Wij houden ons aan de ook aan óns geopenbaarde dingen…

“Want ik ben uit de hemel gekomen, niet dat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem Die Mij heeft gezonden.‘ (Uit Johannes 6 uit de verzen 25-40 : 38)

Geciteerd: Johannes vlecht en knoopt het in zijn Evangelie voor zijn lezers zó tezamen dat het Wezen [m.i. beter: het God-zijn] van de Vader en de Zoon en van de Heilige Geest, één Wezen en één drie-enige God is, van enerlei wil, wijsheid en (liefdes!)werk. Ja, Die in alles één Godheid en Eén en Dezelfde is. Zó vriendelijk stelt Hij Zich aan ons voor, opdat wij in Hem zouden geloven: wanneer ik de wil van de Zoon hoor, dan hoor ik ook de wil van de Vader; zie je de Zoon, dan zie je ook de Vader (Johannes 1 : 18, Johannes 14 : 9); wanneer je Mijn wil hoort, dan hoor je ook de wil van Mijn Vader; zie je Mijn barmhartigheid, dan zie je ook de barmhartigheid van de Vader.
Vrees niet voor de Vader! Je hart moet niet deze woorden spreken: Ja, Heere Christus, ik geloof Uw woorden, dat U mij niet zult verstoten. Maar wat als de Vader – in Zijn eeuwige raad – niet genadig wil zijn, maar eeuwig verstoten. Nee, antwoord Hij, er is geen toorn (en geen aanklager) meer in de hemel. Wanneer je – door doop en geloof – met Mijn wil bent verenigd, heeft de Vader je tot Mij getrokken (Johannes 6 : 44). Want Mijn wil is niet anders dan Zijn wil. Hij heeft je – door je Zijn Heilige Geest te geven! – geleerd om Mij te kennen en in Mij te geloven. Want de wil van de Vader is ook de wil van de Zoon. En ook de wil van de Heilige Geest.
[Maarten Luther: Wochenpredigten über Joh. 6-8, WA 33,90 ff]

Leestips: Kolossenzen 1 : 12-20, 2 Korintiër 5 : 14 t/m 6 : 13 en 1 Johannes 4 : 7-21.

Opgemerkt: De genoemde verzen van de brief aan de Kolossenzen leren ons – in overeenstemming met het onderwijs van heel Gods Woord, zoals we dat nu lezen in met het licht van het getuigenis van de apostelen – dat God de wereld geschapen heeft om ons Zijn liefde bekend te maken. De mensheid werd dus niet geschapen om deze wereld tot Gods eer tot cultuur te brengen, want daarin bleek de mens(heid) vanaf het begin te falen en ook nu nog altijd weer – ook de christenheid veranderde en verandert daar niets aan -, maar om zich te leren (!) verheugen in Gods liefde en in de Verlossing die Hij voor ons bewerken zou en bewerkt heeft door Zijn geliefde Zoon. Dát geloof, dat wil de Heilige Geest in ons werken door de bediening van Woord en Doop en Avondmaal. Hij wil niet werken zonder de ons geschonken middelen of buiten de ons geschonken middelen om. Dat laatste is vragen om problemen en dat is wat in sommige gemeenten/kerken de mensen zelfs vanaf de kansels wordt ‘aangepraat’.

Bron citaat: ‘Vertroost elkaar met deze woorden’ – ‘Meditatie van 14 oktober’ – Den Hertog uitgeverij (2022)

‘Dat wij in Hem blijven en Hij in ons – sinds dat we gedoopt werden -, dat weten we doordat Hij ons heeft laten delen in Zijn Geest. En wij (apostelen) hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen dat de Vader de Zoon gezonden heeft als Redder van de wereld. Als iemand – door ons onderwijs [=door doop en het door de Heilige Geest gewerkt geloof!] – belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem of haar en blijft hij/zij in God. Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen dáár op. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem of haar.‘ (Uit 1 Johannes 4 uit de verzen 1-21 : 13-16)

Bron afbeelding: Knowing Jesus

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie