‘Een lichaam is een eenheid die uit veel delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al (!) die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Jezus Christus [=Zijn gedoopte gemeente(n)]. Wij zijn allen (!) gedoopt in één Geest en daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen (!) van één Geest doordrenkt, of we nu uit het Joodse volk zijn of uit een ander volk afkomstig zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn. Immers een lichaam bestaat niet uit één deel, maar uit vele.’ (Uit 1 Korintiërs 12 de verzen 12-14)
Stelling: Wie gedoopt is met de Geest is onderdeel van het lichaam van Christus (1 Kor. 12:13).
Hieruit leren wij: iemand die slechts met water gedoopt is, behoort niet tot het lichaam van Christus.
‘Degenen die uit Jeruzalem verdreven waren trokken rond en verkondigden het Evangelie. Filippus ging naar de stad Samaria, en verkondigde hun de Messias. Alle inwoners luisterden met grote belangstelling en vol ontzag naar wat hij zei toen ze de wonderen zagen die hij verrichtte: veel mensen werden bevrijd van onreine geesten, die hen onder luid geschreeuw verlieten, en tal van verlamden en kreupelen werden genezen. Daarover ontstond grote vreugde.’ (…) ‘Toen Filippus hen door de verkondiging van het koninkrijk van God en de naam van Jezus Christus tot geloof bracht, lieten ze zich dopen, mannen zowel als vrouwen.‘ (…) ‘Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria het Woord van God hadden aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe. Nadat ze daar aangekomen baden ze dat ook de Samaritanen de Heilige Geest mochten ontvangen, want deze was nog op niemand (zichtbaar of hoorbaar) neergedaald; ze waren alleen gedoopt in de Naam van de Heer Jezus.’ (Uit Handelingen 8 uit de verzen 4-25)
Geciteerd 1: Een belangrijke vraag hier is: kan er sprake zijn van geloof en doop in de Heere Jezus, terwijl de werking van de Heilige Geest ontbreekt? In het leven en handelen van Simon zien we helaas deze praktijk.
Opgemerkt 1a: Blijkbaar vroegen de apostelen zich af of het werkelijk de bedoeling was om ook aan niet Joden elders in Israël of daarbuiten het Evangelie te verkondigen. En dit ondanks het feit dat onze Heer Zelf het Evangelie al verkondigt had aan de Samaritaanse vrouw en daarna ook aan haar stadsgenoten, die op het getuigenis van deze vrouw naar Jezus waren komen luisteren (zie Johannes 4). Blijkbaar wilden Petrus en Johannes nu toch graag bevestigd zien dat ook aan deze mensen het Evangelie verkondigd mocht worden en wel door (ook) een zichtbare en hoorbare uitstorting van de Heilige Geest op deze door Filippus met water gedoopte mensen. En God wilde dat – bij en door hun handoplegging – ook daadwerkelijk zichtbaar en hoorbaar laten gebeuren. Dat moet een genadige bevestiging en een grote bemoediging zijn geweest voor die gedoopte Samaritanen en dat natuurlijk ook voor de Petrus en Johannes. Ze konden nu met goed bericht terug naar de gemeente in Jeruzalem.
Opgemerkt 1b: Van Filippus lezen we even later hoe een engel van de Heer en later de Heilige Geest hem instrueren ten bate van een ontmoeting met een Ethiopiër, die even later ook door hem (met water) gedoopt wordt. Ook daar lezen we niet over een waarneembare uitstorting van de Heilige Geest en ook niet dat Petrus en Johannes hem nagereisd zijn om dat alsnog te bewerkstelligen. Blijkbaar wilde God in Samaria – net als later in het huis van de Romeinse hoofdman Cornelius – een duidelijk zichtbaar teken stellen om duidelijk te maken dat Hij ook deze (niet Joodse) mensen door het geloof hetzelfde geschenk wilde geven als de gedoopte Joodse gemeente in Jeruzalem (zie Handelingen 10 : 44-48 en 11 : 17 en ook Handelingen 15 : 8-11)
Opgemerkt 2: Laten we hierbij ook luisteren naar wat in de gelijkenis van de zaaier gezegd wordt. ‘Bij ieder die het woord van het Koninkrijk hoort maar het niet begrijpt, komt hij die het kwaad zelf is en rooft wat in hun hart is gezaaid; bij hen is op de weg gezaaid.’ (Matteüs 13 : 19). Blijkbaar moet de hoorder het gezaaide Woord niet alleen willen horen, maar het ook (willen en gaan) begrijpen. De Heilige Geest is daar dus bij de verkondiging in Samaria aan het werk geweest en brengt het gezaaide Woord tot in de harten, maar het kan dus gebeuren dat de boze gelegenheid krijgt om iemands hart weer leeg te roven.
De Farizeeën en Wetgeleerden kregen van onze Heer (en later van de apostelen en van Stefanus) te horen dat ze zich verzetten tegen het werk van de Heilige Geest en dat ze Hem [=de Heilige Geest] zelfs lasterden met wat ze over onze Heer (en de doop en het getuigenis van Johannes de Doper*) beweerden. Ze – de meeste van hen – hadden zich ook niet willen laten dopen door Johannes (of later de discipelen van de Heer, zie Johannes 4 : 1-2). Mogelijk wilden sommigen dat wel, maar durfden ze het vanwege hun invloedrijke collega’s, die de macht hadden iemand uit de synagoge te werpen, toch niet aan**. Toen Jezus hen vroeg of de doop van Johannes ‘uit de hemel was’ (of niet) wilden ze Hem op die vraag geen antwoord geven.
Lees hierbij ook wat Johannes schrijft in Johannes 12 : 37-50 en ook in Lukas 7 : 29-30 hoe de waterdoop van Johannes door de Geest vruchtbaar werd in de harten van de mensen die zich eerder door Johannes hadden laten dopen en nu (gelovig en begrijpend!) luisterden naar de woorden van onze Heer .
* Zie hierbij de woorden van onze Heer in Johannes 3 : 10-13 waar hij spreekt over het getuigenis van Johannes de Doper.
** Zie hierbij de woorden over zulke vreesachtige mensen in Johannes 12 : 42-43.
Bron stelling: RD kerk & religie – ‘Ds. Schot schrijft 95 stellingen over de doop; “Oudvaders acht ik hoog, maar de Schrift gaat voorop”‘ – door Heleen van de Fliert
Bron citaat: RD Kerk & religie | Meditatie – ‘Wekelijkse meditatie: Meer dan een handgebaar’ – door ds. B. Jongeneel.
‘Toen Jezus Zich ophield in de tempel, kwamen de hogepriesters, de Schriftgeleerden en oudsten van het volk naar Hem toe en vroegen Hem: “Op grond van welke bevoegdheid doet U deze dingen? Wie heeft U het recht gegeven om zo te handelen?” Jezus antwoordde: “Ik zal u ook een vraag stellen, als u me daarop een antwoord geeft, zal Ik zeggen op grond van welke bevoegdheid Ik handel. Doopte Johannes in opdracht van de hemel of van de mensen? Antwoord Mij.” (Uit Marcus 11 uit de verzen 27-33 : 27-30)
NB. Dit is ook opgetekend in Matteüs 21 : 23-27 en Lukas 20 : 1-8 een belangrijk geloofspunt dus bij en voor het optreden van onze Heer, al had Hij Zich daar al eerder over uitgesproken en was de vraag van de vragenstellers al eerder door Hem beantwoord – zie o.a. Johannes 5 : 14-47.
Bron afbeelding: A Christian Pilgrimage