Over doop en erfzonde…

‘De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede.‘ (Uit 1 Korintiërs 15 vers 47)

Geciteerd 1: God is voor veel ouders heel nabij op het moment van de doop, ongeacht de culturele achtergrond. ‘Een moeder in Nederland vertelde me* dat ze voelde dat Jezus aan het doopvont stond. En diverse ouders in India vertelden dat ze er heel zeker van waren dat God aanwezig was. In de theologie praten we weinig over die ervaringen, terwijl dat voor gelovigen heel reëel is. Ik vond het bijzonder dat zo tot uiting kwam dat God echt iets doet bij de doop van een kindje.’

Geciteerd 2: Dat een kind in zonde ontvangen en geboren is, zoals in het klassieke gereformeerde doopformulier staat, vinden ouders in elk land lastig. ‘Kinderen zijn kwetsbaar en ze gaan vast zondigen. Maar dat zo’n klein baby’tje zondig geboren is, is moeilijk voor te stellen. Dat stelt zowel ouders als de theologie wel voor een serieuze vraag. Dopen gaat over afwassen van zonde. Maar als er niets af te wassen valt, waarom doop je dan? Ouders hadden daarom ook wel moeite met uitleggen waarom we water gebruiken bij de doop. De vraag naar erfzonde moeten we in onze tijd opnieuw doordenken, want bij de doopvont komt die vraag heel dichtbij.’

Opgemerkt 1: Wij weten (!) uit Gods Woord dat God naar Zijn belofte aanwezig is waar mensen in Zijn Naam bijeenkomen en wij weten ook dat de heilige Geest gegeven is en wordt aan de leden van Zijn gemeente (1). De doop laat de gemeente van Jezus Christus – en ‘buitenstaanders’ die een doopdienst bijwonen, zo Heerlijk zien dat wij al ons heil buiten onszelf zoeken en van God verwachten. Een klein kind (zuigeling) dat gedoopt wordt, die kan het Evangelie dat bij en door de Doop tot hem of haar gesproken wordt nog niet betwijfelen of tegenspreken en daarom maakt de Doop ook zo duidelijk hoe Gods liefde en heil naar ons toekomen: We zullen ons daarbij alleen maar voor ogen stellen Wie onze God is en afzien van wie wijzelf zijn – wat wijzelf ons voorstellen van wie wijzelf (of een ander) zijn in de ogen van God door ons geloof. (2)

Opgemerkt 2: Wanneer wij niet het eten van de vrucht van de boom als ‘zondige’ daad, die bestraft moest worden, maar het wantrouwen (ongeloof dus!) van Adam&Eva als (hun) zonde zien, dan is de ‘leer van de erfzonde’ toch duidelijk en uit te leggen?! Dan is het ook niet (meer) nodig om te menen dat Adam en Eva zich van allerlei bijzondere kwaliteiten – om God te kunnen geloven en dienen – beroofd hadden door (vanwege) dit wantrouwen/ongeloof van hen. Zij waren God niet en zij konden Gods Geest (nog) niet kennen en doorgronden (3). Dát hadden ze nederig zullen beseffen en erkennen toen de satan hen er toe brengen wilde Gods woorden en bedoeling te wantrouwen… Voor ons ligt het niet anders! (4)

(1) Zie hierbij Lukas 11 : 5-13 en 1 Korintiërs 1 : 4-8, 3 : 1-4 en 16-22 en 7 : 14.
(2) Zelfs het voor ons waarneembare geloof zullen we niet tot grond (!) maken van onze doop (reden laten zijn om iemand te dopen). Daarom doopten de apostelen ook bekeerlingen samen met heel hun huis. Gods beloften golden evengoed voor de huisgenoten en daarom mochten zij direct ook voluit delen in de vreugde van de gastheer/vrouw van dat huis (zie de doop van Lydia en ook de doop van Cornelis en de gevangenbewaarder).
(3) Zie hierbij Paulus woorden in 1 Korintiërs 2 : 6-16 en 15 : 45-58.
(4) En ons is zoveel meer geopenbaard over Gods Liefde – zie (o.a.) Titus 3 : 4-7.

Leestips: 1 Korintiërs 15 : 35-58 en Galaten 3 : 23-29.

* Jos Colijn onderzocht voor zijn promotie hoe gereformeerde christenen in Malawi, Nederland en India in de praktijk omgaan met de kinderdoop. ‘De doop is iets wat gelovigen wereldwijd verbindt en waar zowel theologen als gewone gelovigen hun gedachten bij hebben’, legt Colijn uit. Colijn werkt momenteel aan de Theologische Universiteit Kampen – Utrecht als docent interculturele theologie en als coördinator van de master Intercultural Reformed Theology.

Bron citaat: ND Geloof – ‘De kinderdoop als bescherming: niet alleen Afrikaanse en Indiase christenen, ook Nederlanders geloven dat’ – door Bas Meeuse

Paulus over het ‘apostel-convent’ te Jeruzalem (zie Handelingen 15) : ‘Maar zelfs Titus, die mij vergezelde, werd niet gedwongen zich te laten besnijden. Dat wilden alleen een paar (gedoopte!) schijnbroeders, die als spionnen waren binnengedrongen om erachter te komen hoe wij onze vrijheid, die we in Christus Jezus hebben, gebruikten. Ze wilden slaven van ons maken. Maar we zijn geen moment voor hen gezwicht, want de waarheid van het Evangelie moest in uw/jullie belang behouden blijven.‘ (Uit Galaten 2 de verzen 3-5).

Bron afbeelding: SlidePlayer

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Christus’ jongeren’ stonden en staan er niet alleen voor!

‘Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven. Maar Ik heb voor je/jullie gebeden opdat jullie geloof niet zou bezwijken. En als jij tot inkeer gekomen bent, moet jij je broeders sterken. Simon antwoordde: ‘Heer, ik ben zelfs bereid om met U de gevangenis in te gaan en met U te sterven. Maar Jezus zei: “Ik zeg je, Petrus, deze nacht zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent“‘. (Uit Lukas de verzen 31-34)

Over afhankelijkheid…

Geciteerd: Mensen hebben in deze wereld het gezelschap van anderen nodig en gelovigen kunnen in de kerk niet buiten de gemeente. Ook daar waar de enkeling in zijn onmiskenbare eigen individualiteit voor God staat, heeft hij de voorbede*, de aanwezigheid van de gemeenschap nodig. Kerkelijke gemeenschap betekent, dat geen enkele gelovige ooit alleen leeft of alleen sterft, maar door de gemeenschap der heiligen beschermd en gedragen wordt.’
* De voorbede van Christus en van de gemeente met haar voorgangers/oudsten en van de (meelevende) broeders en zusters (waaronder niet in de laatste plaats die in eigen gezin en familie).

Over radicaliteit…

Geciteerd: God riep me en trok me om te roemen in Hem. Toen ben ik gaan zeggen: U bent mijn God, U zal ik loven. Onze God volhardt: Hij blijft trekken en roepen, en daarom is er de volharding van de heiligen, als genadegave van God. Maar dit brengt spanning in ieders leven, want dit betekent de volharding ook als roeping van mij. O God U hebt mij geroepen en bekeerd; U bekeert me vandaag nog. Daarom heb ik mij bekeerd, en zal ik mij bekeren tot het geloof, tot uw Woord, tot lof en dank aan U, elke dag. U verlaat niet wat Uw hand begon. Uw hand heeft heeft om te beginnen mijn hand gevat: ‘U houdt mijn beide handen met kracht omvat. Dáárom verlaat ik niet, wat mijn hand begon. O Levensbron, wil bijstand zenden.’ Amen.

Over Gods plan met je leven…

‘Er is jou, mens, gezegd wat goed is,
je weet wat de HEER van je wil:
niet anders dan recht te doen, trouw te betrachten
en nederig de weg te gaan met je God.’
(Uit Micha 6 vers 8)

Leestips: Micha 7 : 1-7 en Romeinen 12.

Over een mooier/beter mens worden…

‘Wees elkaar niets schuldig dan de liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de hele wet vervuld.’ (Uit Romeinen 13 vers 8)

Leestip: Romeinen 13 : 8-14.

Geciteerd: Zo zijn ook de gelovigen wat hun oude mens betreft onder de stok van de drijver, en hebben ze het nodig om aan de wet herinnerd en erdoor bestraft te worden. Ieder moet zijn of haar leven – met en bij het licht van Gods Woord – maar steeds weer nauwkeuriger onderzoeken. Dan zullen we (in)zien, hoeveel er nog ontbreekt en hoe dikwijls we ons nog ergens aan stoten, hoe traag ons vlees is tot het goede, en hoever wij allen nog verwijderd zijn van de volkomenheid. De wet moet het vlees tuchtigen. Maar naar de geest, in de droefheid van de geest, in het gevaar van de dood, in de ondervinding van de zonde, dood en hel, zullen we zeggen: heer drijver, ga weg! Oefen je ambt uit aan het vlees; naar het vlees mag je me wel pijnigen en kwellen, dat heb ik wel verdiend. Maar de nieuwe mens in Christus zul je met rust laten.

Leestip: Galaten 3 : 19-29.

Opgemerkt slot: Door hun doop in het midden van Christus’ gemeente zijn ook onze jongeren geroepen tot een leven in gemeenschap met onze Drie-enige God en daarmee geroepen tot een gelovig samenleven in Christus’ gemeente, zoals Gods Woord dat van ons vraagt en daarover onderwijst. En daarom zal ook onze jeugd zich altijd weer (‘heel gewoon’) hebben te begeven naar de samenkomsten van de/een gemeente waarin Gods Woord en de Sacramenten worden bediend en waar ook tot God gebeden wordt voor alle mensen (zie 1 Timoteüs 2 : 1-5) en waar God gezamenlijk de lof en dank wordt gebracht die Hem toekomt. Dat heel gewone liefdevol samenleven van een gemeente, dáár leven we onder Gods beloften: ‘Dáár gebiedt de Heer Zijn zegen, dáár woont Hijzelf, dáár wordt Zijn heil verkregen en leven tot in eeuwigheid’ (naar Psalm 133 vers 3, berijmd, OB).

Bron afbeelding: Listen to the Bible (KJV)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Het christelijk geweten bevrijd en gevangen genomen…

‘Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.’ (Uit Romeinen 3 uit de verzen 21-31 de verzen 21-24)

Geciteerd 1: Luther heeft de bedenktijd (die hij nog kreeg te Worms) goed benut en zijn rede voor de Rijksdag, die een zakelijk en beschrijvend karakter droeg, doelbewust laten uitmonden in het kernprobleem: Ik voer geen strijd over mijn eigen leven, maar over de leer van Christus.

Geciteerd 2: ‘Strijd en tweedracht ontstaan waar het Evangelie in alle vrijheid verkondigd wordt. Ellende en geweld barsten los waar het Evangelie onderdrukt wordt.’ Vanuit het gezichtspunt van Luther is het geen contradictie. Waar het Evangelie (vrijelijk) verkondigd wordt, volgt onvermijdelijk de strijd met de tegenmachten. Omdat de duivel de (kerkelijke) wereld in verwarring wil brengen en aan hem onderdanig wil maken, betekent strijd tegen de duivel (in de kerk) tegelijkertijd een dienst aan het welzijn van mens en wereld.

Geciteerd 3: Het einde van het verhoor (op de Rijksdag te Worms) bestaat uit het antwoord van Luther waarin hij geen blad voor de mond neemt, een scherp geformuleerde opeenvolging van zinnen met het indrukwekkende slot: ‘Mijn geweten is in het Woord van God gevangen. Daarom kan en wil ik niet herroepen, want tegen het (door het Woord van God gevormde – AJ) geweten in te handelen is noch goed noch heilzaam. Ik kan niet anders, hier sta ik. God helpe mij. Amen.

Geciteerd 4: Op het nageslacht heeft het beroep dat Luther deed op het geweten als de hoogste instantie bij het nemen van beslissingen buitengewoon grote indruk gemaakt. De zinsnede ‘hier sta ik, ik kan niet anders’ werd zo geïnterpreteerd dat de woorden het fundament vormen van de vrijheid van het geweten. Dat gebeurde vanuit het begrijpelijk verlangen Luther tot een wegbereider van de Verlichting te maken.

Tegen deze opvatting moeten ernstige bezwaren worden gemaakt. Luther zou nooit op de gedachte zijn gekomen een beroep te doen op een ‘vrij’ geweten, dat zich heeft vrijgemaakt van alle bindingen. ‘Geweten’ is voor hem ook niet identiek met de niet te veronachtzamen stem van God in de mens. Het geweten is noch neutraal, noch autonoom, maar er wordt fel om gevochten door God en door de duivel. Het geweten is niet het autonome centrum van de mens, maar het wordt voortdurend van verschillende kanten gestuurd en het is eerst dan vrij, wanneer God het bevrijdt en ‘gevangen’ neemt.

Nieuw bij Luther is het gehoorzaam luisteren naar de Schrift zelf, onafhankelijk van de autoriteit van instanties buiten de Bijbel, zoals paus en concilie. Nieuw is ook dat Luther het christelijk geweten haalt uit de sfeer van een uitsluitend individuele betrokkenheid op God en het verplicht te luisteren naar verstandige ervaringen die in de wereld en in de geschiedenis zijn opgedaan. Het reformatorisch geloof bouwt niet op het verstand; de almacht van God stijgt daar ver boven uit en het kruis van Christus staat haaks op alle wijsheid. Reformatorisch handelen moet zich echter kunnen legitimeren door middel van de ervaring en het verstand. Dat is noodzakelijk, omdat dit handelen de naaste dient en niet de zelfrechtvaardiging en heiliging!

Luther heeft het christelijk geweten bevrijd, bevrijd van de raadgevingen door pauselijke decreten en het canonieke recht. Tegelijkertijd heeft hij het gevangen genomen, gevangen door het Woord van God en verantwoordelijk in de dienst aan de wereld. Daarom moet voor alle terreinen van het leven, of het nu huwelijk en seksualiteit is, of burgerplicht en gehoorzaamheid aan de overheid, opnieuw geluisterd worden naar het Woord van God en samen met de menselijke ervaring onderzocht worden op zijn consequenties voor het leven van elke dag. De satan heeft gebruik gemaakt van het kerkrecht om op alle terreinen van het leven, zowel geloof als ethiek en politiek, de mensen te knechten (tot slaven te maken).

Geciteerd slot: Aan het voorbeeld van de kerkelijke staat en het bisschoppelijk vorstendom (vormen van NT-theocratie) wordt hem de duivelse grondstrategie duidelijk om de macht van het geloof te ondergraven en de wereld te beheersen met gebruikmaking van machten die zeggen te steunen op het geloof (de religie!). De weerstand van Luther tegen deze radicale omkering kwam voort uit zijn ontdekking die alles op z’n kop zette. Pas wanneer verlammende angst om het heil te verkrijgen en fanatiek heilsegoïsme in het geloof overwonnen zijn, komt er ruimte voor het welzijn van de medemens en de wereld. Want de wetenschap dat de gerechtigheid ons geschonken wordt (‘om niet’), bevrijdt de mens van iedere zucht naar loon en stelt hem/haar in staat ‘louter om niets vroom’ te zijn -, niet uit vrees voor straf en hel, maar alleen tot lof en dank aan God en ‘tot heil van de naaste’.

> Zie hierbij ook nog de woorden in deze blog: ‘Tegenwoordig zien wij scherp…’

Bron citaten: ‘Luther – mens tussen God en duivel – Hoofdstuk VI De aangevochten reformator – Tegen paus en keizer’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001).

‘Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om die vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet die op een standaard, zodat deze licht geeft voor ieder die in huis is. Zo zal jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.‘ (uit Matteüs 5 de verzen 14-16)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Daarom ben ik aangewezen op de gemeenschap van de kerk’…

‘Niemand van jullie moet zich laten voorstaan op een ander mens, want álles is van jullie, of het nu Paulus, Apollos of Petrus is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – álles is van jullie. Maar jullie – gedoopte Korintiërs – zijn van Christus en Christus is van God.‘ (Uit 1 Korintiërs 3 vers 23)

Geciteerd 1a: Voortdurend zien we dat hij in zijn geschriften kerkvaders citeert, zoals Augustinus, Chrysostomus en Justinus Martyr, om te laten zien dat zijn opvatting over het avondmaal geen nieuwlichterij was, maar juist teruggreep op het vroege christendom. In zijn geschriften weerlegt De Brès de rooms-katholieke leer dat Christus lichamelijk in brood en wijn aanwezig was en dat Hij telkens opnieuw geofferd diende te worden. (1) Bovendien wil hij, met name in de ”Procedures Tenues”, aan zijn gemeenteleden demonstreren: kijk, zo en zo en met deze argumenten en citaten van kerkvaders kun je de inquisiteurs antwoord geven. Als herder was hij tijdens zijn hele leven zeer begaan met zijn vervolgde kudde.”

Geciteerd 1b: „Hij wijkt tegenover hen geen millimeter. Zijn visie op het avondmaal is voor hem zo belangrijk dat hij er zijn leven voor over heeft. En bedenk ook eens dit: Luther en Zwingli ruzieden over de manier waarop Christus in het avondmaal aanwezig is, calvinisten schreven er hele polemieken over, maar wie van de reformatoren verloor zijn léven omwille van de Bijbelse leer van het avondmaal? Dat is De Brès. (2)

Geciteerd 1c: „Hoe je tegen avondmaal en mis aankeek, was voor christenen in de Lage Landen in het begin van de 16e eeuw, toen aanhangers van de Reformatie nergens zo zwaar vervolgd werden als daar, een toetssteen voor de vraag of je behoorde tot de ware kerk of niet. De Brès concludeerde, na intensief onderzoek van Bijbel en kerkvaders, dat leer en praktijk van de Katholieke Kerk op dit punt als afgoderij bestempeld moesten worden. (1)

Geciteerd 1d: „Wat mij (3) bij het bestuderen van het werk van Guido de Brès opviel, is dat hij niet alleen de lichamelijke aanwezigheid van Christus in het avondmaal afwijst, maar ook, positief, Zijn geestelijke aanwezigheid benadrukt. Het avondmaal is meer dan alleen een gedachtenis- of herinneringsmaaltijd. Als het brood gebroken wordt en de wijn vergoten, is de Zoon van God met Zijn Woord en Geest werkelijk aanwezig bij de gelovigen. Dan onderwijst Hij hen en versterkt Hij hen met geestelijk voedsel. Die gedachte leeft in mijn eigen kerk in Zuid-Korea niet zo sterk. Die zal ik daar, als zich een gelegenheid voordoet, zeker gaan uitdragen.”

Geciteerd 2: ‘Mijn kennis van de Schriften zal niet voldoende zijn, tenzij ik mij houd aan het vreemde Woord’. Het is werkelijk zeer eigenaardig zoiets te horen uit de mond van een professor in de theologie, die zichzelf soms een evangelist kan noemen en zich met zoveel overtuiging op de Schrift beroept, dat geen enkele van de eerbiedwaardige en geheiligde autoriteiten daartegen opgewassen is. Op dit punt stuit men op het beslissende onderscheid tussen zekerheid en stelligheid, tussen waarheid en het aannemen van de waarheid. Luther beschrijft dit onderscheid niet als theorie, maar in het kader van de ervaring van de reformatorische rechtvaardigingsleer (beter: evangelische of Schriftuurlijke rechtvaardigingsleer!): ‘anderen heb ik gered, mijzelf kan ik niet redden’, en dat komt omdat ik mijzelf niet bevrijden kan van van mijn twijfel, omdat mijn eigen, zichtbare gerechtigheid mij bij de handen wordt afgebroken en mijn eigen geweten mij in de steek laat. Daarom aldus Luther, heb ik anderen nodig, ben ik aangewezen op de gemeenschap van de kerk.

Vanuit dit perspectief van het vertrouwen op het vreemde Woord heeft hij de sacramenten Doop en Avondmaal beleefd, geïnterpreteerd en verdedigd. De duivel, de meester van de subjectiviteit, ligt op de loer in het hart en in het geweten van de mensen. Hij staat echter machteloos tegenover het vreemde Woord. Doop en Avondmaal garanderen dat God tegenwoordig is in de draaikolk van de overlevingsstrijd tegen de duivel. Deze beide sacramenten geven een zichtbaar houvast, dat ook met de handen gegrepen kan worden, waardoor het mogelijk is in de naam van God staande te blijven tegen de duivel. Doop en Avondmaal vormen daarom de vaste bodem waarop de geloofszekerheid van de Christen gegrond is. In dat licht gezien is het ook duidelijk, dat er geen grotere bedreiging kan bestaan dan ondermijning van deze twee sacramenten. Wie Doop en Avondmaal tot mensenwerk maakt, die sloopt het fundament van het christelijke leven. Immers in dat geval wordt de waarheid en de realiteit van God afhankelijk gemaakt van de overtuigingskracht van het menselijk geweten, dat altijd subjectief is.

Geciteerd slot: Mensen hebben in deze wereld het gezelschap van anderen nodig en gelovigen kunnen in de kerk niet buiten de gemeente. Ook daar waar de enkeling in zijn onmiskenbare eigen individualiteit voor God staat, heeft hij de voorbede, de aanwezigheid van de gemeenschap nodig. Kerkelijke gemeenschap betekent, dat geen enkele gelovige ooit alleen leeft of alleen sterft, maar door de gemeenschap der heiligen beschermd en gedragen wordt.’

Leestips: 1 Korintiërs 3 en Romeinen 6 en 1 Korintiërs 11 : 17-34.

(1) Zie hierbij deze blog: ‘Luther en het Avondmaal‘ en ‘Luther over zichzelf‘ en ‘Apostolische wijsheid versus dwepers en drijvers – VII‘ én ‘VIII‘
(2) Gods Woord waarschuwt ons voor het maken van verkeerde tegenstellingen en/of vergelijkingen. Dat Guido de Brès zijn leven verloor omwille van de Bijbelse leer van het Avondmaal kan niet gebruikt worden als bevestiging (bewijs) van de Schriftuurlijkheid van zijn opvattingen over het Avondmaal tegenover die van de genoemde anderen. Je kunt ook zeggen dat de anderen een/de Schriftuurlijke leer van Avondmaal zo belangrijk vonden, dat ze daarover een ‘woordenstrijd’ wilden voeren.
(3) De Zuid-Koreaanse Byunghoon Kang (34). Deze dinsdag, 31 oktober 2023, promoveerde hij aan de Theologische Universiteit Utrecht op ”Guy de Brès on the Lord’s Supper. As the Focus of his Ministry and Theology” (”Guido de Brès over het heilig avondmaal. De focus van zijn bediening en theologie”).

Bron citaten 1a-1e: RD Kerk & religie – ‘„De Brès vond avondmaalsleer zo cruciaal dat hij ervoor wilde sterven”’ – door Addy de Jong
Bron citaat 2: ‘Luther – mens tussen God en duivel – Hoofdstuk VIII Tweedracht binnen de Reformatie’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001).

‘Wie dus op onwaardige manier het brood eet of uit de beker van de Heer drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed van de Heer.‘ (Uit 1 Korintiërs 11 vers 27)

Bron afbeelding: Bible Portal

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Tegenwoordig zien wij scherp’?

‘Jullie moeten geen moeite doen voor het voedsel dat vergaat, maar voor het voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het jullie geven, want de Vader, God Zelf, heeft Hem die volmacht gegeven. Ze vroegen: “Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?” “Dit moeten jullie voor God doen: geloven in Hem Die Hij gezonden heeft,” antwoordde Jezus.’ (Uit Johannes 6 de verzen 27-28)

Geciteerd 1: In het westen verkreeg de Vulgata (1) een onaantastbare status tot humanisten als Desiderius Erasmus het vulgaire Latijn wilden bijschaven. In dezelfde tijd begonnen ook (protestantse) vertalingen in de volkstaal op te komen. De Bijbelvertaling van Maarten Luther is hiervan het beroemdste voorbeeld. Weer spitst zich de discussie toe op één woordje (Luther 2004). Luther – met zijn ‘vertaalteam’! [AJ (2)] – vertaalde Romeinen 3 vers 28 als volgt: ‘So halten wyrs nu, das der mensch gerechtfertigt werde, on zu thun der werck des gesetzs, allein durch den glauben’. Rooms katholieke theologen waren er als de kippen bij om er op te wijzen dat het woordje ‘alleen’ niet in het Grieks of Latijn te vinden was. Luther reageerde gepikeerd en klaagde dat hem hetzelfde overkwam als Hiëronymus. Hij legt uit dat ‘de letters waar al die ezelskoppen naar staren als een koe naar een pas geplaatst hek’ uiteraard niet in het Grieks of Latijn staan, omdat hij Duits schreef. In die taal is ‘alleen’ een natuurlijke toevoeging om een tegenstelling uit te drukken.
Naast dit taalkundige argument was het voor Luther ook evident dat hij door Paulus onderwijs tot deze vertaalkeuze gedwongen werd. Het ging Paulus om het buitenspel (3) zetten van de goede werken en alleen om het geloof. Het was voor Luther zo’n ‘duidelijke zaak’ dat het hem verwonderde dat andere mensen het niet met hem eens waren. Er klinkt bij hem weinig besef door dat zijn lezing van Paulus een interpretatie is vanuit een bepaalde standplaatsgebondenheid. Tegenwoordig zien we scherp dat Luther zijn conflict met de Rooms-Katholieke kerk projecteerde op het conflict tussen Paulus en de Joden en zo Paulus helemaal naar zijn eigen tijd haalde. – Zie (2), (3) en slotcitaat.

(1) Hiëronymus (347-420) kreeg van de paus de opdracht om voor een (Latijnse) standaardvertaling van de (Griekstalige) Septuagint te zorgen. Dit resulteerde uiteindelijk in de Vulgata. Bij zijn vertaling greep H. voor de meeste OT-boeken niet meer terug op de Griekse vertalingen, maar op de Hebreeuwse boeken.
(2) Geciteerd: De ontstaansgeschiedenis van de Luther-Bijbel toont ons daarentegen een geheel andere Luther, die zijn grenzen kent en voor wie duidelijk was, dat de vertaling alleen in teamarbeid aangepakt kon worden. Nooit en te nimmer beschouwde hij zijn werk als definitief en voltooid. Vanaf de zomer van 1539 tot het begin van 1541 verzamelde hij steeds op woensdag en donderdag, voor het avondeten, zijn raad van deskundigen bij zich thuis, zijn ‘Sanhedrin’, zoals hij hen noemde, om in de kring van capabele collega’s nog eens een ingrijpende revisie van de vertaling tot stand te brengen. ‘Wij zijn bedelaars’, dit woord is niet de moraal van een stervende, maar echte levenswijsheid. Zij vindt haar oorsprong in de ervaringen die Luther opdeed met zijn werk aan de Bijbel, zowel de vertaling als de verklaring. (…) Voor niemand gaat de Schrift op dezelfde manier open en menigeen verdwaalt in haar. Dit probleem heeft Luther met behulp van een woord van paus Gregorius op een zeer aanschouwelijke wijze tot uitdrukking gebracht: ‘Een olifant verdrinkt in deze zee [de Schrift], een lammetje dat Christus zoekt en zich daaraan houdt, krijgt grond onder de voeten en komt er doorheen’. Niet wie alles weet, maar wie zich wil laten gezeggen vindt in de Bijbel vaste grond.
(3) De goede werken worden door Paulus (of Luther) niet ‘buiten spel’ gezet, maar hun plaats gewezen: ‘het is onmogelijk dat, zo wie Christus door een waar geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid’.

Geciteerd slot: De ‘olifant’ die Luther in de Schrift ziet ‘verdrinken’, vindt goedgelovige navolgers, totdat hij, weggespoeld door de tijdeest, moet wijken voor een nieuwe reus, die zijn voorganger ontmaskert als onbekwaam om te zwemmen en hem tot mikpunt van spot maakt. De leiders van de theologische richtingen rijden rond op hun Plato of Aristoteles, hun Hegel of Heidegger en beloven steeds opnieuw dat zij de weg naar de oever zullen vinden. Ook Luther bestrijdt de betekenis van zijn filosofische vorming niet. Maar hij ontwerpt – in tegenstelling tot de scholastieke traditie – geen wetenschappelijk systeem. Hij biedt ook geen ‘dogmatiek’, die beweert zekerheid te kunnen geven, maar waarvan de geloofwaardigheid afhangt van de betrouwbaarheid van de filosofische (of theologische – AJ) onderbouw.
De belijdenis ‘wij zijn bedelaars’ geeft niet alleen aan hoe hij tegenover God staat, maar bevat tegenover zijn medemensen een bekentenis van zijn eigen feilbaarheid. ‘Behoede God alle theologen‘, zo eindigt de oudste biograaf van Luther de levensbeschrijving van de reformator (beter: evangelist), ‘opdat ze geen meester over de Schrift worden‘.

Zie verder ook deze blog: ‘Daarom ben ik aangewezen op de gemeenschap van de kerk…‘

Bron citaat 1: Sophie (oktober 2023) – ‘Heilige tekst – De paradox van een Bijbelvertaling’ – door Cor Hoogerwerf (Specialist Vertalen en Exegese Nieuwe Testament bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap).
Bron citaat slot: ‘Luther – mens tussen God en duivel – Hoofdstuk XI Persoon en werk’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001).

‘Een rank die niet aan de wijnstok blijft*, kan uit zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen wanneer jullie niet in Mij blijven. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken.’ (Uit Johannes 15
* Maar door de Vader weggesneden wordt omdat Hij aan deze geen vrucht vindt – zie hierbij ook Romeinen 11 : 20-24!

Bron afbeelding: Vine Bible Study (‘Fruit Happens’)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over (te gebruiken) scheidslijnen in de kerk…

‘Werden wij in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met Hem verzoend door de dood van Zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met Hem zijn verzoend, worden gered door Diens leven. En meer nog, dat wij God prijzen danken wij aan onze Heer Jezus Christus, door Wie we nu al zijn verzoend.’ (uit Romeinen 5 de verzen 10-11)

Geciteerd 1: Herman Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht, stelt in verband met de vrouw in het ambt voor alle gereformeerde kerken op te heffen en te herverdelen langs de scheidslijn wel of geen vrouw in het ambt. Hij zei dat in een podcast van het Nederlands Dagblad. Deze week liet onder anderen Leendert Verheij, voorzitter van een Commissie Kerkrecht en Beroepszaken, in het ND weten het helemaal geen goed idee te vinden.

Geciteerd 2: Als katholiek heeft mij deze discussie zeer verbaasd (…) Het gemak waarmee wordt gesproken over het opheffen en oprichten van kerken. Blijkbaar worden kerken gezien als menselijke clubs met menselijke stichters en besturen. Zij kunnen de kerk naar eigen believen stichten en opheffen, alsof het een geitenfokvereniging betreft. Als katholiek geloof ik in één heilige kerk waarin op Pinksteren de leerlingen van Jezus door de heilige Geest zijn samengebracht en die door de Heer zelf in leven wordt gehouden.

Geciteerd 3: Op grond van Gods Woord beleed Maarten Luther, dat de kerk te midden van de vele politieke, geografische rijken op aarde de gemeenschap der heiligen [congregatio sanctorum] vormt, een volk dat Christus’ eigendom, Zijn lichaam is. In het geloof behoort dit volk Hem toe, in een onvervreemdbare band van Woord en Geest, die voor menselijke beoordeling ontoegankelijk is. Deze christelijke gemeente – een woord dat Luthers voorkeur heeft – leeft voorlopig ten diepste in verborgenheid. Ten eerste omdat alleen God weet wie de Zijnen zijn. Over het innerlijk kan geen instituut noch geestelijk ingewijde oordelen. De kerk is sola fideperceptibilis [alleen met/voor ‘de ogen van het geloof’ zichtbaar]. (…) De kerk is geen elitaire stoottroep, evenmin een institutair bolwerk, maar een volk dat als creatura verbi leeft tussen het reeds van wat in Woord en geloof voorhanden is en het nog niet van wat voor de hoop ophanden is. Impliciet blijkt dat de verborgenheid van de kerk volgens Luther in geen geval een platonische spiritualisering of vervluchtiging ten gevolge heeft. Geen sterveling kan over haar innerlijk oordelen, zij leeft van het hoorbare Woord en het zichtbare sacrament. Kort kan Luther formuleren: Tota vita et substantia ecclesiae est in verba dei. Hier valt voor Luther zonder twijfel het hoofdaccent. Niet omdat de ordening van de kerk en het toezicht op de heiligheid van het leven hem onverschillig zouden zijn – zijn pleidooi voor visitatie leert anders – , maar omdat alleen het Woord der prediking constitutief is voor het ontstaan en (voort)bestaan van de kerk. De hoofdsom acht hij dan ook dat ‘das wort ym schwang gehe’. Daar wordt de gemeente geboren, getogen en (gehoed en) behoed.
Stellig heeft Luther beseft dat niet iedere hoorder van het Evangelie automatisch (1) een gelovige is. Hij onderscheidt dan ook twee dimensies: de kerk als geestelijke grootheid – ‘die rechte Kirche’ – en de kerk als uiterlijk christenvolk – ‘die ausserliche Christenheit’-. Maar die twee van elkaar scheiden, wilde hij niet. Zij zijn als lichaam en ziel, of-met een ander beeld – als twee concentrische cirkels met elkaar verbonden. Daarom kwam het niet in hem op om eigenmachtig en voorbarig waar en vals van elkaar te scheiden, zoals Müntzer deed. Naar de regel der liefde is ieder gedoopt christen voor een lidmaat van de kerk te houden (2). Naast het Woord geldt voor Luther ook de doop als nota ecclesiae. In de miskenning van de waterdoop (ten gunste van de Geestesdoop) kan Luther niet anders zien dan een verachting van het Woord der belofte, waarmee God de doop – die ‘heilige Arche der Christenheit’ – zo hecht verbonden heeft.

(1) ‘Stellig’? Nee, zeker weten heeft Luther (op grond van Gods Woord) beseft (erkent en beleden) dat niet iedere (gedoopte) hoorder van het Evangelie een ‘voor het Evangelie gewonnen’ gelovige is. Zie hoe Paulus de leden van de gemeente te Korinthe oproept en vermaand om de goedheid (genade en barmhartigheid) die hen door God bewezen was niet tevergeefs te laten zijn (zie 2 Korintiërs 6 en meer in deze brief).En we kunnen hierbij ook nog verwijzen naar de zeer ernstige woorden waarmee de lezers van de Hebreeënbrief gewaarschuwd werden en worden (zie o.a. Hebreeën 6 : 3-12 en 10 : 26-39) en naar de woorden aan de zeven gemeenten van onze Heer (Openbaring 2-3).
(2) ‘Naar het (ons) oordeel der liefde’? Nee, vanwege de waarheid van het Woord van God, dat bij iedere doop en tot iedere dopeling gesproken wordt. Die waarheid zullen wij altijd stellen boven ons eigen oordeel. Zelfs wanneer alles in iemands leven (dus ook dat van onszelf) erop lijkt te wijzen dat eerder het tegendeel waar is, zullen wij die ander (of onszelf) met ‘de oren en ogen van het geloof’ hebben te zien en aanvaarden als een kind van God en hem of haar (of onszelf) dan ook altijd weer (laten) aanspreken en waarschuwen als daadwerkelijke (aangenomen) kinderen van God, net zoals onze Heer en de apostelen dat deden en nog altijd doen.

Opgemerkt: We kunnen/moeten (dus) wel zeggen/stellen dat ‘de protestanten’ indertijd geen recht en reden hadden om de Rooms katholieke kerk ‘af te schilderen/schrijven’ als een valse kerk en zich daarom daarvan af te scheiden. Ze hadden wel haar ‘verkeerde/valse leer’ en onBijbelse machtsconcentraties en bijgelovige gewoonten/gebruiken op grond van Gods Woord te bestrijden – met alle (mogelijke) gevolgen van dien – maar meer werd en wordt er niet van hen en ons gevraagd.
NB. Niet Maarten Luther deed de paus (en al zijn medewerkers en leden van deze kerk) in de ban, maar de paus Maarten Luther (en zijn ‘volgelingen’).

Geciteerd slot: Wanneer wij van de ambten in de Kerk spreken, geloven en belijden wij dat God deze en dus de dragers van de ambten als werktuigen van de Geest gebruikt om zijn Kerk bijeen te brengen en te bewaren. Zo komt juist de belijdenis een Kerk te geloven onder een geweldige spanning te staan. Want wij zien de Kerk en het kerkelijk bedrijf wel, maar wat is dat alles menselijk, gebrekkig, zwak en zondig! En dan toch: Kerk, werk van God, huis van God, lichaam van Christus, woning van de Geest? Ja, omdat naar het schone woord van J. Koopmans, de kerk de plaats is waar Christus met zondaren wil samenwonen. Als wij belijden: Ik geloof een Kerk, dan zeggen wij ten diepste: ik geloof dat Christus met zondaren wil samenwonen. En waar Hij dat doet, dáár is de Kerk.

Bron citaat 1-2: ND Opinie – ‘Herverkavelen kerken om verschil van mening over rol vrouwen? Verbazingwekkend voor een katholiek’ – door Marcel Broesterhuizen.

Bron citaat 3: Digibron, Theologia Reformata (01-01-1997) – ‘Luther en Müntzer: van verwantschap tot vervreemding – door A. de Reuver.

Bron citaat slot: Digibron – De Waarheidsvriend (09-06-1994) – ‘Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen (1)’ – door L.J. Geluk.

‘Zo zijn jullie ook, broeders en zusters, dood voor de wet dankzij de dood van Christus en behoren jullie nu een Ander toe: Hem die uit de dood is opgewekt. Ons leven moet vrucht dragen voor God.’ (Uit Romeinen 7 vers 4)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Gedragen door het geloof van Jezus Christus!

‘Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van (!) Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.’ (Uit Romeinen 3 vers 22)

‘Van Abraham wordt gezegd: ‘Hij vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’ U ziet dus dat dat zij die geloven kinderen van Abraham zijn. Nu heeft de Schrift voorzien dat God ook andere volken door het geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: ‘In jou zullen alle volken gezegend worden. En dus wordt iedereen die gelooft samen met Abraham, de gelovige, gezegend.‘ (…) ‘Zo zouden (naar Gods plan en bedoeling) door Hem (Jezus Christus) alle volken delen in de zegen van Abraham en zouden wij, zoals ons is beloofd, door het geloof de Geest ontvangen.‘ (Uit Galaten 3 de verzen 6-9 en 14)

Geciteerd: Moeten kerken zich uitspreken over gebeurtenissen in de wereld? Als dat ergens gepast is, dan als het over Israël gaat. Daarmee is de kerk immers onopgeefbaar verbonden, zo niet volgens haar eigen kerkorde, dan wel volgens de apostel Paulus, die Israël de wortel van de christenen uit de volken noemt.

Opgemerkt 1: Het geloof van Abraham is een voorafbeelding geweest van het geloof van onze Heer Jezus Christus. Hij heeft in dit aardse leven een volmaakt vertrouwen gehad in Zijn hemelse Vader en Hem in alles betrouwbaar geacht, en dat geloof van Hem wordt ons toegerekend wanneer wij in Hem geloven, Die door God in deze wereld gezonden werd (Johannes 6 vers 29). En die toerekening, die gold ook al voor het geloof van Abraham. Het werd hem toegerekend als een daad van gerechtigheid vanwege het geloof van onze Heer Jezus Christus – zie hierbij ook Romeinen 3 vers 3 in de SV! (1)

Opgemerkt 2: Onze verbondenheid met het volk Israël is er omdat aan hen de woorden van God werden toevertrouwd (zie Romeinen 3 vers 2 en het vervolg) en ook omdat we weten dat God hen blijft liefhebben omdat Hij de aartsvaders heeft uitgekozen (zie Romeinen 11 vers 28-29).

Opgemerkt slot: Op grond van Paulus woorden kunnen we niet (het volk) Israël tot wortel maken van de christenen uit de volken. Dat is teveel (ongepaste!) eer geven aan mensen!

(1) ‘Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen?‘ (Uit Romeinen 3 vers 3, SV)

NB: ‘Laat het publieke statement van de kerk bij dit conflict zijn dat ze zwijgt, meelijdt, en bidt.’ Mee eens!

Bron citaat: ND Opinie – ‘Laat het publieke statement van de kerk bij dit conflict zijn dat ze zwijgt, meelijdt, en bidt’ – door Arie Versluis • universitair hoofddocent Oude Testament aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.

‘Kunnen wij ons (wij Joden, bedoelt Paulus) dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten! En door welke wet komt dat? Door de wet die eist dat u hem naleeft? Nee, door de wet die eist dat u gelooft.‘ (…) ‘Is God soms alleen de God van de Joden en niet die van de heidenen? Zeker ook die van de heidenen, want er is maar één God, en Hij zal zowel besneden als onbesnedenen op grond van hun geloof als rechtvaardigen aannemen.’ (uit Romeinen 3 uit de verzen 27-31).

Bron afbeelding: Pictorem-com

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

De gerechtvaardigde vooreerst aanklager van zichzelf…

‘Mijn schuld steekt hoog boven mij uit,
als een zware last, te zwaar om te dragen’
(Uit Psalm 38 vers 5)

Geciteerd: Wat Luther eveneens in Tauler (’s ‘Theologia Deutsch’) aanspreekt, is diens nadruk op de zelfkennis, in de zin van zelfveroordeling. De cognitio Dei en de cognitio sui zijn – naar analogie van Augustinus’ visie – ten nauwste op elkaar betrokken. De zelfkennis staat hierbij ten dienste van de Godskennis, maar deze laatste komt niet zonder de zelfkennis tot stand. Voortdurend roept Tauler dan ook op om tot onszelf in te keren. ‘Nim dinselbes dicke war’, heet het in zijn Mittelhochdeutsch.’ Deze inkeer voert overigens niet linea recta tot God, maar brengt de mens veeleer in een troosteloze engte van benauwenis. Zo komt het tot het vonnis over zichzelf, waarbij men zijn schuld voor God belijdt en Diens oordeel bijvalt tot in de ‘resignatio ad infernum’! Het is bekend hoe Luther ook deze gedachte van de accusaüo sui vruchtbaar heeft gemaakt in zijn rechtvaardigingsleer. De rechtvaardiging van de zondaar door God is vervlochten met onze belijdenis van eigen ongelijk en Gods gelijk, zelfs tot in de resignatio ad infernum. De gerechtvaardigde is vooreerst de aanklager van zichzelf.’

Toch doen zich ook hier frappante verschillen voor. In de eerste plaats blijkt dat die resignatie bij Luther duidelijker dan bij Tauler is verbonden met het beamen van Gods vrijspraak. God rechtvaardigen is hetzelfde als Hem vertrouwen. In de tweede plaats is de zelfveroordeling voor Luther niet het resultaat van de inkeer tot zichzelf, maar van Gods toekeer in Zijn gerichtsprake. Het is Gods oordeel dat de zonde blootlegt. Het bijvallen van God berust niet op interne zelfobservatie, maar op instemming met het externe Woord, dat ons evenwel innerlijk raakt. Met andere woorden, het is zaak van geloof. In de derde plaats neemt Luther afstand van de Tauleriaanse idee – die bij Müntzer juist zoveel instemming vindt – , dat de mens vooral ook daarom tot zijn zielegrond moet inkeren, omdat daar meteen ook de ‘grunt Gotz’ is aan te treffen. Dit is volgens Tauler het uiteindelijke doel van het geestelijke leven, dat men in zichzelf afdaalt en God daar vindt: ‘gewar werden des inwendigen grundes do das rich Gotz ist, und das smacken wie Gott da wonet und würket’. Het Rijk Gods bevindt zich in de grond van de ziel, in de ‘gemuete’. Wie in deze tempel inkeert, die vindt God ‘in der warheit inne’. Daarin is de onvervreemdbare imago Dei gelegen.’

Ondanks aanvankelijke raakvlakken met Taulers mystieke psychologie ontdekt Luther al spoedig, dat dit ‘heiligdom’ van het innerlijk geen plek is die (krachtens de schepping-naar-Gods-beeld) nog voor God ontvankelijk zou zijn, en dat het evenmin een burcht is waarin men zich tegen zonde en aanvechting kan verschansen. Juist het innerlijk van de mens vormt het terrein waar het gevecht tussen God en duivel, tussen geloof en ongeloof zich voltrekt. Hoe dieper de mens in zijn innerlijk kijkt, hoe duidelijker hij – niet zijn openheid naar God, maar – zijn vergrendeling voor God gewaarwordt. Het is een Godsvervreemding die zo totaal is, dat ze louter door het Kruis kan worden opgeheven. Dit impliceert dat de unio mystica door Luther niet Tauleriaans wordt ingevuld als de geboorte van het ongeschapen Woord in de ziel – waarbij de ziel in God verzinkt” – , maar als de inwoning van de Gekruiste door het geloof in het Evangelie.’

Bron citaat: Digibron, Theologia Reformata (01-01-1997) – ‘Luther en Müntzer: van verwantschap tot vervreemding‘ – door dr. A. de Reuver.
NB. Dit zeer instructieve artikel* kan niet gelezen worden zonder lidmaatschap van Digibron.
* Kan desgewenst ook als PDF via deze link worden gelezen.

‘Verlaat Mij niet, HEER,
mijn God, blijf niet ver van mij.
Haast U mij te helpen,
HEER, U bent mijn redding.’
(Uit Psalm 38 vers 22-23)

Bron afbeelding: DailyVerses-net

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Luthers zoektocht naar een leven uit het geloof…

‘Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: Hij heeft de wereld haar overtreding niet aangerekend. En Hij heeft de verkondiging van de verzoening aan ons toevertrouwd.’ (Uit 2 Korintiërs 5 vers 19)

Geciteerd 1: De ontmoeting met de theologie van Augustinus bij Johannes von Staupitz (de vijftien jaar oudere leermeester van Luther) en de mystieke ervaring bij Johannes Tauler (1) bemoedigt en staaft Luther om verder te gaan op weg naar zijn nieuwe vroomheid en een nieuwe wetenschap. Beide beslissende belevenissen, de aanvechting en de mystieke opstijging, de duivelse godverlateneid en de gelukkigmakende eenwording met God, zijn niet langer de kenmerken van twee randgroepen in de Christenheid, zij die geestelijk ziek-zijn en zij die behoren tot de geestelijke elite. Alle gelovige leden van de kerk worden aangevochten en zijn tegelijkertijd één met God. Dat betekent dat ook de kerk van de martelaren niet behoort tot een verre achterhaalde fase in de geschiedenis van de kerk. De kerk is de gemeenschap van gelovigen en blijft daarom ook de gemeenschap van hen die door de duivel worden aangevochten.
De stijlfiguren en beelden die Luther gebruikt, ‘vrolijke ruil’ (2) en ‘Jakobsladder’, missen elke wetenschappelijke, abstracte steriliteit. Ze vormen de uitdrukking van een levensbeweging, niet een toestand; ze ontspruiten niet aan theologische theorie-vorming, maar aan de levende geloofservaring van het menselijk leven dat zich afspeelt tussen God en duivel.
‘Mijn theologie* heb ik niet in één keer geleerd, maar ik heb er steeds dieper en dieper naar moeten zoeken. Daar hebben mijn aanvechtingen mij toegebracht, want de heilige Schrift kan men nooit en te nimmer verstaan zonder de praktijk van de aanvechtingen… Wanneer wij niet zulk een duivel zouden hebben, dan waren wij slechts speculatieve theologen, die alleen maar met hun gedachten omgaan en alleen maar speculeren met hun verstand, dat het zo en alleen zo moet zijn; zoals de monniken in het klooster eeuwen lang ook al gedaan hebben.’
* Beter: Wat Gods Woord ons leert, het Evangelie heb ik niet in één keer begrepen/geleerd (en dat m.n. ook door de theologie die gangbaar was geworden in de kerk)

(1) Johannes von Tauler schreef de Theologia Deutsch waar Luther enthousiast over was. Hij heeft dit werk echter niet als een getuige van mystieke ervaringen gelezen, maar als een overtuigend voorbeeld van echte, doorleefde en levende theologie. Tauler werd voor hem een gids op zijn zoektocht naar een leven uit het geloof.
(2) Het spreken over een vrolijke ruil, dat Christus door de schuld van de mens over te nemen Zelf ‘onrechtvaardig en zondaar wordt’ (2 Korintiërs 5 vers 21) – het riep onmiddelijk verontrusting wakker -, is ook bij Staupitz te vinden. Maar de consequentie die Staupitz daaruit trok, week van die van Luther af: de gelovige bevrijd van de last der zonden, zal nu ook werkelijk vrede vinden. Zijn nieuwe status van rechtvaardigheid is waarneembaar, een zoet voorgerecht van de eeuwigheid.
In tegenstelling daarmee ervaart Luther concreet de toename van de macht van de duivel, die, uitgedaagd door het evangelie van de vrolijke ruil, zijn aanvallen direct richt op de gelovigen. tegenover de vreemde gerechtigheid van Christus beroept de duivel zich op Mozes en zijn ‘Tien Geboden’, kweekt gewetensnood, eist goede werken en drijft onophoudelijk het geweten ertoe aan de toorn van God te stillen. De ‘vrolijke ruil’ waarover Luther spreekt, leidt niet tot zoete ervaringen, want in de strijd met de duivel is er geen rust, geen vrede en geen aantoonbaar (!) succes. (…) Voor Luther zijn ‘zuchten en weggerukt worden’ de proefondervindelijke begrippen voor het samengaan van vrede en ellende. De vrede is doortrokken van de gruwelijke werkelijkheid van de macht van de duivel – ‘simul gemitus et raptus’.

Bron citaat: ‘Luther – mens tussen God en duivel – Hoofdstuk VI De aangevochten reformator’ – door Heiko A. Oberman (1930-2001).

‘Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.’ (Uit 2 Korintiërs 5 vers 21)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

‘Hoort naar Hém!’

‘Want Die God gezonden heeft, Die spreekt Gods Woord, want God geeft [Hem] de Geest zonder maat.’ (Uit Johannes 3 vers 34)

Geciteerd: Want God geeft [Hem] de Geest zonder maat – Dit is een wonderlijke uitspraak. Johannes de doper wil ons met deze woorden voorhouden, inprenten en voor ogen stellen, dat we niets moeten horen, zien en weten, dan Christus alleen. Als Hij het alleen is, dan is dat voldoende. Meer hebben we niet nodig. Mozes en de profeten hebben nu hun werk gedaan. Geen van hen was de Messias. Johannes wil zeggen: Christus moet het alleen doen – zoals de Heere in Deuteronomium (18:18) zegt: ‘Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en u zult Mijn Woord uit Zijn mond horen.’ Luister nu naar Hem: ‘Hoor en uw ziel zal leven’ (Jesaja 55:3). Wie niet naar Hem luistert, zal verdoemd worden.

Dat houdt in dat Mozes ons niet kan helpen, zodat wie volgens de Tien Geboden leeft en z’n best doet, als een haas in de strik is gevangen. Dáár is niet de vrijheid waarover Paulus spreekt: ‘Waar de Geest is, daar is vrijheid’ (2 Korinthe 3:17). Aan deze Leraar [Christus] wordt de Heilige Geest gegeven zonder maat. Hij heeft niet de Heilige Geest bij stukjes en beetjes, zoals de profeten, apostelen en wij hebben. In 1 Korinthe 12 zegt Paulus daar meer over. In die gemeente werd de Heilige Geest bij stukjes en beetjes gegeven. De Heere zei tegen Mozes neem zeventig mannen en zij zullen de Heilige Geest ontvangen. Dat was een deel van de Geest [Die op Mozes was] in vele ambten en gaven, en ook is Hij maar aan sommigen gegeven (Numeri 11:24 vv). Maar Christus heeft de Geest zonder maat.

Christus heeft de Heilige Geest zonder maat. Daarom moet je niet denken, dat Hij slechts een stukje van de Heilige Geest heeft. In Hem is de Heilige Geest niet bij stukjes en beetjes, zoals in andere predikers en leraren. In Kolossenzen 2 wordt van Hem gezegd: ‘In Hem zijn alle schatten van wijsheid, leven, zaligheid, genade en barmhartigheid; want de Godheid woont in Hem lichamelijk’ (v. 3 en 9) – In Hem is de Heilige Geest zonder maat, want Hij is de eniggeboren Zoon van de Vader. Wij zijn ook kinderen van God, maar niet zoals Hij, Die de Geest zonder maat heeft en uit Wiens volheid we alles ontvangen – ‘Want God heeft Hem aan ons gegeven tot wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en verlossing’ (1 Korinthe 1:31). Daarom is er nooit zo’n Prediker gezonden; Hij alleen brengt het Woord, waarin alles overvloeit en overstroomt – dat is nu: de Heilige Geest zonder maat hebben.

Dat Christus de Heilige Geest zonder maat heeft, houdt nog meer in: Zijn vervulling van de wet brengt ons de christelijke vrijheid. Zij die in de Tien Geboden willen wandelen en in de wet willen leven, zijn als gebonden in een kerker. Maar wie in Christus gelooft, krijgt deel aan deze onmetelijke vrijheid – want de Geest zegt: Je bent niet alleen vrij van de wet van Mozes, maar in je geweten ben je ook vrij van al haar aanklachten en beschuldigingen. Daarom hebben wij nu een Prediker, Die alles heeft, want aan de anderen heeft Hij het met mate gegeven. Wij die geloven, krijgen ook van deze onmetelijke Geest, en zijn Hem deelachtig door het geloof.”
[Maarten Luther: Auslegung des dritten uns vierten Kapitels Johannis (1538 und 1539). WA 47, 191 ff]

Zie ook: ‘Overleven in de verwarring van de eindtijd…‘

Bron citaat: http://www.maartenluther-com – Toegezonden Luthercitaat ‘Over de roeping tot een ambt (6)’ – Maandag 16 oktober 2023

‘Terwijl hij (Petrus) nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zei: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!‘ (Uit Matteüs 17 Vers 5)

Bron afbeelding: Pin on Inspiration

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie