Verlossing en dankbaarheid…

(…) 11 U bent in ieder opzicht rijk geworden om in alles vrijgevig te kunnen zijn, en uw vrijgevigheid leidt door onze bemiddeling tot dankzegging aan God. 12 Uw bijdrage aan de collecte heft immers niet alleen het gebrek van de heiligen in Jeruzalem op, maar leidt er bovendien toe dat ze God uitbundig danken. 13 Ze prijzen God omdat u er blijk van geeft gehoorzaam te zijn aan het evangelie van Christus, wat u bewijst door de ruimhartigheid waarmee u met hen en alle anderen wilt delen.  (Uit 2 Korintiërs 9)

(…) Toen God met Mozes over het plan voor de tabernakel begon te spreken, heeft Hij de wens te kennen gegeven, dat het beoogde heiligdom Hem door Zijn volk als geschenk zou worden aangeboden. Heel begrijpelijk na alles wat er gebeurd was. Uit al de volken van de aarde had Jahweh Israël immers openlijk tot het volk van Zijn keuze verklaard en er het Sinaï-verbond mee gesloten. Dat was wel een dankoffer waard. Zo moet de volgorde zijn: verbond en dankbaarheid.

Maar Jahweh wenste dit geschenk dan wel te ontvangen als een geheel vrijwillig gegeven geschenk. Dus niet zoals het tegenwoordig vaak in het kerkelijke leven gaat, dat ieder van zijn inkomsten periodiek vrijwillig een betamelijk gedeelte afstaat. Neen, dat was voor déze gelegenheid nog niet vrijwillig genoeg. Jahweh wilde geen hoofdelijke omslag, waarbij iedereen feitelijk evenveel betaalt, immers naar ieders financiële draagkracht. Nee, het zou moeten gaan in volmaakte vrijheid. Niet naar dat ieder missen kon, maar naar dat ieder missen wilde.

We lezen: „Jahweh sprak tot Mozes: Zeg tot de Israëlieten, dat zij voor Mij een heffing inzamelen; van ieder man, wiens hart hem dringt, zult gij voor Mij een heffing inzamelen. Dit nu is de heffing, die gij van hen inzamelen zult: goud, zilver, koper, blauwpurper, roodpurper, scharlaken, fijn linnen, geitenhaar, roodgeverfde rams- vellen, tachasvellen en acaciahout, enz. enz.. „En zij zullen Mij een heiligdom maken en Ik zal in hun midden wonen”. (Exodus 25 : 1—9)

Overigens is er voor de tabernakel niet alleen gegeven, maar voor de tabernakel is m.n. ook gewerkt. „Iedere vrouw, die kunstvaardig was, spon eigenhandig en zij bracht het gesponnen werk, het blauwpurper, roodpurper, scharlaken en het fijn linnen. Alle kunstvaardige vrouwen, wier hart haar daartoe dreef, sponnen het geitenhaar” (Exodus 35 : 25,26).

En vergeten we ook het werk der vaklieden niet.  „Om ontwerpen te bedenken en om die uit te voeren in goud, zilver en koper; om zilver te bewerken en om die in te zetten; om hout te snijden en om al het ontworpen werk te maken” (Exodus 35 : 32-33).
Dit alles gebeurde onder leiding van de bijzonder knappe en begaafde vaklieden én niet te vergeten, in een verbazend enthousiast tempo!

Bron: Inleiding Genesis Exodus, De Voorzeide Leer, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Israël. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s