Kennis van goed én kwaad…

En als mens verschenen, 8 heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis. 9 Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de Naam geschonken die elke naam te boven gaat, 10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader. (Uit Filippenzen 2)

Bij God was en is van eeuwigheid kennis van goed én kwaad, maar het het kwaad maakt geen deel uit van het wezen van God.
Het kwaad in de schepping is wel Gods schepsel en met een bepaald doel door Hem gemaakt en ingezet om dit te gebruiken tot Zijn eer en verheerlijking. God gebruikt het kwaad om de mens te onderwijzen – vanwege de wens en de eerste zonde van de mens om (op aangeven van de boze) toch óók het kwaad te kennen en zo nog meer aan God gelijk te zijn! – namelijk dat er in het schepsel zelf geen enkele kracht tot het goede en tot liefhebben te vinden is en dat er daarom van het schepsel zelf geen goeds te verwachten is. En zo zal het kwaad de mens en heel de schepping (vanwege de macht van de boze en het kwaad van de mens) doen vastlopen in alle misplaatste verwachting van zichzelf, opdat ieder eenmaal zal belijden dat God Liefde is, zoals Hij dat aan ons heeft getoond in en door het beloven en zenden van Zijn geliefde Zoon, onze Heer Jezus Christus, Die dood geweest is maar Hij leeft en regeert tot in eeuwigheid en Die spoedig zal weerkomen op de wolken.

Jesaja 53 en de komst van Christus

Bron afbeelding: Mens en samenleving

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Natuur, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Opdat wij nimmer van God verlaten zouden worden… (1)

… Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.
Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen:
De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?
(Uit Hebreeën 13)

De volgende tekstfragmenten zijn gekozen uit Luthers verklaring van de eerste 22 Psalmen (1519-1521). Luther gaat er vanuit dat het Nieuwe Testament de vervulling is van het Oude Testament en dat Christus spreekt door de mond van de profeten en in de Psalmen (vgl. o.a. Matthéüs 11:13; Johannes 5:35).

‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ (Psalm 22:2, weergave WA).

(…) “Niemand kan tegenspreken dat in Christus tegelijk de grootste vreugde en de grootste droefheid is geweest. Op dezelfde manier was in Christus de grootste zwakheid en de grootste kracht. Ook was in Hem de grootste eer en de grootste smaad, de grootste vrede en de grootste strijd, het grootste leven en de grootste dood – wat dit vers duidelijk laat zien. Het is immers alsof Hij hier in tegenspraak met Zichzelf uitroept dat Hij door God verlaten is – terwijl Hij tóch op hetzelfde moment Hem ‘Zijn God’ noemt. En daardoor belijdt Hij dat Hij niet verlaten is, want niemand zegt tegen God: ‘Mijn God’, die geheel door Hem verlaten is.

Wat moeten wij hiervan denken? Christus was hier tegelijk volkomen rechtvaardig en volkomen zondaar, volkomen zalig en volkomen verdoemd – want als we dit niet op deze manier willen zeggen, dan zie ik niet hoe Hij door God verlaten is. Dit zou ik zó willen duidelijk maken: Christus was inderdaad rechtvaardig en dat bleef Hij – ‘omdat Hij geen zonde had gedaan en geen bedrog in Zijn mond was geweest’ (vgl. Jesaja 53:9). Want daarom heeft Hij uit de maagd – door de Heilige Geest ontvangen – geboren willen worden, zodat Hij geheel zonder zonde zou zijn – want hoe zou Hij ons anders van de zonde hebben kunnen verlossen?

Maar in de tijd dat Hij heeft geleden, heeft Hij al onze zonden op Zich genomen, alsof het Zijn Eigen zonden waren. Hij heeft daarvoor ook hetzelfde geleden wat wij voor de zonden zouden moeten lijden – én wat de verdoemden nu reeds lijden. Paulus zegt dit ook in Romeinen 15 vers 3 – als hij Psalm 69 vers 10 aanhaalt: ‘De smaad van hen die U smaden, is op Mij gevallen.’ En Jesaja zegt: ‘Voorwaar Hij droeg onze ziekten en heeft onze pijnen op Zich geladen. Om de misdaad van Mijn volk heb Ik Hem geslagen, hoewel Hij geen zonde had gedaan en geen bedrog in Zijn mond is geweest’ (vgl. Jesaja 53:3 vv).

Want de straf die de zonden verdiend hebben, heeft Hij gedragen en andermans zonden tot de Zijne gemaakt. Zoals Jesaja zegt: ‘Ja, u hebt Mij arbeid gemaakt in uw zonden en hebt Mij vermoeid in uw misdaden’ (vgl. Jesaja 43:24). Dit is het grote geheim van de Goddelijke genade die door het lijden van Christus aan zondaren wordt gegeven: dat door een wonderlijke ruil onze zonden nu niet meer ónze, maar Christus’ zonden zijn, en de gerechtigheid van Christus niet meer Christus’ gerechtigheid, maar ónze gerechtigheid is.

Want hier worden de Bruidegom en de bruid één vlees (vgl. Efeze 5:32). Deze verborgenheid kan aan niemand voldoende gezegd, verkondigd, voorgesteld en duidelijk gemaakt worden – dit vanwege de hoogte en de diepte van de rijkdom en heerlijkheid die daarin besloten liggen. Het is geheel verborgen voor de wijzen en verstandigen van deze wereld, maar aan de onmondige kinderen geopenbaard. Zij alleen kunnen dit overdenken, daaruit leven en zich daarover verheugen en zich daarin beroemen (vgl. Matthéüs 11:25; 18:3).”

Maarten Luther: Operationes in Psalmos 1519-1521, vgl. WA 5, 598, 30 – 608, 22 (verkort)

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)
Bron afbeelding: EO.nl

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Kinderen en christelijke opvoeding… (I)

8 Mijn zoon, luister naar de lessen van je vader, verwaarloos niet wat je moeder je leert.
9 Hun lessen zijn een sierlijke krans om je hoofd, ze zijn een ketting om je hals.
(Uit Spreuken 1)

We hebben gezien dat de vermanende woorden die de apostel tot de ouders spreekt, twee kanten hebben. Enerzijds waarschuwt hij ons onze kinderen niet tot toorn te verwekken, hen niet te irriteren en hen niet onnodig boos te maken. Anderzijds worden deze woorden gevolgd door een positieve aansporing: ‘Voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.’ We zullen ons nu richten op de positieve kant van de vermaning van de apostel.

Hoe onbevattelijk groot is het dat wij bestaan en dat wij als individuele schepselen kunnen leven! En als we zien op het gezin, wordt het allemaal nog mooier. Wat een heerlijk onderwijs geeft de apostel ons hier over de functie van het ouderschap! Hij leert ons dat wij onze kinderen krijgen om hen op te voeden, groot te brengen en te onderwijzen in de weg die ze moeten gaan.

Als wij mensen nu eens net zoveel aandacht zouden besteden aan de opvoeding van onze kinderen (1) als aan de verzorging van dieren en bloemen, dan zou de situatie heel anders zijn. We lezen boeken en luisteren naar lezingen over die zaken en willen precies weten wat we moeten doen. Maar hoe vaak vragen we ons af of we het goed doen in de opvoeding van onze kinderen? De opvoeding laat we zomaar op zijn beloop en de gevolgen daarvan zijn pijnlijk zichtbaar…

(…) Wat is kinderen verzorgen en opvoeden een verantwoordelijkheid! In het zakenleven is de mens zich welbewust van de grote verantwoordelijkheid die op hem rust in de beslissingen die genomen moeten worden. Maar is de mens zich ook bewust van de oneindig veel grotere verantwoordelijkheid die hij heeft jegens zijn eigen kinderen? Weegt deze verantwoordelijkheid bij ons werkelijk het zwaarst? De apostel spoort ons aan de opvoeding te beschouwen als de grootste opgave in het leven, de grootste zaak die we ooit zullen moeten behandelen en afwikkelen.

‘Voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.’
De twee woorden die Paulus hier gebruikt zijn heel betekenisvol.

Het woord ‘lering’ (KJV: ‘voeding’) duidt eigenlijk op hetzelfde als wat we lezen in Efeze 5:29. We lezen daar dat de Heere Zelf de gemeente ‘voedt en onderhoudt’: ‘Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees (lichaam) gehaat, maar hij voedt het en onderhoudt het, zoals ook de Heere de gemeente.’ Hier lezen we dat wij hetzelfde moeten doen met onze kinderen.

‘Lering’ heeft een algemener betekenis en gaat over alles wat wij voor de kinderen doen, gaat over ons handelen dus. Het gaat over het begeleiden van het hele proces van de ontwikkeling van het verstand en de geest, de principes en het gedrag, de hele persoonlijkheid van het kind. Dat is onze taak.

‘Vermaning’ heeft grotendeels dezelfde betekenis, maar legt meer de nadruk op het gesproken woord. Onze kinderen zullen met woorden vermaand worden: woorden van aansporing, woorden van bemoediging, woorden van bestraffing, woorden van afkeuring. Paulus verwijst hier in feite naar alles wat wij tegen de kinderen zeggen als het gaat om onze standpunten en als we aangeven wat goed of fout is, als wij hen bemoedigen, aansporen, enzovoorts. Dit is de betekenis van het woord ‘vermaning’ en de taak die ons daarmee gegeven is.

(1) De schrijver attendeert de lezer er aan het begin van zijn boekwerkje al op het feit dat ook andere mensen die zelf niet de ouders zijn of zelf geen ouder zijn ook zeker een taak hebben bij het opvoeden van kinderen en daarin een belangrijke rol kunnen spelen.

Wordt vervolgd.

Bron: “Ouders en kinderen – Paulus als pedagoog” – D.M. Lloyd-Jones (Bijbel, huwelijk en gezin, Uitgeverij Kok Kampen)
Bron afbeelding: Bol.com

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie

Gehoorzaam samenleven “in de Heere”… (II)

‘En Hij ging met hen mee en kwam te Nazareth en was hun onderdanig.’

(…) Laten we nu nog een stap verder gaan. ‘Jullie kinderen, weest uw ouders gehoorzaam’ omdat Jezus Zijn ouders ook gehoorzaam was toen Hij op deze aarde leefde. Dit lezen we in Lukas 2:51: ‘En Hij ging met hen mee en kwam te Nazareth en was hun onderdanig.’ Deze woorden gaan over de twaalfjarige Jezus.

Hij was toen met Jozef en Maria naar Jeruzalem geweest. Ze ontdekten onderweg dat hij niet bij het gezelschap was. Ze gingen terug en vonden Hem in de tempel. Hij was in gesprek met de wetgeleerden. Hij weersprak en weerlegde hun opvattingen en Hij had hen volkomen van hun stuk gebracht. En Hij zei tegen zijn ouders: ‘Wist u niet, dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?’ (Lukas 2:49). Hij had dit besef reeds op twaalfjarige leeftijd.

De vleesgeworden Zoon van God, Die Zich onderwerpt aan Jozef en Maria! Hoewel hij Zich ervan bewust was dat Hij in deze wereld was voor de dingen van Zijn Vader, vernederde Hij Zich en was Zijn ouders onderdanig. Laten we op Hem zien, laten we beseffen dat Hij dit in de eerste plaats deed om Zijn Vader in de hemel te behagen, opdat Hij de wet in alle opzichten zou vervullen. Hij heeft voor ons een voorbeeld nagelaten opdat wij in Zijn voetsporen zouden treden.

Hier vindt u dus de redenen voor het bevel tot gehoorzaamheid en tot navolging ervan. Meer is er niet over te zeggen. Het is recht. De natuur leert het ons. Gods wet legt er de vinger bij, onderstreept het. Het behaagt de Heere. Gehoorzaamheid is een bewijs dat u op Hem lijkt, want dan doet u wat Hij Zelf deed toen Hij in deze zondige, boze wereld was. God geve ons licht van boven, opdat wij allen, hoofd voor hoofd, naar dit bevel zouden leren leven!

Wat wij tot nu toe hebben gezegd, kan verkeerd begrepen worden. Als ouders hier een punt zetten, maken zij zich schuldig aan een ernstige misvatting. Paulus is nog niet klaar. Hij heeft nog een woord voor de ouders. Dit is alleen nog maar zijn boodschap voor de kinderen. Als wij voorgaande lezen in het licht van wat hij tot de ouders zegt, zullen we misschien leren omgaan met problemen waarmee kinderen – ongeacht hun leeftijd – te maken kunnen krijgen, met name ook die kinderen die onbekeerde ouders hebben.

God geve onze kinderen de genade om dit bevel te gehoorzamen. (…)

Bron: “Ouders en kinderen – Paulus als pedagoog” – D.M. Lloyd-Jones (Bijbel, huwelijk en gezin, Uitgeverij Kok Kampen)
Bron foto: God en gebed – blogger

2Kor13vers14 - God en gebed - blogger

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie

Ouders en kinderen: Gehoorzaam samenleven “in de Heere”… (I)

‘Gij kinderen, zijt uw ouders gehoorzaam in de Heere.’

(…) Ik wil nogmaals benadrukken dat dit onderwijs zeer typerend is voor het Nieuwe Testament. Het christendom verwerpt de natuur niet. Begrijp me niet verkeerd; ik heb het niet over ‘de gevallen natuur’. Ik zeg: ‘natuur’, de oorspronkelijke natuur zoals God die heeft geschapen en geordend. In die zin spreekt het christelijk geloof de natuur nooit tegen. In de vroegchristelijke kerk waren er al mensen die dachten dat dit het geval was, zelfs in de huwelijksrelatie. Om die reden moest Paulus het zevende hoofdstuk van 1 Korinthe schrijven. Sommige Korinthiërs redeneerden als volgt: ‘Ik ben christen geworden, maar mijn vrouw niet. Welnu, omdat ik christen ben en zij niet, ga ik bij haar weg.’ Er waren ook vrouwen die hetzelfde zeiden. Maar dat is niet goed, zegt Paulus. Het christendom roept ons in geen geval op om tegen de natuur in te handelen; het is geenszins de bedoeling dat wij tegennatuurlijk zijn. Het christendom verheft en heiligt daarentegen juist het natuurlijke.

(…) We letten er nu op hoe de apostel het zegt: ‘Kinderen, weest jullie ouders gehoorzaam. Eer je vader en moeder.’ Niet alleen de natuur leert het ons, maar ook de wet. We moeten echter nog een stap verder gaan: de genade! Dit is de volgorde: natuur, wet, genade.

‘Gij kinderen, wees jullie ouders gehoorzaam in de Heere!’
Het is van belang dat wij de woorden ‘in de Heere’ verbinden met het juiste woord. Ze betekenen niet: ‘Kinderen, gehoorzaam uw ouders in de Heere.’ Beter is: ‘Kinderen, gehoorzaam in de Heere jullie ouders.’ De apostel herhaalt eigenlijk datgene wat hij ook heeft gezegd over de relatie tussen man en vrouw en later nog over dienstknecht en meester.
‘Gij vrouwen, weest uw eigen mannen onderdanig, zoals aan de Heere’ (Efeziërs 5:22).
‘Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, zoals ook Christus de gemeente liefgehad heeft’ (Efeziërs 5:25).
‘Gij dienstknechten, weest gehoorzaam aan uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoud van hart, zoals aan Christus’ (Efeziërs 6:5).

Wij behoren onze ouders te gehoorzamen, eren en respecteren omdat dit een onderdeel is van onze gehoorzaamheid jegens onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hij vraagt dit van ons; het is Zijn gebod; het is een van de manieren waarop wij onze relatie met Hem en onze gehoorzaamheid jegens Hem gestalte geven. ‘Jullie kinderen, weest jullie ouders gehoorzaam in de Heere.’ Er zijn weliswaar ondergeschikte redenen. Daar moet u echter niet bij blijven stilstaan, maar het gebod gehoorzamen om Christus’ wil.

De wet geeft het gebod. Het christelijk geloof doet hetzelfde, maar geeft ons er een veel voornamer reden voor. Het geeft ons bovendien meer inzicht in Gods gebod. Als wij christen zijn, beseffen we dat we het gebod onderhouden ‘zoals onze Heere’, de Heere Die onze menselijke natuur heeft aangenomen. Hij kwam op aarde om de wil van Zijn Vader te doen en Zijn Naam groot te maken. Hij heeft de wet gehouden, Hij heeft in overeenstemming met de wet geleefd. En Hij heeft ons verlost, opdat wij Hem tot ‘een eigen volk’ zouden zijn, ‘ijverig in goede werken’ (Titus 2:14). Hij heeft Zichzelf voor ons overgegeven ‘opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest’ (Romeinen 8:4). De genade verheft het gebod tot het hoogste niveau.

Wij gehoorzamen onze ouders en eren en respecteren hen om onze Heere en Zaligmaker te behagen, Die ons vanuit de hemel regeert en vanuit de hemel op onze handel en wandel nauwlettend acht geeft. De apostel zegt dit reeds in het derde hoofdstuk van Efeziërs, in vers 10: ‘Opdat nu door de gemeente bekendgemaakt wordt aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God.’

Beseft u dat de engelen, overheden en machten, wanneer zij zien dat wij, christenen, deze zaken in ons dagelijks leven in praktijk brengen, zich erover zullen verwonderen dat Hij, de Zoon, in staat is geweest om zulke mensen van ons te maken die naar Gods geboden willen en kunnen leven zelfs in deze zondige wereld. (…)

Wordt vervolgd…

4 Vaders, maak uw kinderen niet verbitterd, maar vorm en vermaan hen
bij het opvoeden zoals de Heer dat wil.
(Uit Efeziërs 6)

Bron: “Ouders en kinderen – Paulus als pedagoog” – D.M. Lloyd-Jones (Bijbel, huwelijk en gezin, Uitgeverij Kok Kampen)
Bron foto: Thuis geloven

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Politiek | Plaats een reactie

Bidden op Biddag…

31 Vraag je dus niet bezorgd af: “Wat zullen we eten?” of: “Wat zullen we drinken?” of: “Waarmee zullen we ons kleden?”. (Uit Matteüs 6) (…) 30 Want naar al deze dingen zoeken de volken van de wereld. Uw Vader echter weet dat u deze dingen nodig hebt. 31 Maar zoek eerst het Koninkrijk van God en al deze dingen  zullen u erbij gegeven worden. 32 Wees niet bevreesd, kleine kudde, want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven. 33 Verkoop uw bezittingen en geef de opbrengst weg als liefdegave. Maak voor uzelf beurzen die niet verslijten, een schat die niet opraakt, in de hemelen, waar de dief niet bij komt en die door de mot niet aangetast wordt. 34 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. (Uit Lukas 12)

Inmiddels een aantal jaren geleden maakte een predikant op biddag iets duidelijk over de “vreemdheid” (1) van een speciale biddag in/van de kerken. Bij zijn spreken over de dagelijkse noden (als kleding en voedsel) heeft Jezus immers gezegd: Zoekt (bidt) eerst (voor) het koninkrijk van God en al die andere zaken – die (ook) nodig zijn (voedsel, kleding, broeders en zusters) – zullen, wanneer we dat koninkrijk in bidden en werken daadwerkelijk de eerste plaats geven in ons leven, ons geschonken worden – zonder daarom eerst en vooral te bidden – want, zei Jezus: uw hemelse Vader weet wel dat u dat nodig hebt.

Met het Onze Vader gebed dat de Here Jezus ons leerde bidden, zullen en kunnen wij ons dagelijks met en in ons bidden (eerst) direct aan het begin van de betreffende dag al volmaakt geven en toewijden aan het eerst zoeken van “Gods koninkrijk en Zijn gerechtigheid”.  Met dit gebed aan het begin van de dag leren en praktiseren we ook Jezus opdracht om “bij de dag” te leven (zie Matteüs 6 : 34) . En al ons latere bidden die dag in schietgebedjes en zuchten en/of ons op andere manier “spreken en overleggen” met onze hemelse Vader is dan gehoor geven aan en serieus nemen van wat Paulus de gemeente(n) en ook ons als opdracht meegeeft  in Filippenzen 4:

6 Wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles,
door bidden en smeken, met dankzegging
bekend worden bij God;
7 en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat,
zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus.

Wanneer we dan toch weer een biddag houden en gebruiken, laten we dan vooral bidden voor onze overheden, dat die ervoor zorgen willen, kunnen en mogen dat de Kerk (en dan gaat het hier dus om/over al haar leden) in rust en vrede het evangelische werk (zoeken en dienen van het koninkrijk van God) zal kunnen en mogen uitvoeren!

Zie verder ook nog: Luther over ons bidden…

(1) 8 Toen u God nog niet kende, was u onderworpen aan goden die helemaal geen goden zijn. 9 Hoe is het dan toch mogelijk dat u die God hebt leren kennen, meer nog, door God gekend bent, u opnieuw tot die zwakke, armzalige machten wendt en u daaraan als slaven onderwerpen wilt? 10 U houdt u werkelijk aan vaste feestdagen, maanden, seizoenen en jaren? 11 Ik vrees dat al mijn inspanningen voor u volkomen zinloos zijn geweest. (Uit Galaten 4)

Bron foto: Bethel PKN Wijkgemeente Zeist

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Leer mij Uw weg o Heer…

Bespreking van een aantal verzen van Psalm 25

10 Alle paden des Heren zijn goedertierenheid en trouw
voor wie Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.
11 Om uws Naams wil, Here,
vergeef mij mijn ongerechtigheid, want die is groot.

De Hebreeuwse tekst heeft: ‘Alle paden des HEREN zijn goedertierenheid en trouw voor wie Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.‘ Dit bemoedigt David. Het maakt hem tegelijk des te meer bewust van zijn tekortkomingen. Daarom bidt hij uitdrukkelijk: ‘Om Uws Naams wil, Here, vergeef mij mijn ongerechtigheid, want die is groot.‘

De Griekse tekst (LXX) brengt een nuance aan: ‘Al Gods wegen zijn genade en waarheid voor hen die Zijn verbond en zijn getuigenissen zoeken. Om Uw Naam Kurios, overkom mijn zonde, want die is groot.‘ Er wordt niet gesproken over het ‘bewaren‘, maar over het ‘zoeken‘ van Gods verbond. (…)
De dichter is onder de indruk gekomen van de schoonheid van Gods openbaring in Zijn verbond. Bij de rijkdom ervan beseft hij dat hij nog maar weinig echt gezien heeft van Gods glorie. Hij verlangt om meer te zien. Vandaar het ‘zoeken‘. Het enigszins wettische karakter dat al makkelijk doorklinkt in het Hebreeuwse ‘bewaren van het verbond‘ is verdwenen. Het Grieks spreekt muzischer, meer in de trant van de Psalmen waarin de schepping en de wijsheid verbonden worden met de Wet (Psalm 19, 119, 139).

Bij deze innigheid van toon past het gebed dat in de LXX een nog meer persoonlijk karakter gekregen heeft: ‘Al Gods wegen zijn genadig en waar voor hen die Zijn verbond en getuigenissen zoeken, ontferm U (daarom) ook (!) over mij waar het mijn zonde betreft.‘ David verwacht dat God hem in het ogenblik van nood iets van zijn glorie, zijn reddende aanwezigheid zal laten zien: er zal iets oplichten van Zijn verbond, van wie God is!

12 Wie is de man die de Here vreest?
Hij onderwijst hem aangaande de weg die hij moet kiezen.

Het lijkt alsof de dichter nu lucht krijgt. De klank van de Psalm krijgt iets opgetogens: ‘Wie is de man die de Kurios vreest?‘ De dichter beseft dat hij bij hen hoort die dat doen. Vol vertrouwen spreekt hij uit: ‘God zal hem onderwijzen in de weg die hij moet kiezen‘. (2) (…)

(1) Gedeeltes gekozen uit een bespreking van deze Psalm in Ecclesia (zie Bron).
(2) De auteur geeft aan: Nauwkeurige lezing van deze Psalm doet vermoeden dat we deze Psalm te situeren hebben in wat we lezen in 1 Samuel 30, waar Davids loyale volgelingen hem in verbittering dreigen te stenigen vanwege het verlies van hun vrouwen en kinderen die geroofd waren door de Amalekieten.  Er staat dan: ‘Maar David sterkte zich in de Here‘. En daarna vroeg David om raad aan de Here, en die ontvangt hij dan ook.

Bron: Ecclesia nr 5 – maart 2017. ” Psalm 24 in de LXX” (25 NBG) door H. Klink, Hoornaar.

HEERE, maak mij Uwe wegen,
Door Uw woord en Geest bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen,
En waarheen G’ Uw treden wendt,
Leid mij in Uw waarheid, leer
IJv’rig mij Uw wet betrachten;
Want Gij zijt mijn heil, o HEER,
‘k Blijf U al den dag verwachten.

psalms-25-4-daily-verses-net

Bron foto: Daily Verses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie

Voor de armen (eenvoudigen, nederigen) van geest…

Alle dalen zullen verhoogd worden, alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden; De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden, en alle vlees tezamen zal Hem zien. (Jesaja 40:4a,5a)

(…) Veel godsdiensten zijn op een bepaalde manier heel ‘mysterieus’. Vooral bij de oosterse godsdiensten is dit duidelijk zichtbaar. Men moet op zoek naar een geheim dat verborgen is en gezocht moet worden of een inzicht dat met gedisciplineerde meditatie verkregen kan worden. (…)

Dit is volledig in tegenstelling met de boodschap van het evangelie. Wanneer Jezus Christus komt, komt Hij niet in het verborgene, maar juist openlijk. Hij komt niet op een geheimzinnige manier, om enkele zeer geoefende spirituele mensen in te wijden in zijn ‘mysterie’, maar laat zich juist zien aan de eenvoudigen (Lukas 10:21 ). In Markus 4:22-23 zegt Hij zelfs: ‘Er is niets gebeurd om verborgen te blijven, maar opdat het in het openbaar zou komen. Als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen.’

Bij Jezus’ komst worden alle dalen verhoogd en alle bergen en heuvels verlaagd, de wereld staat volledig op zijn kop. Hij keert zich niet af van de materiële werkelijkheid, maar laat juist zien dat zij volledig onder zijn gezag staat. De God van de Bijbel is geen God die zich verborgen houdt in het duister, maar een God die openlijk verschijnt als het licht van de wereld in zijn eigen schepping.

In bijna iedere godsdienst speelt het begrip ‘zelfovergave‘ een rol. Zelfovergave hoeft in en van zichzelf beslist geen nobele daad te zijn. Motieven voor zelfovergave kunnen bijvoorbeeld ontstaan uit angst, of vanuit het verlangen om er vooral zelf beter van te worden. (…)
Vanuit en vanwege ontzag voor Gods heerlijkheid – ons geopenbaard in Woord én Schepping – zal een christen zich toewijden aan Christus. Niet vanuit angst of egoïsme, maar door een besef van Zijn goedheid (1): Romeinen 2:4 – ‘Weet u niet dat zijn goedheid u tot inkeer wil brengen?’.

(…) In tegenstelling tot het christendom zijn alle andere godsdiensten vooral als ‘aristocratisch’ te typeren. (…) Daardoor ontstaan er juist meer ongelijkheden tussen gelovigen; de een toont en doet zich beter, vromer of rechtvaardiger voor dan de ander. Het christendom echter ‘moet staan voor het principe dat het morele leven geen egoïstische klimpartij is waarin de duivel de meeste gelegenheid krijgt de laagsten te grijpen, maar een grote gemeenschap waarin juist de meest zelfverzekerde en zichzelf verheffende personen de duivel gelegenheid geven hen te vangen.’

(1) In Exodus 33:18 vraagt Mozes om de heerlijkheid van God te mogen zien: ‘Toon mij toch Uw heerlijkheid’. God antwoordt vervolgens: ‘Ik zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen‘ (vers 19) en ‘als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt’ (vers 22). Blijkbaar is Gods heerlijkheid dus synoniem aan Zijn goedheid.

Bron: Ecclesia nr 5 – maart 2017. Meditie van E.A.E. Dubbelman, Leuven (bewerkt door AJ)

Want er is een dag van de HERE der heerscharen tegen al wat hoogmoedig is en trots en tegen al wat zich verheft, opdat het vernederd worde. (Jesaja 2:12)

de-dag-des-heren-theendisnear-punt-nl

Bron foto: theendisnear.punt.nl

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Niet tegen “vlees en bloed”…

11 Bekleed u met de hele wapenrusting van God, opdat u stand kunt houden tegen de listige verleidingen van de duivel. 12 Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten. (Uit Efeziërs 6)

De Turken voor Wenen…
(…) Maar de duivel had nog meer ijzers in het vuur (1). Op 17 oktober 1529 hoort Luther dat de legers van de Turkse sultan voor de poorten van Wenen staan. De Balkan is goeddeels veroverd. Gaat Europa hetzelfde lot tegemoet als Noord-Afrika en het Byzantijnse Rijk en worden volgende generaties uit de Koran onderwezen in plaats van uit de (door Luther met zoveel passie vertaalde) Schrift: het Woord van God, die een geliefde Zoon heeft? De schrik slaat de reformator om het hart. Een week later hoort hij dat de Turken het beleg hebben moeten opgeven. Het gevaar van een islamitisch Europa is afgewend! Velen menen dat dát het moment is waarop Luther de luit grijpt en zijn meest bekende lied wordt geboren:

Ein feste Burg ist unser Gott, ein gute Wehr und Waffen.
Er hilft uns treu aus aller Not,  die uns jetzt hat betroffen.
Der alt böse Feind mit Ernst erst jetzt meint: 
gross Macht und viel List sein grausam Rüstung ist, 
aut Erd ist nicht seinsgleichen.
(…)

Wie is de vijand in het Lutherlied?
De oude legende wil dat ‘Ein feste Burg’ is ontstaan op de Rijksdag te Worms (2). Maar in de verschillende gezangboeken die Luther in 1524 laat verschijnen, komt het lied niet voor. Vóór 1528 zijn er geen bewijzen van zijn bestaan. Later werd aangenomen dat Luther het in 1529 schreef, toen de Turken waren weggetrokken van Wenen. Ook die theorie wordt aangevochten… (…)

Vlees en bloed?
‘Vlees en bloed’ spelen bij deze interpretaties en tijdbepaling van het lied een te belangrijke rol. De Wittenbergse nachtegaal zingt in dit lied “tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Efeze 6:12). “Der alt böse Feind” in de 1e strofe is niet “de Paus”, “de Sultan”, “de perikelen” of “de pest”, maar de oude slang, die al in het paradijs probeerde Gods woorden verdacht te maken en die nu met inzet van allerlei middelen Gods werk wil verstoren! “Zijn gruwelijke uitrusting” die toen door hem werden ingezet noemt Luther dat Satanstuig. (…)

Overwinnaars…
(…) Wanneer je strijdt aan de kant van de Heer van de legerscharen, is die satansmacht, die van allerlei kanten dreigen kan, opeens zo afschrikwekkend en onoverwinlijk (3) niet meer! Luther: “Al was de wereld vol duivels, die ons wilden verslinden met huid en haar, toch zijn we niet zo bang meer, want het zal ons tóch GELUKKEN! Zo verschrikkelijk als de overste van deze wereld zich tegenover ons opstelt, zo verschrikkelijk kan hij ons niet treffen: dat komt omdat hij al veroordeeld is. Eén woordje kan hem doen vallen.” (4) […]

 ~~~~~~~~~~~~~~~~

(1) Behalve de ban van kerkelijke en wereldlijke overheden en daadwerkelijke verbranding van Luther’s boeken dreigde ook de brandstapel voor zijn volgelingen (In 1523 waren Johannes van Essen en Hendrik Voes in Brussel de eersten die stierven op de brandstapel).
(2) Passend bij de opvatting dat het lied vooral tegen de Paus en de macht en het geweld van curie en inquisitie geschreven is.
(3) 12 (…)Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt, heb er geen ontzag voor. 13 Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig, voor Hem zijn angst en ontzag op hun plaats. (Uit Jesaja 8)
(4) 2 Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof: denkend aan de vreugde die voor hem in het verschiet lag, liet hij zich niet afschrikken door de schande van het kruis. Hij hield stand en nam plaats aan de rechterzijde van de troon van God. 3 Laat tot u doordringen hoe hij standhield toen de zondaars zich zo tegen hem verzetten, opdat u niet de moed verliest en het opgeeft. 4 U hebt in uw strijd tegen de zonde uw leven nog niet op het spel gezet. (Uit Hebreeën 12)

Bron tekst: J.H. Klein in “Een vaste burcht (gezang 401)” artikel in Opbouw (Opinieblad van de Nederlands gereformeerde kerken) van 22 oktober 1993. (Tekst bewerkt door AJ)

Bron van het Lutherlied is Psalm 46

 psalm16vers8-de-heere-voor-ogen

Bron foto: Leven in het Koninkrijk

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Stomme beelden en het bijbehorende verhaal…

Beelden zijn nietszeggend, “stom”, tenzij wij er een verhaal bij horen of bij weten of bij kunnen maken in onze gedachten. Natuurlijk is dat verhaal dan gebaseerd op wat we eerder gezien en ervaren hebben of (van een ander) gehoord. Wanneer het een tekening of schilderij betreft, dan kunnen we natuurlijk het beste afgaan op het verhaal van de schilder zelf om te weten te komen wat de afbeelding voorstelt en ons te vertellen heeft. En wanneer een schilder ons dat zelf niet meer vertellen kan, dan is het goed om meer van de geschiedenis van de betreffende schilder te weten om zodoende te kunnen bepalen uit welke bronnen hij geput heeft en vanuit welke gedachten en met welk doel voor ogen hij zijn schilderij(en) maakte…
Wanneer het werk van schilders al het beste geïnterpreteerd kan worden op basis van hun eigen verhaal of levensgeschiedenis, hoe belangrijk moet het dan voor ons zijn om te willen luisteren naar God als Auteur van de Schepping en de wereldgeschiedenis…
Om te voorkomen dat wij zouden moeten leven bij een (eigen gemaakt) beeld van deze wereld en onze wereldgeschiedenis en van God zelf en bij eigen verhalen over deze wereld en over God zelf, sprak en spreekt God tot ons mensen Zijn Woord. Hij wilde en wil dat we dagelijks naar wat Hij ons te vertellen heeft zullen luisteren. Dit doen we door zelf dagelijks eerbiedig te (gaan) luisteren naar Zijn Woord, dus door dagelijks de Bijbel te lezen en overdenken onder gebed tot Hem. Zo komen wij ieder te staan in een persoonlijke betrekking tot Hem en zó wil Hij zich aan ons langs deze Weg de Levende betonen en zó verlost Hij ons (dagelijks!) van het leven bij een (“stom” en eigen gemaakt) beeld van Hem. Door het gebed tot de Vader en werk van de Heilige Geest is het Woord van God levend en krachtig in ons leven en denken en werken. Zo worden wij inwendig gesterkt door de Heilige Geest en kan Christus door het geloof woning maken in onze harten. En zo worden wij bereid, gereed en bekwaam tot het spreken van liefdevolle en juiste woorden en tot verrichten van alle goed werk in deze wereld (Efeziërs 3 : 14-21).

Rembrandt - HonderdGuldenPrent

Honderdguldenprent (klik hier voor grote afbeelding Wikipedia)

De Honderdguldenprent is de beroemdste ets van Rembrandt. Deze prent dankt zijn naam aan het legendarische verhaal, dat Rembrandt eens honderd gulden moest betalen om een exemplaar van zijn eigen ets te kunnen kopen.

Wat is nu het aparte van deze ets? Dat hij alle gebeurtenissen van één Bijbelhoofdstuk in één momentopname samenvat! Het gaat hier om Mattheüs 19. Kijk en vergelijk!

En vele scharen volgden Jezus, en Hij genas hen. (vers 1 -2)
Vanuit een donkere poort (rechts) komt een lange stoet mensen. Ze zijn getekend door ziekte, verdriet en handicaps. Zij zoeken een weg naar het Licht. Hun leven is één schreeuw om hulp. Zij verwachten alles van de Man in het midden. De gevouwen’handen van de twee figuren midden voor op de plaat en de zoekende hand van de blinde die op het stro ligt – spreken ze niet voor zichzelf?

En er kwamen Farizeeën tot Hem… (vers 3-12)
Zij staan uiterst links op de ets. Maar zij wenden zich van Jezus af. Hun gezichten en gebaren spreken duidelijke taal: ze weten het beter. Dit is de enige groep die buiten het licht van Christus staat. Het licht waarin zij staan is een ander licht, een koud licht, het licht van hun zelfverzekerdheid. De één glimlacht ironisch, een ander denkt na.

Toen werden kinderen tot Hem gebracht… (vers 13 en 14)
Midden-links zien wij twee moeders met een baby op de arm. De meest linkse aarzelt nog, maar haar enthousiaste zoontje trekt haar naar Jezus toe: een spontaan gebaar van vertrouwen. Petrus (met de baard) wil de voorste moeder tegenhouden. Maar Jezus weert Petrus af met zijn rechterhand en nodigt daarmee tegelijk de vrouw uit dichterbij te komen: Laat de kinderen tot Mij komen!

Tussen de moeders en de Farizeeën zit de rijke jongeman. Over hem gaaf het in vers 16-26. Je moet echt even turen om hem te ontdekken… Met de hand voor zijn mond zit hij verslagen voor zich uit te staren. Een levend bewijs, dat een rijke in werkelijkheid heel arm kan zijn. Terwijl de kinderen nog niet en de zieken niet meer aan de wereld gebonden zijn, is hij een slaaf van zijn bezit geworden. Over hem zegt Jezus: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan (vers 24). Naar deze uitspraak verwijst de kameel die, uiterst rechts, door de poort het toneel op loopt.

En dan is er nóg iemand. Dat is de dikke man met de brede rug, links vooraan. Met beide benen op de grond, een grote baret op het hoofd. Als je naar zijn postuur kijkt, weet je het al: echt iemand die het gemáákt heeft in het leven. Hij is niet voor en niet tegen. Hij heeft alleen maar een geamuseerde glimlach over voor wat er om hem heen gebeurt. De eeuwige toeschouwer.

En dan is er … Jezus. Het enige bijzondere aan Hem is, dat Hij in het middelpunt staat. Als een verticaal accent staat Hij centraal op de compositie. Er straalt iets van Hem uit: genade en vrede. Er gaat een stil appèl van Hem uit. En dan zijn er twee reacties: de mensen bewegen zich naar Christus toe (de zieken en de kinderen) óf zij keren zich van Hem af (de Farizeeën en de rijke jongen). En .. .wie denkt dat hij neutraal kan blijven (de toeschouwer) wordt meegesleept door hen die weggaan.

Jezus heeft in zijn houding niets imponerends, niets dwingends. Het is vooral een uitnodigende houding: Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven (Matt. 11:28). God komt niet met veel lawaai en show in deze wereld, maar als een Knecht die dient. Nederig. En zó, als de Liefdevolle, als de Barmhartige, als de Gekruisigde, roept Hij ons op tot een keuze.

Waar staat u, waar sta jij op het schilderij?

Auteur:  J. Riemersma, Sliedrecht
Bron: W.A. Visser ’t Hooft: Rembrandts weg tot het Evangelie. Amsterdam, 1956.

Overgenomen uit: Ecclesia nr 2 – januari 2016 – 107e jaargang.

Efeziërs 3 : 14-21
14 Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, 15 naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, 16 opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, 17 opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, 18 zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, 19 en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.
20 Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, 21 Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid!
Amen.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie