Verborgen aanwezig, deelt u ons bestaan…

Voorwaar, U bent een God die zich verborgen houdt, de God van Israël, de Heiland            (Uit Jesaja 45)

(…) Bij het eerste horen – hardop lezen – van Jesaja 45 denk ik: Dit kan niet waar zijn. Wat niet? Dat de HEERE koning Kores zijn ‘Gezalfde’ (Messias) noemt. (…)
Kan dit alles samengaan? Sluit de ene profetie de andere niet uit? Kores, een heiden en toch Gods gezalfde. Tweemaal lezen wij dat hij de HEERE niet kent. Hij loopt veel volken onder de voet, terwijl hij Israël laat terugkeren naar het beloofde land. Zo komt er een einde aan de Babylonische ballingschap. Zo ook wordt er een begin gemaakt aan de herbouw van de tempel in Jeruzalem.

(…) Dat de HEERE zo te werk gaat, is in strijd met onze voorstellingen van de Messias. Dat was reeds zo in de tijd van Jesaja. ‘Dit klopt niet’, zeggen de Joden. Van ‘nature’ zeg ik – zeggen wij – hetzelfde. Totdat bovenstaande woorden van Jesaja 45 ons hart raken: het woord van de verborgen Verlosser, de Heiland. Door het geloof zien wij ‘de Onzienlijke‘ (Hebreeën 11 ). Voorwaar, U bent een God die zich verborgen houdt. En zo – verborgen – bent U de Heiland! Dit spoort niet met onze ‘mythe van zelfverlossing’ (drs. H. De Jong). Dit heeft alles te maken met wat de apostel Paulus noemt ‘het dwaze van God’ of ‘de wijsheid van God’ (1 Korintiërs 1, 2).

(…) Ik heb Mij niet teruggetrokken in de leegte, in duisternis. Ik roep: ‘Licht!’ en er is licht. ‘Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot van Vader is, die heeft Hem ons geopenbaard’ (Johannes 1). De God die zich verbergt, openbaart zich. ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Johannes 14). Verborgene die bij ons zijt (Liedb. ’73, G. 75). De Almachtige, machteloos gebonden, zwak en gebroken. Het eeuwige Leven, nedergedaald in het rijk van de dood. De Opstanding zelf, begraven. Is dat mijn Koning? Hij? God, raadselachtig verborgen. Een baby in een kribbe. Een vluchteling. Een asielzoeker. Een Man aan een kruis. En toch: de Heiland! Verborgen. Gods werk in de geschiedenis is niet aan te wijzen op grond van onze waarneming. Gods werkelijkheid ontsluit zich uitsluitend voor het oog van het geloof! De HEERE houdt zich schuil. Eertijds achter Kores. Vandaag achter… Putin? Achter Trump? Assad? ‘Voorwaar Gij zijt een God die zich verborgen houdt’.

‘Ik heb niet in het verborgene gesproken’ (zie Jesaja 48:10). Hoe is Uw Naam? ‘IK BEN’, ‘IK ZAL ER ZIJN’. Mijn verborgenheid is niet Mijn afwezigheid. Dat ziet u niet, maar dat zeg Ik u. Houd het u voor gezegd!

Dit mysterie is voor wijzen en verstandigen verborgen, maar aan kinderen geopenbaard. De Leeuw openbaart zich onder de Kruis-gestalte van het Lam. Niet eindeloos. Aan de verborgenheid van de Verborgene komt een einde. Jezus zegt: Ik kom spoedig. ‘Wij zullen God zien gelijk Hij is’ (1 Johannes 3).

Bron tekst: Ecclesia nr 3 – februari 2017 – Meditatie dr. M. Verduin, Zeist.
Bron plaatje: Bijbelstudies

rembrandt_lofzang_simeon-bijbelstudies

De lofzang van Simeon Rembrandt

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Profeten: hun roeping, hun lijden…

11 Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil. 12 Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd. (Uit Matteüs 5)

Wat is een profeet?

In het antwoord op de vraag wat een profeet is, legt Bonhoeffer grote nadruk op de roeping, een accent dat in zijn Londense preek over Jeremia 20:7 ook de volle aandacht zal krijgen. ‘Een profeet is een man die zich door God op een bepaald, schokkend moment van zijn leven door God aangeraakt en geroepen weet en niet meer anders kan dan heengaan onder de mensen en de wil van God verkondigen. De roeping is uitgegroeid tot het keerpunt van zijn leven en voor hem geldt alleen nog maar het volgen van deze roeping, ook al voert deze hem in ongeluk, in de dood’. Even verderop: ‘ik heb God Jahwe horen spreken, ik moet preken (…) een roep die ik beantwoorden, die ik verantwoorden moet’ Even later voert Bonhoeffer voor het eerst Jeremia op, de profeet die in deze voordracht het meest wordt aangehaald. ‘Niet die is echter een profeet, die altijd vrede, vrede en zegen roept, maar hij, die de moed heeft onheil te verkondigen, zegt Jeremia‘

(…) Wie God getrouw is, lijdt. Het lijden is inherent aan profeet-zijn, geeft Bonhoeffer aan. ‘Zij hebben geleden buiten op de straten, op de weelderige feesten, bij de godsdienstige vieringen wanneer hen de ijver overmande en ongetemde passie hen voerde tot ongekende hardheid tegen datgene, wat hen zelf zou kunnen bedreigen. Zij hebben geleden wanneer ze de massa met angstkreten zagen wegvluchten of wanneer ze, waarheen ze ook maar keken, hun schichtige blikken ontweken. Zij hebben geleden, thuis toen ze in tranen van verdriet voor God in gebed waren voor het geliefde volk. Zij hebben geleden, omdat ze het volk haatten dat ze lief hadden.’

(…) De kern van waaruit we de profetische ziel moeten verstaan, is het feit dat de profeten in een verbond met God stonden. Dat maakt het leven van een profeet tot een tragedie en onvergelijkbaar ernstig. God heeft een menselijk vat uitverkoren, maar God is zo machtig dat Hij de harmonieuze gestalte van de mens waardoor Hij Zich verkondigen laat, verbreekt. De last die een profeet wordt opgelegd, kan een sterveling nauwelijks dragen. Bonhoeffer trekt zo de conclusie dat God Zélf de tragedie werkt in het leven van een profeet. Dat blijkt ook uit het leven van Jeremia.

(…) De getuigenissen van de profeten gaan over Gods zaken en zijn daarom van eeuwige waarheid en eeuwige ernst. Onder meer deze last van Jeremia laat mensen van alle tijden zien dat Gods last overweldigend groot is en dat God daar triomfeert waar de mens bezwijkt. ‘Wie zich eenmaal door God heeft laten overhalen, die is niet meer zo blij met zijn levenswandel, zo zorgeloos, zo vrij. Gods nabijheid is de vijand van de harmonie, het geluk (…)
We moeten daarom, waarschuwt de predikant in opleiding, de profeten niet zien als psychisch in de war. Zij hebben een zware last te dragen en het verstorende werk dat ze verrichten, is Gods werk.

(…) ‘Voor hen die Hem volgen gaat het erom, te gaan en ze (= de beproevingen, AA) te dragen als een last die God ons oplegt. (…) Met God gaan betekent een zware weg gaan, een weg waarop het bloed van het hart van de besten stroomt en gestroomd heeft. Dat heeft het beeld van de profeten voldoende geleerd.’

Citaten uit: “Bonhoeffers zelfidentificatie met Jeremia [2] – Belangstelling voor de profeten. Door A. Alderliesten te Culemborg
Bron:  Protestants Nederland, 81e jaargang, no 1, januari 2015.

34 Daarom zie, Ik zend profeten, wijzen en schriftgeleerden naar u toe, en sommigen van hen zult u doden en kruisigen, en sommigen van hen zult u geselen in uw synagogen, en u zult hen vervolgen van stad tot stad, 35 opdat over u al het rechtvaardige bloed zal komen dat vergoten is op de aarde, vanaf het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja, die u gedood hebt tussen de tempel en het altaar. 36 Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. (Uit Matteüs 23)

22 Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn, 23 voor de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God, de rechter van allen, en voor de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn, 24 voor de bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en voor het gesprenkelde bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel. 25 Let op dat u Hem die spreekt niet afwijst. (Uit Hebreeën 12)

jeremia-rembrandt

Jeremia treurend over de val van Jeruzalem
Bron: Statenvertaling

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Noch door een profeet of dromer…

“U daarentegen moet alles wat ik u gebied strikt naleven; voeg er niets aan toe en doe er ook niets van af.” (Uit Deuteronomium 13)

(…) Stel voor, dat er straks onder het volk een profeet of dromer optrad — dus iemand, die zich meende te kunnen beroepen op een woord, door God tot hem gesproken — of dat iemand beweerde in de nacht een gezicht te hebben ontvangen, en dat nu zo iemand tot Israël kwam met het voorstel: „Laten we achter deze of gene “godspraak” of “god” aangaan” (vergelijk Deuteronomium 6 : 14) – Mozes voegt daar (vanwege de andere “god” in en achter die woorden – AJ) dit van zichzelf tussen: „die gij niet gekend hebt”, d.w.z. van wie gij nog nooit iets goeds ondervonden hebt en die zich nooit iets aan Israël gelegen heeft laten liggen, zoals Jahweh, die u uit Egypte verloste (zie 11 : 28) – dan zou Israël naar zulke “godspraken” (zogenaamd van Israëls God afkomstige openbaringen- AJ) niet mogen luisteren. Zelfs niet, wanneer de verleider een voorspelling had gedaan en deze warempel vroeger of later nog was uitgekomen of leek te gaan uitkomen ook. Men zou daarvan natuurlijk zeer onder de indruk kunnen geraken. Maar Israël zou zich dan moeten vastklemmen aan de belijdenis van Mozes: „Hoor Israël, Jahweh is onze God, Jahweh alleen” (Zie 6 : 4) en zou het leven van zulk een verleider zelfs niet mogen sparen. Israël zou hierbij dan moeten bedenken, dat Jahweh Zijn volk op de proef kan stellen om te weten – d.w.z. om bewezen te zien (zie 8:2) of Zijn volk Hem werkelijk liefheeft met z’n hele hart en en ziel en verstand. Dat valse profeten beslist ook over wondermacht kunnen beschikken is te lezen op diverse plaatsen in het Oude Testament (Zie bijvoorbeeld Exodus 7 : 11, 22, 8 : 7) en ook in het Nieuwe Testament (Zie bijvoorbeeld Matteüs. 24 : 24, 2 Thessalonicenzen 2 : 9, Openbaring 13 : 13).

Zie evt. ook: Profeten: hun roeping, hun lijden… 

18 Ik verklaar tegenover eenieder die de profetie van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn; 19 en als iemand iets afneemt van wat in het boek van deze profetie staat, zal God hem zijn deel afnemen van de levensboom en van de heilige stad, zoals die in dit boek beschreven zijn.
20 Hij die van deze dingen getuigt, zegt: ‘Ja, ik kom spoedig!’ Amen. Kom, Heer Jezus!
21 De genade van onze Heer Jezus zij met u allen. (Uit Openbaringen 22)

Bron tekst: Bewerkte teksten uit De Voorzeide Leer, Deuteronomium, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)
Bron plaatje: SlidePlayer.nl (“de brief” verwijst naar Jeremia 28 en 29)

jeremia-profeet-in-onmogelijke-tijd-slideplayer-nl

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Een eeuwig Priester naar de wijze van Melchizédek…

‘U bent eeuwig Priester, op de manier van [of: naar het voorbeeld van] Melchizédek’ (Psalm 110:4, weergave DB 1545)

(…) “Dit priester-zijn van Christus is de echte en enige troost voor ons – voor arme en zondige mensen en alle bedroefde harten. Want daaruit kunnen we weten dat Zijn rijk op aarde niet uit zulke voortreffelijke heiligen bestaat – niet uit mensen die helemaal zonder zonde en volkomen heilig zijn. Integendeel, het is zo: dat Zijn allerhoogste dienst en ambt, waarin Hij voor God staat, is ingesteld om met zwakke, gebrekkige en zondige mensen om te gaan, namelijk met hen die vanwege hun zonden een bevreesd, bezwaard en bedroefd geweten hebben. Zulke mensen wil Hij zeker niet wegstoten of scherp en streng behandelen – óf hen bedreigen en verschrikken met de toorn van God en de verdoemenis.

Nee, op de allervriendelijkste, lieflijkste en zoetste manier wil Hij hen lokken en nodigen om tot Hem te komen – om bij Hem troost en hulp te zoeken en te vinden. Dat zegt Hij immers in het evangelie: ‘Kom tot Mij, allen die vermoeid en beladen bent, en Ik zal u rust geven’ (vgl. Matthéüs 11:28). Idem: ‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaren te roepen’ (vgl. Mattheüs 9:13).

Want een priester is iemand die alleen omwille van zondaren is aangesteld. Hij moet de zondaren ontvangen en tussen God en deze zondaren in het midden gaan staan, hen met God verzoenen en hen vrij-bidden [of: hen verontschuldigen, vgl. voetnoot WA]. Wanneer u vooraf al heilig en zonder zonde zou zijn, dan had u toch helemaal geen priester nodig die voor u moest offeren en bidden?

Daarom, als wij deze Heere Christus voor onze Priester willen houden en Hem willen aannemen, dan moeten we oprecht belijden dat we zondaren zijn. En ook geloven dat Hij door God, voor óns als Priester is aangesteld en gegeven – zodat we bij Hem troost en hulp tegen de zonde moeten zoeken en vinden.

Want daarom heeft Hij Zich voor ons tot Offer gegeven, opdat Hij ons met God zou verzoenen en tot genade zou brengen. Bovendien heeft Hij door Zijn voorbede, voor óns Zijn Geest, kracht en gaven verworven, opdat wij daardoor van de zonde verlost en bevrijd worden, en zó tot eeuwige gerechtigheid en heiligheid, én tot het eeuwige leven komen (vgl. 1 Petrus 2:24; alsook: Psalm 68:19).”

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1535 (der 110. Psalm: gepredigt und ausgelegt) 5. Juni 1535, vgl. WA 41, 192, 16 – 193, 7, weergave: J.G. Walch (Ausgabe 1741) Fünfter Theil, S.1489-S.1490

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

hoe-zondaren-tot-jezus-komen-john-bunyan-abcvhgeloof

Bron plaatje: ABC van het geloof

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Dé les van Mozes leven (en sterven) voor Gods volk…

(…) 21 Maar de Here werd toornig op mij om uwentwil (1) en Hij zwoer, dat ik de Jordaan niet zou overtrekken en in het goede land niet zou komen, dat de Here, uw God, u tot een erfdeel geven zal. 22 Want ik zal in dit land sterven; ik zal de Jordaan niet oversteken. Maar u zult hem wel oversteken en dat goede land in bezit nemen. (Mozes woorden tot het volk te lezen in Deuteronomium 4)

(…) We moeten er hier voor oppassen, dat we Mozes zouden verdenken dat hij met deze woorden op zichzelf zou hebben gewezen vanuit een bepaald soort zelfmedelijden. Dat is hier beslist niet aan de orde. Dat blijkt wel uit de volgorde van de woorden, waarmee hij begint. Daarin staat het woord Jahweh voorop. Mozes heeft iets over Jahweh willen zeggen. Hij heeft de Israëlieten nadrukkelijk op Jahweh willen wijzen. Heeft hen, met eerbied gesproken, voor Jahweh willen waarschuwen. Al doet hij dit hier dan wel op grond van wat hijzelf ongeveer een jaar geleden ondervonden had, namelijk in de geschiedenis van Kades, waarvan Numeri 20 : 1-13 ons vertelt. (1)

En waarvoor heeft hij Gods volk dan wel willen waarschuwen tegenover Jahweh? Op die vraag staat het antwoord duidelijk in Numeri 20 : 12 te lezen. Mozes (en Aäron) hebben aan de Israëlieten in de (tweede) Kades-geschiedenis Jahweh niet doen kennen zoals Hij werkelijk is, maar zoals Hij volgens hen was. Daardoor hebben zij Hem niet geheiligd.
Door het volk te herinneren aan de (tweede) Kades-geschiedenis maakt Mozes het volk duidelijk, hoe kwalijk Jahweh het neemt, wanneer men met een eigenwillig getuigenis over Hem komt. (2)

23 Neemt u ervoor in acht, dat gij het verbond van de Here, uw God, dat Hij met u gesloten heeft, niet vergeet en u een beeld maakt in de gedaante van iets, dat de Here, uw God, u verboden heeft. 24 Want de Here, uw God, is een verterend vuur, een jaloers God. (…) Daar zal u dan geen lang leven beschoren zijn, integendeel, u zult worden weggevaagd. 27 De HEER zal u uiteenjagen en u wegvoeren naar vreemde volken, waar maar een klein aantal van u zal overblijven. (Uit Deuteronomium 4)

(…) Over God te denken en te spreken anders dan zoals Hij zelf verkiest zich te doen kennen is helemaal mis, dat is mensen niet toegestaan. Mozes had met zijn optreden te Kades de schijn gewekt, dat God onredelijk hard was en van geen ontfermen wilde weten, maar hoe heeft God Mozes dat kwalijk genomen en welk gevolg heeft dat niet voor Hem gehad. Zo nu zouden de Israëlieten er zich straks ook voor moeten wachten aan God een valse schijn te bezorgen door het vervaardigen van een of ander beeld van Hem. Omdat men daardoor liegen zou. Mozes verklaarde ronduit, dat dit zoveel zou zijn als een schandelijk vergeten van het verbond bij Horeb (vers 23). Ten overvloede voegde Mozes hieraan nog de waarschuwing toe: Voorwaar, Jahweh, uw God, is een verterend vuur. Een jaloers God is Hij (vers 24). (3)
Men lette er goed op, dat deze ernstige waarschuwende woorden gericht zijn tot Israëlieten (Gods volk, de Kerk van die dagen) en niet tot heidenen…

(1) Dat “om uwentwil” (“ten bate van u“) kunnen we op basis van dit Bijbelgedeelte en andere Bijbelwoorden op twee manieren toepassen. Voor de Israëlieten in de eerste plaats de waarschuwing om niet eigenwillig met Gods Woord en met hun dienst aan Hem om te gaan (zoals hierboven aan de orde gesteld is), maar Gods volk kon en moest hier ook uit leren dat Mozes ook maar een gewoon mens was en is gebleven. Alleen door Gods genade en kracht heeft hij zijn taak kunnen verrichten. Dat hij Gods volk het beloofde land niet mocht binnen leiden is zeker ook gebeurd om het volk te beschermen tegen een verkeerd soort mensverheerlijking en heiligen-verering. Ook hier geldt dat God zijn eer niet aan mensen geeft. Wanneer we daar op letten dan vinden we daarvan veel vergelijkbare voorbeelden in de Bijbelse geschiedenis, om enkele te noemen:

  • Noachs dronkenschap.
  • David’s zonde met Batseba.
  • De neergang van Salomo’s koningschap.
  • De “verdwijning” van David’s koningshuis (zie Psalm 89).
  • De verwoesting van de tempel en de ballingschap van het volk.
  • De overheersing van Israël door de Romeinen ten tijde van Jezus geboorte.
  • Petrus verloochening van Jezus.
  • Paulus doorn in het vlees.

(2) Lees o.a. wat Jeremia schrijft over profeten die een “(volks)eigenwillige” verkondiging laten horen (Uit Jeremia 28 en 29):

  • (…) 15 Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja: Luister toch, Hananja, de HEERE heeft u niet gezonden. Ú echter hebt dit volk op leugen doen vertrouwen. 16 Daarom, zo zegt de HEERE, zie, Ik ga u wegwerpen van de aardbodem. Dit jaar sterft u, omdat u hebt opgeroepen afvallig te worden van de HEERE. 17 En de profeet Hananja stierf in datzelfde jaar, in de zevende maand.
  • (…) 8 Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Laat je niet misleiden door je profeten en waarzeggers. Hecht geen geloof aan hun dromen; ze dromen slechts wat jullie wensen. 9 Wat ze jullie in mijn naam profeteren zijn leugens. Ik heb hen niet gezonden – spreekt de HEER.
    10 Dit zegt de HEER: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren.

(3) (…) 25 Let er dan op dat u Hem Die spreekt, niet verwerpt. Want als zij niet zijn ontkomen die hem verwierpen die op aarde aanwijzingen van God deed horen, veelmeer zullen wij niet ontkomen, als wij ons afkeren van Hem Die vanuit de hemelen spreekt. (…) 28 Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, aan de genade vasthouden en daardoor God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied. 29 Want onze God is een verterend vuur. (Uit Hebreeën 12)

Bron: Bewerkte teksten uit De Voorzeide Leer, Deuteronomium, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

mozes-te-kades

Mozes te Kades (Numeri 20)

Bron plaatje: godgelooftinmij.nl
Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

De mythe van de onafhankelijke wetenschap…

“De wortel van alle kwaad is de geld(heb)zucht…” (Paulus in 1 Tim. 6 : 10) (a)

(a) Geld en bezit en “de wetenschap” zijn machten die ons mensen een suggestie van zelfstandigheid en onafhankelijkheid naast en tegenover God (en mensen) geven – helemaal vergelijkbaar dus met wat speelde bij onze eerste zonde in het paradijs – zie ook Lucas 12: 13-21 – de gelijkenis van de rijke dwaas).

Wie thuis is geraakt in wat er in de wereld van de wetenschap en in wat daaromheen (mee)speelt aan visies en belangen door dit jarenlang met aandacht te volgen door te lezen wat er gepubliceerd wordt in kranten, tijdschriften, boeken en andere media, die verbaast zich er niet over waarom en hoe bepaalde zaken (feiten) en inzichten al of niet gewaardeerd worden en/of weggewerkt worden door het geven van heel andere interpretaties en dan verder met zoveel mogelijk kleineren en/of negeren van heel goed mogelijke maar minder welgevallige interpretaties.

Het is in de wetenschap al niet anders dan in de geld- en zakenwereld en in politiek en de mensenwereld in het algemeen: Niet wat waar en waarachtig is en aandacht en lof verdient, maar wat de belangen dient van de mensen die machtig zijn vanwege hun geld en hun woorden en vanwege de status die hen dat bij anderen geeft, die hebben en dat heeft het “voor het zeggen” in deze wereld. En in feite is het in (veel van) onze kerken/gemeenten en in de “wereld van de theologie” helaas niet anders! (zie a,b)

(b) Dankzij God’s genadig ingrijpen is dat gelukkig toch niet het enige en het laatste wat hierover te horen en te zeggen valt en wat gezien en te zien is en eenmaal te zien zal zijn in deze wereld – lees (c) en zie ook plaatje 2 onderaan!

  1. Enkele citaten uit interview met de Servisch-Amerikaanse econoom Branko Milanovic die dit jaar in Wenen een reeks gastcolleges geeft over zijn onderzoek, dat hem – in economiekringen – wereldberoemd heeft gemaakt. Hij bestudeert al een hele tijd de inkomensongelijkheid en de verschillen tussen landen.

    (…) Hebt u al van de olifantcurve gehoord? Waarschijnlijk niet, en toch zou die grafiek, het resultaat van economisch onderzoek naar de evolutie van de inkomensongelijkheid in de wereld, weleens de beste verklaring voor de doorbraak van Donald Trump en het wereldwijde populisme kunnen zijn. ‘Iets meer dan de helft van alle economische groei is de voorbije dertig jaar naar de rijkste 5 procent van de bevolking gegaan.’
    (…) Ook grote delen van Afrika hebben niets gewonnen: in Congo, becijferde u, is het reële inkomen er al honderd jaar niet meer op vooruitgegaan.
    Milanovic: Het is vandaag zelfs lager dan ten tijde van de onafhankelijkheid in 1960. Terwijl het qua mineralen toch één van de rijkste landen ter wereld is. Hoe verklaar je nu dat ze daar een ééuw verloren hebben?

  2. Geciteerd uit een artikel over alzheimer:
    (…) Neurowetenschapper George Perry is stellig: ‘De amyloïde-hypothese is dood. Het is eigenlijk een vrij simplistische hypothese die 25 jaar geleden nog aannemelijk was, maar nu achterhaald is.’
    Dat zo veel wetenschappers toch nog onderzoek doen naar amyloïde-bèta heeft volgens hem een andere reden: ‘De carrières van de grootste alzheimerwetenschappers in de wereld zijn gebouwd op deze hypothese. Ze beschermen de status quo.’
    (…) Patiëntenverenigingen overal ter wereld houden hoop op een alzheimermedicijn, zegt de Nijmeegse hoogleraar, want dat is wat patiënten en hun naasten ook het liefst willen. ‘Zo hebben veel partijen er belang bij om alzheimer als puur neurologisch ziektebeeld te blijven beschouwen, met de mogelijkheid van een wonderpil, en om elke relatie met veroudering te ontkennen.‘

(c) 3 Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen. (Uit Psalm 8, NBG)

Bron tekst 1: HUMO – Interview met econoom Branko Milanovic
Bron tekst 2:
Volkskrant – Geneeskunde: “Jagen op de boeven van het brein”
Bron plaatje 1: Bol.com 
Bron plaatje 2: ArtBible.org – Rembrandt: Maria en Jozef bij de kribbe.

dick-swaab-en-alzheimer maria-en-jozef-bij-de-kribbe-rembrand-artbible

Geplaatst in Catechismus, Geschiedenis, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

De onuitroeibare mythe: Calvijn als tiranniek regent te Genève…

(…) Voor Calvijn was alle wijsheid in de Bijbel te vinden. Hij meende dat ook eenvoudige gelovigen die wijsheid tot zich kunnen nemen en zelfs in opstand mogen komen tegen een overheid die onjuist handelt. Maar in de praktijk toonde Calvijn zich allerminst een democraat. Van Genève, waar hij zich in 1536 als stadspredikant vestigde, maakte hij een heuse kerk-staat. Dissidenten werden verbannen of belandden op de brandstapel…
Nadat hij op tirannieke wijze in eigen huis orde op zaken had gesteld, deed Calvijn veel moeite om de idealen van de Reformatie in de rest van Europa te verspreiden. Onvermoeibaar bleef hij schrijven. Zijn oeuvre omvat 59 kloeke delen. Van belang was ook de Geneefse Academie, die veel buitenlandse studenten trok. Vijf jaar na de oprichting van dit instituut in 1559 bezweek Johannes Calvijn op 55-jarige leeftijd aan alle inspanningen. [Einde citaat 1]

(…) Voor Calvijn was het proces tegen Servet een kritisch gebeuren, hij zag zich al voor een tweede maal verbannen… Er was in Genève een groep libertijnen die Calvijn niet welgezind was. Deze partij zag in Servet de geschikte persoon om van die Fransman af te komen. Zij gaven daarom Servet het advies Calvijn niet te ontzien en hem zo hard mogelijk aan te vallen, men stuurde aan op een conflict…
[Einde citaat 2]

Bron 1: Artikel “In de ban van Maarten Luther”, Elsevier (via Blendle)
Bron 2: Digibron-artikel “De kwestie tussen Calvijn en Michael Servet”
Bron afbeelding: Rolexencyclopedie.

portret-joh-calvijn-rolexencyclopedie

Geplaatst in Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Wetenschap | Plaats een reactie

Voor Luther geen vraag meer…

16 Immers uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade; 17 want de wet is door Mozes gegeven, de Genade en de Waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. (…) 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die aan de boezem des Vaders is, Die heeft Hem doen kennen. (Uit Johannes 1 : 14-18)

Citaat (1): In een interview met ds. Van Rooijen in Terdege las ik dat de worsteling van Luther niet was: „Hoe krijg ik een genadig God”, maar „Hoe krijg ik God genadig?” Van die gedachte hebben we door het krachtige werk van de Heilige Geest bevrijding nodig. Gerechtigheid wordt een poort voor een zondaar als licht valt op Gods onuitsprekelijke genade in Jezus Christus.

Bovenstaande mag en kan toch nog anders (veel rijker en genadiger nog!) gezien en verwoord worden!  Het gaat er in Gods Woord en in ons leven namelijk niet om de vragen „Hoe krijg ik een genadig God” of „Hoe krijg ik God genadig?”, want dan blijft er toch die gedachte dat er (eerst) iets van onze kant moet komen (gedaan worden) of dat er toch op zijn minst eerst iets bij ons zelf gevonden en ervaren en “gezien” moet worden, voor we (persoonlijk) antwoord kunnen en mogen geven op die vragen zoals ze hierboven gesteld zijn en door velen ook nu nog gesteld worden.

Maar het is voor ons mensen niet anders dan als het was voor Adam en Eva, Kaïn en Abel, voor Abraham en Sara en voor Paulus en voor alle andere mensen! God komt naar ons toe als een God Die ons genadig is! Het mooist wordt dat in de Gemeente(n) van Jezus Christus nog zichtbaar gemaakt en betuigd en bezegeld in en door de Doop aan onze kleine kinderen (machteloze baby’s nog). Daarmee wordt God’s Naam als een altijd aanwezig gebed op hun voorhoofden aangebracht (2).

Hoe genadig God ons mensen is, dat wordt ons geopenbaard in en door (de verkondiging van) Zijn Woord (3) en bekrachtigd door het werk dat de Heilige Geest daarmee in onze harten wil doen en doet. En dat Woord openbaart ons niet alleen hoe Barmhartig en Genadig, maar ook hoe Heilig en Rechtvaardig onze God is (4). Zo Heilig en rechtvaardig, dat Hij de zonde niet ongestraft wil(de) laten, maar die liever strafte aan Zijn eigen Zoon, dan dat Hij ook maar één enkele zonde “door de vingers” zou zien.

De (RK-)kerk(leer) had Luther een genadig God afgenomen en hij kon God daarom (eerst) alleen nog maar zien en ervaren als een Rechtvaardig Rechter. Hij leed daar elke dag onder. Gods Woord opende door het werk van de Heilige Geest Luther’s ogen voor de werkelijke stand van zaken in en vóór de leden van de gemeente van Jezus Christus en wat nu verkondigd mag worden aan alle mensen in deze wereld. En toen werd voor Luther en voor de mensen om hem heen de (nieuwe) vraag én verkondiging: HOE LÉVEN WIJ VOOR HET AANGEZICHT VAN EEN ONS OM JEZUS CHRISTUS’ WIL GENADIG GOD. Léven met en voor het aangezicht van een Barmhartig en Genadig God, maar Die tevens een Heilig en Rechtvaardig God is, en waarvan ook nu geldt en (daarom) ook nu gezegd en gelovig aanvaard dient te worden, “dat Hij toornt over al onze ongerechtigheid” (5a,b) en deze met tijdelijke straffen bezoekt (dus óók aan de gelovige kinderen van God) en deze met de eeuwige straf bedreigt.

(1) RD-artikel “Welbeschouwd (Steef Post): Het is nu genadetijd” gepubliceerd op de website van het Reformatorisch Dagblad (10 februari 2017).
(2) Zie 1 Petrus 3 : 20-22 en
webpagina: Volwassenen (bij voorkeur!) dopen in prille baby-stadium van het geloof!
(3) Uitspraak van Luther: “Christus komt tot ons in het gewaad van het Woord”.  Zie ook Lukas 24 : 13-35 (de Emmaüsgangers).
(4) 18 Toen zei Mozes: Toon mij toch Uw heerlijkheid! 19 Maar Hij zei: Ík zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen, en in uw aanwezigheid zal Ik de Naam van de HEERE uitroepen, maar Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal. (uit Exodus 33, HSV)
Hierbij nog opgemerkt: Waar bijv. de NBG in Exodus 33 : 19, de Hebreeuwse woorden alweer “mannetje voor mannetje” vertalende, heeft: „Ik zal genadig zijn, wien Ik genadig ben, en Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontferm”, is de bedoeling van de Here beter op deze manier weer te geven: „Ik zal zéker genadig zijn en Mij zéker ontfermen”. (zie evt. meer bij: De Naam van onze God… (II))
(5a) 18 Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken, 19 omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard… (Uit Romeinen 1, HSV)
(5b) We moeten de straffende hand van God – ook aanwezig in de levens van Gods kinderen – niet ontkennen of als “vervelende bijkomstigheid” zien, maar erkennen dat die ook voortkomt uit Gods Vaderliefde en Zijn heilzame bedoelingen met ons (Zie o.a. Hebreeën 12 : 6-10) 

emmausgangers-bijbelseplaatsen-nlBron: Bijbelse plaatsen.nl

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Het volgen van je eigen pad…

Waarmede zal de jongeling zijn pad,
Door ijdelheen omsingeld, rein bewaren?
(Uit Psalm 119 vers 5, berijmd, OB)

(…) Het volgen van je eigen pad is de kunst om te leven volgens je persoonlijke waarden, de overtuigingen en het gedrag die je betekenis en voldoening ge­ven – en niet naar de waarden die je zijn opgelegd door anderen; niet naar wat jij denkt waar je om zou moeten geven, maar waar je oprecht om geeft. Bepalen wat je waardevol vindt en ernaar handelen is niet altijd gemakkelijk. We worden constant gebombardeerd met boodschappen – vanuit onze cultuur, door adverteerders, door onze opvoeding, onze religieuze achtergrond, onze familie en vrienden – over wat belangrijk is en wat ons waardevol maakt. (…)
De handelingen en keuzes van andere mensen beïnvloeden ons meer dan we beseffen, op alle niveaus, volgens een fascinerend fenomeen dat ‘sociale aanstekelijkheid’ wordt genoemd. Onderzoeken tonen aan dat bepaald gedrag werkt als een verkoudheids- of griepvirus: je kunt het van andere mensen krijgen. Het risico om dik te worden wordt vergroot met elke zwaarlijvige persoon die je tegenkomt. Je kansen op een echtscheiding (1), een besluit waarvan je misschien denkt dat het zeer persoonlijk en individueel is, worden groter als andere stellen in je kennissenkring uit elkaar gaan…

Waarmede zal de jongeling zijn pad,
Door ijdelheen omsingeld, rein bewaren?
Gewis, als hij het houdt naar ’t heilig blad.
U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren;
Laat mij van ’t spoor, in Uw geboôn vervat,
Niet dwalen, HEER, laat mij niet hulp’loos varen.
(Psalm 119 vers 5, berijmd, OB)

Bron tekst: Psychologie – Persoonlijkheid: Artikel “Volg je eigen pad” van Suzan David
Zie evt. ook: Troostvol of activistisch preken en spreken…

(1) En ook het al of niet gelaten accepteren en/of goedkeuren van echtscheiding bij anderen…

volg-je-eigen-pad

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Huwelijk en gezin, Politiek, Wetenschap | Plaats een reactie

Wie van genade leven…

‘37 En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep: Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken. 38 Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. 39 (En dit zei Hij over de Geest, Die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.). (Uit Johannes 7)

Ondank is ’s werelds loon…

In het voorafgaande zegt Luther dat het op zich niet genoeg is dat we zelf dankbaar zijn – maar dat we uit Christus’ voorbeeld moeten leren om ook de ondankbare wereld te verdragen en aan ieder goed te doen: “Wie een christen wil zijn, die moet weten dat hij met al zijn goedheid, trouw en dienst alleen ondank zal verdienen – zodoende moet hij er voor oppassen, om vanwege deze ondankbaarheid, het dienen en helpen van zijn naaste te verzuimen. Nee, hij moet alle ondankbaarheid accepteren en moet helpen waar hij kan – dat noemt men: ‘zich christelijk gedragen’, of zoals Salomo het zegt: ‘brandende kolen op iemands hoofd uitschudden’” (vgl. Spreuken 25:21-22; alsook: Romeinen 12:20).

‘Zijn er niet tien rein geworden? Waar zijn dan de negen?’
(Lukas 17:17, weergave DB 1545)

(…) “Deze kunst (1) zult u van de wereld niet kunnen leren – wel het tegendeel! Als men haar geen dankbaarheid wil tonen, dan is de wereld van mening, dat alles wat zij heeft gedaan, voor niets en verloren moeite is geweest en wil dan voortaan niet meer helpen.

Echter van onze Vader in de hemel kunnen wij deze kunst wél leren. Hij laat Zijn zon niet alleen schijnen over de goeden, die Hem daarvoor danken, maar ook over de kwaden, die Hem niet danken en bovendien al Zijn goede gaven misbruiken. Hij zou dan met recht wel kunnen zeggen: ‘Ik heb de zon nu zoveel jaren laten schijnen en graan, wijn en allerlei goede dingen gegeven, maar Ik kan er geen dank mee verdienen. Daarom wil Ik de zon nu niet meer laten schijnen en dit ondankbare volk van honger laten sterven.’

Maar onze genadige Vader doet dat niet! ‘Nee’, zegt Hij, ‘zo groot kan de ondankbaarheid van de wereld niet zijn dat Ik me daarover kwaad zou maken. Wil de wereld niet dankbaar zijn, dan zal Ik nu toch genadig en barmhartig blijven en de ondankbare mensen wel op een later tijdstip daarover aanspreken.’

Deze kunst moeten wij ook leren, tenminste als we christenen willen zijn. Dit is immers de natuur van de christelijke liefde, dat zij alles verdraagt en verduurt en zich daarover niet bitter en boos maakt. Er zijn er echter maar heel weinig die deze liefde hebben (1). Daaruit volgt dan: dat er ook niet veel goede christenen zijn (2).

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1533, Hauspostille 1544, vgl. WA 52, 467, 6-21

(1) Niemand op aarde “heeft” deze Goddelijke liefde als natuurlijk en persoonlijk bezit of eigenschap of kan dit aanleren als (levens)kunst! Wij ontvangen deze vergevende barmhartige Liefde uit genade wanneer we dagelijks leven met onze Drie-enige God,  en bij al wat Hij belooft aan hen die Hem elke dag nederig zoeken in Woord en gebed.
(2) 18 En Jezus zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God. (Uit Markus 10)

33 En toen zij aan de plaats gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de misdadigers, de ene aan zijn rechterzijde en de andere aan zijn linkerzijde. 34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. (Uit Lukas 34)

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

karel-boullart-dat_ondank_s_werelds_loon_is

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie