriften van rijke gedachte-inhoud waarin Gans zich steeds een bewogen en gevoelig mens toonde, die vervuld was van liefde en eerbied voor het bestaan, voor God en de medemens. Liefde en bewogenheid die zich ook uitten in zijn praktijk als zenuwarts, in Leiden hield hij dagelijks een spreekuur, voor wie het woord van de zwijgende God, het Leitmotiv van zijn leven, de grondslag van zijn psychotherapie was die hij nader specificeerde als profetisch psychotherapeutische.

Bron citaat 1: ND Opinie – ‘De liefde is op, maar ik wil niet scheiden’, zei deze vrouw. Ze heeft drie opties’ – door Cocky Drost

Bron citaat 2a-slot: Ecclesia nr. 23, november 2023 – ‘De weg van de wetenschap naar geloof en poëzie: de levensgang van zenuwarts Abraham Gans – door dr. O.W. Dubois, Berkenwoude.

‘Want Hij heeft ons gemaakt tot wat wij nu zijn: in Christus Jezus geschapen om de weg te gaan van de goede daden die God mogelijk heeft gemaakt.‘ (Uit Efeziërs 2 vers 10)
NB. Lees ook het vervolg, de verzen 11-22!

Bron afbeelding: Heartlight-org

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Want God slaapt en verbergt zich’…

‘Wordt wakker, HEER, waarom slaapt U‘ (Uit Psalm 44 vers 24a)

Geciteerd 1a: Paus Adrianus VI stak zijn hand uit naar Maarten Luther. Het is de moeite waard om deze geschiedenis te herdenken, stelt Ad van der Helm, priester en voorzitter projectgroep Adrianusjaar

Geciteerd 1b: Hij wil niet, zoals zijn voorganger paus Leo X, Luther met bullen bestrijden. Voor hem tellen argumenten. Hij was het volstrekt oneens met Luther, dat klopt. Maar na de bul van Leo X lieten de publicaties van Luther in 1520 zien hoe zijn positie zich radicaliseerde: de discussie verschoof naar het gezag van de paus en concilies. Adrianus bleef als paus geloven in de noodzaak van een theologische discussie, waartoe hij een commissie in het leven wilde roepen van de theologen Johannes Eck, Albert Pigghe en Erasmus van Rotterdam (1). Zijn vroegtijdige dood maakte een eind aan dit project.

Geciteerd 2a: Luther verwacht (inmiddels) van de Reformatie geen andere vooruitgang dan dat het woeden van de duivel uitgedaagd is door de herontdekking van het Evangelie. Met dubbele energie zal de tegenstander zich van alle kanten en met alle middelen – dus niet alleen van RK-zijde! – op de kerk storten. Voordat de wereldgeschiedenis voltooid is, zal de vervolging toenemen, want een algemene Reformatie – dat wist Luther sinds 1520 – is niet van de paus, is niet van een concilie (of synode) en óók niet van de een of andere ‘Refomator’ te verwachten. De Reformatie schept God doordat (en wanneer) Hij de geschiedenis voltooit. Aan dit gebeuren zal de Contra-Reformatie van de duivel vooraf gaan.

Geciteerd 2b: De laatste woorden uit het voorwoord (2) maken volledig duidelijk waaruit vooruitgang en succes bestaan: ‘Het zal nog erger worden. Amen’ De kerk deelt in het lot van haar Heer. Tot het einde van zijn leven waarschuwt Luther dat de tegenstander in het geheel niet geïntimideerd is (door de ‘successen’ van de ‘Reformatie’), de aanval op geen enkele manier schuwt en geen geweld vreest. ‘Want God slaapt en verbergt zich, ja Hij is voor de Zijnen op alle manieren zwak’, de duivel en zijn trawanten zijn ‘zeer moedig en achtervolgen de lijdende en vluchtende, gestorven God’.

Geciteerd 2c: Samenvattend kan voor het gehele denken van Luther het volgende vastgesteld worden: zijn visie op de kerk blijft sedert zijn eerste college over de Bijbel centraal en constant. De kerk is zichtbaar, maar uitsluitend als lijdende gemeenschap van Christus. Ze is uitgerust met rijke gaven (3), die alleen door het geloof toegankelijk zijn. Ze is uniek en een eenheid, maar verstrooid over de gehele wereld. Bisschoppen en doctores staan in haar dienst, opdat het Evangelie verkondigd wordt in de preek, in het sacrament, in de vergeving van zonden, in de lof van God – en in het bloedgetuigenis, zoals in de dagen van de oude kerk zo ook tot aan de jongste dag. Vervolging en onderdrukking nemen toe en desondanks zal de tegenstander de kerk niet kunnen overwinnen.

Geciteerd slot: De gedachte dat de strijd om de kerk slecht het voorspel is van de Reformatie door God heeft in de loop van de evangelische beweging geen grote invloed gekregen. Andere vormen van kerkvernieuwing, vooral in de steden van Zuid-Duitsland en Zwitserland, gevoegd bij de Reformatie die (mede) te danken is aan Johannes Calvijn (en m.n. zijn volgelingen) hebben de ‘ecclesia militans’, de strijdende kerk, hier al op aarde zien overwinnen, met als gevolg dat juist het calvinisme slagvaardiger was, succesrijker scheen en wegen kon wijzen en doelen stellen aan de nieuwe tijd die in opkomst was.

(1) Allen grote en onverzoenlijke tegenstanders van de ‘Bijbeluitleg’ van Luther en m.n. Johannes Eck een verbitterd tegenstander en groot minachter van Maarten Luther. Zie hierbij wat de schrijver (H.A. Oberman) vermeld over het in de zomer van 2019 te Leipzig gehouden twistgesprek – in mijn uitgave blz. 292 van hoofdstuk ‘XI. Persoon en werk’)
(2) 1540 – Geloofsbelijdenis van Robert Barnes door Luther uitgegeven in 1540 n.a.v. zijn verbranding op bevel van koning Hendrik VIII op 30 juli 1540 in Smithfield (Engeland).
(3) Zie 1 Korintiërs 1 : 4-9 en Efeziërs 4 : 11-16.

Zie hierbij ook deze blog: ‘De uniciteit van de christelijke troost…‘

Bron citaten 1a-b: ND Opinie – ‘Was paus Adrianus VI een onverzoenlijke ketterjager? Hij stak zijn hand uit naar Maarten Luther’ – door Ad van der Helm • priester en voorzitter projectgroep Adrianusjaar.
Bron citaten 2a-c, slot: ‘Luther – mens tussen God en duivel – Hoofdstuk IX. De Christenheid tussen God en duivel’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001)

‘Wie zal uitverkorenen van God aanklagen? God Zelf spreekt hen vrij!‘
(Uit Romeinen 8 uit de verzen 31-39 vers 33)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De uniciteit van de Christelijke troost…

‘En jullie zullen ook getuigen, want jullie zijn van het begin* af bij Mij geweest.‘
(Uit Johannes 15 vers 17)

Geciteerd: Waarmee troost de Heilige Geest? ‘Die zal van Mij getuigen‘ (vers 26), zegt de Heere. Alsof Hij wilde zeggen: Mijn lieve kind, men verschrikt, beangst, verbrandt en doodt je; dát moet je verwachten (1); iets anders zal er niet van komen. Daarentegen zal echter de Heilige Geest een Getuige zijn, Die je opwekt en maakt dat je aan Mij denkt (2). Hij zal je geen duizend Joachimsdaalders [zilveren guldens] geven, zoals de wereld doet. Maar Hij zal van Mij getuigen, opdat je kunt zeggen: Wanneer nu alles verloren is (of me ontbreekt), vrouw en kind, huis en hof, bezit en eer, en nu (eerder) te verwachten is dat lichaam en leven er ook aan moeten, dan leeft toch Hij daarboven Die heet Jezus Christus.

Hij is omwille van Mij Mens geworden; is voor mij gestorven en opgestaan en opgevaren naar de hemel, zoals ik dagelijks in mijn geloofsartikelen bid (3). Is dat waar? Waarvoor zal ik dan nog vrezen. Werkelijk, Die voor mij de dood ingaat, Die zal mijn vijand niet zijn (4). Hij zal getrouw het beste met mij voorhebben! Heeft Hij mij zó onuitsprekelijk lief? Dan heb ik toch geen reden om voor Hem te vrezen of om iets kwaads van Hem te verwachten? Dát betekent het wat Christus zegt: ‘Hij zal van Mij getuigen‘. Want op dit getuigenis berust alle troost. Daarom moet je de woordjes VAN MIJ met grote letters schrijven en met aandacht opmerken.
[Maarten Luther: Predigten des jahres 1534, Hauspostille 1544, WA 52, 305 ff]

* De apostel Paulus werd als getuige aan hen toegevoegd als een ‘ontijdig geborene’ en daarmee toonde onze Heer dat Zijn Heilige Geest machtig genoeg is om ook op die manier nog een apostel te verwekken en aan de door Hem uitgekozen discipelen/apostelen toe te voegen. En Paulus is door hen ook als zodanig erkend en aanvaard.

(1) Op grond van het getuigenis van de apostelen, dat Ik hen liet én laat verkondigen.
(2) Tenminste, wanneer je de daartoe gegeven middelen trouw en vlijtig gebruikt en daarin blijft volharden.
(3) ‘Zonder twijfel houden velen het ervoor, dat zij alles al ontvangen hebben als ze hun ellende kennen – ja, als het alleen over het verstand ging: ik weet dat ik een kind van de duivel ben. Maar daar hoort nog veel meer bij (en dat zullen we ook onze kinderen niet ontzeggen en onthouden! – AJ), want u ziet hoe afvallig zij worden die veel spreken en schrijven over hun zonde. Ons leven lang hebben wij nodig deze stukken te leren, want een christen is die mens, die in de eerste plaats zichzelf kent [door het gebod], in de tweede plaats zich aan Christus houdt [door het geloof], en in de derde plaats goede werken doet [door de liefde]. Welke werken dat zijn, leren de Tien geboden (met daarbij de uitleg en toepassing van onze Heer! – AJ). Wat daartoe nodig is te bidden, leert het Onze Vader. Dat zijn de drie stukken die een mens tot christen maken.’
De volgorde die Luther hier noemt, komt dus geheel overeen met de hoofdlijn van de Heidelbergse Catechismus: Gebod, Geloof, Gebod en Gebed. Opmerkelijk is dat Luther hier de Tien geboden (gebod) en het Onze Vader (gebed), net als de Heidelberger samenvoegt.
[Uit het voorwoord van ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus’ – Den Hertog bv, Houten 2015]
(4) Zie Johannes 15 : 13-15.

Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden…’ – Meditatie 14 november – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden, sr. – Den Hertog uitgeverij (2022)

‘Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. Jullie zijn Mijn vrienden, indien jullie doen, wat Ik jullie gebied. Ik noem jullie niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar jullie heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, jullie heb bekend gemaakt.‘ (uit Johannes 13 de verzen 13-15)

Bron afbeelding: Pinterest

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie