“Eén lichaam is het, en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt tot één hoop uwer roeping; één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen” (Efeziërs 4 : 4 – 6).
Geciteerd 1: Rond 1900 voltrok zich een vrij geruisloze scheiding onder gereformeerden in Nederland. Aan de ene kant bevonden zich de volgelingen van Abraham Kuyper. Zij waren vooral te vinden in de Gereformeerde Kerken. In navolging van Kuyper gingen zij ervan uit, dat ze wedergeboren en waren en na hun dood naar de hemel zouden gaan. Ze waren zelfverzekerd (1), hun blik was naar buiten gericht (2).
Aan de andere kant vond men de gereformeerden die minder zeker waren van hun uitverkiezing. Zij richtten de blik naar binnen en zochten in hun zielenleven naar kenmerken van de ware gelovige. Zij lazen liever bekeringsgeschiedenissen dan de boeken van Kuyper.
(1) ‘Zelfverzekerd’? Beter is om te zeggen ze waren ‘Doopverzekerd’. Wij geloven één doop!
(2) ‘Blik naar buiten gericht’. Omdat ze niet voortdurend bezig waren met zelf onderzoek (of ze zich al of niet al ‘wedergeborenen’ konden noemen), konden zij hun ogen dankbaar opheffen naar de hemel én liefdevol en dankbaar richten op hun medemensen. God liefhebben boven alles en dat laten blijken door je naaste lief te hebben als jezelf en dat door de kracht van de Heilige Geest, die aan elke dopeling geschonken is en wordt op het gelovig gebed. Wanneer echter je eigen behoud voortdurend aan twijfel onderhevig is en onder twijfel gesteld wordt door de prediking, dan moet je voortdurend jezelf in het middelpunt stellen. Je komt dan ook niet toe aan een daadwerkelijk dankbaarheidsleven. De gereformeerde waren dus bevoorrecht met het goede verstaan van het onderwijs van Gods Woord bij de Doop. Of ze die bevoorrechting ook altijd goed – tot heil van hun naasten en tot zegen voor de kerk – hebben weten te gebruiken, dat is nog weer een ander verhaal.
Geciteerd 2: “Zo dikwijls dus de heilige Doop in het midden der gemeente bediend wordt, hebt ge te verstaan, dat op hetzelfde ogenblik waarop de dienaar het water van de Doop toedient, Uw Middelaar en Heiland van de hemel, waar Hij aan de rechterhand van God verhoogd is, een genadewerking werkt in de ziel van het kind of de persoon, die gedoopt wordt…”. Dr. A. Kuyper, E Voto, II, 543.
Mede op basis van dit citaat wordt de doopleer van Kuyper wel de ‘veronderstelde wedergeboorte’ genoemd. Anders gezegd, je kunt er van uitgaan dat het kind wedergeboren is, tenzij later het tegendeel blijkt.
Opgemerkt: Het is niet Kuyper zelf die het woord/begrip ‘veronderstelde werking/wedergeboorte’ heeft gebruikt en ingevoerd bij (of later n.a.v.) zijn woorden over de Doop. Ik neem aan dat hij zelfs verbaasd zou zijn geweest dit te hebben moeten horen, want hij zal de geciteerde woorden als een belijden van een vaststaande waarheid hebben bedoeld en opgeschreven. Toch is wat Kuyper met bovenstaande woorden belijdt zó ook niet naar het onderwijs van Gods Woord!
Lees verder/meer in deze blogs:
- ‘De heerschappij van onze theologische opvattingen…‘
- ‘Eén Heer, één geloof, één doop…‘
- ‘De kiem van wedergeboorte ontvangen…‘
Bron citaat 1: ND Geloof – ‘Volgens Van Stempvoort maakten de kuyperianen zich schuldig aan ‘het eenzijdig drijven der verbondsleer’.’ – door Willem Bouwman.
‘Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood? We zijn door de doop in Zijn dood met Hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. Als wij delen in Zijn dood, zullen wij ook delen in Zijn opstanding. Immers, we weten dat ons oude bestaan met Hem gekruisigd is omdat er een einde moest komen aan ons zondige leven: we mochten niet langer slaven van de zonde zijn. Wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.‘ (Uit Romeinen 6 uit de verzen 1-14 : 3-7)
Bron afbeelding: Knowing Jesus