Amazing Grace (I)

Het heil voor Gods volk…

18 Ik heb wel gehoord hoe Efraïm treurt:
“U hebt mij geslagen als een jonge os
die nog niet is afgericht.
Breng mij bij u terug, laat mij terugkeren,
want u, HEER, bent mijn God.
19 Ik ben tot inkeer gekomen,
ik sla mijzelf nu ik mijn hart doorzie.
Ik ben vol berouw, ik schaam mij diep,
ga gebukt onder de zonden van mijn jeugd.”
20 Is Efraïm niet mijn geliefde zoon,
is hij niet mijn oogappel?
Telkens als ik over hem spreek
rijst zijn beeld in mij op,
dan raak ik diep bewogen.
Ik móet mij over hem ontfermen
– spreekt de HEER.
(…)

28 Zoals ik niet aarzelde om hen uit te rukken en te verwoesten, af te breken, kwaad te doen en te vernietigen, zo zal ik niet aarzelen om hen te planten en op te bouwen – spreekt de HEER. (…)

31 De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, 32 een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de HEER. 33 Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten – spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. 34 Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen,” want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al – spreekt de HEER. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan. (…)

37 Dit zegt de HEER:
Zoals de hoogte van de hemel niet gemeten wordt,
de diepte van het fundament der aarde niet gepeild,
zo verwerp ik niet het nageslacht van Israël
om alles wat het heeft misdaan
– spreekt de HEER.

26 Hierop richtte de HEER zich tot Jeremia: 27 ‘Ik ben de HEER, de God van al wat leeft. Is er ook maar iets dat voor mij onmogelijk is? 

(Uit Jeremia 31 en 32)

Bron: Nederlands Bijbelgenootschap, debijbel.nl – NBV Jeremia 31

Zie evt. ook: Amazing Grace (II)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël, Persoonlijk | Plaats een reactie

Jullie zijn het zout van de aarde…

‘Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest, waarmee zal men dan zouten?’ (Matteüs 5 : 13)

Vanmorgen geeft Jezus geeft ons twee nieuwe titels mee. Hij zegt: ‘Jullie zijn het Zout der aarde, jullie zijn het Licht van de wereld.’ Wij mogen zijn: het zout der aarde. Wat een boodschap aan een kerk die steeds meer van haar kracht schijnt te verliezen. En wie ziet in de kerk nog een zichtbare stad op de berg? Hebben wij geen kerken gebouwd met loodzware muren – kerken bestemd voor de eeuwigheid – maar waarbinnen het licht brandt voor ons alleen? Straalt ons licht nog wel voldoende naar buiten? Hebben wij nog wel een boodschap aan onze wereld?

 Zout spreekt tot de verbeelding van mensen, in allerlei tijden in allerlei culturen. Volgens een Oud-Syrische overlevering komt het zout regelrecht van de goden. Vanwege zijn zuiverende werking was het in het oude Rome gebruik om nieuwgeborenen zout op de lippen te strooien. Daardoor moest het jonge leven beschermd worden tegen dreigend onheil. Een gebruik dat we nog steeds hanteren bij de kinderdoop. In de Bijbel, zowel in het zogenaamde Oude als Nieuwe Testament komen we dat woord zout vaak tegen. Het heeft te maken met levenskracht. Maar zoals bij elk symbool komen de tegenkrachten ook aan bod: de vrouw van Lot verandert in een zoutzuil!

In Afrika sterven er mensen bij gebrek aan zout. Zout is levensnoodzakelijk. Wij denken daar niet meer aan. Alleen als we een zoutloos dieet krijgen, beseffen we ineens, wat we eigenlijk nodig hebben. De oudste wegen van Europa zijn de zogenaamde zoutwegen. Zout was toen het meest begeerde handelsartikel. Lonen werden ook vaak in zout betaald, toen er nog geen sprake van geld was. Het grappige is dat ons woord salaris afgeleid is van het Latijnse woord Sal. En dat woord betekent zout!

In deze weken lezen wij uit Jezus’ regeringsverklaring: zijn Bergrede. Hij zinspeelt vandaag op de conserverende (bederfwerende!) werking van het zout. ‘Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest, waarmee zal men dan zouten?’ (Matteüs.5:13). In Marcus 9:50 lezen we: ‘Hebt zout in uzelf en leef in vrede met elkaar.’ Zout en vrede horen bij elkaar. Een vleugje humor kenmerkt dat zout. ‘Uw spreken zij steeds innemend, met een vleugje zout er bij, zodat u iedereen antwoord weet te geven’ (Kolossensen 4:6).

Zout en licht zijn niet buitengewoon. Ook een christen is geen haar beter dan zijn of haar omgeving. Maar toch heeft ’n christen iets dat anderen niet bezitten. Jezus zegt niet: jullie zouden het zout der aarde, het licht der wereld moeten zijn. Hij zegt: jullie zijn het! Jullie zijn ’t zout der aarde, jullie zijn het licht van deze wereld! In onze doop hebben we van God ’t zout en het licht meegekregen. We mogen door Gods geest aanstekelijk werken. Als we dat willen kunnen we in deze, van angst verlamde wereld, de geborgenheid van God uitstralen.

Wat we de wereld te bieden hebben is geen product van onszelf. Het is het product van ons doopsel. Gods Geest. Achter ons staat Zijn gezag. Onze opdracht is het om zijn Woord verder te spreken, zijn Licht door te geven. Het ergste wat gebeuren is dat je het zout van je doop laat verschralen, omdat er niets mee gebeurt. Het ergst dat kan gebeuren is dat je ’t Licht dat je ontving bij je doopsel onder een emmer zet. Dat licht houdt ’t niet lang uit. Het verstikt.

Licht heeft zuurstof van buiten nodig. De kerk kan alleen maar bestaan als ze haar zuurstof van de wereld krijgt en de wereld zout en licht teruggeeft. Je terugtrekken uit deze wereld is je overgeven aan een kwijnend bestaan. De kerk moet midden in de wereld staan, als een stad op de berg, voor iedereen zichtbaar. Wij mogen mensen het zout van het evangelie laten proeven en het vertrouwd laten zijn met het Licht van de wereld.

Dat is geen nieuw verhaal. Ik denk hierbij aan die prachtige vertelling van Dostojewski over de grootinquisiteur. Die laat Jezus arresteren daags nadat er honderden ketters zijn verbrand. Ook hij kent Jezus terug, laat hem opsluiten en besluit ook Jezus tot de brandstapel te veroordelen, ‘want’, zegt hij, ‘de blijde boodschap dat we allen de geest in ons dragen, vrij zijn en zout en licht genoemd kunnen worden, is te gevaarlijk voor deze wereld. Het mag verkondigd noch geweten worden.’ Bij Dostojewksi  antwoordt Jezus niet, hij kust de oude man op zijn bloedloze droge lippen. Die rilt over zijn hele lijf, opent de gevangenisdeur en zegt: ‘Ga weg, ga helemaal weg en kom nooit,  nooit meer terug.’

Maar ook in ons leven blijft God terugkeren. Dit verhaal blijft doorverteld tot op de dag van vandaag. En dat is maar goed ook, want zonder Zijn zout zou menigeen in kerk en wereld alleen maar flauw vallen!

Bron: dekenaat-amsterdam – © Ambro Bakker s.m.a. Deken van Amsterdam

Opgemerkt: Mee naar aanleiding van http://www.tijdmetJezus.nl|dagelijks bijbelmoment (Jos Douma).

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Vasten omdat… uw Bruidegom is weggegaan…

Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn,
dan zullen zij vasten in die dagen.
(Lukas 5:35)

1 Op mijn bed zocht ik in de nachten
Hem Die ik innig liefheb,
Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.
2 Ik dacht: Laat ik toch opstaan en in de stad rondtrekken,
door de straten en over de pleinen,
Hem zoeken, Die ik innig liefheb.
Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.
(Uit Hooglied 3)

(…) Zie, dit is wat ik u ook moet zeggen, dat uw Bruidegom is weggegaan, dat de Zaligmaker Jezus uit onze gemeente is heengegaan, dat de Heere Zijn Geest en genade van ons heeft weggenomen. Hoe kunnen we dat zeggen? De Zaligmaker heeft toch beloofd dat Hij met ons zal zijn tot de voleinding der wereld? Dat Hij Zijn gemeente wil bouwen en bewaren en dat de poorten van de hel haar niet zullen overweldigen? Inderdaad, maar dat wil niet zeggen dat de Kerk altijd voorspoedig en vruchtbaar zal zijn. Deze belofte wordt in zoverre vervuld dat Hij op aarde Zijn volk zal hebben, en dat er altijd een kerk zijn zal zoals ten tijde van Elia. Deze meende dat hij alleen was overgebleven, terwijl er nog wel zevenduizend door de Heere waren bewaard. Dit wil dus zeggen dat Hij altijd Zijn kinderen zal bewaren. Die kleine kudde zal Hij beschermen, hetzij hier of op een andere plaats, zelfs al was het in het pausdom.

Wij mogen wel zeggen, dat wanneer de Bruidegom is weggegaan, Hij niet altijd wegblijft. Uiteindelijk zal Hij terugkomen. We zullen Hem ook weer vinden als we Hem zoeken, zoals de bruid in het Hooglied. Als zij lang gezocht had, vond ze Hem, hield Hem vast en liet Hem niet gaan totdat ze Hem in de kamer van haar moeder gebracht had, ‘in de binnenste kamer van haar die haar gebaard had’. Er komt dan een sterk verlangen om zich aan Hem over te geven, wanneer de Heere in het hart van een mens komt om het in te nemen, zoals de bruid zegt: ‘Gij hebt mij het hart ingenomen’ (Hooglied 4:9), gelijk een geweldige een stad inneemt. Hij zal in deze stad zijn intrek nemen en zijn onderdanen wetten geven, waaraan zij zich moeten houden. Zij zullen moeten buigen en zich onderwerpen. Zo is het ook als Koning Jezus het hart van een mens heeft ingenomen. Dan wordt Hij daarin hun Heer. Hij zal Zijn troon daarin vestigen. Hij zal daarin woning maken. Hij zal het regeren en bewerken. Hij zal het hart besturen en tot een tempel van de Heilige Geest maken.

Dit wonen moet niet zo opgevat worden alsof de Zaligmaker een uitwendig Koninkrijk zal oprichten, zoals de Joden in het Oude Testament op al het uiterlijke zagen, en riepen: Des Heeren tempel! Nee, het is zoals Paulus zegt in Romeinen 9:8, dat niet de kinderen van het vlees, maar de kinderen der beloften Gods kinderen zijn. We moeten daarom letten op de zekere beloften die de Heere gedaan heeft: ‘Uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags of des nachts niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het heer der heidenen, en hun koningen tot u geleid worden’ (Jesaja 60:11). En ook vers 16: ‘En gij zult de melk der heidenen zuigen, en ge zult de borsten der koningen zuigen; en gij zult weten, dat ik de HEERE ben, uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.’
Sommigen zullen zeggen dat het voorzeggingen zijn die de eindtijd betreffen. Zij moesten echter Gods Woord eens gaan onderzoeken, want zullen die beloften vervuld worden, dan moet immers de Bruidegom wederkeren met Zijn Geest en genade. De heerlijkheid der Kerk blijkt niet uit het grote aantal leden, en slaat ook niet op de uitwendige glans van de kerk, maar dat ze toeneemt in heiligheid en zelfverloochening en meer andere geestelijke deugden. Zie christenen, dat is de rechte heerlijkheid.

De Zaligmaker zegt dat we de tekenen der tijden moeten onderscheiden. Laten we dit samen eens doen en in de voortgang der eeuwen drie perioden onderscheiden. (…)

Bron: Preek van J. van Lodenstein (1620-1677) – Uitgegeven in de Reveilserie van Stichting “Smytegelt-fonds”.

3 Op de dag van mijn nood zoek ik de Heer,
bij nacht hef ik mijn handen, rusteloos,
mijn ziel laat zich niet troosten.
4 Ik denk aan God en moet zuchten,
mijn gedachten vermoeien mijn geest. sela
(Uit Psalm 77)

Lees/download heel de preek: Het ware vasten (uit Reveilserie)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Psalm 101 bidden – met en voor allen “die over ons gesteld zijn”…

1 Van David, een psalm.

Ik wil zingen over trouw en recht
in een lied voor u, o HEER,
2 nadenken over de volmaakte weg –
wanneer zult u bij mij komen?

Ik handel met een zuiver hart,
ook in mijn paleis,
3 niets staat mij voor ogen
wat boosaardig is.

Gedraai, ik haat het,
ik laat mij er niet mee in,
4 sluwheid houd ik ver van mij,
het kwaad wil ik niet kennen.

5 Wie heimelijk een vriend belastert,
leg ik het zwijgen op,
een trotse blik, een aanmatigend hart
verdraag ik niet.

6 Mijn oog zoekt de getrouwen in het land,
met hen wil ik mijn woning delen.
Wie de volmaakte weg bewandelt,
mag mij dienen.

7 In mijn paleis is geen plaats
voor wie liegt en bedriegt,
wie onwaarheid spreekt
komt mij niet onder ogen.

8 De schuldigen in het land
breng ik elke morgen tot zwijgen,
uit de stad van de HEER verdrijf ik
allen die onrecht begaan.

Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, 2 voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. 3 Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, 4 die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen. (Uit 1 Timoteüs 2)

premier-rutte-2

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Politiek | Plaats een reactie

Het kwaad en de voorzienigheid Gods…

14 Vanaf zijn troon houdt hij het oog op allen die de aarde bewonen.
15 Hij die de harten van allen vormt, hij doorziet al hun daden.
(Uit Psalm 33)

4 Geen woord ligt (nog) op mijn tong, of u, HEER, kent het ten volle.
5 U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij.
6 Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven.
(Uit Psalm 139)

6 Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten mij.
Ik ben de HEER, er is geen ander 7 die het licht vormt en het donker schept,

die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet. 
(Uit Jesaja 46)

29 Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets.
Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil. 
(Jezus woorden zoals opgetekend in Matteüs 10)

De mens heeft door te eten van de boom van kennis van goed en kwaad, God te kennen gegeven dat een positie (nog meer) naast Hem en (nog meer) als gelijk aan Hem begeerd werd. De mens wilde net als God zijn en ook het kwaad kennen. De mens was al gewaarschuwd dat dat ten koste zou gaan van het leven… God heeft deze wens van de mens voorzien en vanaf het begin van de Schepping was alles al opgenomen in Zijn plan(nen) met Zijn Schepping. Zijn wil tot openbaring van Zijn reddende Liefde tot ons door het verlossende werk van Zijn Zoon, onze Heer Jezus Christus was geen onverwachts noodzakelijk geworden oplossing vanwege een onverwachte schaakzet van de mens (1)!

Het belang van het redeneren (en met eigen gedachten en oplossingen komen) over de handelingsvrijheid van de mens (2) valt geheel weg wanneer wij ons oor te luisteren leggen bij Gods Woord en ons – door het werk van Zijn Heilige Geest – laten overtuigen van Zijn almachtige Goedheid en Liefde, zoals Hij die ons geopenbaard heeft en openbaart en openbaren zal in en door Zijn geliefde Zoon, onze Heer (Kurios!) Jezus Christus.

(1) Zie (bijv.) thema-artikel “Commentaar bij J.H. Bavinck” van prof. dr. W.J. Ouweneel in Soφie 6e jaargang nr. 5 – oktober 2016.

(2) Het veronderstellen van een wils/handelingsvrijheid van de mens die op enigerlei wijze “losstaat” van het directe handelen van God is – niet alleen on-Bijbels te noemen, maar – ook rationeel gezien een onzinnigheid. De zogenaamde handelingsvrijheid van de mens los van het Godsplan en Godsbestuur  valt te typeren als wensdenken, wanneer we ons alleen maar realiseren dat God alle condities – waarin en waaronder een mens geboren wordt en leeft (werelddeel, land, volk, religie, ouders, gezondheid, etc., etc.) – toch reeds voor de mens(en) bepaald heeft en voortdurend weer bepaald.

Opgemerkt: In de opvattingen van W.J. Ouweneel is God een God die voortdurend “achter de feiten aanrent” en voortdurend “de zaken – op het schaakbord – moet bijstellen” om alsnog Zijn raadsbesluiten te realiseren. Wanneer we de mens zo’n “vrije wil/handelingsvrijheid” toedichten, dan zou deze zogenaamde wilsvrijheid niet anders gezien kunnen worden als een soort van aan de mens (in zijn brein) geschonken/aangebracht “vrije-nummer-generator”, waarvan God dan niet in staat zou zijn om de uitkomst ervan (van deze door Hem zelfgemaakte generator!) te bepalen en voorspellen…

Geplaatst in Bijbel, Catechismus, Gemeente, Geschiedenis, Huwelijk en gezin, Israël, Politiek | Plaats een reactie

Wat mag(moet!) verwacht worden van een herder en leraar in de gemeente?

1 Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van Christus Jezus, die zal oordelen over de levenden en de doden, ik bezweer je bij zijn komst en heerschappij: 2 Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, straf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist. (Uit 2 Timoteüs 4)

Hoofdtaak en -opdracht (volgens 1 Timoteüs 1)

  • De gemeente richten op de Liefde die voortkomt uit een rein hart, een zuiver geweten en een oprecht geloof door de betrouwbare boodschap te verkondigen die van ieder geloof en volledige instemming verdient:

Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaren te redden. 

  • Bij het vervullen van deze taak dient er sterk op gelet en aan gewerkt te worden dat er geen gelegenheid wordt gegeven om een afwijkende leer aandacht te geven in en/of te verkondigen aan de gemeente.
  • De herder en leraar zal zich toeleggen op:
    • het voorlezen uit de Schrift (in de samenkomsten of in de huizen) en
    • op de prediking (m.n. in de samenkomsten) en
    • op het onderricht (in de huizen en tijdens allerlei gelegenheden tot en vormen van samenkomst van de leden van de gemeente).
    • Hij zal bij dit alles zichzelf voortdurend in acht nemen, door zich blijvend te houden aan de zuivere leer, zodat hijzelf en degenen die naar hem luisteren gered zullen worden.

Andere (belangrijke neven)taken (zie 1 en 2 Timoteüs)
(die mogelijk – deels – ook door anderen gedaan kunnen worden)

  • In de samenkomsten van de gemeente voorgaan in het bidden voor alle mensen, met smeekbeden, voorbeden en dankgebeden. M.n. ook het uitspreken van gebeden voor alle koningen en gezagsdragers (“de mensen die boven en over ons gesteld zijn”), opdat de gemeente en de mensen rustig en ongestoord kunnen leven, in alle vroomheid en waardigheid, want: Dat is goed en welgevallig in de ogen van God, onze Redder, 4 die wil dat alle mensen worden gered en de Waarheid leren kennen. 5 Want er is maar één God, en maar één bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, 6 die zichzelf gegeven heeft als losgeld voor allen, als het getuigenis voor de vastgestelde tijd. (1 Timouteüs 2 : 3-6)
  • Zichzelf en anderen aansporen om het vuur brandende te houden van de door God gegeven gaven.
  • Doorgeven van wat hijzelf gehoord en geleerd heeft aan betrouwbare mensen waarvan hij weet dat deze geschikt zijn om – net als hij – ook anderen te onderwijzen.
  • Regelrecht de Waarheid blijven verkondigen en daarin betrouwbaar te zijn en niet ingaan op mensen die (graag) de aandacht vragen door redetwisten of die komen met zinloos en leeg gezwets over zaken die er helemaal niet toe doen in de gemeente.
  • Geen ruzie maken maar voor iedereen een vriendelijk en verdraagzaam mens zijn, die de tegenstanders met zachtmoedigheid en geduld – met woorden uit Gods Woord! – terechtwijst.

Dit heb ik verkondigd, 9 daarom heb ik veel te verduren en ben ik zelfs als een misdadiger gevangengezet. Maar het woord van God laat zich niet gevangenzetten; 10 daarom verdraag ik alles omwille van de uitverkorenen, opdat ook zij in Christus Jezus gered worden en eeuwige luister ontvangen. (Uit 2 Timoteüs 2)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Hoe (nog) omgaan met het “Sola Scriptura”?

20 Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; 21 want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken. (Uit 2 Petrus 1)

Wij mensen worden geboren en leven in een wereld met een geschiedenis. Willen wij als verantwoordelijke mensen leven dan kunnen wij onze (voor)geschiedenis en die van anderen (mensen, volken, landen, werelddelen) niet negeren. Uit Gods Woord weten we dat God wil, dat wij altijd rekening zullen houden met de geschiedenis die God deze wereld, de mensen, de landen en volken, en m.n. ook die God Zijn kinderen, Gods volk, (de Kerk van alle tijden en plaatsen!) heeft laten doormaken. Uit Gods Woord kunnen we onder de leiding van de Heilige Geest biddend leren over de manier waarop wij dat zullen doen. En natuurlijk zullen we daarbij ook gebruik maken van wat de geschiedenis (wat anderen vóór ons geleerd(2x) hebben) ons “aanreikt”. Ieder mens heeft daarin een eigen plaats en eigen verantwoordelijkheid en (on)mogelijkheden.

De Bijbel onderwijst ons daarin en laat ons zien dat de gelovigen dat ook steeds hebben willen en/of moeten doen. Wanneer we dat niet willen en/of doen, dan leven we “revolutionair”. Als geen ander heeft Groen van Prinsterer (1801-1876) in ons land gewezen op dat verschil tussen “revolutionair denken-en-leven” en hoe evangelie-belijders dat “anti-revolutionair” zullen doen. Hij heeft in tal van geschriften duidelijk gemaakt hoezeer de mensheid hiermee in de loop van de geschiedenis steeds weer “in de fout” is gegaan en gaat. In Europa m.n. door “het denken van de Verlichting”, dat ook geleid heeft tot de Franse Revolutie met al haar destructieve gevolgen in m.n. dat land maar ook op veel andere plaatsen in de wereld.

Wat ook de vroege (bijv. Johannes Hus) en de latere Reformators ons laten zien en (willen) leren, dat is, dat zij naast veel werk maken van lezen en begrijpen van de Bijbel (mee door oude talen te leren, diverse vertalingen te gebruiken of te maken), beslist ook dat wat er vanuit de geschiedenis van de Kerk werd aangereikt (geschiedenis vroege kerk, geschriften kerkvaders, etc.) wilden laten meewegen en een belangrijke rol en inbreng geven bij het verklaren van de Schriftteksten en het opstellen van (min of meer dogmatische) leergeschriften (belijdenisgeschriften, catechismussen, etc.).

Toch betekent voorgaande niet dat daarmee het “Sola Scriptura” praktisch gezien een overbodige en loze kreet is geworden!

Luther’s spreken en optreden in Worms heeft dat op een bijzondere manier duidelijk gemaakt. Tegenover alle opgebouwde traditie van Schriftverklaring en gezagsstructuren van de RK-kerk (ook gebruikt om traditie(s) met machtsmiddelen te handhaven), heeft hij zich willen beroepen op het doorslaggevende van wat de Heilige Schrift (Gods Woord, de Bijbel) zelf ons te zeggen heeft en zoals iemand – in zijn positie en met zijn – genomen! – verantwoordelijkheid – dat onder leiding van de Heilige Geest heeft mogen leren inzien en verstaan en dan ook behoort uit te dragen. Aan dat Bijbelse “goed recht” heeft Luther willen en durven vasthouden en pal voor staan, zelfs ook toen “iedereen, de hele kerk” (toentertijd de RK-kerk, met alle geestelijken die daarin een gezags/machtsfunctie hadden) zich tegen hem keerde. En ook nu nog zullen we diezelfde moed hebben op te brengen wanneer er voor ons een vergelijkbare situatie zou ontstaan.

Opgemerkt: Het is niet toevallig dat dr. Abraham Kuyper (1837-1920) de rol en invloed van de woorden en het belijden van een “eenvoudige, wijze gelovige vrouw” (Pietje Baltus) op hem en op zijn geloofsleven en belijden hebben gehad, nogal nadrukkelijk onder de aandacht heeft willen brengen van zijn tijdgenoten en “volgelingen”.

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Wet en Evangelie

Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet. (Romeinen 3: 28)

Zo hoog de hemel boven de aarde is, zo ver moet ook de wet gescheiden worden van de rechtvaardiging voor God. Als het gaat om de zaak van de rechtvaardiging mag er niets anders geleerd, besproken of gedacht worden dan alleen het woord van genade dat zichtbaar wordt in Christus.

De wet draagt helemaal niets bij aan de gerechtigheid die voor God bestaat, ook niet voor het kleinste deel. Als we de wet goed begrijpen, dan maakt die ons moedeloos en zorgt hij ervoor dat we gaan twijfelen. Als we de wet echter niet goed begrijpen, dan zorgt hij ervoor dat we ons beter voordoen dan we zijn.

Dat is ook het geval met het Evangelie: als we het niet goed begrijpen dan zorgt het ervoor dat we zelfverzekerde, ruwe mensen worden (a). Als we het Evangelie wel goed begrijpen, dan zorgt het ervoor dat we vrome, godzalige mensen worden (zie Efeze 2 : 10).

De christelijke gerechtigheid, die onze bescherming is, niet alleen tegen alle geweld en list van de mensen, maar ook tegen de poorten van de hel (1), is dat we rechtvaardig en zalig worden door het geloof in Christus, zonder toedoen van welk werk dan ook (b).

                                                                                                                                        Maarten Luther

(1) Luther bedoelt: tegen de macht van de boze.
(a) Valt dat in zekere zin niet te zeggen van Luther’s latere woorden over het omgaan met de Joden, dat daaruit blijkt dat hij op dat punt het Evangelie niet goed (meer) begreep.(aanvullend hier opgemerkt door AJ).
(b) Leestip: Lees evt. hierbij ook de webpagina met (en n.a.v.) Psalm 131.

Bron: “Luthers kerntekst – een woord bij de herdenking van de Reformatie”,  Ecclesia nr 22 – oktober 2016  (zie de website)

 Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.
(Efeze 2: 10)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis | Plaats een reactie

Psalm 89 – Gelovig belijden en blijven zien wat niet te zien is

Een Messiaanse Psalm

50 Waar is uw liefde van vroeger, Heer,
hebt u David geen trouw gezworen?
51 Gedenk, Heer, dat uw dienaren worden bespot,
dat ik lijd onder de hoon van vele volken.
52 Uw vijanden, HEER, bespotten mij,
spotten met uw gezalfde, waar hij ook gaat.

53 Geprezen zij de HEER in eeuwigheid.
Amen, amen.

Psalm 89 – 1 Een kunstig lied van de Ezrachiet Etan.

2 Van uw liefde, HEER, wil ik eeuwig zingen,
van uw trouw getuigen, geslacht na geslacht.
3 Ik belijd: uw liefde houdt eeuwig stand,
uw trouw hebt u in de hemel gevestigd.

4 ‘Ik heb met mijn uitverkorene een verbond gesloten,
aan mijn dienaar David gezworen:
5 Uw dynastie zal ik voor eeuwig vestigen,
uw troon in stand houden, geslacht na geslacht.’ sela

6 HEER, laat de hemel dit wonder prijzen,
laat de kring van hemelingen u loven om uw trouw.
7 Want wie daar boven kan de HEER evenaren,
wie van de goden zich meten met de HEER,
8 met God, zeer geducht in de raad van de hemelingen,
gevreesd bij allen die hem omringen?

9 HEER, God van de hemelse machten,
HEER, wie is zo sterk als u?
Trouw omhult u als een mantel.
10 U heerst over de hoog rijzende zee –
verheffen zich haar golven, u brengt ze tot rust.
11 U hebt Rahab verpletterd en doorboord,
met krachtige arm uw vijanden verstrooid.

12 Van u is de hemel, van u ook de aarde,
de wereld met alles wat er leeft, hebt u gegrond,
13 het noorden, het zuiden, u hebt ze geschapen,
Tabor en Hermon bejubelen uw naam.

14 Uw arm verricht heldendaden,
krachtig is uw hand, geheven uw rechterarm,
15 uw troon rust op recht en gerechtigheid,
liefde en waarheid staan in uw dienst.

16 Gelukkig het volk dat van uw roem getuigt
en leeft, HEER, in het licht van uw gelaat.
17 Juichend roepen zij uw naam, dag aan dag,
door uw gerechtigheid richten zij zich op.

18 U bent de glans van onze kracht,
door uw gunst verhoogt u ons aanzien.
19 Aan de HEER danken wij ons schild,
aan de Heilige van Israël onze koning.

20 Ooit hebt u in een visioen gesproken
tot uw getrouwen en gezegd:
‘Ik heb hulp geboden aan een held,
een jongen uit het volk verheven.
21 In David vond ik een dienaar,
ik zalfde hem met heilige olie.

22 Mijn hand geeft hem steun,
mijn arm maakt hem sterk,
23 geen vijand zal hem overvleugelen,
geen boosdoener hem bedwingen,
24 zijn belagers zal ik voor zijn ogen verslaan,
zijn haters vermorzelen.

25 Mijn trouw en mijn liefde vergezellen hem,
door mijn naam zal hij in aanzien stijgen.
26 Zijn linkerhand leg ik op de zee,
zijn rechterhand op de rivier.

27 Hij zal tot mij roepen: “U bent mijn vader,
mijn God, de rots die mij redt!”
28 Ik maak hem tot mijn eerstgeborene,
tot de hoogste van de koningen der aarde.

29 Mijn liefde zal hem altijd beschermen,
hecht is mijn verbond met hem.
30 Zijn dynastie houd ik voor altijd in stand,
zijn troon zolang de hemel duurt.

31 Als zijn zonen zich afkeren van mijn wet,
niet leven naar mijn voorschriften,
32 mijn wetten schenden,
mijn bevelen niet opvolgen,
33 dan zal ik hen tuchtigen voor hun misdaden,
hun zonden bestraffen met slagen.

34 Maar mijn liefde zal ik hem niet afnemen,
mijn trouw aan hem niet breken,
35 ik zal mijn verbond niet schenden,
mijn woorden niet herroepen.
36 Eens heb ik dat bij mijn heiligheid gezworen,
nooit breek ik mijn woord aan David.

37 Zijn dynastie zal altijd voortleven,
zijn troon voor mij staan als de zon,
38 als de maan die standhoudt voor eeuwig,
trouwe getuige aan de hemel.’ sela

39 Toch hebt u hem verstoten en verworpen,
uw toorn over uw gezalfde uitgestort,
40 het verbond met uw dienaar versmaad,
zijn kroon vertrapt en ontwijd.

41 U hebt de wallen van zijn stad gesloopt,
al zijn vestingen afgebroken,
42 voorbijgangers beroofden hem,
naburige volken bespotten hem.

43 U gaf zijn tegenstanders de overhand,
zijn vijanden verheugden zich,
44 u beroofde zijn zwaard van zijn scherpte,
u hield hem niet staande in de strijd.

45 U hebt zijn glans gedoofd,
zijn troon omver geworpen,
46 de dagen van zijn jeugd verkort,
hem met schande overdekt. sela

47 Hoe lang nog, HEER? Bent u voor altijd verborgen,
blijft het vuur van uw woede branden?
48 Gedenk mij en mijn vluchtig bestaan,
de nietige mens, door u geschapen.
49 Leeft er iemand die de dood niet zal zien,
die ontkomt aan de greep van het dodenrijk? sela

50 Waar is uw liefde van vroeger, Heer,
hebt u David geen trouw gezworen?
51 Gedenk, Heer, dat uw dienaren worden bespot,
dat ik lijd onder de hoon van vele volken.
52 Uw vijanden, HEER, bespotten mij,
spotten met uw gezalfde, waar hij ook gaat.

53 Geprezen zij de HEER in eeuwigheid.
Amen, amen.

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Geloven en bidden moeilijk? Het is echt alleen maar kinderlijk eenvoudig!

17 Voorwaar, Ik zeg u: Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan. (Uit Lucas 18)

Belijdt u regelmatig of misschien zelfs elke zondag met uw broeders en zusters de twaalf artikelen, die beginnen met “Wij geloven in God de Vader, de Almachtige…” en alles wat daarna nog volgt van deze oude geloofsbelijdenis?
Dan zijn en worden u de woorden van het geloof (weer) in de mond gelegd en ons hart hoeft daar alleen maar gelovig “ja en amen” op te zeggen. Of kunt of doet u dat (eigenlijk al) niet?
Maar wanneer u die woorden hoort en/of ook uitspreekt (en liefst hartelijk gelovig beaamt), dan weet u en erkent u, dat U een almachtige Vader in de hemel hebt, Die Zijn Liefde ons ten volle geopenbaard heeft in Zijn Zoon Jezus Christus.
U weet en erkent dan ook dat onze God en Vader, ons (en u dus ook) om Christus’ wil in Liefde aanziet als Zijn eigen kind(eren) en dat Hij veel beter dan een aardse vader of moeder, u van al het goede wat nodig is zal voorzien en al het kwaad dat u overkomt “ons/u genadig ten beste keren zal”.

Dat “weten”, dat behoort steeds weer ook te leiden tot een (kinderlijk!(1)) gelovig aanvaarden van de Waarheid, die ons in en met deze woorden verkondigd is en wordt.  En dan weten we ook dat we niets van onszelf hebben te verwachten (juist ook waar het de kracht tot geloof betreft), maar dat we alles van onze Drie-enige God mogen en hebben te verwachten. En vanwege het besef van onze afhankelijkheid zullen wij mensen dagelijks luisteren naar en bidden tot onze God en Vader in de Naam van Jezus Christus door de kracht van de Heilige Geest.

Leerde u als kind al het Onze Vader bidden? Elke dag weer mag en kunt u dit volmaakte gebed dat de Here Jezus ons leerde bidden. Dan hebt u echt alles gebeden wat nodig is (voor u zelf én anderen) voor die betreffende dag of het betreffende dagdeel (wanneer u het vaker bidt op een dag). En dat gebed mogen wij dan (liefst en best) ook nog (leren) aanvullen met ons dagelijks zuchten, onze schietgebeden en ook onze uitgesproken eigen gebeden…

(1) Kinderlijk geloven is de zekerheid (aanvaarden) van de dingen die we niet zien, maar die ons betrouwbaar overgeleverd zijn en worden. Zoals kinderen ook heel veel dingen van hun vader en moeder in kinderlijk vertrouwen “moeten” aannemen, zonder dat ze “het zelf hebben gezien of zelf kunnen controleren”. En wat luisteren kinderen graag en aanvaarden ze vol vertrouwen wat hun gezegd wordt, juist en vooral ook in moeilijke omstandigheden…

Opgemerkt: Misschien kunnen/moeten we van geloven ook zeggen: Het is voor ons mensen niet alleen kinderlijk, maar ook “hinderlijk eenvoudig”, het (eerst weer) moeten worden als een kind (lees Psalm 131!), dat ligt ons van nature niet, dat kost strijd!

2 Van uw liefde, HEER, wil ik eeuwig zingen,
van uw trouw getuigen, geslacht na geslacht.
3 Ik belijd: Uw liefde houdt eeuwig stand,
Uw trouw hebt U in de hemel gevestigd.
(…)
16 Gelukkig het volk dat van uw roem getuigt
en leeft, HEER, in het licht van uw gelaat.
17 Juichend roepen zij uw naam, dag aan dag,
door Uw gerechtigheid richten zij zich op.

(Uit Psalm 89 – lees deze Messiaanse Psalm in z’n geheel!)

Geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin | Plaats een reactie