Maarten Luther en de gewetensvrijheid van de Joden…

29 Ik weet dat er na mijn vertrek woeste wolven bij u zullen binnendringen, die de kudde niet zullen ontzien. 30 Uit uw eigen kring zullen mensen voortkomen die de waarheid verdraaien om de leerlingen voor zich te winnen. 31 Wees daarom waakzaam en vergeet niet hoe ik ieder van u drie jaar lang dag en nacht onder tranen steeds weer raad heb gegeven. 32 Nu vertrouw ik u toe aan God en aan het evangelie van zijn genade, dat onze gemeenschap kan opbouwen en dat het beloofde erfdeel zal schenken aan allen die Hem toebehoren. (Uit Handelingen 20) (1)

Luther (na de kerkelijke ban) dan ook nog in de rijksban na de Rijksdag te Worms…

Luthers antwoord te Worms is uiterst eenvoudig: “Welnu, dan zal ik een antwoord geven dat niet bijten of stoten zal. Tenzij ik overtuigd word door de Schrift of door juiste redenering, kan noch wil ik iets herroepen. Het is veilig noch juist om tegen je geweten in te gaan. God sta mij bij. Amen.”
Keizer Karel verklaart hem hierna vogelvrij. In een edict richt hij zich tot alle inwoners van zijn rijk: “Gij zult voornoemde Luther gastvrijheid, onderdak en een bed weigeren; niemand zal hem voeden en verzorgen met eten en drinken. Waar gij hem ook tegenkomt, zult gij hem gevangen nemen en aan ons uitleveren. Wat betreft zijn vrienden en volgelingen, bevelen wij dat gij ze zult aanvallen, overmeesteren, hun bezittingen grijpen en aan hen ontworstelen en ze tot uw eigen bezit maken. Wat betreft de boeken van Maarten Luther, bevelen wij dat niemand het zal wagen ze te kopen, verkopen, in zijn bezit te hebben, te vermenigvuldigen of te drukken; of ze aan te hangen, te prediken of te verdedigen of op enigerlei wijze voor ze op te komen. Wij verordenen dat de werken van Luther verbrand zullen worden en ook door andere middelen vernietigd zullen worden.” Daar op de Rijksdag te Worms in 1521 begint zich de achtergrond te vormen voor Luthers ‘Ein feste Burg’…:

Gods heilig woord alleen houdt stand,
Gods waarheid zal ons staven.
(…)
Geen aardse macht begeren wij, die gaat welras verloren.
Ons staat de sterke Held ter zij, dien God ons heeft verkoren.
Vraagt gij zijn naam? Zo weet, dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon, verwinnaar van de troon:
de zeeg’ is ons beschoren!
(…)
Delf vrouw en kind’ren `t graf, neem goed en bloed ons af,
het brengt u geen gewin: wij gaan ten hemel in
en erven koninkrijken!
(Uit het Lutherlied “Een vaste burcht is onze God”)

Hieronder nog een bewerking/toepassing (AJ) van Maarten Luthers woorden, zoals hij die gebruikte toen hij voor het Rijksdag-tribunaal te Worms was gedaagd.

“Al waren er zoveel (“Kerk-gevaarlijke”) Joden in Duitsland (oorspronkelijk: zoveel duivels te Worms) als pannen op de daken” – en al kon en moest iemand het als enige overgeblevene het op zich nemen om naar eer en geweten te getuigen tegen hun overmacht, dan zal hij toch op grond van het eeuwig Evangelie pal kunnen en hebben te staan voor de Waarheid: “Jezus Christus en Die gekruisigd“ en “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.“!

(1) Paulus vind het gevaar dat van binnenuit de gemeente bedreigt blijkbaar groter dan de bedreigingen van buitenaf. Het is zonder meer waar dat waar kerken/gemeenten verdwijnen de oorzaak altijd te zoeken is binnen die kerken en gemeenten zelf. Daar is de afval – op allerlei manieren (leefstijl, prediking, etc.) – begonnen en verloor het zout zijn kracht, zodat de bederfwerende werking van de gemeente en haar leden verloren ging en dan alleen nog gezien en ervaren wordt (door de buitenwereld) als nutteloos afval, alleen nog waard “om door de mensen vertreden te worden”! (zie Matteüs 5 : 13)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Het gouden verzoendeksel op de ark…

“Welzalig is hij, wiens overtreding vergeven en wiens zonde bedekt is.”
(Uit Psalm 32)

(…) We hebben vroeger ook reeds gezien, dat God deze ark heeft laten vervaardigen om te dienen als bewaarplaats voor „de getuigenis”, Exodus 25 : 16, d.w.z. de twee stenen tafelen, Deuteronomium 10 : 1, 2, die aan beide kanten met de tien woorden van het verbond waren beschreven, Exodus 32 : 15. Gods verbond was de onmisbare voorwaarde voor het „functioneren” van ark en tabernakel (Zie Van binnen naar buiten…).

