Troostvol of activistisch preken en spreken…

Hoe kunnen we troostvol preken en spreken over bijvoorbeeld Bijbelheiligen als Daniël Nehemia, die ons, als we de feiten van hun bijzondere levenssituatie en positie onder ogen willen en durven zien, in deze tijd weinig tot niets aan vergelijkbaarheid met onze (persoonlijke/gemeentelijke) situatie(s) te bieden hebben.
Wanneer we vooral letten op hún vroomheid, dan is daar beslist ook niet zo maar troost uit te putten. We kunnen er eerder wat teleurgesteld en mogelijk zelfs gefrustreerd van raken. Tenminste wanneer we eerlijk durven zijn over ons zelf. Want wie kan en durft en heeft behoefte en reden om (bij voorbaat) eigen geloofsvertrouwen en geloofspraktijk vergelijkbaar te stellen aan die van deze twee bijzondere “godsmannen”.
We moeten daarom in de prediking en ons spreken niet eerst of vooral aandacht geven aan de vroomheid en het godsvertrouwen van deze mannen. Daarvoor zijn ze op een bepaalde manier te uniek en in zekere zin “te groots” geweest om hun levens als “voorbeeldig” en als “ter navolging” te beschouwen en te willen gebruiken (1). Nee, onze troost moet hier – voor en door ons, eenvoudige gelovigen (van deze tijd) – vóór alles gevonden worden in en gehaald uit het altijd voortgaande zorgen en werken van onze levende God Zelf!
Het is onze drie-enige God, Die toch nooit losliet en loslaat wat Hij met en door en voor Zijn volk begonnen is te doen. Hij zorgde ervoor dat er in die bijzondere tijd van de ballingschap op zulke bijzondere posities, gelovige mensen (van Zijn volk, Zijn Kerk op aarde) gevonden werden, waarmee Hij doorwerkte aan de uitvoering van Zijn plannen en beloften, terwijl niemand – vaak dus zelfs voor het “geloofsoog” onzichtbaar – in staat was om daar ook maar al iets van te zien en te doorzien.
En we mogen (daarom ook nu) weten en zien door het geloof, dat God ook in onze tijd door gaat met Zijn bijzondere werk, ook al kunnen wij dat in eigen leven en/of in de gemeente en de wereld om ons heen niet of nauwelijks (nog/meer) aanwijzen. Dat gelovig besef kan en moet ons er voor hoeden om – mee op basis van wat deze en andere Bijbelheiligen hebben mogen doen – allerlei vrome oproepen te gaan doen aan mensen van nu, om zich voor bepaalde kerkelijke/gemeentelijke activiteiten “vol geloof en geloofsijver” (net als hen) in te gaan spannen. Wanneer we aandacht geven aan de geschiedenissen als die van Daniël en Nehemia, dan worden we juist bewogen tot grote bescheidenheid. Er is geen mens geweest, die Daniël en Nehemia eerst op hun bijzondere taak en verantwoordelijkheden heeft kunnen wijzen en gewezen heeft of hen daartoe heeft kunnen oproepen… (2)
Dat mag en zal predikanten en kerkenraden en ons tot de nodige rust, maar ook tot de nodige bescheidenheid brengen. God heeft niet veel bijzonders en ook niet veel (bijzondere) mensen nodig – waaronder die zich zelfs bij Hem en de mensen komen aanbevelen – om bijzonder te kunnen werken. Laat de leden van een gemeente thuis maar “levend bij de dag” en daar levend bij Gods Woord en gebed “uitvinden” tot welk werk en welke taken hij of zij “geroepen” wordt en zich daartoe ook daadwerkelijk roepen laat (3).
Dan bedroeven of frustreren we de gemeente niet vanuit de prediking en ons spreken met uitroepen dat er (nog) maar zo weinigen gevonden worden voor het meedoen aan bepaalde gemeentelijke activiteiten (bijv. een gebedskring), maar dan wijzen we er eerder en liever verwonderd op, dat de gemeente (nog) een gebedskring heeft, en dat – ook al is het misschien maar een kleine kring – God juist bewezen heeft, kleine kracht (soms dus maar van een enkel mens, zoals bij Daniël en Nehemia) te kunnen en willen inzetten voor het bijzondere werk van en voor Zijn Koninkrijk. En als er dan later na zo’n dankbare opmerking mensen blijken te zijn, die “uit eigen beweging” ook gaan meedoen aan (bijvoorbeeld) zo’n kleine gebedskring, dan geeft dat reden (voor predikant en kerkenraad, en gemeente) om onze Gód daarvoor – liefst “in stilte!” – te danken (4).
Dan wordt het alles een dankbaar: Soli Deo gloria!

(1) We dienen vooral goed te leren zien en beseffen dat God ons niet alleen “kracht naar kruis”, maar ons ook geloof en geloofswerkzaamheid schenkt en schenken zal afgestemd op de bijzondere taak en levensomstandigheden waarin Hij ons brengt.
(2) Wanneer we de roeping en de levens van Saul en David vergelijken, dan leren we daaruit bepaald ook iets over het verschil van het vanuit en door menselijk verlangens bepaalde leven en werk en organisatie en het door God in levens gewerkte verlangen en werk en organisatie.
(3) Bijvoorbeeld n.a.v. een “gewone” zondagse mededeling door de kerkenraad, dat er vanwege aftreden er ook weer nieuwe/vervangende kerkenraadsleden gezocht worden.
(4) Troostvol preken en spreken leidt onder Gods genadige zegen tot dankbaarheid en tot “dankbaarheidsleven(s)”, terwijl “oproepend” en activistisch preken en spreken aanleiding zal geven tot of een verkeerd soort deelname en enthousiasme en actief zijn en/of tot gevoelens van ontevredenheid over eigen (geloofs)leven en -activiteit en dat van de gemeente(n)!

Opgemerkt: Bovenstaande o.a. n.a.v. ND-artikel over studiemiddag over protestantse prediking (op 3 februari 2017).

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Alzheimer, de belangen van wetenschappers en de evolutietheorie…

(…) Neurowetenschapper George Perry is even stellig: ‘De amyloïde-hypothese is dood. Het is eigenlijk een vrij simplistische hypothese die 25 jaar geleden nog aannemelijk was, maar nu achterhaald is.’
Dat zo veel wetenschappers toch nog onderzoek doen naar amyloïde-bèta heeft volgens hem een andere reden: ‘De carrières van de grootste alzheimerwetenschappers in de wereld zijn gebouwd op deze hypothese. Ze beschermen de status quo.’

Opgemerkt: Bij de evolutiewetenschap spelen niet alleen de carrière-belangen mee, maar ook het belang van het kunnen handhaven van de eigen wereldbeschouwing en van allen die hen daarin graag bijvallen en steunen (zie “- Patiëntenverenigingen” hieronder). Dat laatste is een nog veel sterkere stimulans voor het handhaven van de status quo van de evolutie-theorie dan het eigen carrière belang.

– Patiëntenverenigingen overal ter wereld houden hoop op een alzheimermedicijn, zegt de Nijmeegse hoogleraar, want dat is wat patiënten en hun naasten ook het liefst willen. ‘Zo hebben veel partijen er belang bij om alzheimer als puur neurologisch ziektebeeld te blijven beschouwen, met de mogelijkheid van een wonderpil, en elke relatie met veroudering te ontkennen.’

Bron tekst: Volkskrant – Geneeskunde: “Jagen op de boeven van het brein” (04-02-2017)
Bron plaatje: Bol.com

dick-swaab-en-alzheimer

Geplaatst in Bijbel | Plaats een reactie

Het verbondsboek, de tien woorden en het dubbelgebod van de liefde…

17 Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. (Uit Matteüs 5)
(…) Maar Ik zeg u: Meer dan de tempel is hier. 7 Indien gij geweten had, wat het zeggen wil: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande, dan zoudt gij geen onschuldigen hebben veroordeeld. 8 Want de Zoon des mensen is heer over de sabbat. (Uit Matteüs 12)

(…) De eerste vraag (1) luidt: Waarom eerbiedigt Deuteronomium als “Verbondsboek” “niet precies de volgorde van de decaloog (=de tien geboden)”?
Het antwoord zal moeten zijn: Israël kent geen scherpe afgrenzing tussen de verschillende geboden; de grenzen zijn uiterst vloeiend.  (…)
De Israëlietische wet taalt niet naar scherpe afgrenzing van terreinen, doch vraagt liefde, altijd en overal, en stapte daarom ongemerkt van het ene naar het andere over. Dit is niet haar logische zwakheid, maar juist haar geestelijke kracht; eigenlijk gaat het permanent om het dubbelgebod van de liefde. Daarom kon de Israëliet nonchalant zijn wat betreft de precieze volgorde der geboden. Het Nieuwe Testament biedt hetzelfde verschijnsel: men vergelijke de parallelberichten over de rijke jongeling respectievelijk Matteüs 19 : 18 v. (volgorde: 6, 7, 8, 9, 5 plus gebod van de naastenliefde), (…) en ook Paulus in Romeinen 13:9 – volgorde 7, 6, 8, 9, 10 met de opmerking: ,,en zo er enig ander gebod is, het wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: gij zult de naaste liefhebben als uzelf”.
Diezelfde geest is aanwezig in het Verbondsboek, als toch praktisch bij elk gebod dat wordt aangesneden vrijwel onmiddellijk de nadruk valt op liefde en barmhartigheid, terwijl secundair is welk gebod behandeld wordt. De volgorde doet er niet toe, omdat het tenslotte allemaal weer concretiseringen zijn van het ene, de liefde, precies zoals de decaloog zelf naar het woord van Christus eigenlijk toch alleen illustratief is, en niet exhaustief (=volledig), bij het dubbelgebod”.

Zoals de lezers weten verstaat men onder dit dubbelgebod (van de liefde) de samenvatting, die onze Zaligmaker van heel Gods bedoeling met Mozes’ Wet en de Profeten (= OT) heeft gegeven in Matteüs 22 : 37-40 (zie Zondag 2 HC). Wanneer Christus daarin heel de Wet en Profeten heeft samengevat dan zeker ook de tien woorden van het Horebverbond. Ach, had men daarom deze tien woorden in de loop der eeuwen gelezen op de manier die professor Holwerda ons (op gezag van Jezus! – AJ) weer aanreikt (2). We denken daarbij vooral aan het vierde gebod, het gebod van de sabbat. Was dat meer gelezen in de geest en bij het licht van het Verbondsboek, dan zou men elkaar niet zo hebben lastig gevallen „op het gebied van feestdagen, nieuwe maan en sabbat” (Galaten 4:10, Colossenzen 2:16), maar liever hebben nagegaan, of men wel liefde tot God en zijn naaste deed blijken.

(1) Bespreking van Deuteronomium in een manuscript van professor Holwerda waaruit geciteerd wordt door ds. C. Vonk (zie Bron).
(2) Want waarom is het de HERE begonnen bij al de geboden? Enerzijds hierom dat Zijn volk een onverbiddelijke (=af te bidden!) afkeer zal hebben van de zonde, anderzijds dat het even barmhartig zal zijn als Hij. 

Bron: De Voorzeide Leer, Deuteronomium, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Theologische vernieuwing als “gekkenwerk”?

Het ware Licht komt van boven

‘Waak op, word licht, want uw Licht komt en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op’ (Jesaja 60:1, weergave DB 1545)

(…) “We moeten hier scheiding maken tussen God en mensen, of tussen eeuwige en tijdelijke dingen. In tijdelijke dingen en die het menselijke leven aangaan, heeft de mens verstand en inzicht genoeg. Daarvoor heeft hij geen ander licht nodig dan het licht van zijn verstand. Om deze reden leert God ons in de Schrift niet hoe men huizen moet bouwen, kleren moet maken, trouwen, oorlog moet voeren en hoe je een schip moet besturen – of meer van dit soort dingen die in deze wereld worden gedaan. Want in die dingen heeft de [natuurlijke] mens genoeg aan het licht van de natuur.

Echter in Goddelijke dingen, daarmee bedoel ik zaken die God aangaan, zodat men doet wat God behaagt en waardoor men zalig wordt, daarin is de natuur helemaal stekeblind en onkundig. Zodoende kan ze onmogelijk precies aanwijzen waar het over gaat. Vermetel is ze evenwel genoeg, zodat ze zich daarop stort en aanvalt als een blind paard. Maar alles wat ze daarvan kan onderscheiden en daaruit kan concluderen, is zó zeker bedrog en dwaling als dat het zeker is dat God leeft.

Hier doet ze als de man die [zijn huis] op zand bouwt: hier gebruikt ze spinnenwebben om er kleren van te maken, zoals Jesaja zegt (vgl. 59:6). Hier neemt ze zand in plaats van meel en wil er brood van bakken. Hier zaait ze wind en oogst een wervelstorm (vgl. Hosea 8:7). Hier schept [of: mengt] ze lucht met een lepel, draagt het licht in een baktrog naar de kelder, of weegt de vlammen van het vuur op een weegschaal. Alles wat ze doet, is gekkenwerk – dat al eerder is gedaan, en weer opnieuw kan worden bedacht. Ze doet immers haar eigen ding alsof het een dienst aan God is – en toch is het niets!“

Het bovenstaande citaat komt uit de Wartburgpostille van 1521/1522. Luther heeft deze prekenserie geschreven tijdens zijn verblijf op de Wartburg, mede bedoeld als preekvoorbeelden voor de geestelijken die tot de evangelische leer overgingen. Luther heeft in het voorafgaande het verschil aangegeven tussen het licht van de natuur en het licht van de genade, tussen de werken van de wet en de werken van het geloof. Vooral in de laatste alinea weet Luther op een heel indrukwekkende en beeldende manier duidelijk te maken wat godsdienstige werken, die uit eigenwillige godsdienst voortkomen, bij God voor waarde hebben:

Maarten Luther: Kirchenpostille 1522, Epistel am Tage der heiligen drei Könige, Jes. 60:1-6, vgl. WA 10.1.1, 531, 5-24

Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Door lijden geheiligd en in staat gesteld om anderen te troosten…

3 Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost 4 en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven. 5 Zoals wij volop delen in het lijden van Christus, zo delen wij volop in de troost die God ons door Christus geeft. 6 Ondervinden we tegenspoed, dan is het opdat u bemoedigd en gered wordt. Worden we bemoedigd, dan is het opdat u de moed krijgt te volharden in hetzelfde lijden als wij ondergaan. 7 De hoop die wij voor u hebben is gegrond: we weten dat zoals u deelt in ons lijden, u ook deelt in de troost die ons gegeven wordt. (Uit 2 Korintiërs 1)

(…) In het voorafgaande zegt Luther: dat Jacob, die de zegen had ontvangen, beproefd moest worden door veel verzoekingen. Op dezelfde manier: dat Abraham, die de belofte had gekregen, zijn zoon moest offeren. Tenslotte: dat David, die tot koning was gezalfd, tien jaar in de woestijn moest omzwerven. “Ze blijven echter standvastig in het geloof en verwachten de goede uitkomst die God aan hen heeft beloofd” zegt Luther in zijn grote Genesisverklaring (1535-1545). Dan volgt het citaat:

“Dit is altijd Gods gewone weg met de kerk geweest: dat God beloften geeft en daarna met degenen die de beloften geloven, zó omgaat: dat zij moeten wachten op het onzichtbare – zodat zij niet alleen gelóven wat ze niet zien, maar ook moeten hópen wat ze niet zien (vgl. Romeinen 8:25). Wie dat niet doet, is geen Christen. Want Christus is op dezelfde manier ingegaan in Zijn heerlijkheid – eerst is Hij neergedaald in de hel. Toen Hij zou regeren, werd Hij gekruisigd; toen Hij zou worden verhoogd, werd Hij bespuwd. Men moet immers eerst lijden en daarna tot heerlijkheid komen (vgl. Romeinen 8:17 vv).

Dat doet God omdat Hij onze harten wil onderzoeken of beproeven of wij de weldaden die Hij aan ons heeft beloofd – al duurt het nog zo lang – met lijdzaamheid willen verwachten. Voor eeuwig zullen we ze niet hoeven missen – dat is zeker waar!

Wanneer God ons niet op deze manier zou beproeven en dat wat Hij ons heeft belooft, niet zou uitstellen, dan konden wij Hem niet uit ons hele hart liefhebben. Want als God ons zo spoedig alles zou geven wat Hij ons heeft beloofd, dan was het niet nodig om te geloven. Zonder geloof zouden wij hier op aarde immers verdrinken in de zichtbare dingen – en zouden God vergeten (vgl. 2 Korinthe 4:17-18).

Dat is dan ook de reden waarom Hij toelaat dat Zijn kerk verzocht en benauwd wordt, haar in zorgen en noden laat leven: opdat zij zou leren om niet alléén van brood, maar van Gods Woord te leven (vgl. o.a. Deuteronomium 8:3; Lukas 4:4) – én dat in de godzaligen het geloof en de hoop zouden groeien, zodat zij daardoor gesterkt altijd Gods hulp zouden verwachten. Want alleen in het Woord is ons leven en onze zaligheid.”

Maarten Luther: Vorlesungen über 1. Mose von 1535-1545, vgl. WA 43, 567, 36 – 568, 11, weergave: J.G. Walch (Ausgabe 1740) Zweijter Theil, S.550-S.551

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Boven de omstandigheden… (V2)

Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, Die mij kracht geeft.
(Filippenzen 4: 13)

Alle dingen
Als u/jij deze tekst van Paulus zo los leest, zou je deze kunnen opvatten als een oproep om geen belemmering in iets of iemand te zien. Alles is mogelijk door Christus, dus: laat je door niets of niemand tegenhouden. Je kunt de wereld aan…
Toch is dat niet wat Paulus bedoelt. Met het alle dingen verwijst hij naar de verschillende omstandigheden waarin hij zich heeft bevonden. In de verzen ervoor schrijft hij:
11 want ik heb geleerd tevreden te zijn in de omstandigheden waarin ik verkeer. 12 En ik weet wat het is vernederd te worden, ik weet ook wat het is overvloed te hebben; in elk opzicht en in alles ben ik ingewijd, zowel in verzadigd te zijn als in honger te lijden, zowel in overvloed te hebben als in gebrek te lijden.
13 Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, Die mij kracht geeft (letterlijk: die mij steeds kracht toedient).
Hij schrijft dus dat hij tijden heeft gehad waarin hij vernederd werd, maar ook tijden dat hij succesvol was. Tijden dat hij nauwelijks te eten had, maar ook tijden van rijkdom en overvloed. In alle dingen, In ál die omstandigheden, is voor hem iets mogelijk. Maar wat?Het antwoord staat in vers 11. Hij heeft geleerd om tevreden te zijn in alle omstandigheden. (…)

Christelijke tevredenheid
Vers 13 maakt het verschil tussen de christelijke tevredenheid van Paulus en de heidense tevredenheid duidelijk. De Stoïcijnen bijvoorbeeld zeiden: “probeer tevreden te worden door de kracht van je eigen wil en je eigen inspanning”. Paulus zegt: “Ik kan tevreden zijn in alle omstandigheden door Jezus Christus die mij steeds kracht toedient.”
Bij de Stoïcijnen moeten wij sterk worden en naar God omhoog klimmen. In het christendom zijn wij zwak, maar komt de kracht van Boven (1), van God naar ons toe. Dit laatste is uiteindelijk het grote verschil tussen het christelijke geloof en praktisch elke andere religie of filosofie.

Hoe verkrijg je het?
Allereerst blijf geloven en vertrouwen dat Jezus Christus bij u en jou is in elke situatie van ons leven en dat Hij ons de kracht wil en zal geven om staande te blijven in het geloof. Hoe lastiger of zwaarder de omstandigheden, des te meer (geloofs)kracht zal Hij ons toedienen.
Paulus schrijft dat hij dit geleerd heeft (vers 11). Wat hij na zijn bekering in geloof steeds weer heeft willen aanvaarden, daarvan heeft hij mogen zien en ervaren dat het ook werkelijk zo is. Wij mogen dan ook de tijd nemen om deze les ons eigen te maken. Blijkbaar is het een geloofswaarheid die we gedurende ons leven (en juist tijdens moeilijke omstandigheden) zullen leren. Wanneer we verbonden zijn met de Here Jezus en met zijn gemeente (2), blijven we gelovig op Hem vertrouwen in welke omstandigheden we ook (dreigen te) geraken en (daadwerkelijk) verkeren.

Bron: Ingekorte en ietwat bewerkte “Meditatie” van dr. M. Dubbelman (Giessenburg) in Ecclesia, nr 2 – januari 2017.

(1) (…) 8 Maar vervolgens zegt Mozes: ‘Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart’ – en dat betekent: de boodschap van het geloof die wij verkondigen, is dicht bij u. 9 Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, zult u worden gered. (…) (Uit Romeinen 10)
(2) Laten we bij onze verbondenheid en gemeenschap met onze Heer Jezus Christus de verbondenheid en gemeenschap met Zijn Lichaam, de gemeente(n), dus die met onze broeders en zusters (de Kerk, plaatselijke, wereldwijd en van alle eeuwen!) niet veronachtzamen en uit ons oog en hart verliezen. Zie en neem als voorbeeld de dankbetuigingen zoals we die vinden in Paulus brieven!

Wien heb ik in den hemel, Heer,
behalve U, mijn troost en eer ?
Wat kan op aarde mij bekoren ?
Alleen bij U wil ik behoren.
Al zou mijn vlees en hart vergaan,
toch zal ik, God, voor U bestaan,
wien ik mijn leven toevertrouw,
Gij zijt de rots waarop ik bouw.
(Psalm 73 : 10, berijmd, OB)

15 Maar zou ik spreken als zij (de ongelovigen),
ik pleegde verraad aan Gods kinderen!

(Uit Psalm 73, NBV)

 paulus-in-de-gevangenisPaulus in de gevangenis – Schilderij van Rembrandt

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Leven boven de omstandigheden…

Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, Die mij kracht geeft.
(Filippenzen 4: 13)

Alle dingen
Als u/jij deze tekst van Paulus zo los leest, zou je deze kunnen opvatten als een oproep om geen belemmering in iets of iemand te zien. Alles is mogelijk door Christus, dus: laat je door niets of niemand tegenhouden. Je kunt de wereld aan…
Toch is dat niet wat Paulus bedoelt. Met het alle dingen verwijst hij naar de verschillende omstandigheden waarin hij zich heeft bevonden. In de verzen ervoor schrijft hij:
11 want ik heb geleerd tevreden te zijn in de omstandigheden waarin ik verkeer. 12 En ik weet wat het is vernederd te worden, ik weet ook wat het is overvloed te hebben; in elk opzicht en in alles ben ik ingewijd, zowel in verzadigd te zijn als in honger te lijden, zowel in overvloed te hebben als in gebrek te lijden.
13 Alle dingen zijn mij mogelijk door Christus, Die mij kracht geeft (letterlijk: die mij steeds kracht toedient).
Hij schrijft dus dat hij tijden heeft gehad waarin hij vernederd werd, maar ook tijden dat hij succesvol was. Tijden dat hij nauwelijks te eten had, maar ook tijden van rijkdom en overvloed. In alle dingen, In ál die omstandigheden, is voor hem iets mogelijk. Maar wat?Het antwoord staat in vers 11. Hij heeft geleerd om tevreden te zijn in alle omstandigheden. (…)

Christelijke tevredenheid
Vers 13 maakt het verschil tussen de christelijke tevredenheid van Paulus en de heidense tevredenheid duidelijk. De Stoïcijnen bijvoorbeeld zeiden: “probeer tevreden te worden door de kracht van je eigen wil en je eigen inspanning”. Paulus zegt: “Ik kan tevreden zijn in alle omstandigheden door Jezus Christus die mij steeds kracht toedient.”
Bij de Stoïcijnen moeten wij sterk worden en naar God omhoog klimmen. In het christendom zijn wij zwak, maar komt de kracht van God naar ons toe. Dit laatste is uiteindelijk het grote verschil tussen het christelijke geloof en praktisch elke andere religie of filosofie.

Hoe verkrijg je het?
Allereerst blijf geloven en vertrouwen dat Jezus Christus bij u en jou is in elke situatie van ons leven en dat Hij ons de kracht wil en zal geven om staande te blijven in het geloof. Hoe lastiger of zwaarder de omstandigheden, des te meer (geloofs)kracht zal Hij ons toedienen.
Paulus schrijft dat hij dit geleerd heeft (vers 11). Wat hij na zijn bekering in geloof steeds weer heeft willen aanvaarden, daarvan heeft hij mogen zien en ervaren dat het ook werkelijk zo is. Wij mogen dan ook de tijd nemen om deze les ons eigen te maken. Blijkbaar is het een geloofswaarheid die we gedurende ons leven (en juist tijdens moeilijke omstandigheden) zullen leren. Wanneer we verbonden zijn met de Here Jezus en met zijn gemeente (1), blijven we gelovig op Hem vertrouwen in welke omstandigheden we ook (dreigen te) geraken en (daadwerkelijk) verkeren.

Bron: Ingekorte en ietwat bewerkte “Meditatie” van dr. M. Dubbelman (Giessenburg) in Ecclesia, nr 2 – januari 2017.

(1) Laten we bij onze verbondenheid en gemeenschap met onze Heer Jezus Christus ook niet de verbondenheid en gemeenschap met Zijn gemeente, met onze broeders en zusters (de Kerk, plaatselijke, wereldwijd en van alle eeuwen!) uit ons oog en hart verliezen. Zie (bijvoorbeeld) de dankbetuigingen die we vinden in Paulus brieven!

Wien heb ik in den hemel, Heer,
behalve U, mijn troost en eer ?
Wat kan op aarde mij bekoren ?
Alleen bij U wil ik behoren.
Al zou mijn vlees en hart vergaan,
toch zal ik, God, voor U bestaan,
wien ik mijn leven toevertrouw,
Gij zijt de rots waarop ik bouw.
(Psalm 73 : 10, OB)

 paulus-in-de-gevangenisPaulus in de gevangenis – Schilderij van Rembrandt

Geplaatst in Bijbel, Gemeente | Plaats een reactie

Het eigenbelang van “maffiabaas” Willem van Oranje…

De familie van Willem van Oranje (waaronder zijn zeer kritische broer graaf Jan van Nassau) en zijn tijdgenoten moeten wel stekeblind zijn geweest, dat ze het niet gezien hebben, en zijn vijanden helemaal verblind, dat ze het niet benut hebben, namelijk dat wat Willem van Oranje nu werkelijk “in zijn schild voerde”. En ook de latere biografen en geschiedschrijvers hebben er blijkbaar maar een potje van gemaakt, zodat nu eindelijk na eeuwen, twee speurneuzen ons de schellen van de ogen kunnen doen vallen, de mythe van de “vader des vaderlands” (1) doorprikken en deze Willem ontmaskeren als een sluwe en schijnheilige politicus die vooral uit was op het dienen van zijn eigen belangen.

Wie zich verdiept heeft in wat eerdere en/of andere biografen en geschiedkundigen uit correspondenties en beschrijvingen en literatuur hebben opgediept en in de context van die tijd en omstandigheden hebben weten te plaatsen en te beschrijven, die ziet en begrijpt wat hier voor “ergerlijke stunt” wordt uitgehaald en hoe de geschiedenis hiermee wordt “herschreven” voor en naar een publiek, dat al op allerlei manieren vervreemd is van de geschiedenis van ons land en van de godsdienst en het Godsvertrouwen van onze voorgeslachten!

Het feit dat zijn familie altijd en onder de moeilijkste omstandigheden bereid is geweest om zich met lijf en goed in te zetten – broers van hem streden en stierven op het slagveld en zijn familie verpandde hun bezit om de strijd om de Nederlanden mee te helpen financieren – voor deze al vroeg volledig berooide Willem van Oranje, en dat er heel wat van de familiecorrespondentie (en andere correspondentie) bewaard is gebleven en uitvoerig bestudeert en becommentarieert, mag duidelijk maken met wat voor bijzondere nieuwe en dubieuze (!) vorm van het bestuderen van de geschiedenis en van geschiedschrijving we thans te maken hebben…

(1) Hoeveel machthebbers hebben in de loop der eeuwen zich niet graag van zulk soort benamingen voorzien en zich daarvan bediend, maar raakten “hun naam” tijdens hun leven al of kort daarna weer kwijt.  Willem van Oranje heeft de naam “vader des vaderlands” niet zelf bedacht of aan zichzelf toegemeten, zij is hem door anderen gegeven en heeft nu al eeuwen stand gehouden. Vandaar dat het voor een christen niet ongepast lijkt om bij deze naam van een “hemelse ridderorde” te (willen/durven) spreken.

willem-van-oranje-moord-grWillem van Oranje vermoord te Delft
(Bron: Vandaag in de geschiedenis)

Geplaatst in Diversen, Geschiedenis, Politiek | Plaats een reactie

Volwassenen (bij voorkeur!) dopen in prille baby-stadium van het geloof!

1 Maar, broeders en zusters, ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. 2 Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u niet aan toe. En ook nu nog niet (a), 3 want u bent nog gebonden aan de wereld. (Uit 1 Korintiërs 3)

12 Ik bedoel dit, dat bij jullie de één zegt: Ik ben van Paulus! En ík van Apollos! En ík van Kefas! En ík van Christus! 13 Maar is Christus dan in stukken verdeeld? Is Paulus dan voor jullie gekruisigd, of zijn jullie in de naam van Paulus gedoopt? (b) 14 Ik dank God dat ik bij jullie alleen Krispus en Gajus gedoopt heb. 15 Zo kan niemand van jullie zeggen dat hij is gedoopt in míjn naam. 16 O ja, ook het gezin van Stefanas heb ik gedoopt. Maar verder niemand, geloof ik; verder weet ik niet, dat ik nog iemand gedoopt heb. 17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden, om niet het kruis van Christus tot een holle klank te maken. (Uit 1 Korintiërs 1)

30 Hij bracht hen naar buiten en vroeg: ‘Zegt u mij, heren, wat moet ik doen om gered te worden?’ 31 Ze antwoordden: ‘Geloof in de Heer Jezus en u zult gered worden, u en uw huisgenoten.’ 32 En ze verkondigden het woord van de Heer aan hem en aan iedereen die bij hem woonde. 33 Hoewel het midden in de nacht was, nam hij hen mee en maakte hun wonden schoon. Meteen daarna werden hij en zijn huisgenoten gedoopt. 34 Hij bracht hen naar zijn woning boven de gevangenis en zette hun daar een maaltijd voor. Hij en al zijn huisgenoten waren buitengewoon verheugd dat zij nu in God geloofden. (Uit Handelingen 16)

In de ark werden slechts enkele mensen, acht in totaal (c), van de watervloed gered, 21 en dat water is een voorafbeelding van het water van de doop, waardoor u nu wordt gered. De doop wast niet het vuil van uw lichaam, het is een vraag aan God om een zuiver (gereinigd!) geweten. Hierom kunt u vragen dankzij de opstanding van Jezus Christus (1), 22 die de hemel is binnengegaan en nu aan Gods rechterhand zit, terwijl de engelen, machten en krachten aan hem onderworpen zijn. (Uit 1 Petrus 3)

(1) Onze Doop leert ons dat wij voor het verschijnen en voortleven met een zuiver (gereinigd!) geweten voor God, nooit te rade zullen en hebben te gaan bij onszelf en ons (geloofs/ongeloofs) verleden, maar beseffen dat onze Doop een voortdurend gebed is! Er wordt via onze Doop gepleit op het door God aanvaardde volkomen reddingswerk van onze Heer Jezus Christus. Het bewijs van Zijn én daarmee onze aanvaarding is geleverd door de opstanding en hemelvaart (2) van onze Heer Jezus Christus. Dit gebed zullen we z.s.m. ook op het voorhoofd van onze kinderen aanbrengen. Het is de Naam van onze drie-enige God dragen op onze voorhoofden…
(c) In de gemeente van de Korintiërs waren ze – ondanks heel wat bijzondere gaven van de Geest – blijkbaar nog steeds niet veel gevorderd in de rechte kennis en toepassing van Gods Woord!
(b) Blijkbaar gingen de discussies daar nog niet over de vraag en het belang van het “al of niet wedergeboren zijn”, maar over de vraag “door wie je gedoopt was”. Beide discussies/vraagstellingen zijn niet Bijbels!
(c) De rechtvaardige Noach werd gered (“gedoopt”) met zijn huisgezin!

(2) 15 Daarom, en ook omdat ik gehoord heb over uw geloof in Jezus, de Heer, en over uw liefde voor alle heiligen, 16 dank ik God onophoudelijk voor u en noem ik u in mijn gebeden. 17 Moge de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader van alle luister, u een geest van inzicht schenken in wat geopenbaard is, opdat u hem zult kennen. 18 Moge uw hart verlicht worden, zodat u zult zien waarop u hopen mag nu hij u geroepen heeft, hoe rijk de luister is die de heiligen zullen ontvangen, 19 en hoe overweldigend groot de krachtige werking van Gods macht is voor ons die geloven. 20 Die macht was ook werkzaam in Christus toen God hem opwekte uit de dood en hem in de hemelsferen een plaats gaf aan zijn rechterhand, 21 hoog boven alle hemelse vorsten en heersers, alle machten en krachten en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomstige. 22 Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd en hem als hoofd over alles aangesteld, voor de kerk (gemeente!), 23 die zijn lichaam is (c), de volheid van Hem die alles in allen vervult. (Uit Efeziërs 1)

(c) Onze kinderen ontvangen door en bij de Doop het teken van hun “inlijving” in de gemeente!

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël | Plaats een reactie

De kleur zwart in de kerk niet verheerlijken én niet dramatiseren…

54 En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning. 55 Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel? 56 De prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus.
(Uit 1 Korintiërs 15)

(…) Het is wel heel jammer, dat wij, christenen, bijna alle gevoel voor symboliek naar de Schriften verloren hebben. Wij hebben bijvoorbeeld de prediking van het Evangelie verbonden met… zwart. Terwijl zwart uitgerekend de meest onevangelische kleur is, die bestaat. Dat heeft Israël dankzij de Wet (Thora) goed geweten. Maar wij bekleden Evangelie predikers met de kleur des doods. Brrr. (…) (1)

Het is beter te gaan naar een huis van rouw, dan naar een huis van feestgelag.
Verdriet is beter dan lachen, want bij een treurig gelaat is het met het hart goed gesteld.
(Uit Prediker 7)

(…) Dat (hierboven) staat toch wel haaks op hoe we het zelf vaak beleven: we weten wel leukere feestjes dan een begrafenis. En toch is dat wijsheid van Prediker, want als je nooit naar een huis van rouw gaat, dan loop je heel gauw de kans dat je nooit bij de dood stil staat. Bij je eigen dood. Want ieder mens wordt een keer geroepen door God. En de vraag is of je er dan klaar voor bent. Feest vieren is niet zo moeilijk. Maar samen met een ander rouwen én ook stil durven staan bij je eigen dood (lichamelijk maar m.n. ook geestelijk! – AJ), dat is wel moeilijk, maar je wordt er als het goed is ook wijzer van: je groeit in je eerbiedige omgang met God. (…) (2)

Opgemerkt (AJ): Sinds Christus’ overwinning op de dood, kunnen wij (gelovigen) de dood zonder verschrikken en zelfs met een gerust hart onder ogen (leren) zien en daarom is de prikkel (de afschuw) die de kleur zwart oproept, toch niet meer als “vroeger”. Wij (NT-gelovigen) kunnen beter en hebben zelfs alle reden om de doods-staat van de natuurlijke mens zonder ontkennen, zonder angst – frank en vrij! – onder ogen te zien en daarbij met Paulus uit te roepen:  “dood(skleur), waar is uw prikkel!”.

21 Marta dan zeide tot Jezus: Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. 22 Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert. 23 Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal opstaan. 24 Marta zeide tot Hem: Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage. 25 Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, 26 en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat? 27 Zij zeide tot Hem: Ja, Here, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou. (Uit 1 Johannes 11)

(1) Ds. C. Vonk (1904-1993) in zijn bespreking “De zin der hogepriesterlijke kleding” in Inleiding Genesis en Exodus (deel van serie “De Voorzeide Leer“).
(2) Ds. Jos Douma: Preek over Prediker 7:11-12 “Wees wijs met de Wijsheid”.

2015-02-01-euterpe-50-jr-kleur kleding-hogepriester-parashat-tetsave-beth-hamidras

Bron foto: Mannenkoor Euterpe (Voorthuizen)
Bron plaatje: Parashat Tetsavé. Beth Hamidrash.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie