De Naam van onze God… (III)

13 Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israëlieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen: “Wat is de naam van die God?” Wat moet ik dan zeggen?’ 14 Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN  heeft mij naar u toe gestuurd.”’ 15 Ook zei hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: “De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En hij heeft gezegd: ‘Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.’” (Uit Exodus 3)

Nu volgt Exodus 3 : 14b en hier komt het zuchtende volk Israël in Egypte ter sprake. We vertalen: „Ook zei Hij nog: Aldus zult ge tot de kinderen Israels spreken: ,,’Ehjeh heeft me tot u gezonden”. Natuurlijk vraagt de lezer hier onmiddellijk naar de bedoeling van dat Hebreeuwse woord ,,’Ehjeh”.

Ditzelfde Hebreeuwse woord hebben we ook al in vers 12 ontmoet. „Toen zei Hij (namelijk de HEERE): Heus, ‘k zal met u zijn”. Het ligt natuurlijk voor de hand aan ditzelfde woord (‘Ehjeh: ‘k zal zijn) thans, in 14b, dezelfde betekenis toe te kennen, die het had in vers 12 en dús te vertalen: ‘k Zal (met u) zijn heeft me tot u gezonden.

We herinneren ons trouwens ditzelfde woord even later nóg eens weer te hebben ontmoet, namelijk zo even, in 14a. Dat was dus wel héél kort geleden en aangezien het spreken van de HEEREN in 14b voelbaar op dat van 14a terugsloeg, ligt het nú wel helemaal voor de hand aan het woord ,,’Ehjeh” in 14b niet de algemenere betekenis te geven van zijn („Ik zal zijn”), maar de nádere en speciale betekenis van: ‘k zal met u zijn. Ik zal u tonen wat Ik kan. We vertalen het tweede antwoord Gods aan Mozes derhalve als volgt, 14b: „Ook zei Hij nog: Aldus zult ge tot de kinderen Israels spreken: Ik zal met u zijn heeft me tot u gezonden”.
De bedoeling hiervan is duidelijk.
In het Nederlands zijn dat drie woorden: „Ik zal zijn”. Maar in het Hebreeuws staat hiervoor maar één woord: „’Ehjeh”. Vandaar dat de HEERE dit éne woord zo gemakkelijk gebruiken kon bij wijze van een naam, zinspelend op het vlak tevoren gezegde. Natuurlijk slechts bij wijze van. En voor een ogenblik. Voor een keer. Want nadien is het woord „’Ehjeh” in de Schrift nooit meer als Godsnaam gebezigd, noch door Israël voor God, noch door God voor Zichzelf.
De bedoeling van de twee eerste antwoorden zouden we dus als volgt willen samenvatten. De HEERE ging niet alleen op Mozes’ persoonlijke bezwaar in, maar ook op het bezwaar, dat Mozes bij het zuchtend Israël aanwezig veronderstelde. De Israëlieten zullen mij vragen: Waar blijft dan de kracht van die God van onze vaderen? Maar God antwoordde: Zeg dan maar tegen hen, dat je gezonden bent door Hem, die zei: Ik zal zeker (met u) zijn. Ik zal u tonen wat Ik kan. (…)

Bron: De Voorzeide Leer, Inleiding Genesis Exodus, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

Zie ook:
De Naam van onze God… (IV)
De Naam van onze God…(II)
De Naam van onze God… (I)

Ik zal er zijn  (Sela, YouTube)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

De Naam van onze God… (II)

11 Mozes zei echter tegen God: Wie ben ik, dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? 12 En Hij zei: Voorzeker, Ik zal met u zijn, en dit zal voor u het teken zijn dat Ik u gezonden heb: Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg. 13 En Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen: Wat is Zijn Naam? Wat moet ik dan tegen hen zeggen? (Uit Exodus 3)

Gods eerste antwoord, bestemd voor Mozes, luidde aldus: ,,Ik zal zeker (met u) zijn”. Of: „Ik zal Mij stellig (bij u) aanwezig betonen”. Op een van déze manieren kan men het antwoord Gods van Exodus 3 : 14a namelijk het best vertalen.
De Staten Vertaling had: ,,Ik zal zijn, die Ik zijn zal”, de NBG heeft: „Ik ben, die Ik ben”. Laten we evenwel nuchter constateren, dat dit geen Nederlands is, waar een gewoon mens iets van begrijpt.

Door geen van deze beide vertalingen wordt Gods bedoeling duidelijk weergegeven. Terwijl de HEERE hier toch maar gewoon teruggekomen is op Zijn toezegging aan Mozes van zo even (Exodus 3 : 12): „Ik zal met u zijn.” Hij heeft zich daarbij evenwel bediend van tweeërlei opmerkelijkheden. Ten eerste sprak Hij: ,,’k Zal.” Onwillekeurig denken we hierbij aan de volgende spreekwijze in het Engels. Iemand vraagt: „Will you be with us?” (Zult U met ons zijn?). Het antwoord luidt: „Yes, I will” (Ja, dat zal ik). En vervolgens heeft God Zich bediend van een wijze van spreken, waarbij tweemaal een vorm van hetzelfde werkwoord wordt gebezigd, gescheiden door het betrekkelijk voornaamwoord. Deze spreekmanier nu is bekend. Zij drukt met bijzondere intensiteit uit, dat hetgeen door het werkwoord wordt aangeduid, beslist geschiedt (gebeuren zal). In zulke gevallen zouden wij dus woorden als „stellig” of „zeker” gebruiken. Waar bijv. de NBG in Exodus 33 : 19, de Hebreeuwse woorden alweer “mannetje voor mannetje” vertalende, heeft: „Ik zal genadig zijn, wien Ik genadig ben, en Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontferm”, is de bedoeling van de Here beter op deze manier weer te geven: „Ik zal zéker genadig zijn en Mij zéker ontfermen”. (1)

Op het persoonlijk bezwaar van Mozes – want dat was het – dat er van Gods kracht in de laatste tijd weinig of niets was gebleken, heeft de HEERE dus geantwoord, dat Hij Zijn kracht nú dan eens terdege tonen zou. Dit was Exodus 3 : 14a. ‘k Zal zéker met u zijn, Mozes.

Bron: De Voorzeide Leer, Inleiding Genesis Exodus, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

(1) Ook weer heerlijke royale genadevolle woorden gesproken door JHWH, toen Hij wat van Zichzelf wilde laten zien op verzoek van Mozes (zie Exodus 33).

Zie ook:
De Naam van onze God… (III)
De Naam van onze God… (IV)
De Naam van onze God… (I)

Ik zal er zijn  (Sela, Youtube)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

De Naam van onze God… (I)

13 En Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen: Wat is Zijn Naam? Wat moet ik dan tegen hen zeggen? (Uit Exodus 3)

(…) Wanneer we nu aan zulke toch feitelijk niet aan de Schrift ontleende gezegden over God als het „oneindige Zijn” en de „absoluut Zijnde” in dr. Bähr’s (1) werk voorbijzien, maar letten op de hoogst nauwgezette studie, welke dezelfde auteur gemaakt heeft van het onderwijs van JHWH over Zichzelf, dat de HEERE, door middel van de schaduwachtige eredienst aan Israël gegeven heeft, moeten we erkennen, dat hier een Schriftgeleerde aan het werk en aan het woord was, „zoals een heer des huizes, die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn brengt”. Volgens Bähr hebben tabernakel en toebehoren geen ding met groter nadruk gepredikt dan dit: Gods aversie van de dood en Zijn welbehagen in het leven!  (…)

We hadden van prof. Holwerda (2) iets geleerd omtrent de betekenis van de naam JHWH of HEERE en van Bähr iets omtrent de strekking van de schaduwachtige eredienst. Maar kwam het één niet op hetzelfde neer als het ander? En was dit niet uit te breiden tot de hele “Wet van Mozes”? Spreekt zij niet in haar geheel over de HEERE als die God, die zelf de Levende is, die een hartgrondige afkeer heeft van onze dood en een innige liefde voor ons leven en die aan Zijn volk het leven gaf? Al is het een andere vraag, of deze waarheid wel steeds die aandacht van ons ontving, welke zij verdiende.

(…) Maar ligt de toepassing van die waarheid eigenlijk niet overál voor de hand? Wat heeft God eigenlijk ooit anders gedaan dan Zijn grote liefde tonen voor het leven en heel bepaald voor ons mensenleven?

Hij schonk het bij de schepping (Genesis 1) en beveiligde het reeds in de hof door onze eerste ouders te waarschuwen voor de dood. (…) Wat anders dan Gods belofte des levens heeft Adam geïnspireerd tot de naamgeving van Eva: Chaajjaah, Eva, Dzooè, Leven?
God waarschuwde Kaïn tegen de gedachte-nog-maar aan doodslag. Met welk een bedroefd hart besloot Hij tot de zondvloedstraf! Hoe redde Hij Abraham opnieuw van een dood door verdrinking, nu in een poel van heidendom; en Hij betoonde Zich de God, die macht heeft om de “verstorvenen” levend te maken en die lust heeft ze door nieuw leven op te wekken tot lachen door de geboorte van Izaäk.

Maar Abrahams nakomelingen hebben de verlossing uit Egypte meegemaakt. Dat was het nec plus ultra. Onovertroffen! Van toen af heeft God bij Israël JHWH willen heten. Die leven doet. We kunnen de les van deze historie niet gemakkelijk overschatten. Zij ligt aan het onderwijs van de hele heilige Schrift ten grondslag. Zelfs aan dat van het boek Genesis, hoe vreemd het even klinken moge.

“De wet van Mozes” (3) is vol Evangelie! (…) Wij wensen voor niemand onder te doen in eerbied voor het Nieuwe testament, maar het vormt slechts een deel, een vierde deel, van de hele Heilige Schrift. En het rust op “Mozes, de Profeten en de Psalmen”. (…)

(1) Dr. K.C.W.F. Bähr (1801-1874), Evangelisch theoloog uit Duitsland.
(2) Prof. B. Holwerda (1901-1952), Hoogleraar in de oudtestamentische vakken aan de Theologische Hogeschool Kampen (Broederweg)
(3) Bijbelboeken Genesis t/m Deuteronomium.

Bron: Inleiding Genesis Exodus, De Voorzeide Leer, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

26 Gezegend wie komt met de naam van de HEER.
Wij zegenen u vanuit het huis van de HEER.
27 De HEER is God, hij heeft ons licht gebracht.
Vier feest en ga met groene twijgen
tot aan de horens van het altaar.
28 U bent mijn God, u zal ik loven,
hoog zal ik u prijzen, mijn God.
29 Loof de HEER, want hij is goed,
eeuwig duurt zijn trouw.
(Uit Psalm 118)

Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.
(Hebreeën 13 : 8)

Zie ook:
De Naam van onze God… (II)
De Naam van onze God… (III)
De Naam van onze God… (IV)

 

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Strijden tegen saaiheid, slaperigheid en vermoeidheid

20 Maar voor jullie die ontzag voor mijn Naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt.  (Uit Maleachi 3)

(…) 4 Trouwelozen! Beseft u dan niet dat vriendschap met de wereld vijandschap jegens God betekent? Wie bevriend wil zijn met de wereld, maakt zich tot vijand van God. 5 Denk toch niet dat dit loze woorden zijn in de Schrift: ‘Hij die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op; 6 maar de genade die hij schenkt is nog groter.’ Daarom staat er: ‘God keert zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt hij zijn genade.’ 7 Onderwerp u dus aan God, en verzet u tegen de duivel, dan zal die van u wegvluchten. 8 Nader tot God, dan zal hij tot u naderen. Reinig uw handen, zondaars; zuiver uw hart, weifelaars. 9 Weeklaag, wees treurig en laat uw tranen vloeien. Laat uw lachen veranderen in droefheid en uw vreugde in somberheid. 10 Verneder u voor de Heer, dan zal Hij u verheffen. (1)
(Uit Jakobus 4)

147 Nog voor het morgenlicht roep ik om hulp, in uw woord stel ik mijn hoop.
148 In de uren van de nacht houd ik mijn ogen geopend en overdenk ik uw woord.
(Uit Psalm 119)

19 En wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart. (2,3) (Uit 2 Petrus 1)

71 Het was goed voor mij dat ik vernederd werd, zo leerde ik uw wetten kennen.
72 Goed voor mij is de wet uit uw mond, beter dan een schat aan goud en zilver.
(Uit Psalm 119)

3 Vestigt uw aandacht dan op Hem (Jezus!), die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat jullie niet door matheid van ziel verslappen.
4 Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde, 5 en gij hebt de vermaning vergeten, die tot jullie als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, 6 want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt
.
(Uit Hebreeën 12)

42 Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt. 43 Besef wel: als de heer des huizes had geweten in welk deel van de nacht de dief zou komen, dan zou hij wakker gebleven zijn en niet in zijn huis hebben laten inbreken. 44 Daarom moeten ook jullie klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht. (Uit Matteüs 24)

10 En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij. 11 Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd. (…)
16 Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om ulieden dit te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster.

17 En de Geest en de bruid zeggen: Kom!
En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, komt,
en wie wil, neme het water des levens om niet.

(Uit Openbaringen 22)

(1) 21 U hebt toch over hem gehoord, u hebt toch onderricht over hem gekregen? Door Jezus wordt duidelijk 22 dat u uw vroegere levenswandel moet opgeven en de oude mens, die te gronde gaat aan bedrieglijke begeerten, moet afleggen, 23 dat uw geest en uw denken voortdurend vernieuwd moeten worden 24 en dat u de nieuwe mens moet aantrekken, die naar Gods wil geschapen is in waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid.(Uit Efeziërs 4)
(2) Die donkere plaats is blijkbaar ons hart (zie Matteüs 15 : 18-20), waar het licht van het Woord in wil schijnen, tot ook de meest duistere plaatsen daarvan verlicht worden door het opgaan van de blinkende morgenster (de “Zon der gerechtigheid”, Maleachi 3 :20).
(3) Ieder zal de strijd – om volle aandacht te geven aan het Woord tot het aanbreken van de dag en het opgaan van de morgenster in eigen hart – in zijn of haar leven te voeren hebben.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Strijden tegen gevoelens van saaiheid, slaperigheid en vermoeidheid!

20 Maar voor jullie die ontzag voor mijn Naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt.  (Uit Maleachi 3)

(…) 4 Trouwelozen! Beseft u dan niet dat vriendschap met de wereld vijandschap jegens God betekent? Wie bevriend wil zijn met de wereld, maakt zich tot vijand van God. 5 Denk toch niet dat dit loze woorden zijn in de Schrift: ‘Hij die ons het leven gaf, maakt er vurig aanspraak op; 6 maar de genade die hij schenkt is nog groter.’ Daarom staat er: ‘God keert zich tegen hoogmoedigen, maar aan nederigen schenkt hij zijn genade.’ 7 Onderwerp u dus aan God, en verzet u tegen de duivel, dan zal die van u wegvluchten. 8 Nader tot God, dan zal hij tot u naderen. Reinig uw handen, zondaars; zuiver uw hart, weifelaars. 9 Weeklaag, wees treurig en laat uw tranen vloeien. Laat uw lachen veranderen in droefheid en uw vreugde in somberheid. 10 Verneder u voor de Heer, dan zal Hij u verheffen. (1)
(Uit Jakobus 4)

147 Nog voor het morgenlicht roep ik om hulp, in uw woord stel ik mijn hoop.
148 In de uren van de nacht houd ik mijn ogen geopend en overdenk ik uw woord.
(Uit Psalm 119)

19 En wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart. (2,3) (Uit 2 Petrus 1)

71 Het was goed voor mij dat ik vernederd werd, zo leerde ik uw wetten kennen.
72 Goed voor mij is de wet uit uw mond, beter dan een schat aan goud en zilver.
(Uit Psalm 119)

3 Vestigt uw aandacht dan op Hem (Jezus!), die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat jullie niet door matheid van ziel verslappen.
4 Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde, 5 en gij hebt de vermaning vergeten, die tot jullie als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, 6 want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt
.
(Uit Hebreeën 12)

42 Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt. 43 Besef wel: als de heer des huizes had geweten in welk deel van de nacht de dief zou komen, dan zou hij wakker gebleven zijn en niet in zijn huis hebben laten inbreken. 44 Daarom moeten ook jullie klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht. (Uit Matteüs 24)

10 En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij. 11 Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd. (…)
16 Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om ulieden dit te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster.

17 En de Geest en de bruid zeggen: Kom!
En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, komt,
en wie wil, neme het water des levens om niet.

(Uit Openbaringen 22)

(1) 21 U hebt toch over hem gehoord, u hebt toch onderricht over hem gekregen? Door Jezus wordt duidelijk 22 dat u uw vroegere levenswandel moet opgeven en de oude mens, die te gronde gaat aan bedrieglijke begeerten, moet afleggen, 23 dat uw geest en uw denken voortdurend vernieuwd moeten worden 24 en dat u de nieuwe mens moet aantrekken, die naar Gods wil geschapen is in waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid.(Uit Efeziërs 4)
(2) Die donkere plaats is blijkbaar ons hart (zie Matteüs 15 : 18-20), waar het licht van het Woord in wil schijnen, tot ook de meest duistere plaatsen daarvan verlicht worden door het opgaan van de blinkende morgenster (de “Zon der gerechtigheid”, Maleachi 3 :20).
(3) Ieder zal deze de strijd – om volle aandacht te geven aan het Woord tot het aanbreken van de dag en het opgaan van de morgenster in eigen hart – in zijn of haar leven te voeren hebben.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Ons oordelen over en omgaan met Gods Woord…

Niemand, die een bijbel ter hand neemt, verbeelde zich, dat hij de eerste is, die dit doet. Een lange reeks van geslachten is ons hierin voorgegaan. Ja, zoals oudtijds bij brand de blusemmer van hand tot hand werd doorgegeven, zo reikten die geslachten ons a.h.w. onze bijbel aan. De aanwezigheid van de bijbel in deze Wereld is een eeuwenoud onloochenbaar feit. Van die bijbel is eerst deel voor deel ontstaan, op zichzelf klaarblijkelijk al een proces van eeuwen. Daarna zijn die verschillende delen, brieven en boeken, gerangschikt en gebundeld. Vervolgens zijn ze overgeschreven en nog eens overgeschreven. Voorts vertaald en nog eens vertaald. Eindelijk gedrukt, al duurde het toen nog een hele tijd alvorens wij over een keur van bijbels beschikten zoals die ons heden ten dage ter beschikking staan.

Dat boek, die bijbel, welke wij allen, naar ik hoop, dagelijks ter hand nemen, is waarlijk niet op een goede dag kant en klaar uit de lucht komen vallen. Via ontelbare handen, die er allemaal wat mee hebben gedaan, nemen wij hem heden in ontvangst. Interessante lectuur bestaat hierover. Men denke slechts aan de in de woestijn van Judea gevonden zeer oude handschriften van Jesaja en Habakuk.

Maar nog veel interessanter is de vraag, hoe al die voorgaande geslachten de bijbel nu hebben gezien. Welke waarde en betekenis zij aan hem hebben toegekend. Zou het oordeel van de groten onder hen ons onverschillig kunnen laten? Hoe dacht Augustinus over de bijbel, hoe Thomas Aquino, hoe Luther en Calvijn?

Maar hoe belangwekkend moet dán de vraag niet voor ons zijn, welke mening Christus en Zijn apostelen over de bijbel hebben gehad. Vergeleken bij hun oordeel verdwijnt dat van de grootsten en meest edele mensen onder onze voorgeslachten volkomen in het niet.

Voor de stem van Jezus Christus en Zijn eerste volgelingen zwijgt ieder eerbiedig stil en luistert. (…)

Bron: Inleiding Genesis Exodus, De Voorzeide Leer, deel 1a, door ds, C. Vonk (Buijten&Schipperheijn, Amsterdam, 1991)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Wie gevonden en geroepen werden…

Die krijgen de opdracht om God (ernstig) te zoeken!

Alle discipelen en de apostel Paulus werden eerst gevonden door onze Heer Jezus Christus en door Hem geroepen om in Zijn gevolg te komen (als discipelen) en later aangesteld om als Zijn getuigen (apostelen) aan “heel de wereld” (1) het Evangelie te verkondigen.

Overal en steeds maar weer lezen we in Gods Woord, dat mensen eerst door God gevonden en geroepen worden en dan te horen krijgen dat het Zijn wil is dat ze Hem ernstig zullen zoeken. Of het nu om Adam of Kaïn gaat, of dat het Abraham, Saul of David betreft, of de discipelen en Paulus, of de Korintiërs, een Lydia en een cipier te Filippi, we zien dat God hen eerst heeft opgezocht en gevonden en pas daarna horen deze mensen van de opdracht om God ernstig te zoeken in en met hun leven(sstijl). En besneden of gedoopte kinderen van Gods volk zijn (reeds!) gevonden en geroepen kinderen. En dat “ernstig zoeken”, daarmee wordt bedoelt een opmerkzaam acht geven, een heel goed luisteren naar wat God ons te zeggen heeft, een goed luisteren dus naar Gods Woord, de Bijbel, opdat we ons leven daarnaar richten en daarop inrichten! (2)

De Bijbelse opdracht om de Here te zoeken geeft ons beslist geen reden om (eerst) het wijde leven in te gaan en om daar op zoek te gaan naar de God die ons zoekt. Geen alibi om eerst eens het (wereldse) leven en/of allerlei kerken en religies van alle kanten te onderzoeken in de hoop daar(in) dan God te vinden of door Hem gevonden te worden. Het geeft ons ook geen ruimte om experimenten uit te voeren met en op en in de samenkomsten van de gemeente van onze Heer Jezus Christus. Het is eerbiedig bidden om “doorboorde oren” (Psalm 40) en onze oren steeds weer open zetten om Zijn stem te vernemen uit het Woord dat levend en krachtig is, omdat daarin en daarmee Christus zelf tot ons komt “in het gewaad van het Woord” (3). En heel de Bijbel door wordt Gods volk ook steeds weer gemaand om te staan in een geloofstraditie. Daarom worden we ook opgeroepen om de samenkomsten van de gemeente – waar Gods Woord verkondigd en onderwezen wordt – niet te (gaan) verzuimen. Heel duidelijk wordt dat de gemeenten (en ons) ook – “tot op het laatst nog” – voorgehouden in het boek Openbaringen.

***

(1) Het is belangrijk te beseffen dat de opdracht om Jezus getuigen te zijn en om het evangelie “aan heel de wereld” te verkondigen, alleen een opdracht geweest is voor de door Jezus zelf aangewezen discipelen (en later nog de apostel Paulus). Na hun dood was die opdracht ook daadwerkelijk vervuld. Zij hebben met hun getuigenis (verkondiging) en wonderen en tekenen en het op schrift stellen van Jezus woorden en daden, die opdracht vervult en afgerond. Alle gelovigen na hen hebben het apostolisch getuigenis (=door de apostelen aan heel de wereld afgegeven getuigenis dat Jezus de Messias der Schriften is) “slechts” met eigen daden voor te leven en met verwijzing naar Gods Woord, dat (voor hen) “zeer vast is” (2 Petrus 1 : 19) rekenschap af te leggen van de hoop die in hen is, aan de mensen waartussen zij leven (als broeders en zusters, als medeburgers en sommigen ook als zendeling of evangelist).
(2) 1 Samuel 15 : 22-23, Prediker 4 : 17, Hebreeën 11: 6.
(3) Zie Hebreeën 4 : 12 en uitspraak van Maarten Luther.

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij. (Openbaringen 3 : 20)

Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Zie evt. ook: Woorden over voorgangers en verkonding (Maarten Luther).

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Geen andere Naam…

3 Want dat  (1) is goed en welgevallig in de ogen van God, onze Redder,
4 Die wil dat alle mensen behouden worden en tot erkenning van de Waarheid komen.
5 Want er is één God en ook één Middelaar tussen God en mensen,
de mens Christus Jezus, 6 die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen;
(Uit 1 Timoteüs 2)

Deze is Mijn geliefde Zoon (3)

Op 6 januari 1526 preekte Luther over de doop van onze Heere Jezus Christus in de Jordaan uit Mattheus 3:13-17. In de twee voorgaande citaten is al wat meer weergegeven van wat Luther over vers 17 gezegd heeft. Hierbij het laatste citaat over deze tekst:

‘En zie, een stem uit de hemel zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik een welbehagen heb´ (Mattheus 3:17, weergave DB 1545)

(…) U ziet nu wel dat deze woorden geloofd moeten worden, en dat de wet hier niet helpt, geen werken het doen en geen verdienste geldt. Dat is ook de reden waarom deze voortreffelijke woorden voor het verstand verborgen en onverstaanbaar blijven, want het verstand is van de duivel bezeten vanaf het begin van de wereld. In het paradijs wilde het verstand [of: de mens] al God worden en greep naar de eer die God hier alleen aan Christus toekent. Het verstand houdt altijd vol Gods zoon te zijn, en strijd tegen deze woorden – en andersom strijden deze woorden weer tegen het verstand. Want omdat alleen Christus hier als Gods Zoon wordt verheerlijkt, wordt verder alles wat zichzelf tot God wil maken, op een ontzagwekkende manier neergeworpen.

Wie zijn het dan die zichzelf tot God willen maken? De duivel en de mensen die een welgevallen hebben aan zichzelf – zij die alleen zichzelf bedoelen en liefhebben. Ze vragen ook helemaal niet naar God: ze streven er juist naar om zelf als God te zijn. Wat zal God dan tegen deze mensen zeggen? Zonder twijfel het tegenovergestelde van wat Hij over Christus zegt. ‘Christus is mijn lieve Zoon Die Mij welgevallig is, omdat Hij Zichzelf niet verheerlijkt en tot God maakt – en dat terwijl Hij wél waarachtig God is!’ (vgl. Filippenzen 2:6 vv). ‘Jullie echter zijn booswichten die Mij niét welgevallig zijn, omdat jullie jezelf verheerlijken en tot God maken, terwijl jullie maar schepselen en mensen zijn en geen God.’

Op deze manier vernedert deze tekst de hele wereld en ontneemt ‘de godheid’ aan alle mensen en geeft die aan Christus. Dit alles doet God om ons bestwil: tenminste als wij deze woorden willen geloven – als we deze woorden niet geloven, maar die verachten, dan zijn deze woorden tot onze verdoemenis. Om het nog een keer in het kort te zeggen: ‘Buiten Christus heeft God aan niemand een welgevallen en is er niemand die zich een lieve zoon [of: kind] van God mag noemen – buiten Christus zijn we onder de toorn van God en beroven wij God van Zijn eer. (2)

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1526, (Eyn sermon von der tauff Christi, aus dem dritten capittel Matthei, an dem tag der heyligen drey koning tag), vgl WA 20, 230, 20 – 231, 6

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden. Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

(1) Ons bidden in de samenkomsten van de gemeente voor de overheden (degenen die “over ons gesteld zijn”).
(2) De apostel Petrus in Handelingen 4 : 12: ” Door niemand anders kunnen wij worden gered, want zijn Naam is de enige op aarde die de mens Redding biedt.’”

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Geschiedenis, Israël | Plaats een reactie

Amazing Grace (II)

Het heil voor alle volken…

29 Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde!
Je koning is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege.
Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin.
10 Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen en de paarden uit Jeruzalem;
de bogen worden gebroken. Hij zal vrede stichten tussen de volken.
Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee,
van de Rivier tot de einden der aarde.
(Uit Zacharia 9 : 9-10)

‘En zie, een stem uit de hemel zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik een welbehagen heb´ (Mattheus 3:17, weergave DB 1545)

Deze is Mijn geliefde Zoon (2)

Voorafgaand aan ons citaat hieronder zegt Luther dat de woorden die de Vader uit de hemel spreekt: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik een welbehagen heb´, niet voor Christus, maar voor ons gesproken zijn. Daarbij haalt Luther de tekst uit Johannes 12 vers 30 aan: ‘Niet om Mij is deze stem geschied, maar om u.’ Verder dat alles wat Christus gedaan heeft niet voor Hemzelf, maar voor ons gedaan is. Aan het einde van de preek zegt Luther dat hierbij het geloof nodig is, en dat bij al deze dingen geen wet helpt, geen werk het doet en geen verdienste geldt enzovoort.

Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik een welbehagen heb´
(Mattheus 3:17, weergave DB 1545)

.(…) “Wat doet dit woord? Let op en luister goed! Het leert ons Christus kennen. In deze kennis alleen ligt onze hele zaligheid – zoals Jesaja, Paulus en Petrus prediken. Hoe leert ons dit [woord] Hem kennen? Op deze manier: dat Hij Gods Zoon is en dat God een welbehagen in Hem heeft. Met deze woorden vervult God alle harten in de wereld met lachen en vreugde en doordringt alle schepselen met enkel Goddelijke zoetheid en troost.

Waarom dan? Wel, wanneer ik dit weet en daarvan zeker ben: dat de Mens Christus Gods Zoon is en [voor God] welbehaaglijk is – wat duidelijk blijkt uit de woorden die de Goddelijke Majesteit Zelf uit de hemel spreekt – dan ben ik ook zeker dat alles wat deze Mens spreekt en doet, alle woorden en werken van de lieve Zoon, voor God zeer welbehaaglijk zijn. Kijk, daarop moet ik letten en dat moet ik goed begrijpen.

Wat ik dan nu voortaan Christus hoor spreken of wat ik Hem verder zie doen: dat ik dan ook weet dat Hij dat in alle gevallen voor mij doet. Want Christus zegt dat Hij alles doet en lijdt voor mij – ‘Hij is gekomen om te dienen’ enzovoorts (vgl. Mattheüs 20:28). Als ik dan denk aan deze woorden van de Vader, Die zegt dat Christus Zijn lieve Zoon is, dan moet voor mij duidelijk zijn, dat het spreken, doen en lijden van Christus, dat Hij voor mij doet, voor God ook zeer welbehaaglijk is.

Nu, hoe kon God meer weggeven en Zich lieflijker of zoeter openbaren? Hij zegt immers dat het Hem zeer welgevallig is, dat Zijn Zoon Christus zo vriendelijk met mij spreekt, het zo goed met mij bedoelt, en met zo’n grote liefde voor mij lijdt en sterft – ja alles doet!

Denkt u niet dat als een mensenhart dit welgevallen van de Vader in Christus – ook in het dienen van ons – eens op de goede manier zou voelen, dat dan zo’n hart van pure vreugde in honderdduizend stukken moest breken? Want daar zou het [mogen] kijken in de afgrond van het hart van de Vader, ja in de grondeloze en eeuwige goedheid en liefde van God, die Hij voor ons heeft en van eeuwigheid gehad heeft” (vgl. Johannes 3:16).

Maarten Luther: Predigten des Jahres 1526, (Eyn sermon von der tauff Christi, aus dem dritten capittel Matthei, an dem tag der heyligen drey koning tag), vgl WA 20, 228, 25 – 229, 25

Bron: Wilt u deze Luthercitaten ter kennismaking doorsturen aan uw vrienden?! Er zijn geen kosten aan verbonden. Voor het aanmelden/afmelden van deze wekelijkse citaten kunt u gebruikmaken van dit e-mailadres info@maartenluther.com en van deze website: www.maartenluther.com (contact op de homepage)

***

16 En nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag de Geest van God als een duif neerdalen en op Zich komen. 17 En zie, een stem uit de hemelen zei: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb! (Uit Handelingen 2)

32 Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen. 33 Hij is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader de heilige Geest, die ons beloofd is, ontvangen. Die Geest heeft hij op ons doen neerdalen, en dat is wat u ziet en hoort. 34 David is weliswaar niet naar de hemel opgestegen, maar toch zegt hij: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, 35 tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’” 36 Laat het hele volk van Israël er daarom zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en Messias is aangesteld.’ (Uit Handelingen 2)

14 Maar ik zal mij volstrekt niet beroemen op iets anders dan op het kruis van onze Heere Jezus Christus, door Wie de wereld voor mij gekruisigd is, en ik voor de wereld. 15 Want in Christus Jezus heeft niet het besneden zijn enige kracht, en ook niet het onbesneden zijn, maar wel dat we een nieuwe schepping zijn. 16 En allen die overeenkomstig deze regel wandelen: vrede en barmhartigheid zij over hen en over het Israël van God. 17 Verder, laat niemand mij lastigvallen, want ik draag de littekens van de Heere Jezus in mijn lichaam. 18 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen. (Uit Galaten 6)

Zie evt. ook: Amazing Grace (I)

Geplaatst in Bijbel, Gemeente, Israël | Plaats een reactie

Het “Umdenken” dat Jezus ons leren wil…

Dat het “Umdenken” dat Jezus ons leren wil (m.n. Zijn onderwijs in de Bergrede) verder gaat dan we op het eerste gehoor zouden kunnen denken…

  •  Wij mensen: Wat gij niet wilt wat u geschied, doet dat ook een ander niet
    (Bron: o.a. religieuze en filosofische teksten uit China, India, Perzië, het oude Egypte en Griekenland)

Jezus: Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten. 
(Bron: Jezus, Gods Woord, de Bijbel, Matteüs 7)

Umdenken: Dus actief het goede voor de ander zoeken en hem dat “toebrengen”

  •  Wij mensen: Ik wil jou van harte dienen en als Christus voor je zijn…
    (Bron: christelijke liederen, Opwekkingslied 378)

Jezus: Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven
(Bron: Jezus, Gods Woord, de Bijbel, Matteüs 25 : 31-46, Hebr. 13 : 2)

Umdenken: Niet ik zal voor jou als Christus zijn, maar ik zal jou van harte dienen en/want jij zult (als) Christus voor mij zijn…

  • Wij mensen: De kerkenraad en de predikant nodig(d)en ons allen van harte uit (nu) ook (dit keer) de avonddienst bij te wonen…

Gods woord (=Christus): Laten we opmerkzaam blijven en elkaar ertoe aansporen lief te hebben en goed te doen, en in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen, en dat des te meer naarmate u de dag van zijn komst ziet naderen.
(Bron: Christus bij monde van de apostelen, Gods Woord, de Bijbel, Hebr. 10 : 25-26)

Umdenken: Niet de kerkenraad en (evt.) een belangwekkende gebeurtenis/persoon, maar Christus zelf roept ons op om de zondag en ook de belegde samenkomsten van Zijn gemeente goed te benutten om zodoende Zijn wil (ook hierin) te eerbiedigen en om deze samenkomsten vooral ook te gebruiken om elkaar te bemoedigen en om Zijn wil voor ons (samen!)leven steeds beter te leren verstaan.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie