Godsvertrouwen in 2017…

God is voor ons een veilige schuilplaats,
een betrouwbare hulp in de nood.
Daarom vrezen wij niet, al wankelt de aarde
(Uit Psalm 46)

In 1522 verschijnt in Wittenberg het ‘Gebedenboekje’ of ‘Betbüchlein’ waaraan Luther zelf al geruime tijd moet hebben gewerkt. In de jaren daarvoor had hij ook al het nodige gepubliceerd voor gebed en meditatie. Opvallend is daarbij wel het boekje: ‘Eine kurze Form der zehn Gebote, eine kurze Form des Glaubens, eine kurze Form des Vaterunsers’ uit 1520. Een paar jaar later werd dit geschriftje, zij het in iets aangepaste vorm, weer verwerkt in het ‘Betbüchlein’ van 1522. Verschillende onderdelen van de ‘Heidelbergse Catechismus’ (o.a. de drieslag: ellende, verlossing en dankbaarheid) zijn soms bijna letterlijk terug te vinden in Luthers ‘Gebedenboekje’. Zoals ook het slot van onderstaand citaat, dat te vergelijken is met het slot van Zondag 9, antwoord 26:

HET EERSTE DEEL VAN HET GELOOF [Of: DE 12 ARTIKELEN]

“Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde”

– dat is: Ik zeg de dienst op aan de duivel, aan alle afgoderij, aan alle toverij en schijngeloof. Ik stel mijn vertrouwen op geen mens op aarde, ook niet op mijzelf of op mijn kracht, kennis, bezit, vroomheid of wat ik verder kan hebben.
Ik stel mijn vertrouwen niet op enig schepsel, waar het ook is, in hemel of op aarde.
Ik verlaat mij en stel mijn vertrouwen alleen op de eenvoudige, onzichtbare, onbegrijpelijke, enige God, Die hemel en aarde geschapen heeft, en alleen over alle schepselen regeert. Daarentegen ben ik niet bevreesd voor alle kwaad van de duivel en de zijnen, want mijn God heerst over hen allen.

Ik geloof niets minder in God, hoewel ik ook door alle mensen verlaten en vervolgd zou worden.
Ik geloof niets minder, hoewel ik ook arm, onwetend, ongeleerd, veracht zou zijn en ik ook aan alles gebrek zou hebben.
Ik geloof niets minder, hoewel ik een zondaar ben. Want mijn geloof moet verheven zijn boven alles wat is en niet is, boven zonde en deugd en boven alles, opdat ik mij, puur en zuiver, alleen aan God houd, zoals het eerste gebod mij duidelijk leert.

Ik begeer van Hem ook geen teken om Hem te verzoeken.
Ik vertrouw onveranderlijk op Hem, hoelang Hij ook uitstelt, en ik schrijf Hem geen doel, tijd, maat of manier [van verhoring] voor, maar geef alles over aan Zijn Goddelijke wil met een vrijwillig en oprecht geloof.

  • Als God dan almachtig is, wat kan mij nog ontbreken wat Hij mij niet kan geven of voor mij zou kunnen doen?
  • Als Hij Schepper is van hemel en aarde, en Heere over alle dingen, wie kan dan iets van mij nemen of mij kwaad doen? Ja, hoe zullen voor mij niet alle dingen werken en dienen ten goede?
  • Als Hij aan Wie allen gehoorzaam en onderdanig zijn, het goede met mij voorheeft, wat kan mij dan nog schaden?
  • Omdat Hij God is, kan Hij en weet Hij het op zijn best met mij te maken. Omdat Hij mijn Vader is, zal Hij dat ook doen en doet het van harte gewillig (vgl. Zondag 9, antwoord 26).

Hieraan twijfel ik niet! Ik stel mijn vertrouwen alleen op Hem, daarom ben ik zeker voor eeuwig Zijn kind, dienaar en erfgenaam – zoals ik dit alles geloof, zal het ook zeker geschieden!

Maarten Luther: Betbüchlein, 1522, vgl. WA 10.2, 389, 24 – 391, 6; Eine kurze Form der zehn Gebote, eine kurze Form des Glaubens, eine kurze Form des Vaterunsers, 1520, vgl. WA 7, 215, 24 – 216, 29

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Duizend jaar als de dag van gisteren…

U bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid. (…)
Duizend jaar zijn in uw ogen
als de dag van gisteren die voorbij is,
niet meer dan een wake in de nacht.
(Uit Psalm 90)

In 1534 nadat Luther Psalm 90 op de universiteit van Wittenberg uitvoerig had verklaard, sprak hij de gedenkwaardige woorden: ‘Hier hebt u dan deze Psalm, die ik heb uitgelegd naar het vermogen dat de Heere mij heeft gegeven. Hierna willen we, als de Heere ons geeft om nog langer te leven, het eerste boek van Mozes [Genesis] verklaren, zodat wij dan eindelijk zalig mogen sterven in Gods Woord en werk. Dat moge God en onze Zaligmaker, Christus Jezus, ons uit genade vergunnen. Amen.’ Tot zover het citaat uit 1534. (1)

(2) “Nu willen wij tot de eerste tekst uit Genesis komen en zien hoe Mozes de schepping beschrijft. Hij begint met deze woorden: ‘In het begin schiep God hemel en aarde’ Dat is het begin van het boek der schepping. Het is werkelijk verheven begonnen! Wij willen het echter niet te diep onderzoeken. Het is al voldoende als wij het geloof en de werken van God daaruit kunnen leren en verstaan. Om te beginnen moet ieder eraan wennen dat hij de woorden niet anders opvat dan als zouden deze gisteren geschreven zijn, want voor God is het maar een korte tijd, alsof het zojuist gebeurd is. Daarom, al gebeuren er elke dag nieuwe dingen, dan is toch dit begin nog niet geëindigd.

In de tweede plaats: dit begin moet men ook zo eenvoudig mogelijk begrijpen, namelijk dat daarvóór niets geweest is: geen uur, geen dag, geen tijd. Het is echter voor ons moeilijk te begrijpen dat vóór de tijd geen tijd geweest is en dat God toch geweest is. Daarom is het Goddelijke en eeuwige leven iets geheel anders dan het leven dat wij nu leven: een leven dat altijd van de dag tot de nacht gaat. Zolang men nog alleen aan dit leven hangt, kan men zich onmogelijk een gedachte vormen over wat het woordje ‘eeuwigheid’ inhoudt.

Voor God is het begin van de wereld zo dichtbij als het einde daarvan. Duizend jaren zijn als één dag. Adam, de eerst geschapen mens, is voor Hem zo nabij als de laatste mens die geboren zal worden. Zoals God de tijd overziet, is te vergelijken met het menselijk oog, dat twee dingen die ver uit elkaar liggen, beide op hetzelfde moment kan zien. Dit alles zeg ik ook hierom, dat niemand de dwaze gedachte opvat, dat Mozes zó van het begin spreekt, alsof daarvoor al iets geweest zou zijn. Toen zijn echter zowel tijd als schepsel begonnen – dingen die daarvoor niet waren.”

Maarten Luther: Über das 1. Buch Mose, Predigten 1527, vgl. WA 24, 24, 20 – 25, 24

(1) Het zou nog van 1535 tot 1545 (10 jaar!) gaan duren voordat deze ‘Grote Genesis-verklaring’ werd afgesloten en Luthers (misschien toch niet zó letterlijk bedoelde) wens om daarna te mogen sterven in vervulling ging. Eind 1545, ongeveer 2 maanden vóór zijn overlijden op 16 februari 1546 te Eisleben, hield Luther zijn laatste college in Wittenberg over deze Genesis-teksten. Daarbij werd ook zijn korte slotwoord opgetekend: ‘Dit is nu [de verklaring van] de lieve Genesis. Onze Heere God moge geven dat anderen het na mijn dood beter doen! Ik kan niet meer – ik ben zwak! Bid God voor mij dat Hij mij een goed en zalig [sterf]uurtje wil schenken.’
(2) Dat er nog een ‘Kleine Genesis-verklaring’ uit 1527 bestaat is over het algemeen minder bekend. Het citaat voor Oudejaarsdag 2016 is gekozen uit de verklaring van 1527:

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Natuur | Plaats een reactie

Weersproken door een ezel…

“Toen de ezelin de Engel van de Eeuwige op de weg zag staan, met getrokken zwaard in de hand, boog zij van de weg af en ging de akker op; en Bil’am sloeg de ezelin om haar naar de weg terug te drijven.” (Numeri 22:23)

(…) Evenals de cherubs in B’reshit (Genesis 3:23) ten oosten van het Hof van Eden met een flikkerend zwaard stonden om de weg tot de Boom des Levens te bewaken, zo stond de Engel van de Eeuwige met getrokken zwaard op de weg naar Moab om Bil’am te beletten het volk Israël te vervloeken. Was de engel onzichtbaar? Ik (1) denk van niet, want de ezelin zag hem en probeerde hem uit de weg te gaan.

(…) In de verzen 3 en 4 van hoofdstuk 24, dat we de volgende keer zullen behandelen, roemde Bil’am zichzelf in de NBG-vertaling als “de man met het geopend oog… die de woorden G’ds hoort, die het gezicht des Almachtigen schouwt, nederliggende met ontsloten ogen.” Ziet u de ironie? In de Groot Nieuws Bijbel komt dit nog duidelijker tot uitdrukking. Daarin zegt Bil’am heel trots van zichzelf: “Ik mag zien wat verhuld is en horen wat G’d meedeelt. Met starende ogen, in vervoering aanschouw ik wat de Almachtige laat zien!” Aanschouwde hij hier wat de Eeuwige liet zien? Nee, hij niet, maar zijn ezelin wel!

(…) Als zijn ogen echt geopend waren en daadwerkelijk zag wat de Ontzagwekkende toont, dan had niet alleen zijn ezelin, maar ook hijzelf de engel moeten zien. En als hij echt wist wat de Allerhoogste weet, zoals hij beweerde, dan had hij moeten weten dat hij niet verder mocht rijden en rechtsomkeert moeten maken. Hoe kon het toch zijn, dat de ezelin waarop hij reed, meer zag dan hij? Ik denk, dat de Eeuwige hem hiermee een lesje wilde leren omdat hij vol was van zichzelf! Hij was een toonbeeld van geestelijk hoogmoed terwijl zelfs zijn ezelin nog veel meer geestelijk inzicht had dan deze zogenaamde ziener.

(…) Hij was letterlijk de weg kwijt! Toch in plaats van tot inzicht te komen werd hij boos op de ezelin, zoals velen die door opzettelijke zonde welbewust hun eigen ondergang tegemoet gaan, boos worden op degenen, die hen daarvoor waarschuwen. We zien dit helaas maar al te vaak rondom ons heen gebeuren. Moge de Eeuwige onze ogen openen om niet door spirituele trots en hebzucht de verkeerde weg van Bileam op te gaan en laat niemand door allerlei visioenen en openbaringen gewichtig doen en denken dat hij heel wat is met het doel, daar een dikke boterham mee te verdienen. De Eeuwige geeft een gave en een bediening nooit om zich daarmee zelf te verrijken, maar om juist anderen daarmee te dienen!

(1) De schrijver van deze Bijbelstudie: Werner Stauder

Bron: Gedeelten uit Bijbelstudie 157: Bileam de zoon van Beor – Bil’am ben B’or deel 2: Bileam en de pratende ezelin – Messiaanse Studies (zaterdag 3 december 2016)

Download de complete Bijbelstudie

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Zijn Naam is Wonderlijk (III – Slot)

5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam Wonderlijk,
Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
(Uit Jesaja 5)

(…) Ten slotte, is de Messias zo wonderlijk? Wil dan ook in alles op Hem lijken. Vraagt u hoe dat moet? Wel, gedraagt u zich dan als een wonder voor de wereld. David zei eens van zichzelf dat hij voor veel mensen een wonder geweest was. Van de gelovigen in het Nieuwe Testament werd geprofeteerd dat ze als tekenen en wonderen in Israël zouden zijn. Zorg er dan voor dat u in uw leven een wonder bent van heiligheid. Leef als een volk dat zich niet vermengt met de wereld, maar als een volk dat op de wereld bekend is om zijn heiligheid. Dit was de waarschuwing van Petrus aan de gelovigen: ‘Maar gelijk Hij Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelf heilig in al uw wandel’ (l Petrus 1:15). Wees een wonder door uzelf te weg te cijferen voor wat betreft uw voorkeur, uw wil, uw bezit, uw eer, uw genoegens, uw rijkdom, uw maatschappelijke positie, uw vrouw en kinderen. U moet los zijn van alle dingen, ja, van de hele wereld. U moet alles bezitten alsof u het niet bezit. En als u deze dingen bezit, wees er niet te begerig naar en ga er niet teveel in op. Vind het ook niet al te erg als u deze dingen niet bezit.

Wees een wonder in hemelse gezindheid. Wees niet al te zeer aan het stoffelijke verbonden, maar verhef uw geest tot hemelse gedachten. Bedenk de dingen die boven zijn, en wees met uw hart en met uw gedachten steeds daar, waar u zegt dat uw schat is. Wees hemelsgezind in de verlangens van uw hart en zoek niet de dingen die op de aarde zijn, maar die in de hemel zijn.

(…)  Ja, Hij zal ook wonderlijk voor u zijn ná uw dood in de eeuwigheid. Hij zal Zich – en hiermee besluit ik – bovenmate schoon, heerlijk en volmaakt openbaren, zodat u, en dat zonder einde, moet uitroepen: ‘En men noemt Zijn Naam Wonderlijk’.

AMEN

Gedeelte van een preek getiteld “De heerlijkheid van de Messias als Wonderlijk” van ds. Wilhelmus Everdijk (1653-1729).

Bron: Preek no. 530, december 2016, uitgegeven door Stichting “Smytegelt-Fonds” in de Reveilserie.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

God’s wijsheid tegenover die van ons mensen… (II)

“Het heeft God behaagd door de dwaasheid van de prediking
zalig te maken hen die geloven.”
(1 Korintiërs 1 : 21)

De jubel- en Heilandsroep van Jezus (Matteüs 11 : 25-30)

…voor wijzen en verstandigen verborgen, maar aan kinderkens geopenbaard!
(Uit Matteüs 11)

[…] Hier moeten wij leren wat het betekent: Mij is alles gegeven. Dat wil zeggen: Ik, Christus, moet in Mijn Kerk regeren, leren, raad geven, gebieden. Hij bekent hier in het openbaar dat Hij de waarachtige God is. Daarom zegt Christus: Mij, Mij moet men gehoor geven. Heb je mijn Woord? Blijf daar dan bij en zie niemand aan die het je anders leert of vertelt hoe je het moet doen. Ik wil je goed regeren, beschermen, redden. Laat de groten en geleerden maar verstandig zijn, maar volgt hen niet na, hoewel ze menen dat zij duizendmaal meer gelijk hebben en veel verstandiger zijn dan iedereen.

De christenen behoren God er dankbaar voor te zijn dat Hij ons zo rijk gezegend heeft.

Voorheen zouden wij tot aan het einde van de wereld gelopen zijn, als we een plaats hadden geweten waar we God zouden hebben kunnen (horen) verkondigen. Maar nu ziet men niet in dat wij God dagelijks in de prediking horen verkondigen, ja, dat alle boeken daar vol van zijn. Je kunt het zelfs thuis horen: vaders, moeders, kinderen zingen en spreken ervan. Daarom zou u de handen moeten opheffen en vrolijk zijn, omdat ons de eer is aangedaan dat wij God tot ons horen spreken door middel van Zijn Woord.

Ja, zegt men daarover, wat hebben wij eraan? Wel, ga dan weg, beste broeders. Wil je het niet hebben dat God dagelijks tot je spreekt, in je huis en je kerk? Wees dan maar verstandig en zoek iets anders. Dat is het werk van de duivel in de wereld. Hij stelt alles in het werk om mensen dit niets te laten achten, hen buitengewoon te bedriegen en voor de gek te houden. De verstandigen en wijzen, groten en aanzienlijken zijn het die het sacrament en de Kerk vernietigen en op Gods plaats gaan zitten, omdat ze zelf meester willen zijn. (1)

En als de grote heren ons daarom vijandig en toornig behandelen en vervolgen, ja ons het liefst zouden verbranden en vermoorden, dan moeten wij dat lijden. Christus zegt: Komt allen tot Mij, die vermoeid en beladen zijn, alsof Hij tot ons zou zeggen: Houd je maar aan Mij vast, blijf bij Mijn Woord en laat maar over je komen wat er gebeurt. Treft je iets zwaars, de dood of het martelaarschap? Grijpt de boze vijand je aan? Schrik daar niet van. Het zal je niet zwaar vallen, maar licht en het zal zacht zijn om dat te dragen. Want Ik geef je de Heilige Geest, waardoor de last die de wereld onmogelijk aan zou kunnen, een lichte last wordt Laat het maar op je afkomen en tegen je aanstormen, blijf maar getroost en zonder vrees. Verwacht de Heere door het geloof, dan heb je al gewonnen, dan ben je de dood ontlopen, de duivel en de wereld ver te boven.

Er zou véél meer van dit Evangelie te zeggen zijn, maar ik ben te zwak; wij willen het hierbij laten. (2)

 33 O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God,
hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!
34 Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
35 Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden?
36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.
Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.
(Uit Romeinen 11)

(1) Laten we hierbij ook maar eens denken aan en nadenken over het huidige “conferentie christendom” en de (grote) woorden daarbij en de rol van betekenis voor de Kerk, die de organisatoren daarvan daaraan toekennen.
(2) Luther sprak deze preek uit terwijl hij al zeer verzwakt was en drie dagen later zou overlijden.

Maarten Luther: Gedeelte uit een preek gehouden in Eisleben op maandag 15 februari 1546. Het was Luther’s laatste preek.

Bron: “Rondom een reformator – Met wie en waar had Luther zijn contacten”, van dr. C.R. van den Berg, verschenen als een geschenkuitgave voor abonnees van Maandblad van Protestants Nederland. (Boekbinderij en Uitgeverij F.N. Snoek – Ermelo)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Politiek | Plaats een reactie

God’s wijsheid tegenover die van ons mensen… (I)

…voor wijzen en verstandigen verborgen, maar aan kinderkens geopenbaard!
(Uit Matteüs 11)

De jubel- en Heilandsroep van Jezus (Matteüs 11 : 25-30)

De Heere looft en prijst Zijn Hemelse Vader hier en verkondigt dat Hij een vijand is van wijzen en verstandigen, en hén liefheeft, die geen verstandige en wijze mensen zijn.

Daar stoort de wereld zich aan. Menigeen oordeelt dat dit verkeerd is, want wij menen toch dat God niet regeren kan, of Hij moet de wijze mensen er ook bij hebben.

De verstandige en wijze mensen voeren heerschappij in de kerk, op een manier zoals zij het zelf voor goed houden. Alles wat God doet, willen zij verbeteren. Ieder wil de schoolmeester van God zijn. Dat ziet men al vanaf het begin van de wereld. De mensen zijn niet tevreden met wat God doet, gemaakt en ingesteld heeft. Zij kunnen het niet zo laten blijven, als Hij het ingesteld heeft, maar menen dat zij ook iets moeten doen waarmee zij voor de mensen iets beter lijken te zijn en zich erop kunnen beroemen: Dat hebben wij gedaan. Wat God maakt en instelt, is te gering en te weinig; ik moet er zelf ook wat bijdoen. Zo handelt de mensheid op aarde, in het bijzonder in de christelijke kerk. Hier hakt een bisschop in op een ander en de ene predikant op de andere; zo heeft men het in alle tijden in de leiding van de kerk ervaren.

Is dat echter niet heel verdrietig, en moet God daarom niet ongeduldig worden? Zou Hij in zulke mensen een welbehagen hebben, die verstandiger en wijzer dan Hij zijn en Hem altijd verbeteren en beleren willen? Zo’n wijsheid bezat Kajafas ook, toen hij de joden voorhield dat het beter was dat er één Mens zou sterven voor hel volk (Johannes 18:14). Het zou een wijze, verstandige beslissing zijn als er één Mens gewurgd zou worden, dan dat het gehele land vernietigd worden zou.

En welk resultaat had dit advies? Juist daarmee bereikte Kajafas dat het gehele land verdierf en naar de ondergang zou gaan. Dat bereiken alle dergelijke, waanwijze verstandigen in de christelijke kerk en de wereldlijke regering. Daarom zegt de Heere Christus hier dat Hij een vijand is van de wijsneuzen, dat Hij hen in Zijn christelijke kerk niet kan uitstaan, of het nu keizers, koningen, vorsten of doctoren (1) zijn, die zich meester maken van Zijn Goddelijk woord en Hem met hun eigen wijsheid in de hoge dingen van het geloof en de zaligheid willen overmeesteren. Zij menen, omdat zij hoog en droog in het bestuur zitten, dat zij daardoor wel de verstandigsten zijn en de Schrift beter begrijpen dan andere mensen. Daarom laat God hen ook diep vallen, want Hij wil en kan en zal dat ook niet toestaan. Hij bestuurt het zo, dat het Evangelie voor de voornamen en wijzen verborgen blijft, en regeert Zijn Kerk heel anders dan dat zij het naar hun inbeelding bedenken en begrijpen. (…)

33 O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God,
hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!
34 Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
35 Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden?
36 Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.
Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.
(Uit Romeinen 11)

(1) Luther heeft in deze preek ook zijn somtijds verkeerde inbreng beslist niet buiten beeld willen laten!

Maarten Luther: Gedeelte uit een preek gehouden in Eisleben op maandag 15 februari 1546. Het was Luther’s laatste preek (drie dagen voor zijn overlijden).

Bron: “Rondom een reformator – Met wie en waar had Luther zijn contacten”, van dr. C.R. van den Berg, verschenen als een geschenkuitgave voor abonnees van Maandblad van Protestants Nederland. (Boekbinderij en Uitgeverij F.N. Snoek – Ermelo)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

De eredienst – prachtig maar verkeerd uitgevoerd?

Er is niets nieuws onder de zon. Wanneer men van iets zegt: “Kijk, iets nieuws”, dan is het altijd iets dat er sinds lang vervlogen tijden is geweest. De vroegere generaties zijn vergeten, en ook de komende zullen weer worden vergeten. (Uit Prediker 1)

[…] Dank zij de liturgische beweging binnen de Nederlandse Hervormde Kerk (1) heeft het woord „eredienst” (voor de zondagse samenkomst van de gemeente) een eigenaardige geladenheid gekregen, het suggereert ons, als zou de inhoud van de kerkdienst allereerst zijn de verheerlijking Gods als met één stem, zodat daardoor de Lofprijzing in het centrum komt te staan en alle andere elementen van de kerkdienst gaat beheersen. Wat ik bedoel, moge duidelijk worden uit een citaat van J.H. Gunning (2): „Hoe kunnen wij onze gemeentelijke samenkomsten meer maken tot erediensten, en niet langer alles zich doen bepalen bij de leraar en zijn preek… Ach, dat het ons nog eens gegeven werd dat de gemeente in haar huis van gebed, een ‘Ahnung’, een voorbesef te doen smaken, niet alleen van de eeuwige waarheid, maar ook van de eeuwige heerlijkheid.”

Terecht heeft O. Noordmans (3) er indertijd op gewezen, dat van dat woord “eredienst” een zekere zuiging uitgaat, er zit al iets in van de komende heerlijkheid. Het woord roept zoveel gedachten bij ons op, wij denken aan de dankzegging en de lofprijzing, zoals deze in de Openbaring van Johannes worden toe gebracht aan Hem, Die op de troon zit, en aan het Lam. Letterlijk staat daar: „Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof” (Openbaring 5 : 12, vertaling NBG).

Ik zou aan u allen deze vraag willen stellen: zijn wij al toe aan deze Eredienst?

Graag wil ik gehoor geven aan hen, die er over klagen, dat onze Protestantse kerkdiensten zo gedrukt zijn, dat de mensen er haast niet uitkomen boven de spanning van het leven tussen de wereldmachten Amerika en Rusland, dat de sfeer er bedompt is en kil, en toch, het komt mij voor, dat er nog een veel groter gevaar is: de prolepsis van het Koninkrijk Gods. Wij zijn nog niet toe gekomen aan het toebrengen van de heerlijkheid en de eer en de lof aan Hem, Die op de troon zit, en het Lam…

Ons is een grens gesteld, wij leven alsnog in een wereld, die gekarakteriseerd wordt door aan de éne kant de puinhopen en aan de andere kant het kruis; een keiharde wereld, waarin wij ook geroepen worden een kruis te dragen.

Ik kan mij levendig indenken, dat iemand het heimwee naar de komende heerlijkheid wel eens te machtig wordt, en zich vanuit de esthetische ontroering door het orgelspel of de koorzang zich graag laat suggereren, als zou het reeds de tijd zijn voor de hemelse eredienst, en zeer zeker mag en zal er ook iets feestelijks in ons leven zijn, omdat wij deze eredienst verwachten met een groot en heilig verlangen, zoals ook de Heidelbergse Catechismus in Zondag 38 spreekt van een aanvangen van de eeuwige Sabbat in dit leven (4); maar… 

„Verwachten” is nog iets geheel anders dan „bezitten”.

Mij dunkt, dat niemand deze dingen scherper gezien heeft en scherper gezegd heeft dan dr. Noordmans wanneer hij ons er op wijst, dat de preek begint daar, waar wij gaan ontdekken, hoe wij niet in de hemel zijn, maar, om met de existentiefilosofen te spreken, ergens geworpen, d.i. op deze aarde zijn terecht gekomen tussen de dorens en de distels. En dan citeert hij tenslotte Calvijn, die zeer existentieel een kerkdienst aldus beschrijft: 

“Dat het een of andere mannetje, uit het stof verrezen, in de naam van God
tot ons gaat spreken” (Institutio IV, 3, 1 ).

Wij zijn nog niet toe aan de „ere”, er is nog de schande (van onze zonden), die veracht moet worden, en het kruis, dat gedragen moet worden…

Met deze dingen hangt samen wat ik zou willen noemen de soberheid en de armoede van de Protestantse kerkdienst, een soberheid, die daar is in het kerkgebouw, maar ook in de orde van dienst. Vurig hoop ik, dat de hernieuwde bezinning op het wezen en de orde van de kerkdienst, zoals deze thans aan de gang is, zowel in de Nederlands Hervormde Kerk als in de Gereformeerde Kerken zal leiden tot een opnieuw ontdekken van de principiële betekenis van deze soberheid en evangelische armoede. Prachtig vind ik altijd het verhaal van Franciscus van Assisi, die, stervende, zich liet dragen naar de kerk van Portiuncula, en daar op de stenen vloer, enkel met een zak bedekt, neergelegd wilde worden, om zo zijn Here en Heiland te ontmoeten.

Iets van deze Franciscaanse naaktheid vind ik terug in de armoede aan versiering en heerlijkheid bij een Protestantse kerkdienst.

Wat de „versiering” betreft, Zacharias Ursinus heeft eenmaal in zijn Schatboek gecommentarieerd bij Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus, dat de enige versiering der kerk is:

„de zuivere leer, het wettig gebruik der sacramenten en de ware aanroeping en dienst van God, overeenkomende met Zijn Woord”.

En aangaande de „ere” zou ik graag willen herinneren aan het woord van Luther:

“De ere Gods is, dat wij Zijn weldaden aannemen.”

Door de bezinning op deze armoede is mij ook duidelijk geworden, waarom de Protestantse dominee „Verbi Divini Minister” heet, d.i. Dienaar van het goddelijke Woord.

Hij heet geen Liturg of Priester, hij celebreert niet, hij dient.

En zou ik dus ook liever van „Dienst” willen spreken dan van „Eredienst”, zoals men trouwens ook wel eens spreekt van „Orde van Dienst” en „Kerk-Dienst”. In deze beide laatste uitdrukkingen valt de volle nadruk op de dienstknechtgestalte van de Protestantse samenkomst der gemeente (5).

Bron: “De Reformatie in de crisis” van (1949) van dr. A.F.N. Lekkerkerker (1913-1972)

(1) De liturgische beweging of Kring (oprichting 1921/22) in de Nederlands Hervormde kerk bestudeerde de geschiedenis, theologie en praktijk van de christelijke eredienst en deed voorstellen ter verbetering.
(2) J.H. Gunning (1859-1951) – hoogleraar in de theologie – geciteerd uit zijn boek: „Onze Eeredienst”).
(3) O. Noordmans (1871-1956) – hoogleraar in de theologie en Hervormd predikant – aanhalingen uit discussies in het Weekblad van de Nederlands Hervormd kerk (1944) .
(4) En die sabbatsrust en dat sabbatsleven is hier vooral dat we zullen “rusten van onze zonden” en dat we ons toeleggen op het liefdevol dienen van onze naasten.
(5) Zie voor het “dienstknechtgestalte” van onze samenkomsten ook webpagina: Jezus’ voetwassing(en)…

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Zijn Naam is Wonderlijk (II)

5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam Wonderlijk,
Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.|
(Uit Jesaja 5)

(…) Maar ik vraag u: Is Jezus ook voor de gelovigen zo wonderlijk? We kunnen niet ontkennen dat Hij in hun ogen wonderlijk is, maar niet in de mate waarin het zou moeten. Het verstand is niet vervuld met de gepaste geestelijke verwondering over Hem, als het aan al Zijn eigenschappen denkt. De liefde verlangt niet zo diepgaand en sterk om Hem te omhelzen en zich in Hem te verblijden, als het zou moeten. De mond is te traag om deze wonderlijke Zaligmaker te belijden en te roemen. Wat is het een beklagenswaardige zaak dat we over de Heere Jezus zo weinig verwonderd zijn. Wat is daarvan de oorzaak? Is er iets aan Hem dat uw verwondering niet verdient? Als u zich over de Messias niet verwondert, zeg mij, waarover verwondert u zich dan wel? Luther zei: ‘Christus is het meest wonderlijke in de wereld.’ Ik wil eraan toevoegen: ‘Hij is ook het Wonder in de hemel.’ Dat we zo’n Persoon niet bewonderen zoals Hij het verdient, kunnen we niet genoeg met hete tranen betreuren. Kom, wie u ook bent, is de Messias voor u wonderlijk? Laat het dan zien en noem Zijn Naam ook zo: Wonderlijk. Verlang ernaar om Hem te zien en te kennen. Men wil graag zien en kennen wat verwondering oproept. Toen Mozes het brandende braambos zag, wilde hij het graag van dichterbij zien. We hebben u een heerlijk gezicht gegeven op Jezus, Die op verschillende manieren wonderlijk is. Zou u er niet naar verlangen om Hem eens van dichtbij te zien en te kennen in alles wat zo wonderlijk is? Neem een voorbeeld aan sommige Grieken die tegen Filippus zeiden: ‘Wij wilden Jezus wel zien’ (Johannes 12:21). Erken Hem als wonderlijk, en geloof ook zo in Hem en acht Hem hoog. De mensen kennen in het algemeen hoge waarde toe aan wat wonderlijk is, en ze verkiezen dat boven veel andere dingen. Omdat de Heere Jezus bij Mozes zo hoog in waarde stond, “achtte hij de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte”. (Hebreeën 11 : 26)

Is de Messias zo wonderlijk? Geef Hem dan al uw liefde.

Gedeelte uit een preek getiteld “De heerlijkheid van de Messias als Wonderlijk” van ds. Wilhelmus Everdijk (1653-1729).

Bron: Preek no. 530, december 2016, uitgegeven door Stichting “Smytegelt-Fonds” in de Reveilserie.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Zijn Naam is Wonderlijk (I)

5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam Wonderlijk,
Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
(Uit Jesaja 5)

[…] Wonderlijk was de Messias in Zijn lijden en sterven. Zijn Vader ontzegde Hem een plaats in de hemel. De duivel, de vorst der duisternis, viel op Hem aan. Op de aarde werd Zijn lijden veroorzaakt door goede en slechte mensen, door vrienden en vijanden, door Joden en heidenen. Het waren geen vrienden voor wie Hij leed, maar vijanden, zondaren, onrechtvaardige en goddeloze mensen. Hij leed voor deze mensen volkomen gewillig. Het was Zijn verlangen; het was ‘Zijn spijs om de wil van Zijn Vader te doen’. Hij deed het met heel veel geduld en onderworpenheid en met een stil gemoed. Hij deed Zijn mond niet open: ‘Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open’ (Jesaja 53:7).

O, wonderlijk lijden! (…) Wat dit lijden nog wonderlijker maakte, waren de vruchten die eruit voortkwamen. Hij had aan Gods gerechtigheid voldaan. Hij had de wet vervuld en Hij werd voor al Zijn uitverkorenen wijsheid van God, rechtvaardigmaking, heiligmaking en een volkomen verlossing. Deze weg leidde voor de Messias tot Zijn verheerlijking. Een wonderlijke zaak! Een vloek wordt veranderd in een zegen. Door de dood wordt het leven verkregen. Hij heeft in de diepste vernedering over Zijn vijanden gezegevierd. Van het kruis ging Hij naar de kroon.

Wie heeft dit in zijn leven ooit gehoord?

Gedeelte van een preek getiteld “De heerlijkheid van de Messias als Wonderlijk” van ds. Wilhelmus Everdijk (1653-1729).

Bron: Preek no. 530, december 2016, uitgegeven door Stichting “Smytegelt-Fonds” in de Reveilserie.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Gods majesteit verborgen in een mensenKind…

Advent 2016 (4)

18 U hebt niet, zoals het volk destijds, voor een laaiend en allesverzengend vuur gestaan, of in dreigende duisternis en woeste wind, 19 noch te midden van bazuingeschal en stemgedonder. Het volk dat dit alles onderging smeekte dan ook dat er geen woord meer tot hen zou worden gesproken, 20 omdat wat hun werd opgedragen ondraaglijk was: ‘Zelfs een dier dat de berg aanraakt, moet gestenigd worden!’ 21 Zo schrikbarend was de verschijning dat Mozes uitriep: ‘Ik sidder van angst!’ 22 Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn, 23 voor de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God, de rechter van allen, en voor de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn, 24 voor de Bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en voor het gesprenkelde bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel. (Uit Hebreeën 12)

Op 6 maart 1540 houdt Luther (als hij in de stadskerk dr. Johannes Bugenhagen tijdens diens verblijf in Denemarken vervangt) een preek die begint bij Johannes 4 : 1. De Menselijke en Goddelijke natuur van Christus komen in deze preek ter sprake. Daarover zegt Luther trouwens zeer lezenswaardige dingen. Al spoedig maakt Luther een ‘uitstapje’ naar de wetgeving uit Exodus hoofdstuk 20. Hierdoor komen er onverwacht andere zaken aan de orde. Dat is dan ook de reden waarom dit citaat niet op Johannes 4 vanaf vers 1, maar op Exodus 20 : 18-19 is gebaseerd:

En het hele volk [hoorde en] zag de donder en de bliksem, en het geluid van de bazuin en de rokende berg. Toen zij dit echter zagen, vluchtten zij en stonden van verre, en zeiden tegen Mozes: Spreek u met ons, wij zullen gehoorzamen, en laat God niet met ons spreken, anders zouden wij sterven’ (Exodus 20:18-19, weergave DB 1545).

(…) “Wij kunnen het niet uithouden als God in Zijn majesteit, door ontelbaar veel duizenden engelen(1) met ons spreekt – wij kunnen immers deze stem niet verdragen [of: ondergaan, uithouden, verduren]. God zegt evenwel: ‘Nu zal Ik Mijn majesteit op het aller-diepste verbergen, en zal Mijn Zoon Mens laten worden. Hij zal geboren worden uit een maagd, en Ik laat Hem de mensen helpen en overal vergeving van zonden verkondigen.’

‘Hij zal zo vriendelijk en zachtmoedig zijn als maar mogelijk is – alleen mag u niet vergeten dat deze Mens precies dezelfde God is Die in de woestijn, aan de berg Sinaï, met de kinderen van Israël heeft gesproken. Daarom moet u geloven dat Hij het is Die met u spreekt. Hij heeft echter Zijn majesteit in Zijn Mensheid verborgen, en Zijn komst is nu niet met bliksem en donder of met engelen die u doen beven en sidderen. Hij is immers uit een arme maagd geboren en Hij wil u niet bang maken – Hij wil met u spreken over de vergeving van uw zonden!’

Wat moeten we nu beginnen? Als God zou komen met Zijn engelen, [op de manier als in de woestijn aan de berg Sinaï], dan zou niemand Zijn stem kunnen verdragen. Nu zegt Hij echter: ‘Ik zal komen in een eenvoudige en nederige gestalte, in een menselijk Persoon – geloof Mij nu toch!’ Maar nu willen we nog minder naar Hem luisteren en verachten Hem.

We blijven denken dat Hij zeker in Zijn majesteit moet komen – en toch kunnen we Hem in die gestalte niet verdragen! Als Hij in Zijn majesteit komt, kunnen we niet naar Hem luisteren – en als Hij in een eenvoudige en nederige gestalte komt, willen we niet naar Hem luisteren.”

Maarten Luther: Auslegung des dritten und vierten Kapitels Johannis in predigten, 1538/1540, vgl. WA 47, 209, 34 – 210, 26 (verkort)

(1) Vgl. Handelingen 7:53; Galaten 3:19

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie