‘Zegswijze komt ongetwijfeld voort uit de middeleeuwse mystiek…’

‘Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.’ (Uit 2 Korintiërs 5 uit de verzen 14-21 : 21)

Geciteerd 1: Een opvallend verschil tussen beide versies* is dat de bekende uitspraak over de ”vrolijke ruil” tussen Christus en de zondaar (de zondaar krijgt Christus’ gerechtigheid, Christus krijgt de schuld en smet van de zondaar) in de Latijnse versie zo niet voorkomt. „De zaak zelf staat er wel in, maar in andere bewoordingen. Luther duidt het dan aan als een ”dulcissimum spectaculum”, een ”lieflijk schouwspel”.”
* De Duitse en Latijnse versie van Luthers bekende traktaat ”De vrijheid van een christen”

Deze zegswijze van Luther komt ongetwijfeld voort uit de middeleeuwse mystiek en de bruidsymboliek waarmee de reformator zeer vertrouwd was, stelt Boerke. „Tussen Christus en de zondaar komt door het geloof een huwelijk tot stand, zoals tussen bruidegom en bruid. Maar wat is dat voor een bruidje? Ze is niet zo mooi, hoor! Toch komt er gemeenschap van goederen tot stand. De bruid mag zich alles wat van Christus is, toe-eigenen. En Hij neemt alle schuld van de bruid op zich en alle smet die haar aankleeft (1). Dat is waar het in deze beeldspraak om draait.”

De vertaalster vermoedt dat Luther dit zo deed omdat hij bij theologen niet profaan wilde overkomen. „Die verklaring las ik ook bij diverse lutheranen. Hij wilde niet dat men hem platheid zou verwijten en hem iets zou tegenwerpen als: Ja, maar wij nietige mensen ruilen toch niet zomaar iets, wat dan ook, met God of met Christus? Maar voor het gewone volk heeft hij zich wel zo willen uitdrukken.”

Geciteerd 2a: In 1520 publiceert Luther zijn rechtvaardigingsleer in die vorm waarin zij geschiedenis zou maken. Hij doet dat in zijn tractaat over ‘der Freiheit eines Christenmenschen’. In dit geschrift wordt de ‘vrolijke ruil’ als het centrale gebeuren in het leven van een Christen naar voren gebracht. Het doet denken aan een huwelijk waar de bezittingen van bruid en bruidegom geruild kunnen worden. Op dezelfde wijze ontvangt de zondaar de gerechtigheid van Christus. In ruil daarvoor neemt Christus de zonden van de christen over. Later ontdekt Luther in het beeld van de ladder naar de hemel het Bijbelse symbool voor de vrolijke ruil: de droom van Jakob is werkelijkheid geworden, Christus klimt uit de hemel, de christen stijgt echter naar boven om één te worden met God. Het spreken over een vrolijke ruil, dat Christus door de schuld van de mens over te nemen zelf ‘onrechtvaardig en zondaar wordt’ – het riep onmiddellijk vrome verontrusting op -, is ook bij Staupitz te vinden. Maar de consequentie die Staupitz daaruit trok, week van die van Luther af: de gelovige, bevrijd van de last der zonden, zal nu ook werkelijk vrede vinden. Zijn nieuwe status van rechtvaardigheid is waarneembaar, een zoet voorgerecht van de eeuwigheid.
In tegenstelling daarmee ervaart Luther concreet de toename van de macht van de duivel, die uitgedaagd door het evangelie van de vrolijke ruil, zijn aanvallen direct richt op de gelovigen. Tegenover de ‘vreemde’ gerechtigheid van Christus beroept de duivel zich op Mozes en zijn ‘Tien Geboden’, kweekt gewetensnood, eist goede werken en drijft onophoudelijk het geweten ertoe aan de toorn van God te stillen. De ‘vrolijke’ ruil waarover Luther spreekt, leidt niet tot zoete ervaringen, want in de strijd met de duivel is er geen rust, geen vrede en geen aantoonbaar succes.

Geciteerd 2b: De explosies in de ziel van Luther, die hij zelf beschrijft als helse pijnen veroorzaakt door aanvechtingen, hebben vergaande gevolgen gekregen. Niet alleen als Bijbels theoloog, maar ook als psychologisch bedreven zielzorger is de reformator geheel eigen wegen gegaan, die bepaald niet zonder gevaar waren. In ieder geval was het denkbaar dat de innerlijke spanning hem gebroken zou hebben of dat hij, omgekeerd, ze zou hebben gesublimeerd. Er bestond wel degelijk het gevaar dat de monnik zich in zijn zelfanalyse zou verstrikken en als gevolg daarvan zichzelf klem zou zetten. Dan was zijn creatieve kracht en hoge intelligentie gesloopt door zijn aangeboren overgevoeligheid. Voor dat gevaar heeft zijn mentor, zijn ‘vader in Christus’ Johannes von Staupitz hem behoed: ‘Door Staupitz heeft de Here Jezus mij herhaaldelijk op wonderbaarlijke wijze opgericht en gesterkt.’
De andere mogelijkheid was geweest om de weg van een speculatieve mystiek te gaan. Daarop heeft de jonge Luther zich enige tijd inderdaad bewogen. Een ziel die naar God verlangt, tracht de wereld achter zich te laten, afstand te doen van alle aardse zaken en hemelse sferen te beklimmen, om – eindelijk – rust te vinden in de gelukkig makende vereniging met God. Leest men de jonge Luther dan verwacht men op iedere volgende bladzijde de ondubbelzinnige instemming met deze mystiek. Die komt ook wel, maar in een totaal andere vorm en met andere accenten. Hij heeft niet tot doel tot God op te stijgen…

Geciteerd 2c: De ontmoeting met de theologie van Augustinus bij Staupitz en met de mystieke ervaring bij Tauler bemoedigt en staaft Luther verder te gaan op zijn weg naar nieuwe vroomheid en een nieuwe wetenschap. Beide beslissende belevenissen, de aanvechting en de mystieke opstijging, de duivelse godverlatenheid en de gelukkigmakende eenwording met God, zijn niet langer de kenmerken van twee randgroepen in de Christenheid, zij die geestelijk ziek zijn en zij die behoren tot de geestelijke elite. Alle leden van de ware kerk worden aangevochten en zijn tegelijkertijd één met God. Dat betekent ook dat de kerk der martelaren niet behoort tot een verre, achterhaalde fase in de geschiedenis van de kerk. De kerk is de gemeenschap van gelovigen en blijft daarom ook de gemeenschap van hen die door de duivel aangevochten worden.
De stijlfiguren en beelden die Luther gebruikt, ‘vrolijke ruil’ en ‘Jakobsladder’, missen elke wetenschappelijke, abstracte steriliteit. Ze vormen de uitdrukking van een levensbeweging, niet een toestand; ze ontspruiten niet uit theologische theorie-vorming, maar aan de levende geloofservaring van het menselijke leven dat zich afspeelt tussen God en duivel.

‘Mijn theologie** heb ik niet in één keer geleerd, maar ik heb er steeds dieper en dieper naar moeten zoeken. Daar hebben mijn aanvechtingen mij toe gebracht. want de heilige Schrift kan men nooit verstaan zonder de praktijk en de aanvechtingen… Wanneer wij niet zulk een duivel zouden hebben dan waren wij slechts speculatieve theologen, die alleen maar met hun gedachten omgaan en alleen maar speculeren met hun verstand, dat het zo en alleen zo moet zijn; zoals de monniken in het klooster ook hebben gedaan.’
** Of toch beter: mijn verstaan van Gods Woord.

Bron citaat 1: RD kerk & religie – ‘”Vrolijke ruil” komt in Latijnse versie van Luthers ”Vrijheid van een christen” niet voor’ – door Addy de Jong.
Bron citaten 2a t/m 2c: Boek ‘Luther, mens tussen God en duivel’ – ‘VI De aangevochten reformator – mystiek voor het leven: Tauler en Staupitz’ – van Heiko A. Oberman (1930-2001), hoogleraar in de kerkgeschiedenis in Tübingen en Tucson (USA).

‘Mannen heb je vrouw lief, zoals Christus de kerk (Zijn gemeente) heeft liefgehad en zich voor haar heeft prijsgegeven om haar te heiligen, haar te reinigen met water (!) en met woorden en om haar in al haar (van Hem ontvangen) luister bij Zich te nemen, zodat ze zonder vlek of rimpel of ook maar iets ontluisterends zal zijn, heilig en zuiver.’ (Uit Efeziërs 5 uit de verzen 21-33 : 25-27)

Bron afbeelding: Daily Verse Reading

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie