Leg Uw hand op haar…

Mijn dochter is zo juist gestorven, maar kom
en leg​ Uw hand op haar en zij zal leven.

(Uit Matteüs 9 : 18)

Het eerste dat op het geloof moet volgen is het gebed, want dat is de vrucht van het geloof. Het geloof kan niet bestaan zonder gebed, net zomin als vuur zonder warmte.

Zo is het ook bij deze overste van de synagoge, Hij had een hartelijk vertrouwen en verlangen dat zijn dochter gezond mocht worden. Inwendig bidt en smeekt hij sterker dan alle woorden op aarde zouden kunnen uitspreken.

Het geloof zet hem aan om onbevreesd tot Christus te gaan en hij denkt er helemaal niet aan hoe groot Christus is en hoe gering hijzelf is. Zoals een dronkenman onbezonnen gaat waar zijn voeten hem brengen, zo gaat deze vader ook waar zijn hart hem brengt. Want hij is geestelijk dronken!

Op deze manier moeten wijzelf ook bidden en niet eerst met ons verstand beginnen en erover nadenken of het mogelijk zou zijn dat het echt gebeurd of niet. Wij mogen niet twijfelen dat Hij het kan en wil doen, maar in woorden losbarsten en tot Hem roepen.

De nood zal je wel leren hoe je bidden moet.

Zo doet de overste hier ook en bidt: ‘Heere, kom
mijn dochter is gestorven, maak haar levend!

Dit zijn simpele maar toch hoogst wonderlijke woorden.

Het geloof in het hart van de vader is een groter wonder dan
de opwekking van zijn dochtertje.

Maarten Luther: Predigte des Jahres 1528, vgl. WA 27, 422-423

Bron tekst: “Uit de diepten roep ik tot U – Dagboek over het gebed – Maarten Luther” (5 november – “Leg Uw hand op haar“)  samengesteld door Hugo van Woerden (Den Hertog, Uitgeverij)

Hij zei: ‘Vertrek van hier, het meisje is immers niet gestorven, ze slaapt.’
Men lachte smalend.
(Matteüs 9 : 24)

Jezus zei: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.’
(Lukas 18 : 27)

Bron afbeelding:  SlideShare

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | 1 reactie

Het Onze Vader uitgelegd voor de eenvoudigen, 1519 (27)

(…) 6 Hoor mijn ​gebed, HEER, luister naar mijn smeken.
7 In dit uur van mijn nood roep ik u aan, want U geeft mij antwoord.
(Uit Psalm 86)

De zevende en laatste bede: 

Het kleine woordje ‘Amen’ (2)

(…) “Daarom betekent het kleine woordAmen‘ hetzelfde als waarachtig, voorwaar, zeker. Het is een woord dat wordt uitgesproken door het vaste geloof van het hart. Het is alsof je zegt: ‘O mijn God en Vader, ik twijfel er niet aan dat u de dingen waarvoor ik U een verzoek heb gedaan, mij zult geven, niet vanwege mijn bidden, maar vanwege Uw gebod aan mij om ze U te vragen en vanwege Uw belofte om ons bidden te horen. Ik ben ervan overtuigd, o God, dat U waarachtig bent, dat U niet kunt liegen. Het is dan ook niet de waardigheid van mijn gebed, maar de zekerheid van Uw waarachtigheid, dat me ertoe brengt dit vast te geloven. Ik twijfel er dan ook niet aan dat mijn bidden een Amen zal worden en zal zijn.

In dit opzicht schieten sommigen rampzalig tekort in hun manier van bidden. Het heeft geen enkele zin, want ze spreken de woorden alleen met hun lippen en niet met hun hart, omdat ze niet geloven dat ze worden gehoord tenzij ze van zichzelf overtuigd zijn of zich inbeelden dat ze goed en waardig hebben gebeden. Dus ze bouwen op zichzelf. Zulk bidden valt onder Gods oordeel. Een gebed kan onmogelijk op zichzelf waardig genoeg zijn om door God te worden gehoord. Nee, de bidder moet vertrouwen op de waarachtigheid en de beloften van God Zelf, want als God ons niet had geboden om te bidden en beloofd ons te horen, dan konden alle schepselen nog geen korrel graan krijgen met en door al hun bidden.

Begrijp daarom dat een gebed niet daarom goed en juist en aangenaam is voor God vanwege zijn lengte, vroomheid, zoetheid of vanwege het met innige woorden smeken om tijdelijke of eeuwige goederen. Alleen dat gebed is aangenaam voor God wanneer de bidder spreekt met krachtig vertrouwen en vast gelooft dat het zal worden gehoord (hoe klein en onwaardig het van zichzelf ook is) vanwege de betrouwbaarheid en belofte van God Zelf.

Niet uw inspanning, maar Gods Woord en belofte maken uw gebed goed. Dit geloof, gebaseerd op Gods Woord, is dan ook de ware aanbidding – zonder dat geloof is alle andere aanbidding pure misleiding en dwaling. “

Maarten Luther: Dr. Martin Luthers Werke (Weimarer Ausgabe) WA 2, 127, 19 – 128, 2 (gebruikte vertaling: Luthers Works, American Edition, deel 42, blz. 77)

NB. Deze Luther-quote is een vertaling van de eerder in de Engelse taal gepubliceerde versie.

Bron tekst: If you would like to have these Luther Quotes sent to family or friends you can send (with their permission) the email address to: info@martinluther-quotes.com
Or, you can use the web-form located on the homepage of the website www.maartenluther.com. There you can find both options to subscribe and unsubscribe from our weekly quotes. The emails are free of charge and you are not asked for donations.

(…) 6 Ik vertrouw op Uw ​liefde:
mijn ​hart​ zal juichen omdat U redding brengt,
ik zal zingen voor de HEER, Hij heeft mij geholpen.
(Uit Psalm 13)

Bron afbeelding:   Ignite Bible Study

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | 1 reactie

Vergeten is gebrek aan liefde…

In uw inzettingen zal ik mij verlustigen, uw Woord zal ik niet vergeten.
(Psalm 119 : 16)

Vergeten is een kwestie van het hart

Hoe komt het dat mijn gedachten zo snel van Gods woord afwijken en dat mij bij zo vele gelegenheden niet het juiste woord invalt? Vergeet ik soms te eten, te drinken en te slapen? Waarom vergeet ik dan Gods Woord?

Omdat ik nog niet zeggen kan, zoals de psalm het zegt: in Uw inzettingen zal ik mij verlustigen. Iets, waarin ik mij verlustig, vergeet ik niet.

Vergeten of niet is geen kwestie van verstand, maar van de gehele mens, van het hart. Iets, waar ik met hart en ziel aan verbonden ben, kan ik nooit vergeten. Hoe meer ik de verordeningen van God in Schepping en Woord liefkrijg, des te meer zullen zij mij ook op het juiste moment voor de geest staan.

Tegen het vergeten beschermt alleen de liefde.

Omdat Gods Woord in de geschiedenis, dat wil zeggen in het verleden tot ons gesproken heeft, is het noodzakelijk ons iedere dag het geleerde in herinnering te brengen en te herhalen. ‘Vergeet niet één van zijn weldaden‘ (Psalm 103 : 2). ‘Gedenk Jezus Christus‘ (2 Timoteüs 2 : 8).

Geloof en gehoorzaamheid leven uit de herinnering en de herhaling.

Herinnering wordt tot een kracht in het heden, want het is de levende God, die eens voor mij handelde en mij heden daarvan de garantie geeft. Wat voorbij is is op zich genomen indifferent.

Omdat echter in het verleden iets beslissends ‘voor mij‘ geschiedde, wordt het verleden tot heden voor hen, die het ‘voor mij‘ in geloof aannemen, ‘want het woord ‘voor mij‘ spreekt alleen tot gelovige harten’ (Luther).

Omdat mijn heil niet in mij zelf maar buiten mij zelf ligt,

omdat mijn gerechtigheid alleen de gerechtigheid van Jezus Christus is en omdat dit alles mij alleen in het Woord verkondigd kan worden, is herinnering en herhaling nodig om wille van de zaligheid.

Daarom betekent vergeten hetzelfde als niet meer in het geloof zijn.

In de dagelijkse herinnering aan Jezus Christus echter wordt mij toegezegd, dat God mij van eeuwigheid heeft liefgehad en mij niet heeft vergeten (Jesaja 49 :14). En als ik weet dat God mij niet vergeet, omdat Hij mij liefheeft, dan verblijd ik mij, en mijn liefde voor Gods trouw in zijn woord vervult mij, en ik leer zeggen:

Uw Woord zal ik niet vergeten.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Het bidden van de Psalmen” – “Vergeten is gebrek aan liefde  (16 februari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 14 Sion zegt: ‘De HEER heeft mij verlaten,
mijn Heer is mij vergeten.
15 Maar kan een vrouw haar zuigeling vergeten
of harteloos zijn tegen het ​kind​ dat zij droeg?
Zelfs al zou zij het vergeten,
Ik vergeet jou nooit.
16 Ik heb je in mijn handpalm gegrift,
je ​muren​ staan mij steeds voor ogen.
17 Je ​kinderen​ haasten zich terug naar ​huis,
de vijand die je verwoestte en vernielde, trekt weg.
(Uit Jesaja 49)

Bron afbeelding:  YouTube – Word For Today

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | 1 reactie

In de genade blijven…

Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven (Romeinen 6: 1-2)

Niet om uw gerechtigheid…

Niet om uw gerechtigheid …’ (Deuteronomium 9 : 5). Hoe zit dat dan, dat er zoveel teksten en beloften in de Bijbel staan die zeggen dat zij die vroom zijn en goede werken doen, beide hier en daar hun loon zullen ontvangen?

Zoals deze belofte bijvoorbeeld: ‘Geef, zo zal u ook gegeven worden‘ en ‘Ieder zal loon ontvangen naar zijn werk‘ (vgl. Lukas 6 : 38 en 1 Korintiërs 3 : 8).

Hierop zeg ik: daar ligt het nu alleen aan dat u ook moet weten wat het bij God is om vroom te zijn en goede werken te doen. Namelijk: dat is het zeker niet, dat je eraan komt wandelen en zegt: ‘Heere, dat en dat heb ik gedaan, betaal en beloon het.’ Maar dat je van harte zegt: ‘Heere, ik neem al Uw weldaden, gaven en genade als een zondig en ellendig mens aan.

Waar ik ook loop of sta – als U naar recht en verdienste met mij zou handelen – heb ik de eeuwige straf en het helse vuur verdiend (vgl. Psalm 143 : 2). Daarom wil ik niet naar mijn zonde en ook niet naar mijn verdienste kijken, maar alleen naar Uw heilig Woord.

U gebiedt, vermaant en dreigt dat niemand enig werk voor U mag brengen om daarmee iets te verdienen, maar dat wij, alleen door Uw Vaderlijke goedheid en genade, vergeving van zonden en allerlei gaven ontvangen (vgl. Efeze 2 : 8 vv). ‘O God, doe mij in dit zuivere en ongeveinsde geloof staan en blijven!

Waar nu dit vertrouwen in het hart is, daar zullen ook de werken die in het geloof gedaan worden, voor God goed en behaaglijk zijn en omwille daarvan het beloofde loon ontvangen. Want dit is de belofte: wie het eerste gebod [= bij Luther het gebod des geloofs] houdt en in genade staat, voor die zal ook zijn hele leven en wat hij doet, aangenaam en goed gedaan zijn.

Buiten de genade is spoedig een afgod gemaakt onder de valse schijn van goede werken. Wie dit echter goed begrijpt, kan daarop niet vertrouwen of van zijn werken een afgod maken. Hij blijft rein en zuiver in het geloof en doet de werken in en uit genade. Daarom alleen zijn het ook rechtschapen en goede werken voor God.

Maarten Luther: Predigten über das 5. Buch Mose, 152.9, vgl. WA 28,748,15 – 749,30

(1) Preek van Luther over het vijfde boek van Mozes zoals dat gekozen (a) is bij HC Zondag 24 vraag 63:  Hoe? verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?
(a) Zie vermelding bron van de tekst.

Lees ook:  Zondag 44: Tiende gebod – Gij zult niet begeren

Bron tekst:  “Mijn enige troost – 365 dagen met de Heidelbergse Catechismus – Maarten Luther” samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden – Den Hertog Uitgeverij.

(…) 5 Niet vanwege uw ​gerechtigheid​ of vanwege de oprechtheid van uw ​hart​
komt u hun land in om het in bezit te nemen,
maar vanwege de goddeloosheid
van deze volken verdrijft de HEERE, uw God, hen van voor uw ogen uit hun bezit,
en om het woord gestand te doen
dat de HEERE, uw God, uw vaderen, ​ Abraham, Izak en ​Jakob, gezworen heeft.

6 Daarom moet u weten dat het niet vanwege uw ​gerechtigheid​ is
dat de HEERE, uw God, u dit goede land geeft om het in bezit te nemen,
want u bent een halsstarrig volk.

7 Houd in gedachten en vergeet niet dat u de HEERE, uw God,
zeer toornig hebt gemaakt in de woestijn: vanaf de dag
dat u uit het land Egypte vertrokken bent, totdat u op deze plaats kwam,
bent u ​ongehoorzaam​ geweest aan de HEERE.

(Uit Deuteronomium 9)

Bron afbeelding:  The PreachersWord

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Persoonlijk | 1 reactie

Willige wegbereiders… (III)

Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf:
het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.
(Efeziërs 2 : 8-9)

Smakeloze wereldwijsheid ingezet uit haat
tegen rechtvaardiging van de zondaar
door genade alleen!

Radicalisme ontspringt altijd aan een bewuste of onbewuste haat tegen het bestaande, de concrete zondige werkelijkheid waarin God ons geplaatst heeft en waarin wij leven ‘moeten’ in de ons gegeven  tijd van leven hier op aarde. Christelijk radicalisme, of het nu de wereld ontvlucht of juişt wil verbeteren, komt voort uit afkeer van en haat tegen Gods schepping.

De radicale mens kan God zijn schepping niet vergeven; hij leeft in onmin met de geschapen werkelijkheid waarin hij geplaatst werd. Als het kwaad groot en machtig wordt in de wereld , dan spuit het de christen het gif van radicalisme in.

Verzoend zijn met de wereld zoals zij is, een verzoening die de christen van Christus ontving en ontvangt, geldt dan als verraad en verloochening van Christus. Het maakt plaats voor

bitterheid, argwaan, wantrouwen en verachting voor mens en wereld.

De liefde, die alles gelooft, alles verdraagt, alles hoopt, de liefde, die de wereld – ook de ander, de naaste – in haar  – zijn of haar – boosheid liefheeft, haar – hem of haar – vergeeft en aanvaard met de liefde van God (Johannes 3 : 16), slaat om in

de farizeïsche weigering om de zondaar lief te hebben.

In plaats van de open kerk van Jezus Christus die de wereld dient tot het laatst toe,
streeft men nu naar een of ander ‘oud-christelijk’ gemeente-ideaal,
en dat ideaal verwisselt de levende werkelijkheid van Jezus Christus
met de verwerkelijking van een christelijk idee.

Het compromis ontspringt altijd aan haat tegen het laatste.
De christelijke compromisgeest komt voort uit haat tegen

de rechtvaardiging van de zondaar door genade alleen.

Men moet – zo meent men – de wereld (de foute of zondige naaste!) met wereldse middelen aanpakken.  Het ‘laatste‘ – de rechtvaardiging van de zondaar door genade alleen – mag niet als een levende werkelijkheid in de ‘gevallen’, zondige  wereld meespreken.

De door Christus aan de christen geschonken vrijheid van de wereld en het afzweren van de wereld (1 Johannes 2 : 15v) worden bestempeld als wereld- en mensenvreemd, of zelfs mensvijandig, onnatuurlijk en in strijd met de schepping.

In plaats daarvan wordt aanpassing aan de wereld en het overnemen van ‘haar aanpak en methoden’ aanbevolen tot en met algehele capitulatie toe en wordt

smakeloze wereldwijsheid uitgegeven voor

 echte breedheid van visie en de beste manier (1, 1a) om aan de wereld en
en aan de naaste(n)  christelijke liefde bewijzen. 

Het radicalisme haat de tijd, het haat compromis de eeuwigheid;
het radicalisme haat het geduld, het compromis haat de beslissing;
het radicalisme haat het gecompliceerde, het compromis haat de eenvoud;
het radicalisme haat de maat, het compromis haat het onmeetbare;
het radicalisme haat het concrete, het compromis haat het Woord.

Uit deze tegenstellingen blijkt duidelijk, dat beide houdingen evenzeer met Christus in strijd zijn; want wat hier in vijandschap tegenover elkaar wordt gezet,

is in Jezus Christus één.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Bereidt de weg des Heren” – “Geen radicalisme en geen compromis  (15 december) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(1) Namelijk door ‘eigenwijs’ te beweren en te bewerken zondaar(s) en de goddelozen – met hulp van deze aangeprezen ‘wereldwijze aanpak’ zijn af te brengen van hun verderfelijke wegen en toe te leiden naar het smalle en rechte pad.

(1a) (…) 3 We leven wel in deze wereld, maar vechten niet met de wapens van deze wereld. 4 De wapens waarmee wij ​ten strijde​ trekken dienen niet ons eigen belang, maar zijn er om met hun kracht bolwerken te slechten voor God. We halen spitsvondigheden neer 5 en iedere verschansing die wordt opgetrokken tegen de kennis van God, we maken iedere gedachte krijgsgevangene om haar aan ​Christus​ te onderwerpen 6 en zullen op het moment dat u Hem volledig gehoorzaam bent geworden, paraat staan om anderen voor hun ​ongehoorzaamheid​ te straffen. (Uit 2 Korintiërs 10)

Zie ook nog: 
Willige wegbereiders… (I)
Willige wegbereiders… (II)
– De teugelloze mens(heid)…

Bron tekst:  YouTube

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Willige wegbereiders… (II)

Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.
(Matteüs 3 : 2)

Samen leven in verwachting van de komende Christus!

Ons leven en samenleven hier is het voorlaatste. De hongerende brood geven betekent nog niet hem de genade van God en de rechtvaardiging verkondigen, en brood ontvangen hebben betekent nog niet in het geloof staan. Maar voor hem die het doet om wille van het laatste, die weet heeft van het laatste, staat dit voorlaatste in relatie tot het laatste.

Wij moeten echter over het bereiden van de weg, over het voorlaatste, spreken:

  • Ter wille van hen, die in hun radicalisme, dat het voorlaatste loochent, zijn vastgelopen en nu zelfs achter het voorlaatste teruggeworpen dreigen te worden;
  • Vervolgens ter wille van hen, die in het voorlaatste blijven steken en zich daarmee tevreden stellen en van wie toch moet worden gevergd hun aandacht te richten op het laatste;
  • Maar ten slotte en vooral spreek ik over het voorlaatste ter wille van hen, die nog niet eens aan het voorlaatste zijn toegekomen, die niemand ooit zover heeft willen brengen, voor wie niemand de weg bereidde, en die nu hulp moet worden geboden, opdat het Woord van God, het laatste, de genade tot hen kan komen.

Men zou dit alles verkeerd begrijpen, als men zou zeggen, dat eerst de slaaf zijn vrijheid, de rechteloze zijn recht en de hongerende zijn brood moet hebben gekregen, dus dat eerst voor de menselijke waardigheid moet zijn gezorgd, voordat hij christen kan worden.

Voor Christus de weg bereiden kan niet eenvoudig bestaan in het scheppen van de gewenste, gunstige situatie, dus in de verwerkelijking van een sociaal hervormingsplan (of het stellen van voorwaarden en eisen om eerst die gunstige omstandigheden te scheppen).

Stellig gaat het bij het bereiden van de weg om concrete acties en ingrepen in de zichtbare wereld, maar toch blijft het essentieel dat dit handelen een geestelijke werkelijkheid is, juist omdat het in laatste instantie niet gaat om een hervorming van bestaande toestanden, maar om het komen van Christus.

Het genadige komen van Christus volgt alleen op een geestelijk bereide weg. Dat betekent echter, dat de zichtbare daden die de mensen bereid moeten maken om Jezus Christus te aanvaarden, daden moeten zijn, waarin de mens zich vernedert voor de komende Heer, d.w.z. daden van bekering.

Het bereiden van de weg is bekering*
(Matteüs 3 : 1-3).

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Bereidt de weg des Heren” – “Alles met het oog op het komen van de Heer  (13 december) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

  • * Opgemerkt AJ: En dat is niet een eenmalige bekering, maar een dagelijkse bekering**. Een dagelijks ons opnieuw toewenden naar en toevertrouwen aan God, door dagelijks en op de zondagen eerbiedig te luisteren naar Zijn Woord en door gebruik te maken van de Sacramenten in de samenkomsten van de gemeente, en door eerbiedig te bidden om een opmerkzaam hart dat door de Heilige Geest ook steeds weer ontdekt moet worden aan eigen hoogmoed en arglistigheid en dat tot het einde van ons leven toe. Dat dienen we goed te beseffen. En daarom hebben wij daarbij beslist ook het samenleven en samen spreken met al de andere leden van de gemeente bij nodig, want zij helpen ons mee door hun plaats en functioneren in het lichaam van onze Heer Jezus Christus om steeds beter te ontdekken en begrijpen wat de ons gegeven plaats en dienende taak in de gemeente is en zal zijn en wat dat betekent voor ons leven in alle levensverbanden waarbinnen wij een plaats hebben.
  • ** (…) 14 opdat wij geen jonge ​kinderen​ meer zouden zijn, heen en weer geslingerd door de golven en meegesleurd door elke wind van leer, door het bedrog van de mensen om op listige wijze tot dwaling te verleiden, 15 maar dat wij, door ons in ​liefde​ aan de waarheid te houden, in alles toe zouden groeien naar Hem Die het Hoofd is, namelijk ​Christus. 16 Van Hem uit wordt het hele lichaam samengevoegd en bijeengehouden door elke band die ondersteuning geeft, overeenkomstig de mate waarin ieder deel werkzaam is. Zo verkrijgt het lichaam zijn groei, tot opbouw van zichzelf in de ​Liefde. (Uit Efeziërs 4)

Zie ook nog: 
Willige wegbereiders… (I)
De teugelloze mens(heid)…

Bron tekst:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk, Politiek | Plaats een reactie

Willige wegbereiders… (I)

(…) 18 Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen.
(Uit Lukas 14)

of eigenwillige werkontduikers en werkweigeraars?

Wij weten wel, dat het effenen van de weg en het opruimen van hindernissen de genade niet dwingen om te komen.

  • Wij weten, dat het genadige komen van Christus altijd nog ‘koperen deuren verbreken en ijzeren grendels verbrijzelen‘ (Ps. 107 : 16) moet.
  • Wij weten, dat in laatste instantie de genade zich zelf een weg moet banen en effenen. (zie m.n. Jesaja 59 en Jezus Woorden tegen Jeruzalem in Matteüs 23 : 37-39)
  • Wij weten, dat de genade alleen en steeds opnieuw het onmogelijke mogelijk moet maken. (Zie Jesaja 59)

Maar dit alles ontslaat ons niet van de plicht, voor het komen van de genade de weg te bereiden en op te ruimen wat dit komen hindert en bemoeilijkt. Het is niet om het even, hoe de genade ons aantreft, al is het ook louter genade, dat zij tot ons komt.

Wij kunnen het ons zelf en anderen moeilijk maken tot geloof te komen.

  • Voor hem die in uiterste schande, verlatenheid of hulpeloosheid is gestort, is het moeilijk aan Gods goedheid en gerechtigheid te geloven;
  • Voor hem, wiens leven een chaos geworden is waarin iedere tucht ontbreekt, is het moeilijk in geloof Gods geboden te horen;
  • Voor de verzadigde en machtige, is het moeilijk te geloven in een God van oordeel en genade.

Dit zeg ik niet om deze mensen te verontschuldigen of te ontmoedigen. Zij moeten weten, dat God zich in Jezus Christus juist buigt over hen:

  • die diep gevallen zijn in schuld en nood,
  • dat juist voor de ontrechten, vernederden en uitgebuiten Gods recht en genade zeer nabij is,
  • dat aan hen die geen tucht meer kennen de hulp en de kracht van Jezus Christus wordt aangeboden,
  • dat de waarheid hen die dwalen en wanhopen weer grond onder de voeten wil geven.

Dit alles echter sluit niet uit, dat ons – Gods volk/kinderen –  is opgedragen de weg te bereiden. Het is, integendeel, een uiterst verantwoordelijke opdracht voor allen, die weten dat Jezus Christus komt, met woord en daad te erkennen dat:

  • De hongerigen ‘ons brood’ nodig hebben,
  • de daklozen recht hebben op ‘onze woning(en)’,
  • de ontrechten mee door ‘onze inbreng/bemoeienis’ recht recht moet worden verschaft,
  • de eenzamen door ons moeten worden opgemerkt en (weer) liefdevol in de gemeenschap geplaatst en opgenomen,
  • de gevangenen door ons zullen worden bezocht en getroost en indien mogelijk en terecht ook worden bevrijd,
  • de tuchtelozen door ons met klem de orde van Gods Woord behoort te worden voorgeleefd en voorgehouden (en dus niet vooral of liefst met/door ‘onze maatregelen’ tegen hen!),
  • de slaven in deze wereld mee door ‘ons toedoen’ (weer) in vrijheid zullen worden gesteld.

Het zou een lasteren van God en de naaste zijn, de hongerende hongerig te laten, omdat juist de nood van de naaste God het meest aan het hart gaat.  Om wille van de liefde van Christus, die evenzeer uitgaat naar de hongerige als naar mij:

  • breken wij het brood met hem,
  • delen wij met hem onze woning.

Wanneer de ‘behoeftige’ (in welke zin dan ook) niet door ons bij het geloof en bij de genade bepaald wordt en niet (weer) in onze gemeenschap wordt opgenomen, valt de schuld op hen die weigerden met en voor hem het brood te breken en het met hem te delen.

De hongerende brood geven is de weg bereiden voor het komen van de genade en bewijs van ons weten en erkennen en daadwerkelijk willen belijden zelf ook én samen van ‘genadebrood‘ (het ‘hemelse Brood’! – zie Johannes 6 : 30-71) te (moeten) leven.

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Bereidt de weg des Heren” – “Het is niet om het even hoe de genade ons aantreft  (11 december) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

NB. De tekst van dit gedeelte uit ‘Bonhoeffer Brevier’ is een ietwat aangepaste versie van de oorspronkelijke tekst.

(…) 18 … De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.” 19 En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren; tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.” 20 Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.” 21 Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn ​heer​ verslag uit. Toen werd de ​heer​ des huizes toornig (Uit Lukas 14 en zie ook Jesaja 59 : 15b – 21)

Bron afbeelding:  SlideShare

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Persoonlijk, Politiek | 1 reactie

De teugelloze mens(heid)…

Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden. Alle kloof zal gevuld worden en alle berg en heuvel zal geslecht worden, en de krommingen zullen recht en de oneffen wegen vlak worden, en alle vlees zal het heil Gods zien. (Lucas 3 : 4-6)

Christus Zelf is ‘de Doorbreker’ en ‘Levensvernieuwer’!

Weliswaar baant Christus, wanneer Hij komt, Zichzelf een weg (1), Hij is ‘de doorbreker, die voor hen optrekt‘ (Micha 2 :13). Zijn intocht is een zegetocht over zijn vijanden. Maar opdat het geweld van zijn komen de mensen niet in toorn neerslaat, maar hen vindt in deemoedig verwachten, gaat aan de intocht de oproep vooraf, de weg te bereiden.

Dit bereiden van de weg is niet alleen een innerlijk gebeuren, maar een zichtbare ingreep op grote schaal. ‘Elk dal worde verhoogd‘ (Jesaja 40 : 4). Wat neergestort is in de diepte van en door menselijke teugelloosheid en ellende (2), het vernederde en vertrapte, moet worden opgericht.

Er bestaat een menselijke onvrijheid, een menselijke armoede, een menselijke onwetendheid, zo onpeilbaar diep, dat zij het genadige komen van Christus hinderen. ‘Alle berg en heuvel zal geslecht worden‘ (Jesaja 40 : 4). Wanneer Christus komen gaat, moet alle trots en hoogheid zich buigen.

Er bestaat een macht, rijkdom en kennis, zo onmetelijk groot, dat zij een hindernis vormen voor Christus en zijn genade. ‘En de krommingen zullen recht worden‘ (Lukas 3 : 5).

De weg van Christus is een rechte weg. Er bestaat een verstrikt-zijn in de leugen, in de schuld, in het eigen werk, in de eigenliefde, die het komen van de genade bijzonder moeilijk maakt. Daarom moet de weg, waarlangs Christus tot de mensen komen moet, recht gemaakt worden.

Koppige weerspannigheid en weigerachtigheid kunnen de mens zo verhard hebben, dat het genadige komen van Christus de deur gesloten vindt en er niet wordt opengedaan als Hij aanklopt.

Opgemerkt AJ:
(1) Door Zijn Woord en Geest en het door Hem verwekte danken en bidden in/van ons.
(2) “Het is niet goed dat de mens alleen zij‘. God heeft man en vrouw in ‘de gevallen wereld’ juist ook aan elkaar en aan hun kinderen gegeven om de teugelloosheid van de mens (man, vrouw, kinderen, samenleving) te bedwingen. Degenen die niet in huwelijk en gezin kunnen of willen leven mogen daarvoor de kracht aan God vragen, maar ook zij kunnen beslist niet zonder gemeenschapsleven en vooral dus niet zonder ook echt samen te leven met de broeders en zusters in de gemeente van Jezus Christus en dus niet zonder een leven als lidmaat van Zijn heilig Lichaam. Paulus die zichzelf streng onder tucht hield en intensief met de broeders en zusters in de gemeenten mee leefde kreeg daarenboven ook nog ‘een satan om hem met vuisten te slaan‘ (Zie 2 Korintiërs 11 : 6-10 ).

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “Bereidt de weg des Heren” – “Een ingreep op grote schaal”  (11 december) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

Bron afbeelding:  Pinterest

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Israël, Persoonlijk, Politiek | 1 reactie

Kennen we die blijdschap en vrede?

In de weg uwer getuigenissen verblijd ik mij als over allerlei rijkdom.
(Psalm 119 : 14)

Waar het woord Gods is, daar is blijdschap.

Ik verblijd mij — hier valt het grote woord en zonder dit woord is er geen gaan op Gods weg.

In zijn blijdschap erover gaat hij heen‘ wordt er gezegd van de mens, die de schat in de akker gevonden had, ‘en verkoopt alles wat hij heeft en koopt de akker‘ (Matteüs 13 :44).

Al zijn rijkdom en bezit was gering in zijn ogen, vergeleken met de goddelijke schat. Wie de weg Gods vindt, moet eerst alle eigen rijkdom verloren hebben, om dan de volle rijkdom Gods en daarin alle rijkdom tout court te verkrijgen.

Gods woord schept blijdschap in hem die het in zich opneemt. Het is de blijdschap over de opnieuw geschonken gemeenschap met God. Het is de vreugde over de verlossing uit angst en zonde.

Het is de vreugde van de verdwaalde die na een lange nacht de goede weg heeft weergevonden. God bereidt de mensen feestelijke blijdschap. Hij is zelf de bron van alle blijdschap. Gods woord zelf is vol van deze blijdschap, die bij ons moet aanbreken.

Boven de vleeswording van het woord Gods in Jezus Christus staat de verkondiging van de grote blijdschap (Lukas 2 : 10).

De aardse dagen van de Heer zijn als één grote bruiloft (Markus 2 :19; vgl. Lukas 19 : 6).

Over de bekering, het heil van iedere boetvaardige zondaar door Jezus Christus heerst blijdschap in de hemel (Lukas 15 : 7, 10).

Opstanding en hemelvaart van de Heer vervullen de discipelen met blijdschap
(Markus 28 : 8; Lukas 24 : 41, 52; Johannes 20 : 20) en

Jezus’ Avondmaal viert de jonge gemeente  met blijdschap
(Handelingen 2 :46).

Waar het woord Gods is, daar is blijdschap. Als Jezus zijn discipelen verlaat om tot zijn Vader te gaan, laat Hij hen zijn woord na en in dit woord Zijn blijdschap.

Dit heb ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde‘ (Johannes 15 : 11).

Deze vervulde blijdschap is het geschenk van het woord Gods aan zijn hoorders.

Gods Woord – Christus zoals wij Hem ontmoeten in en ontvangen door het Woord! – is de bron van alle blijdschap en de wegen van zijn getuigenissen zijn vol van deze blijdschap, want het zijn de wegen, die God zelf is gegaan, en met ons gaat.

Waar God met ons is, daar is ook blijdschap
en deze blijdschap zal niemand ons ontnemen
(Johannes 16 : 22).

Bron tekst: Bonhoeffer Brevier – “” – “Wat het Woord schenkt”  (14 februari) – ©1968 Ten Have b.v. Baarn, Vijfde druk 1978

(…) 7 Ik zeg u, dat er evenzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben. (Uit Lukas 15)

(…) 8 Gij hebt meer blijdschap en vreugde in mijn ​hart​ gegeven
dan toen hun koren en most overvloedig waren.
9 In ​vrede​ kan ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen,
want Gij alleen, o Here, doet mij veilig wonen.
(Uit Psalm 4)

Bron afbeelding:  DailyVerses.net

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk en gezin, Persoonlijk | Plaats een reactie

Genade voor een ‘NSB-er’?

(…) 1 Jezus ging Jericho in en trok door de stad. 2 Er was daar een man die Zacheüs heette, een rijke hoofdtollenaar. 3 Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was, maar dat lukte hem niet vanwege de menigte, want hij was klein van stuk. 4 Daarom liep hij snel vooruit en klom in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien wanneer hij voorbijkwam. 5 Toen Jezus daar langskwam, keek hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’ 6 Zacheüs kwam meteen naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis. 7 Allen die dit zagen, zeiden morrend tegen elkaar: ‘Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht.’ 8 Maar Zacheüs was gaan staan en zei tegen de Heer: ‘Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig.’ 9 Jezus zei tegen hem: ‘Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham. 10 De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’
(Lukas 19 : 1 -10)

Opgemerkt bij kop/titel van deze blog:  Er is zeker ook genade voor ‘NSB-ers’.

Zacheüs wordt vaak voorgesteld als iemand die vanwege zijn functie veel anderen wel tekort zal hebben gedaan en volksgenoten afgeperst of bestolen. Toch kan en mag dit niet zo maar uit zijn functie en uit het oordeel van de mensen uit die tijd worden afgeleid. Hoofdtollenaar wordt je niet zo maar. De Romeinen zullen daar iemand voor hebben uitgezocht in wie ze vertrouwen hadden en die in de praktijk had aangetoond betrouwbaar te zijn.

Zacheüs was inderdaad een Jood, die bereid was samen te werken met de door de meeste volksgenoten zo gehate bezetter. Daarom werd hij door veel van zijn volksgenoten gezien als collaborateur. Als iemand, die niet meer in de toen algemeen aanvaardde traditie over de komst van de Messias stond en zijn komst zelfs in de weg stond. Het was toch duidelijk dat de belastinggelden de macht van de bezetter consolideerde of zelfs groter maakte. In elk geval was hij iemand die door zijn houding en gedrag niet meer gezien kon worden als een aanvaardbaar persoon.

Misschien waren sommige Farizeeërs in hun haat wel bereid om hier de woorden over te nemen, die Johannes de Doper in die tijd gebruikte, maar dan om die tegen hem (Zacheüs) te gebruiken: Is dit iemand die helpt “de weg des Heeren te bereiden“? Maar die negatieve benadering van zijn tijdgenoten hoeft hem bij ons nog niet onder verdenking te stellen.

Het kan heel goed (en zelfs meest waarschijnlijk zo) zijn dat hij toch een vrome en oprechte Jood was met ook een Messias-verwachting. Misschien zelfs een Jood die de trouw van Daniel in zijn werk in Babel en de rollende steen “zonder toedoen van mensenhand” uit de droom van Nebukadnessar in gedachten hield. Een Jood die ook stipt zijn tienden naar de tempel bracht.

Dat verklaard ons dan tevens zijn grote wens om Jezus te willen zien (en horen?!) en het overwinnen van zijn schaamte door bij Jezus komst in een boom te klimmen. Ook zijn onmiddellijke vreugde om Jezus te mogen ontvangen draagt bij aan het vermoeden dat we hier met een echt gelovige Jood te maken hebben. Jezus spreekt ook geen woorden van vermaning tot hem, maar geeft Zacheüs zelf gelegenheid om getuigenis te geven van zijn gezindheid jegens Hem en God.

En Zacheüs was een man die goed rekenen kon en goed bij zijn positieven was toen hij zijn woorden sprak en beloftes aflegde. Hij gaf in zijn blijdschap maar niet alles weg, maar “slechts” de helft van zijn vermogen. En indien hij wist en besefte en toegeven moest dat hij velen had afgeperst, dan had hij wel een wat zuiniger vergoeding in het vooruitzicht gesteld dan een viervoudige! En Jezus noemt hem “ook een zoon van Abraham“. Deze Jood, die door velen van zijn broeders was afgeschreven en die naar hun inzicht al lang verwijderd was uit het register van het komende Messiasrijk.

Misschien had die verguizing Zacheüs inmiddels ook niet koud gelaten en zelfs twijfel in zijn hart gezaaid over de juistheid van zijn houding. Wat zullen die woorden van Jezus dan (vooral dus ook bij de hier gegeven interpretatie) echt reddend geweest zijn voor Zacheüs en hem helemaal verlost hebben van zijn vertrouwen op zijn bezit en van al zijn angsten en twijfels en hem in de vrijheid hebben gezet om met nog meer vreugde gelovig dienaar van God en leerling van Jezus te zijn in heel zijn verdere levensgang.

Misschien heeft de Here Jezus zijn goede woorden over en tot Zacheüs ook zó willen uitspreken vanwege de toehoorders. Zij moesten ook horen en beseffen dat deze man vanwege de functie die hij had, beslist niet was afgeschreven als zoon van Abraham en even goed als ieder ander gered wordt door geloof alleen en dus als hij zijn heil maar bleef verwachten van de levende God. Jezus vroeg hem niet zijn werk eerst maar op te geven om zo in het reine te komen met God en met zijn Joodse broeders*.

* Met dank aan wijlen prof. K.J. Popma die ons in zijn boek “Eerst de Jood, maar ook de Griek” deze uitleg van Lukas 19 aanreikt.

(…) 7 Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, ​Abrahams​ ​kinderen​ zijn.
(Uit Galaten 3)

Bron afbeelding:  Bible Verses

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie