De eredienst – prachtig maar verkeerd uitgevoerd?

Er is niets nieuws onder de zon. Wanneer men van iets zegt: “Kijk, iets nieuws”, dan is het altijd iets dat er sinds lang vervlogen tijden is geweest. De vroegere generaties zijn vergeten, en ook de komende zullen weer worden vergeten. (Uit Prediker 1)

[…] Dank zij de liturgische beweging binnen de Nederlandse Hervormde Kerk (1) heeft het woord „eredienst” (voor de zondagse samenkomst van de gemeente) een eigenaardige geladenheid gekregen, het suggereert ons, als zou de inhoud van de kerkdienst allereerst zijn de verheerlijking Gods als met één stem, zodat daardoor de Lofprijzing in het centrum komt te staan en alle andere elementen van de kerkdienst gaat beheersen. Wat ik bedoel, moge duidelijk worden uit een citaat van J.H. Gunning (2): „Hoe kunnen wij onze gemeentelijke samenkomsten meer maken tot erediensten, en niet langer alles zich doen bepalen bij de leraar en zijn preek… Ach, dat het ons nog eens gegeven werd dat de gemeente in haar huis van gebed, een ‘Ahnung’, een voorbesef te doen smaken, niet alleen van de eeuwige waarheid, maar ook van de eeuwige heerlijkheid.”

Terecht heeft O. Noordmans (3) er indertijd op gewezen, dat van dat woord “eredienst” een zekere zuiging uitgaat, er zit al iets in van de komende heerlijkheid. Het woord roept zoveel gedachten bij ons op, wij denken aan de dankzegging en de lofprijzing, zoals deze in de Openbaring van Johannes worden toe gebracht aan Hem, Die op de troon zit, en aan het Lam. Letterlijk staat daar: „Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof” (Openbaring 5 : 12, vertaling NBG).

Ik zou aan u allen deze vraag willen stellen: zijn wij al toe aan deze Eredienst?

Graag wil ik gehoor geven aan hen, die er over klagen, dat onze Protestantse kerkdiensten zo gedrukt zijn, dat de mensen er haast niet uitkomen boven de spanning van het leven tussen de wereldmachten Amerika en Rusland, dat de sfeer er bedompt is en kil, en toch, het komt mij voor, dat er nog een veel groter gevaar is: de prolepsis van het Koninkrijk Gods. Wij zijn nog niet toe gekomen aan het toebrengen van de heerlijkheid en de eer en de lof aan Hem, Die op de troon zit, en het Lam…

Ons is een grens gesteld, wij leven alsnog in een wereld, die gekarakteriseerd wordt door aan de éne kant de puinhopen en aan de andere kant het kruis; een keiharde wereld, waarin wij ook geroepen worden een kruis te dragen.

Ik kan mij levendig indenken, dat iemand het heimwee naar de komende heerlijkheid wel eens te machtig wordt, en zich vanuit de esthetische ontroering door het orgelspel of de koorzang zich graag laat suggereren, als zou het reeds de tijd zijn voor de hemelse eredienst, en zeer zeker mag en zal er ook iets feestelijks in ons leven zijn, omdat wij deze eredienst verwachten met een groot en heilig verlangen, zoals ook de Heidelbergse Catechismus in Zondag 38 spreekt van een aanvangen van de eeuwige Sabbat in dit leven (4); maar… 

„Verwachten” is nog iets geheel anders dan „bezitten”.

Mij dunkt, dat niemand deze dingen scherper gezien heeft en scherper gezegd heeft dan dr. Noordmans wanneer hij ons er op wijst, dat de preek begint daar, waar wij gaan ontdekken, hoe wij niet in de hemel zijn, maar, om met de existentiefilosofen te spreken, ergens geworpen, d.i. op deze aarde zijn terecht gekomen tussen de dorens en de distels. En dan citeert hij tenslotte Calvijn, die zeer existentieel een kerkdienst aldus beschrijft: 

“Dat het een of andere mannetje, uit het stof verrezen, in de naam van God
tot ons gaat spreken” (Institutio IV, 3, 1 ).

Wij zijn nog niet toe aan de „ere”, er is nog de schande (van onze zonden), die veracht moet worden, en het kruis, dat gedragen moet worden…

Met deze dingen hangt samen wat ik zou willen noemen de soberheid en de armoede van de Protestantse kerkdienst, een soberheid, die daar is in het kerkgebouw, maar ook in de orde van dienst. Vurig hoop ik, dat de hernieuwde bezinning op het wezen en de orde van de kerkdienst, zoals deze thans aan de gang is, zowel in de Nederlands Hervormde Kerk als in de Gereformeerde Kerken zal leiden tot een opnieuw ontdekken van de principiële betekenis van deze soberheid en evangelische armoede. Prachtig vind ik altijd het verhaal van Franciscus van Assisi, die, stervende, zich liet dragen naar de kerk van Portiuncula, en daar op de stenen vloer, enkel met een zak bedekt, neergelegd wilde worden, om zo zijn Here en Heiland te ontmoeten.

Iets van deze Franciscaanse naaktheid vind ik terug in de armoede aan versiering en heerlijkheid bij een Protestantse kerkdienst.

Wat de „versiering” betreft, Zacharias Ursinus heeft eenmaal in zijn Schatboek gecommentarieerd bij Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus, dat de enige versiering der kerk is:

„de zuivere leer, het wettig gebruik der sacramenten en de ware aanroeping en dienst van God, overeenkomende met Zijn Woord”.

En aangaande de „ere” zou ik graag willen herinneren aan het woord van Luther:

“De ere Gods is, dat wij Zijn weldaden aannemen.”

Door de bezinning op deze armoede is mij ook duidelijk geworden, waarom de Protestantse dominee „Verbi Divini Minister” heet, d.i. Dienaar van het goddelijke Woord.

Hij heet geen Liturg of Priester, hij celebreert niet, hij dient.

En zou ik dus ook liever van „Dienst” willen spreken dan van „Eredienst”, zoals men trouwens ook wel eens spreekt van „Orde van Dienst” en „Kerk-Dienst”. In deze beide laatste uitdrukkingen valt de volle nadruk op de dienstknechtgestalte van de Protestantse samenkomst der gemeente (5).

Bron: “De Reformatie in de crisis” van (1949) van dr. A.F.N. Lekkerkerker (1913-1972)

(1) De liturgische beweging of Kring (oprichting 1921/22) in de Nederlands Hervormde kerk bestudeerde de geschiedenis, theologie en praktijk van de christelijke eredienst en deed voorstellen ter verbetering.
(2) J.H. Gunning (1859-1951) – hoogleraar in de theologie – geciteerd uit zijn boek: „Onze Eeredienst”).
(3) O. Noordmans (1871-1956) – hoogleraar in de theologie en Hervormd predikant – aanhalingen uit discussies in het Weekblad van de Nederlands Hervormd kerk (1944) .
(4) En die sabbatsrust en dat sabbatsleven is hier vooral dat we zullen “rusten van onze zonden” en dat we ons toeleggen op het liefdevol dienen van onze naasten.
(5) Zie voor het “dienstknechtgestalte” van onze samenkomsten ook webpagina: Jezus’ voetwassing(en)…

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s