Omwille van Gods eigen Woord… (I)

Over rechtvaardiging en gebed

Bevrijding

 

(…) Maar dan ontdekt de naar zekerheid dorstende monnik dat ons in Christus álles geschonken is wat God van ons eist. “Waar – zegt hij in een preek – is wijsheid? Waar is gerechtigheid? Waar is waarheid? Waar is kracht? Niet in onszelf, maar in Christus. Het ligt allemaal buiten onszelf in God.” Hij komt tot het inzicht dat juist in zijn goede daden, in zijn goede bedoelingen, in zijn streven naar volmaaktheid zijn opstand tegen God zich schuil houdt. Wat een bevrijding is het voor hem daar erg in te krijgen en vooral dat te belijden.

In zijn commentaar noemt Luther een aantal teksten die hem op weg hebben geholpen, bijvoorbeeld uit Psalm 32: “Daarom zal iedere heilige tot U bidden.” Doen wij dat, zeggen wij met David: “Ik zal mijn zonden belijden voor de Here“, dan vergeeft Hij ze ons. Ook Johannes wordt aangehaald: “Als wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig om ze ons te vergeven.” Enz.

Zo vindt de mens in God wat hij altijd weer bij zichzelf zoekt, maar tevergeefs: heil, leven, het goede, een nieuw ik. En hij vindt niet meer wat hij bij zichzelf niet meer hoopte te vinden, maar tevergeefs: het kwaad, de begeerte, de dood, het door de zonde bedorven ik, het aanklagende geweten. Zo leert het geloof ons aan onszelf te vertwijfelen en het daar te zoeken waar we een nieuw leven ontvangen: buiten onszelf in Christus.

Levende omgang

Dit alles lopen we mis, als we met onszelf alleen blijven, als we een monoloog voeren met ons eigen ik. Dan vallen we onszelf best mee. Of we vallen onszelf zó tegen dat er slechts wanhoop, frustratie en vruchteloze zelfkritiek overblijft.
Maar door het gebed verandert de monoloog in een dialoog. En zo komen we er echt achter wie wij zijn, wie wij tegenover God zijn. Dat “lukt” pas, als wij – voor onszelf en in de gemeenschap der heiligen – in ons gebed Hem net als David bekennen: ‘Tegen U alleen heb ik gezondigd.” Het gebed is dus als het ware het kanaal, de hefboom van wat er tussen God en ons gebeurt, als Hij ons met al ons lek en gebrek rechtvaardigt.

De rechtvaardiging is dus geen administratieve aangelegenheid of wat voor kwestie dan ook. Nee, ze is ingebed in de levende omgang met God, waarin Hij de eerste is en ons door zijn Woord en Geest naar zich toetrekt. En wij reageren op Hem, antwoorden Hem door onze handen te vouwen, belijden Hem onze ongerechtigheid en bidden om zijn gerechtigheid. Op het moment dat wij dat doen, wórdt Hij onze gerechtigheid en is er de gemeenschap met Christus. Zo beloftevol en bemoedigend ligt dat!

Roem

Zulk bidden mondt uit in de lofprijzing van Gods naam. Zij behoort ook wezenlijk tot het gebed. Onze roem – zegt Paulus aan het slot van Romeinen 3 – is volstrekt uitgesloten. We roemen in vrije gunst alleen. Daar was ook David op uit in Psalm 51 : “Here, open mijn lippen, dan zal mijn mond uw lof verkondigen.

Zulk bidden heeft niets verdienstelijks. Immers, wanneer een mens in zijn gebed God zoekt, heeft hij zichzelf niet op het spoor van God gezet. Het is omgekeerd: omdat God in Christus naar ons is toegekomen, kunnen wij en zullen wij Hem vinden. Luther volgt hier een gedachtegang van Augustinus: de mens zou nooit God zoeken, wanneer God hem al niet gevonden had.

Fel zet Luther in dit verband al degenen op hun nummer die niet zoeken maar laks zijn, omdat ze denken God bij toeval wel een keer tegen te komen, of die Hem zoeken op een weg die ze zelf zijn ingeslagen. Of ze wel of niet gerechtvaardigd worden, is hun blijkbaar om het even.

Maar ook als wij roemen in God, omdat Hij naar ons heeft omgezien, heeft dat niets verdienstelijks. Alsof wij door middel van onze aanbidding God enige compensatie kunnen geven. Integendeel. Elke dag opnieuw past ons het gebed van de tollenaar:Ό God, wees mij, zondaar, genadig‘. Boete(doening) is dus nooit een gepasseerd station. We blijven altijd aangewezen op – zoals dat heet – vreemde vrijspraak en vreemde gerechtigheid. (1)

Opgemerkt AJ:  (1) Wie wil en durft er bij dit onderwijs uit Gods Woord nog te spreken van en over ‘mooie mensen’ en wie zal zichzelf met die titel kunnen of willen (laten) tooien?! Gaat de Bijbel ons daarin voor en kan iemand dat aanwijzen? Paulus noemt zichzelf ‘de grootste van alle zondaren‘…, maar zegt hij ‘mij is genade bewezen‘.

Lees ook het volgende gedeelte(n):
– “Omwille van Gods eigen Woord… (II)
– “Omwille van Gods eigen Woord…(III)

Bron tekst: “God vangen in zijn woorden (2, slot)” door dr. H.J. Lam, Barneveld, Ecclesia nr. 17 – augustus 2018

Lezen Psalm 30
(NB. Deze Psalm gaf David aan Salomo (mooi mens?) en het volk
om te zingen bij de inwijding van de tempel…)

Bron afbeelding:  BibleInspirations

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Gemeente, Huwelijk, Persoonlijk. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s