Op de ark heeft het verzoendeksel gerust. Het is één plaat van zuiver goud geweest. Deze heeft in het Hebreeuws „kappóret” geheten, dat gevormd is van een werkwoord, dat in het oudtestamentische offerritueel als staande term voor verzoenen heeft gediend . De LXX vertaalde het Hebreeuwse woord voor verzoendeksel door hilastèrion. Dit Griekse woord is later letterlijk overgenomen door de brief aan de Hebreeën in 9 : 5, waar we lezen: „Daarboven (n.m.l. boven de ark) waren de cherubs der heerlijkheid, die het „verzoendeksel” overschaduwden”. Vóórdien had ook Paulus reeds hetzelfde woord gebruikt. Hij had namelijk in Romeinen 3 : 25 geschreven, dat God onze Heere Jezus Christus stelde tot een „hilastèrion”. Dat is toen in de Staten Vertalers weergegeven door „verzoening”, in de Nieuwe Vertaling door „zoenmiddel” en in de Canisius Vertaling door „zoenoffer”. Geen van drieën vertaalde door „verzoendeksel”. Zou het bezwaar tegen deze vertaling, dat niet het verzoendeksel zelf verzoende, maar het bloed, dat er op gesprenkeld werd, en dat Christus daarom door de apostel niet ons verzoendeksel genoemd kan zijn  – zou dat bezwaar wel voor Paulus zo zwaar gewogen hebben? In elk geval dachten de Griekssprekende lezers, die het O.T. kenden, bij het woord hilastèrion in Romeinen 3 : 25 stellig in de richting van het verzoendeksel. (…)

Bron: De Voorzeide Leer, Inleiding Genesis Exodus, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening (hilastèrion = zoendeksel van zuiver goud (1)) te zijn voor wie gelooft. Hiermee bewijst God dat Hij rechtvaardig is, want in zijn verdraagzaamheid gaat hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan. Hij wil ons nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid bewijzen: Hij laat ons zien dat Hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft. (Romeinen 3 : 25-26)

(1) Hierbij opgemerkt door AJ: Kunnen of moeten we niet zeggen: Het bloed en de bloedstorting van de Mens Jezus was nodig tot verzoening van onze zonden, maar het is God, onze eeuwige en volmaakte God-Drieenig Zelf, bij de ark voorgesteld door het verzoendeksel van zuiver goud, Die het gestorte en geofferde bloed van Jezus (Schepsel) gesteld en aanvaard heeft om Zijn wil tot volmaakte bedekking van al onze zonden duidelijk te maken. Onze zonden zoals die door de wet op de twee stenen tafels in de ark aan het licht (2)  worden gebracht?!

(2) Gij stelt onze ongerechtigheden vóór U, onze heimelijke zonden in het licht van uw aanschijn. (Psalm 90 : 8)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Prof. dr. Herman J. Selderhuis?: “Je moet niet alles van hem geloven!”

“Luther wil je niet in je kerk of op je preekstoel hebben”… althans, zo beweert (en weet) prof. dr. J.H. Selderhuis het (voor ons leken) in een artikel, dat verscheen in het laatste nummer van Protestants Nederland (1)

Maar wanneer wij leken ook nog voor onszelf mogen spreken in onze kerken/gemeenten, dan wil ik (hem en anderen) toch graag even laten horen, dat er op en over dat punt (en meer) toch wel wat anders gedacht en bedacht kan worden.

Wat missen wij zo’n prediker van “vlees en bloed” als Maarten Luther was, die ons vanaf de kansel en vanuit zijn huiskamer op allerlei manieren durfde op te schrikken om ons zó doende uit onze redelijkheid en zelfgenoegzaamheid te trekken/duwen, opdat we ons, opgeschrikt en wakkergeschud,  zullen laten confronteren met wat God’s Woord ons te zeggen heeft. Maarten Luther als gastprediker in onze kerken en op onze preekstoelen, zou wel eens een aantrekkelijk alternatief kunnen zijn, als tegenwicht voor alles wat er tegenwoordig aan preken en verhalen wordt “opgedist” in onze kerken en op onze preekstoelen door o.a. academisch geschoolde predikanten en theologen.

Van de laatsten zijn er helaas ook nogal wat die niet werkelijk meer “op de schouders van het voorgeslacht” willen en kunnen staan, anders zouden ze niet zo regelmatig nogal hautain wat naar beneden willen en durven schoppen. Je zou anders toch meer besef mogen verwachten, dat wanneer je de kracht en de waardigheid van die schouders nogal bekritiseert en bagatelliseert, je ook de eigen (kerkelijke) positie nogal wankel maakt en zo reden geeft om ook door anderen niet erg serieus meer genomen te worden.  Blijkbaar heeft men de ivoren toren van de onafhankelijke wetenschap en/of objectieve waarnemer beklommen, waar vanuit dan academisch en/of zogenaamd objectief commentaar gegeven kan worden op wat wel en niet door de beugel kon en kan bij het voorgeslacht, waarover men dan vaak toch nog wel graag “roemrucht” wil spreken en publiceren, maar dan vooral om vroegere personen en hun opvattingen te gebruiken als (ook voor anderen) interessant (te maken) studie-objecten…

Ook horen we van deze professor: “Luther was huiverig in het spreken over de Heilige Geest en over de heiliging”. Maar dan beweer ik – met wat ik als leek inmiddels gelezen en begrepen heb van Luther – over Selderhuis opvatting: Hij, prof. Selderhuis, heeft Luther’s gedurfde spreken over de Heilige Geest en onze heiliging niet goed begrepen!

Ook wil en durft Selderhuis in het betreffende artikel beweren dat Maarten Luther het Hitler en de Nazi’s “wel erg makkelijk heeft gemaakt” m.b.t. het verspreiden en ingang doen vinden van hun opvattingen over de Joden en de oplossing van het Jodenvraagstuk…
Maar, wat is dat toch voor een omgekeerde wereld en een omkeren van de verantwoordelijkheid van de “nazaten van Luther”! Niet Maarten Luther, maar Hitler en de Nazi’s en de christenen in Duitsland, die hebben het zich erg makkelijk gemaakt! Zij leefden eeuwen na Luther en hebben alle eeuwen nadien tijd gehad en konden ook in hun tijd horen en ontdekken dat Luther met de woorden, die hij (later in zijn leven!) aan de Joden gewijd heeft, volop in tegenspraak kwam met wat hij eerder geleerd had en ook later nog steeds leerde uit en over het Evangelie – ook m.b.t. de omgang met de Joden! Maar het hoort blijkbaar tot de bon ton in veel kringen – en blijkbaar zelf ook in theologische academische kringen – om Luther een grote schuld in de schoenen te schuiven m.b.t. wat er in Duitsland gebeurd is voor en tijdens WO II…

En – alhoewel er nog wel meer op te merken zou zijn – tot slot dan nog dit: De belangrijkste vraag/worsteling voor Luther was later in zijn leven niet (meer!): Hoe vind ik (steeds weer) een genadig God, of, zoals Selderhuis het verwoord: “Wel is er bij Luther de blijvende worsteling: zou God me genadig willen zijn? Maar, Luther’s vraag werd: hoe leef ik als mens in deze wereld met een genadig God! Antwoord: Elke dag weer als bedelaar! We hebben Hem echt helemaal niets te bieden! Alles wordt door wie gelooft om Christus’ wil uit Zijn Vaderhand “om niet” ontvangen. Maar dat ontvangen goed verkwanselen we zo maar weer! Dat gaf Maarten Luther moeite en aanvechting! Hoe we een liefdevolle Vader, toch nog steeds weer zó kunnen bedroeven…

(1) Bron: Artikel “Professor Herman J. Selderhuis over Maarten Luther: “Je moet niet alles van hem geloven” door Tera Voorwinden-Hofman in No.1 | januari 2017 van Protestants Nederland.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Tasten in de Bijbelse duisternis? – Zon sta stil te Gibea! (Jozua 10)

11 Het gebeurde, toen zij voor Israël vluchtten en de helling van Beth-Horon afgingen, dat de HEERE vanuit de hemel grote stenen op hen wierp, tot Azeka toe, zodat zij stierven. Er waren er meer die door de hagelstenen stierven, dan die de Israëlieten met het zwaard doodden.
12 Toen sprak Jozua tot de HEERE op de dag dat de HEERE de Amorieten aan de Israëlieten overgaf, en hij zei voor de ogen van Israël: Zon, sta stil in Gibeon, en maan, in het dal van Ajalon! (Uit Jozua 10)

(…) De schrijver van het boek Jozua had zeer zeker geen enkel vermoeden van het verband tussen de twee verschijnselen (“hagelsten” en zonne-stilstand – AJ). Men kon van hem niet verwachten dat hij iets wist over de aard van aërolieten (meteorietstenen), over de aantrekkingskracht van twee hemellichamen en zo meer. Daar deze verschijnselen als gelijktijdige gebeurtenissen werden opgetekend, is het onwaarschijnlijk, dat deze mededelingen een verzinsel zouden zijn.

De meteorieten vielen in een stortvloed op de aarde. Ze moeten in grote hoeveelheden zijn neergekomen, want ze doodden meer krijgers dan de zwaarden van de tegenstanders. Om mensen bij honderden en duizenden op een veld te doden moet het een ware stortvloed van stenen zijn geweest. Een dergelijke stortvloed van grote stenen zou betekenen, dat een sliert meteorieten of een komeet onze planeet had getroffen.

De aanhaling in de Bijbel uit het boek Jasher is nogal laconiek en zou de indruk kunnen geven dat het verschijnsel van de stilstaande zon en maan iets plaatselijks was, alleen maar zichtbaar in Palestina, tussen de vallei van Ajalon en Gibeon. Maar het kosmische karakter van dit wonder wordt uitgebeeld in een dankgebed dat aan Jozua is toegeschreven:

Zon en maan stonden stil aan de hemel,
Gij stondt in uw toorn tegenover onze verdrukkers
Alle vorsten ter aarde rezen op
de koningen der naties hadden zich verzameld…
Gij hebt hen in uw woede vernietigd
en Gij hebt hen in uw toorn vermorzeld…
Naties raasden uit vrees voor U,
Uw toorn deed koninkrijken wankelen...
Gij hebt uw woede over hen uitgestort…
Gij hebt hen in uw toorn schrik ingeboezemd…
De aarde beefde en trilde van het lawaai van uw donderslagen.
Gij hebt hen met uw storm achtervolgd,
Gij hebt hen verteerd in uw wervelwind…
Hun dode lichamen waren als afval.

Hoe wijd de kring was waarover de hemelse wrake zijn gesel liet gaan komt in het gebed ‘Alle koninkrijken wankelden…’ naar voren. Een stortbui van grote stenen die uit de hemel kwam vallen, een aardbeving, een wervelstorm, een verstoring van de beweging der aarde – deze vier verschijnselen vormen één samenhangend geheel. (…)

Belang van bestuderen en kennis van contemporaine geschiedenis…

(…) Volgens het Bijbelse verhaal zou de zon nóg een hele dag (‘omtrent een volkomen dag’) erbij aan de hemel zijn gebleven. De Midrashim, de boeken met oude overleveringen die niet in de Bijbel zijn opgenomen, vertellen dat de zon en de maan zesendertig itim of achttien uren stilstond en dat de dag van zonsopgang tot zonsondergang ongeveer dertig uur duurde.
In de Mexicaanse annalen wordt vermeld, dat de wereld was beroofd van licht en dat de zon een viervoudige nacht lang niet verscheen. Tijdens een verlengde dag of nacht kon de tijd niet gemeten worden met de gebruikelijke middelen die de mensen der oudheid ter beschikking stonden.
Sahagun, de Spaanse geleerde die een generatie na Columbus naar Amerika kwam en de overleveringen van de inboorlingen verzamelde, schreef dat ten tijde van één kosmische catastrofe de zon maar een klein eind boven de horizon steeg en daar onbeweeglijk bleef staan; ook de maan stond stil. (…) Bovendien vertoont de overlevering, door Sahagun bewaard gebleven, geen enkele aanwijzing, dat zij door zendelingen zou zijn ingevoerd; in zijn lezing is er niets dat aan Jozua ben Nun en zijn oorlog tegen de Kanaänitische koningen herinnert; en de stand van de zon, slechts een klein eindje boven de oostelijke horizon, verschilt van die uit de Bijbelse tekst, ofschoon hij er niet mee in tegenspraak is. (…)

Aanleiding: Artikel “Tasten in de Bijbelse duisternis” in de Volkskrant van 23-01-2017.

Bron: “Werelden in botsing” (3e druk, 1973) van Immanuel Velikovsky (1895-1979) – Uitgeverij Ankh-Hermes bv – Deventer.

zon-sta-stil-te-gibea-jozua-10

Schilderij van de Brit John Martin (1789-1854). Foto National Gallery of Art

Geplaatst in Bijbel, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Maarten Luther en Willem van Oranje als leiders van Kerk en volk…

11 Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen. 12 Een huurling, iemand die geen herder is, en die niet de eigenaar van de schapen is, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht zodra hij een wolf ziet aankomen. De wolf valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen; 13 de man is een huurling en de schapen kunnen hem niets schelen.  (Uit Johannes 10, NBV)

Maarten Luther

Luther zelf heeft zijn volgelingen al ernstig willen waarschuwen (zie webpagina: De Goede Herder) dat ze zich niet blind konden en moesten staren en dus ook niet blind konden varen op zijn werk als reformator en als hoeder en leider van de kudde(n) in de nieuwe protestantse kerken, die zich in Duitsland en Europa gevormd hadden en zich nog voortdurend vormden in zijn tijd.
Juist uit zijn latere opvattingen over het bezweren van “het gevaar” van de Joden blijkt hoezeer de angst voor “de wolven” deze herder later in zijn leven “op de vlucht” heeft doen slaan. Daarmee heeft hij de Joden en de kudde(n) en de individuele schapen veel kwaad berokkent. Juist de waarschuwingen die Luther zelf over herders en (kerk)leiders heeft laten horen, hadden zijn volgelingen ervoor kunnen – en ook zeker ervoor moeten – bewaren om deze herder in zijn “vlucht” te volgen. Ze hadden boven de stem van deze aardse herder, de stem van hun hemelse Herder moeten blijven opmerken, gehoorzamen en volgen. Dat geldt wel heel speciaal voor degenen die in later eeuwen kennis konden nemen van het werk van Luther…

Willem van Oranje

Uit de levensgang van Willem van Oranje valt te leren, hoeveel het betekenen kan voor Kerk en volk, wanneer een een aardse vorst/leider niet zijn eigen belangen of die van een bepaalde groep alleen, maar zijn hemelse Heer en Herder leert navolgen en daarbij steeds meer en weer bereid bleek zijn leven daarbij op het spel te zetten en te durven verliezen ten bate van de kudden (Kerk!) in het gebied waarvoor hij verantwoordelijkheid opgedragen en te dragen gekregen had.
Zijn Godsvertrouwen hield ook stand toen Philips II hem vogelvrij verklaarde en zijn moordenaar grote financiële en hemelse vergoeding toezegde. Willem van Oranje heeft toen geweigerd om zich voortdurend door lijfwachten en andere extra bewaking te laten omringen. Hij wilde m.n. de vrije omgang met het gewone volk (o.a. in Delft) niet belemmeren en wist zijn levenseinde en het moment daarvan in Gods Vaderhanden…
Deze leider heeft God het vergund om toen al en ook later “vader des vaderlands” genoemd te worden… Een zeer bijzonder soort “hemelse ridderorde”.

24 Door zijn geloof weigerde Mozes, toen hij volwassen werd, aangesproken te worden als zoon van een dochter van de farao. 25 Liever werd hij even slecht behandeld als het volk van God dan dat hij vluchtig voordeel had bij de zonde; 26 omdat hij uitzag naar de beloning waardeerde hij de smaad van Christus hoger dan de schatten van Egypte. (Uit Hebreeën 11)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Politiek | Plaats een reactie

Van buiten naar binnen…

(…) We doorliepen de tabernakelruimten van binnen naar buiten.
Laten we nu nog eens teruggaan.

Hoe heeft toch alles de priesterlijke roeping van de Israëlieten gepredikt om God met hun gaven te eren en in die weg deel te ontvangen aan Zijn gaven voor hen; hun rechtvaardiging, heiliging en verheerlijking.

De weg naar binnen, naar de plaats van Gods troon, was geen andere dan een weg door de voorhof. Langs het brandofferaltaar. De plaats, waar ook wel brood, wijn, olie, wierook en zout werden geofferd, gaven der heiliging, symbolen van de goede werken van het geloof. Maar daaraan ging toch altijd de verzoening door het altaarbloed vooraf. In de voorhof viel de nadruk op de rechtvaardiging.

Maar in het heilige op de heiliging, Weliswaar ontbrak hier de verzoening niet. Maar bloed werd op de hoornen van het reukaltaar toch niet dan bij uitzondering gesprenkeld. En iedere vléésgave ontbrak in het heilige volstrekt. Terwijl niet alleen de heiligingsgaven hier meer op de voorgrond traden, maar ze ook fijner waren en meer af. Hier nooit meel, maar uitsluitend broden. Niet enkel wierook, maar ook ander reukwerk daarbij. En de fijnste olie, de reinste olijfolie, was nauwelijks goed genoeg voor de luchter, waarop de hele nacht aan God de gave werd toegebracht, die symbool was van het licht van de Geest. En al die gaven aldoor, dag en nacht. En, als gezegd, bijna geheel onbloedig.

Terwijl in het allerheiligste inderdaad ook nog wel het zondige moest verzoend, waarmee zelfs de allerheiligste verrichtingen van en voor Israël gedurende een heel jaar waren gepaard gegaan. Maar hier naderde dan toch een man uit Israël voor Israël tot vlak bij Jahweh, met de naam van Jahweh op zijn voorhoofd. Hier was toch iets, dat herinnerde aan de hof van Eden. En dat óns nu zeker denken doet aan het slothoofdstuk van de Bijbel.

„En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn
en Zijn dienstknechten zullen Hem vereren en zij zullen Zijn aangezicht zien
en Zijn naam zal op hun voorhoofden zij
n“,
(Openbaring 22 : 3, 4)

Het geloven wordt eenmaal aanschouwen.

Bron: De Voorzeide Leer, Inleiding Genesis Exodus, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

God wil wonen bij ons mensen…

46 David werd door God begunstigd en vroeg om een heiligdom voor het volk van Jakob. 47 Maar het was Salomo die voor God een tempel bouwde. 48 Toch woont de Allerhoogste niet in een huis dat door mensenhanden is gemaakt, zoals de profeet zegt: 49 “De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank. Hoe zouden jullie dan een huis voor mij kunnen bouwen – zegt de Heer –, een plaats waar ik kan rusten? 50 Heb ik dit alles niet met eigen handen gemaakt?”.  (Uit de rede van Stefanus, Handelingen 7)

(…) We herinneren ons wat er gebeurde zodra Mozes met de Israëlieten bij de berg Sinaï arriveerde. Toen ontving hij van God het bevel tot hen te zeggen: ,,Gij (met nadruk en in het meervoud, dus: gijlieden) zult Mij zijn tot een koninkrijk van priesters en een heilig volk”, (Exodus 19 : 6). Ziedaar Gods wens. Hij zou Israëls koning zijn en de Israëlieten zouden Zijn heilige onderdanen zijn, in wier midden Hij zou wonen. Tussen een vólk van priesters.

Daarop heeft het volk evenwel gehoord en gezien, op wat voor indrukwekkende wijze God Zich op Horeb openbaarde bij de afkondiging van de tien woorden. Het beefde van schrik en ontzetting en het smeekte Mozes toch als tussenpersoon te willen optreden, (Exodus 20 : 19).

Over deze nederige dunk van zichzelf bij de Israëlieten heeft God uiteraard geen enkel afkeurend woord gesproken, integendeel, Hij heeft op hun verzoek goedgunstig beschikt, (Deuteronomium 5 : 28). Hieruit is niet alleen het tijdelijk middelaarschap van Mozes, maar ook het „eeuwig” priesterschap van Aäron en diens zonen te verklaren. De hele dienst van hogepriester en priesters, waarvan we in de Wet„ lezen, heeft behoord tot de periode, toen Israël nog een kind was en onder voogden en verzorgers gesteld. Die dienst is er tijdelijk tussen geschoven. Want de wens van God om opnieuw te midden van mensen te wonen, ja weer met hen te verkeren als eertijds in de hof van Eden, zou zeker vervuld worden. De tabernakeldienst is zelf een stap in die richting. Die wens heeft God zelfs door de afkondigingen van de tabernakeldienst heen uitgesproken, zie Exodus 29 : 45.

Ik zal dan te midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.
(Exodus 29 : 45)

20 Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’ 21 ‘Geloof me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22 Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten dat wel; de redding komt immers van de Joden. 23 Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt in geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, 24 want God is Geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in geest en in waarheid.’ 25 De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de messias zal komen’ (dat betekent ‘gezalfde’), ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’ 26 Jezus zei tegen haar: ‘Dat ben ik, degene die met u spreekt.’ (uit Johannes 7)

Bron: De Voorzeide Leer, Inleiding Genesis Exodus, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Van binnen naar buiten…

1 U allen, heilige broeders en zusters, die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden, (…) 4 Elk huis heeft zijn bouwer, maar God is de bouwer van alles. 5 Mozes vervulde trouw zijn taak in heel Gods huis, als dienaar die getuigde van de komende openbaringen, 6 Christus echter is trouw als Zoon die over dat huis is aangesteld. Wij vormen dat huis, mits wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, onverwrikbaar tot het einde vasthouden. (Uit Hebreeën 3)

(…) Bij de bespreking van het tabernakelgerei zullen we de volgende orde in acht nemen. We spreken eerst over het gerei van het allerheiligste, daarna over dat van het heilige en tenslotte over dat van de voorhof.

Dit is naar de orde van de Schrift, zoals we al eerder opmerkten.

Wanneer wij over de tabernakel denken en spreken, gaan wij misschien andersom te werk en gaan wij van buiten naar binnen. We lopen in gedachten de voorhof binnen door het (geborduurde) voorhangsel, lopen die voorhof door, langs brandofferaltaar en wasvat, naar de ingang van het heilige, passeren in dit heilige zowel luchter (links) als tafel der toonbroden (rechts) alsmede het wierookaltaar (recht voor ons), om tenslotte het voorhangsel van het allerheiligste een weinig op te lichten, het allerheiligste binnen te treden en dan te blijven staan voor de ark met haar verzoendeksel, de heiligste plaats van Israëls heiligdom.

Wij zouden wellicht van buiten naar binnen gaan.

Maar de Schrift volgt de tegengestelde orde. Dat doet zij trouwens meestal in dezen. Zie Exodus 25-40. Zij begint bij ark en verzoendeksel in het allerheiligste, 25 : 10, leidt ons vervolgens naar het (minder) heilige, 25 : 32, en spreekt pas daarna over de voorhof, 27 : 1. Dezelfde orde hebben we bij de getallen en metalen opgemerkt. Lezen wij zo ook de Schrift. Altijd lettend op en uitgaande van de hoofdzaak: Gods verlossingswerk door Christus’ bloed en Geest, opdat Hij weer met ons in een paradijs zou wonen.

Bron: De Voorzeide Leer, Inleiding Genesis Exodus, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

God, Uw troon houdt stand in eeuwigheid…

33 Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn beschikkingen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. 34 ‘Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman? 35 Wie heeft hem iets gegeven dat door hem moest worden terugbetaald?’ 36 Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen. (Uit Romeinen 11)

In zijn grote Genesis Verklaring (1535-1545) is Luther gekomen aan de bekende geschiedenis uit het leven van Jacob, waarin verhaald wordt dat de zonen van Jacob hun broer Jozef verkopen naar Egypte (Genesis 37:12 vv). Hij maakt dan van de gelegenheid gebruik om nog meer zonden en gebreken in het gezin van Jacob (Luther noemt het ‘de kerk van Jacob’) de revue te laten passeren. Het gekozen citaat, dat daarop volgt, gaat als een soort toepassing meer over de onbegrijpelijke wegen die God ook nu nog met Zijn kerk houdt en met iedere gelovige in het bijzonder:

(…) “Op deze manier is Jacob een voorbeeld geworden – niet alleen wat zijn geduld betreft, maar ook hoe men over de wonderlijke raad [of: beschikkingen] van God over óns moet denken. God heeft gewild dat dit allemaal opgeschreven en in de kerk gelezen en onderwezen zou worden. Zodat wij daaruit kunnen leren hoe Hij Zijn heiligen wonderlijk leidt en regeert. En wel zo, dat Zijn heiligen ook zelf niets kunnen begrijpen en verstaan van deze raad van God waardoor zij geleid worden.

Waarom doet God dat? Dat doet Hij om geen andere reden dan dat Hij ons vlees, begrip en verstand, en daarbij ook onze wijsheid de dood wil laten sterven. Want het is nodig dat wij er aan wennen om slechts onze ogen te sluiten en op de beloften van God vertrouwen – ook als Hij Zich houdt alsof Hij ons niet ziet of kent, ja ook als het tegenovergestelde gebeurt van wat ons goeddunkt.

God verbergt Zich: zoals wij ook lezen in Hooglied (vgl. 2:9), waar de bruid zegt: ’Hij staat achter de muur – Hij verstopt en verbergt Zich achter het gordijn.’ En ook [in het Nieuwe Testament] hoe het Kindje Jezus, toen Hij twaalf jaar oud was, Zich aan Zijn ouders heeft onttrokken (vgl. Lukas 2:43).

Op dezelfde manier gedraagt Hij Zich ook tegen de godzaligen en vromen: zodat het schijnt dat Hij ons helemaal niet wil kennen – ook dán als Hij ons tevoren grote beloften heeft gedaan en zelfs eerst Zijn onwankelbare verbond met ons heeft opgericht. Toch laat Hij ons zó omkomen alsof Hij Zijn beloften geheel zou hebben vergeten, en alsof Hij ons niet wilde zien, ja ons geheel zou hebben verworpen (1).

Dit is nu de wijsheid van de christenen: om zich stil te houden onder Gods beschikkingen, en te volharden bij de beloften die Hij ons heeft gegeven. Want deze beloften zijn zeker en vast genoeg, en het verbond van de Heere blijft bestendig, zoals de psalm zegt: ‘De Behoeder van Israël zal niet sluimeren of slapen’ (vgl. Psalm 121:4).”

Maarten Luther: Vorlesungen über 1. Mose von 1535-1545, vgl. WA 44, 268, 40 – 269, 14, weergave: J.G. Walch (Ausgabe 1740) Zweijter Theil, S.1601-S.1602

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

(1) Uit Hebreeën 1

8 Maar tegen de Zoon zegt hij:
‘God, uw troon houdt stand tot in alle eeuwigheid,
en de scepter van het recht is de scepter van uw koningschap.
9 Gerechtigheid hebt u liefgehad en onrecht gehaat;
daarom, God, heeft uw God u gezalfd
met vreugdeolie, als geen van uw gelijken.’

10 En ook:
‘In het begin hebt u, Heer, de aarde gegrondvest,
en de hemel is het werk van uw handen.
11 Zij zullen vergaan, maar u houdt stand,
ze zullen als een gewaad verslijten,
12 als een mantel zult u ze oprollen,
als een gewaad zullen ze worden verwisseld;
maar u blijft dezelfde, en uw jaren zullen geen einde nemen.’

13 Tegen wie van de engelen heeft hij ooit gezegd: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt’? 14 Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding?

1 Daarom moeten wij al onze aandacht richten op wat we gehoord hebben,
dan zullen we niet uit de koers raken (…)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Verlossing en dankbaarheid…

(…) 11 U bent in ieder opzicht rijk geworden om in alles vrijgevig te kunnen zijn, en uw vrijgevigheid leidt door onze bemiddeling tot dankzegging aan God. 12 Uw bijdrage aan de collecte heft immers niet alleen het gebrek van de heiligen in Jeruzalem op, maar leidt er bovendien toe dat ze God uitbundig danken. 13 Ze prijzen God omdat u er blijk van geeft gehoorzaam te zijn aan het evangelie van Christus, wat u bewijst door de ruimhartigheid waarmee u met hen en alle anderen wilt delen.  (Uit 2 Korintiërs 9)

(…) Toen God met Mozes over het plan voor de tabernakel begon te spreken, heeft Hij de wens te kennen gegeven, dat het beoogde heiligdom Hem door Zijn volk als geschenk zou worden aangeboden. Heel begrijpelijk na alles wat er gebeurd was. Uit al de volken van de aarde had Jahweh Israël immers openlijk tot het volk van Zijn keuze verklaard en er het Sinaï-verbond mee gesloten. Dat was wel een dankoffer waard. Zo moet de volgorde zijn: verbond en dankbaarheid.

Maar Jahweh wenste dit geschenk dan wel te ontvangen als een geheel vrijwillig gegeven geschenk. Dus niet zoals het tegenwoordig vaak in het kerkelijke leven gaat, dat ieder van zijn inkomsten periodiek vrijwillig een betamelijk gedeelte afstaat. Neen, dat was voor déze gelegenheid nog niet vrijwillig genoeg. Jahweh wilde geen hoofdelijke omslag, waarbij iedereen feitelijk evenveel betaalt, immers naar ieders financiële draagkracht. Nee, het zou moeten gaan in volmaakte vrijheid. Niet naar dat ieder missen kon, maar naar dat ieder missen wilde.

We lezen: „Jahweh sprak tot Mozes: Zeg tot de Israëlieten, dat zij voor Mij een heffing inzamelen; van ieder man, wiens hart hem dringt, zult gij voor Mij een heffing inzamelen. Dit nu is de heffing, die gij van hen inzamelen zult: goud, zilver, koper, blauwpurper, roodpurper, scharlaken, fijn linnen, geitenhaar, roodgeverfde rams- vellen, tachasvellen en acaciahout, enz. enz.”. „En zij zullen Mij een heiligdom maken en Ik zal in hun midden wonen”. (Exodus 25 : 1—9)

Overigens is er voor de tabernakel niet alleen gegeven, maar voor de tabernakel is m.n. ook gewerkt. „Iedere vrouw, die kunstvaardig was, spon eigenhandig en zij bracht het gesponnen werk, het blauwpurper, roodpurper, scharlaken en het fijn linnen. Alle kunstvaardige vrouwen, wier hart haar daartoe dreef, sponnen het geitenhaar” (Exodus 35 : 25,26).

En vergeten we ook het werk der vaklieden niet.  „Om ontwerpen te bedenken en om die uit te voeren in goud, zilver en koper; om zilver te bewerken en om die in te zetten; om hout te snijden en om al het ontworpen werk te maken” (Exodus 35 : 32-33).
Dit alles gebeurde onder leiding van de bijzonder knappe en begaafde vaklieden én niet te vergeten, in een verbazend enthousiast tempo!

Bron: Inleiding Genesis Exodus, De Voorzeide Leer, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Israël | Plaats een reactie