Waarom komen we zondags (nog) in de kerk…

‘Je/jullie gebruiken je mond voor lastertaal
en verbinden je tong aan bedrog.
Jullie getuigen tegen je eigen broeder,
werpen een smet op de zoon van je moeder (lid van gemeente/kerk).

Zou Ik dan zwijgen bij wat jullie doen,
Jullie denken toch niet dat Ik ben zoals jullie?
Ik klaag jullie aan, Ik som jullie wandaden op.
Begrijp dit goed jullie die God vergeten (in je dagelijks bestaan),
of Ik verscheur jullie, en er is niemand die redt.

Wie een dankoffer* brengt, geeft Mij alle eer,
wie zo zijn/haar weg gaat, zal zien dat God redt.’
(Uit Psalm 50 uit de verzen 16-23 : 19-23)

* Zie Romeinen 12 : 1-2.

Geciteerd: De kerk ís geen vereniging. En je komt er niet eens allereerst om gevoed te worden, om iets te halen. Dan kun je inderdaad thuis blijven als je voor je gevoel tekortkomt, of omdat je ergens anders ook kunt eten. Het is een plek om te vieren dat God van mensen houdt – om bij Hem kind aan huis te zijn. Je komt er iets brengen: lichaam en ziel (met alles wat daarin leeft), gebeden en gaven, en alle dank, eer, lof en aanbidding. Je komt voor het uitzicht: op de stad van vrede.
Je zou graag meer dan die 44 procent in de kerk willen zien, maar als het er minder zijn, doet dat aan de realiteit niets af: het heden zingt zijn eer, de toekomst is zijn rijk.

Opgemerkt: Zullen we er niet beter aan doen met meer besef van bedelaars te zijn naar onze (ere?) diensten/samenkomsten te gaan? Hebben wij werkelijk zoveel goeds in te brengen en kijken we werkelijk (liever) met z’n allen uit naar de toekomstige stad van vrede, of is dat niet meer dan een doekje voor het bloeden van anderen (minder bedeelden)? En we kunnen wel luidkeels Zijn eer menen te zingen, maar of dat (bij Hem) ook (zo) overkomt?

Bron citaat: ND Opinie -‘Je zou meer dan die 44 procent in de kerk willen zien. Maar het uitzicht verandert er niet door’ – door Wim Houtman.

‘Zij die trouw waren zijn verdwenen uit het land, niemand is nog rechtschapen. Allen zijn op bloed belust, ieder belaagt zijn naaste. Ze bekwamen zich in het kwaad: alleen voor geld stellen leiders een onderzoek in, rechters spreken recht tegen betaling, hooggeplaatsten zeggen wat hun het beste uitkomt, en zo houden zij het recht op afstand. De deugzaamste van hen is als een doornstruik, de oprechtste is erger dan een stekelhaag. De dag van straf, door jullie wachters aangekondigd, is gekomen, en het volk is in beroering! Geloof je naaste niet, vertrouw je vriend niet, let op je woorden, ook bij wie er in je armen ligt. De zoon veracht zijn vader, de dochter verzet zich tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder, en huisgenoten blijken vijanden.
Maar ik blijf uitzien naar de HEER, ik blijf hopen op de God Die mij redding zal brengen. Hij zal mij horen, mijn God
. (Uit Micha 7 de verzen 2-7)

Bron afbeelding: Pinterest

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie