De wereld waarin we leven kan kafkaësk zijn…

‘Misschien is dat wel de ware kafkaëske eigenschap bij uitstek: het gebrek aan verzet tegen het systeem.’

Opgemerkt vooraf: Las het boek ‘Der Prozess’ van Kafka voor mijn eindexamen Duits (1974).

Geciteerd: Het gevoel een machteloos radertje in een bureaucratisch systeem te zijn was Kafka zelf absoluut niet vreemd. Als vicesecretaris van het Verzekeringsinstituut voor Arbeidersongevallen van het koninkrijk Bohemen in Praag snakte hij ernaar om te ontkomen aan ‘het kantoor’, het kafkaëske orgaan bij uitstek, dat al zijn energie opslokte en hem afhield van wat hij werkelijk wilde: schrijven. Door de aard van datzelfde kantoor verkeerde hij in een bijzonder goede positie om zich bewust te zijn van de gruwelen die de in 1914 uitgebarsten Eerste Wereldoorlog met zich meebracht, en des te opmerkelijker zijn dan ook de twee alternatieven die hij in 1915 zag om weg te komen uit het kantoor: oorlog (naar het front worden gestuurd) of verlof. Welbewust de dood opzoeken om te ontsnappen aan een bureaucratisch systeem dat zijn eigen oorsprong, doel en zin is, dat klinkt inderdaad niet erg grappig. Hoe dan ook was het niet van toepassing: Kafka was vrijgesteld van militaire dienst omdat hij onmisbaar was voor het kantoor. Dat er naast het al even onmogelijke verlof nog een derde alternatief bestond – de kantjes eraf lopen, spijbelen om te kunnen doen wat je echt belangrijk vindt, bijvoorbeeld je nieuwe liefde Milena opzoeken in Wenen – kwam niet bij hem op. Misschien is dat wel de ware kafkaëske eigenschap bij uitstek: het gebrek aan verzet tegen het systeem.

Joseph K., de hoofdpersoon van Het proces, wordt op een dag zomaar in staat van beschuldiging gesteld – ‘zonder dat hij iets fout heeft gedaan’, zegt het boek. Aanvankelijk stribbelt hij tegen, maar hij accepteert daarbij wel al meteen de autoriteit van het gerecht: hij zet het tweekoppige arrestatieteam dat zijn ontbijt opeet niet gewoon buiten de deur. Naarmate het proces vordert, zonder dat er overigens een concrete aanklacht wordt geformuleerd (1), stelt hij zich steeds gedweeër op. Op een bepaald moment besluit hij zelfs zijn hele leven tegen het licht te houden om te kijken of er dan echt geen smetje op rust. Uiteindelijk laat hij zich door twee heren meevoeren en afmaken als een hond – ‘alsof de schaamte hem moest overleven’, schrijft Kafka.

Het systeem, in dit geval het gerecht, is bij Kafka niet zomaar een lastige, logge instantie die je met een gezonde portie doortastendheid uiteindelijk wel de baas kunt worden, vooropgesteld dat je inderdaad onschuldig bent. ‘Het is de oude grap: wij houden de wereld tegen en klagen dat zij ons tegenhoudt,’ luidt een van de aforismen die hij tussen september 1917 en april 1918 schreef, toen hij met zijn zus Ottla op een boerderij in Zürau (het huidige Blsany) verbleef om te herstellen van tuberculose. Duidelijker kan de grote paradox van zijn werk niet onder woorden worden gebracht – of het moet zijn in een ander aforisme uit dezelfde periode: ‘Een kooi ging eens een vogel zoeken.’

Een kooi die een vogel zoekt, een wereld die wordt tegengehouden door de mensen die hem bevolken (2). Je zou het kunnen lezen als sarcasme, als maatschappijkritiek die ter versterking van het retorische effect het tegendeel zegt van wat ze wil betogen, in dezelfde trant als de conclusie van George Orwells 1984: ‘Je moet van Big Brother houden.’ Orwell wil met die uitspraak laten zien hoe volledig een totalitair systeem het individu opeist (2/3), en ook Kafka is vaak zo gelezen, maar het is nog maar de vraag of dat klopt. Vergeefs zul je in zijn werk zoeken naar de romantische held die zich tegen het almachtige systeem probeert te verzetten, en juist dat maakt dat werk zo beklemmend: alsof de vogel niets liever wil dan de kooi behagen.

(1) Ook mij overkwam het dat er geen concrete aanklacht werd geformuleerd en mij ter ore kwam. In en door een soort van geheim volksgericht bij een broeder aan huis werd ik in eerste instantie veroordeeld en alleen de strafmaatregelen werden mij in een – aldaar in het geheim opgestelde – ‘huwelijksdwangbrief’ voorgelegd en wanneer ik niet volgzaam de opgelegde strafmaatregelen zou accepteren en opvolgen zou een totalitaire sociale uitsluiting volgen, en dat is er, vanwege mijn weigeren aan de absurde opgelegde strafmaatregelen te voldoen, ook inderdaad van gekomen.
(2) Kan een kerkelijke gemeente (met gebruik van de burgerlijke gemeente en instanties) zo’n kooi worden en zijn en dat vanwege de houding en mentaliteit van de mensen die haar bevolken?
(3) Lees ook: https://www.filosofie.nl/big-brother-zit-nu-in-onze-broekzak/

Bron citaat: Filosofie Magazine – ‘Franz Kafka: een kooi ging eens een vogel zoeken’ – door Martin de Haan

‘Laat mij als een kleine vogel / schuilen mogen
waar G’uw vleuglen om mij slaat
Want Gij weet Wien ik mij wijdde, dat ik zeide:
Heer, Gij zijt mijn toeverlaat.’
(Uit Psalm 61 het derde vers* in de berijming van 1967)
* Herinner me het zingen van dit vers vooral uit mijn jonge jaren thuis en op school en toen ook nog in de diensten. Goed om deze berijmde Psalm met ook de volgende (Psalm 62) nog weer eens te lezen, overdenken en zingen…

Bron afbeelding: Foto AJ (Puttertje van Fabritius**, de plaat laat hing in de hal van De Honskamp in Lunteren)
** Lees deze blog: ‘Het puttertje van schilder Carel Fabritius‘

a



Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie